Skip to main content

Full text of "Oud Holland"

See other formats


Google 



This is a digital copy of a book that was prcscrvod for gcncrations on library shclvcs bcforc it was carcfully scannod by Google as part of a project 

to make the world's books discoverablc onlinc. 

It has survived long enough for the copyright to cxpirc and the book to enter the public domain. A public domain book is one that was never subject 

to copyright or whose legal copyright term has expired. Whether a book is in the public domain may vary country to country. Public domain books 

are our gateways to the past, representing a wealth of history, culture and knowledge that's often difficult to discover. 

Marks, notations and other marginalia present in the original volume will appear in this file - a reminder of this book's long journey from the 

publisher to a library and fmally to you. 

Usage guidelines 

Google is proud to partner with libraries to digitize public domain materials and make them widely accessible. Public domain books belong to the 
public and we are merely their custodians. Nevertheless, this work is expensive, so in order to keep providing this resource, we have taken steps to 
prevent abuse by commercial parties, including placing lechnical restrictions on automated querying. 
We also ask that you: 

+ Make non-commercial use of the files We designed Google Book Search for use by individuals, and we request that you use these files for 
personal, non-commercial purposes. 

+ Refrainfivm automated querying Do nol send aulomated queries of any sort to Google's system: If you are conducting research on machine 
translation, optical character recognition or other areas where access to a laige amount of text is helpful, please contact us. We encourage the 
use of public domain materials for these purposes and may be able to help. 

+ Maintain attributionTht GoogXt "watermark" you see on each file is essential for informingpeopleabout this project and helping them find 
additional materials through Google Book Search. Please do not remove it. 

+ Keep it legal Whatever your use, remember that you are responsible for ensuring that what you are doing is legal. Do not assume that just 
because we believe a book is in the public domain for users in the United States, that the work is also in the public domain for users in other 
countiies. Whether a book is still in copyright varies from country to country, and we can'l offer guidance on whether any specific use of 
any specific book is allowed. Please do not assume that a book's appearance in Google Book Search means it can be used in any manner 
anywhere in the world. Copyright infringement liabili^ can be quite severe. 

About Google Book Search 

Google's mission is to organize the world's information and to make it universally accessible and useful. Google Book Search helps readers 
discover the world's books while helping authors and publishers reach new audiences. You can search through the full icxi of this book on the web 

at |http: //books. google .com/l 



OUD-HOLLAND. 



I 8 8 5. 



OUD-HOLLAND. 



JÊieuhiB l^ijtiragEn 



VOOR DE 



Geschiedenis der Neder landsche Kunst, 
Letterkunde, Nijverheid, enz. 



ONDER REDACTIE VAN 



M«. N. D E R O E VER, 

Arehivarit van Amtterdam. 



Derde Jaargang, 1885. 



Ter Drukkerij van de Uitgevers Gebroeders Binger, 
Warmeesstraat, 174. — AMSTERDAM, 1885. 




JAN 1937 



INHOUD VAN DEN DERDEN JAARGANG. 



Bladz. 

De Tapijtfabriek van Karel van Mander den Jonge, te Delft, i6i6— 1623, 

door A. B r e d i u s. {Met platen en fac-similes) i 

SiBYLLE VAN Griethuysen, door Dr. J. A. W O r p 23 

De Coninxsloo's, door Mr. N. de Roever. {Met faC'Similes) 33 

Iets over Jan Jansz. Starter, door A. B r e d i u s 54 

Biografische aanteekeningen betreffende voornamelijk Amsterdamsche 

SCHILDERS, plaatsnijders, ENZ. EN HUNNE VERWANTEN, verzameld door 

Mr. A. D. de Vries Azn. {Met faC'Similes,) (I — IV) . . 55, 135, 223 en 303 

De omkeering in den Kerkstaat te Amsterdam van 1578, door den Prins 

VAN Oranje veroordeeld, door Prof. Dr. J. J. vanToorenenbergen. 82 

REMBRANDT, nieuwe bijdragen tot zijne LEVENSGESCHIEDENIS, door A.Br edius 

en Mr. N. de Roever. {Met fac-similes) 85 

De Amsterdamsche Schutters-stukken in ên buiten het nieuwe Rijks- 
museum, door D. C. M e ij e r Jr , ... 108 

Anna Roemers, losse aanteekeningen, door J. H. W. Unger. (I en II). 123, 161 
Drie Amsterdamsche Schilders, (Pieter Isaacksz, Abraham Vinck, Cornelis 

VAN DER Voort), door Mr. N. de Roever. {Met fac-similes) 171 

Martinus Hortensius, de eerste Hoogleeraar in de Mathetische Weten- 
schappen TE Amsterdam, door E. W. M o e s 209 

Iets over Johannes Vermeer, („De Delftsche Vermeer,") door A.Bredius. 217 
Gaspar van Baerle, {Eerste gedeelte) zijne jeugd, studententijd en predikambt 

(1584 — 1612) door Dr. J. A. Worp 241 

Jan Harmensz. Muller, door Mr. N. de Roever. {Met een pretit enfaC'Similes) 266 
Jan Pietersz. Sweelinck en andere organisten der i6e eeuw, door Mr. Ch. 

M. D o z y. {Met een faC'Simile) 277 

Bladwijzer over den Jaargang 1885 i — xiül 



PRENTEN EN FACSIMILE'S. 



Bladz: 
"^ Tapijt uit de fabriek van Ka rel van Mander den Jonge (vroeger inde 

Coll. Demid off) tegenover , i 

^ Fac-simile van het merk van Joost Jansz, tapitsier te Delft 2 

yf Rand van een tapijt uit dezelfde fabriek, (mede uit de Coll. Demi dof f) tegenover 8 
u Fac-simile der merken van Jacques Tack en Pieter van Koppenol, 

tapitsiers te Delft 9 

* Fac-simile van het merk van Balthasar van der Zee, tapitsier te Delft . 10 
1» ^ der merken van Anthony de Lawaere en Guilliaume Spiertngs, 

tapitsiers te Delft 15 

\, Fac-similes van drie teekeningen van F. C Lund naar de wandtapijten van Ka rel 
van Mander den Jonge, indertijd op het slot Frederiksborg bij Kopenhaven. 

tegenover lö en 19 

V Fac-simile van de merken van Pauwels Rombouts en Jacob de Vos, tapitsiers 

te Delft 19 

^/ Fac-simile van de merken van Isac Pietersz, Lyberecht Vervoort, Willem 

de God der, Jacob Tack en Lucas M a r i e s^ tapitsiers te Delft. . . 20 

^/ Fac-simile der handteekening van Karel van Mander den Jonge, tapitsier te Delft. 20 

\/ „ „ „ „AegidiusvanConinxloo, schilder ... 37 
v/ ,, y, „ „ Govert Govertsz en Jaques van der Wij en 

schilders 38 

^ Fac-simile der handteekening van Hans vanConinxloo^ schilder 48 

V r) rt yi „JanBellequin, paerlemoersnijder 62 

^ n ri r> y^AbrahamBlotelingenJanWilemsz 

van Munnickhuysen, plaatsnijders , 66 

V Fac-simile der handteekening van Hendrickie Stoffels 96 

v y, „ ^ „CoenraedtDecker, plaatsnijder .... 140 

Sr yt yt yf „ N ! c 1 d e s E 1 ! d s, schilder 142 

^ y, y, „ y,PieterIsaacksz, schilder 174 



r> v) ^ ^Abraham V i n c k, schilder 184 



V 

-j ' y, ,, yt „CornelisvanderVoort, schilder . . . 190 



VIII PRENTEN EN FAC-SIMILE'S. 

^ Twee fac-similes der hanteekening van Johannes Vermeer, van Delft, schilder. 218 

\j Fac-simile der handteekening van Johannes Lutma, goudsmid 226 

\; „ „ „ „ Eglon Hèndricksz. van der Neer, schilder. 234 

V „ ^ „ „JohanvanNoordt i-« 237 

'' Photogravure naar het door Jan Harmensz Muller gesneden portret van Prof. 

F o n t e y n, tegenover 268 

"^ Fac-simile der handteekeningen van Harmen Jansz. Muller, figuursnijder en 

boekverkooper en Jan Harmensz. Muller, plaatsnijder 269 

o Fac-simile der handteekeningen van AbrahamDoeckmanenHendrikRoghm an, 

plaatsnijdersgezellen > • 272 

^ Fac-simile van een door Jan Pietersz. Sweelinck geschreven blad in het Album 

Amicorum van J. Morsius, tegenover 277 

vJ Fac-simile der handteekening van Chris pijn de Pas, plaatsnijder 305 



DE TAPIJTFABRIEK 

VAN 

KAREL VAN MANDER DE JONGE 

TE DELFT. 

1616— 1623. 

DOOR 

A. B R E D I U S. 



OT nu toe werd er over de geschiedenis der Noord-Nederlandsche 
Tapijtfabrieken en yfapüsier£' zeer weinig geschreven. Bijna alles, 
wat op dit gebied gedaan werd, vindt men in Mr. J. vaN DER 
GraftS: De Tapijtfabrieken der XVI' en X VU' eeuw '), waarin 
hoofdzakelijk slechts de Middelburgsche tapijtwerkers en hunne 
werken besproken worden. Zonderling is het, dat de schrijver, die 
verscheidene bizonderheden over Delftsche tapijtwerkers mede- 
deelt, den naam van den jongen van Mander maar even noemt '). 
Een groote verzameling aanteekeningen over zijn persoon en zijn fabriek stellen mij in 
staat, de lezers van „Oud-Holland" iets nader met de inrichting van zulk eene tapijtfabriek 
bekend te maken. Vooraf echter iets over van Mander'S voorgangers en leermeesters te Delft. 



2 DE TAPIJTFABRIEK VAN KAREL VAN MANDER DE JONGE, TE DELFT. 

Reeds in de tweede helft der XVP eeuw werden er talrijke tapitsiers te Delft 
genoemd. Zoo vind ik tusschen 1590 en 1600 een Jan VAN DER VijST, geboren tot 
Bruyssele in Brabant, wonende jegenswoordich binnen Delft ^) Salomon DE Wilde, 
LowYs Jacobsz. van der Schuyr 2), Jan Bartholomeusz. van Brussel »), Hendrick 
Hendrickz. ^), Joost Jansz. den Bas *), Maerten Utens ^), en anderen meer genoemd. 
Wij zien, dat ook hier de industrie uit de Zuidelijke provinciën overgeplant werd, waar 
zij reeds vroeger eene zoo aanzienlijke hoogte bereikt had. Franchoys Spiertnck of 
Spierincx •), door godsdienstvervolging uit Antwerpen verdreven, richtte 1593 te Delft 
in het „vervallen Sieckhuys, apteeckerye en maetershuys van eertijds Agnieten con- 
vente" op groote schaal een tapijtfabriek op, die weldra een Europeesche vermaardheid 
zou hebben*). De Delftsche tapijtfabriek werd overstelpt met bestellingen; niet alleen 
werden er tapijten gemaakt voor het stadhuis van Delft, voor de vergaderzaal der Staten 
van Zeeland, voor geschenken aan vorstelijke of hooggeplaatste personen ') maar de uit- 
heemsche vorsten zonden hem direct bestellingen. Zoo ontving Spierinck in 16 19 eene 
bestelling voor den koning van Zweden (GUSTAAF Adolf) •) en moest hij in datzelfde jaar 
;nonsters naar Engeland zenden, daar y,syne Co. Mt. van Groot-Brittanien begeerig was 
deselve te sien" •). Geen wonder, dat er reeds vroeg een concurrent opdaagde, en wel een 
der eerste artisten aan Spierinck'S fabriek verbonden: Carel VAN Mander de Jonge, 
zoon van den vermaarden schrijver van het Schilderboek. Hij was omstreeks 1579 te 
Kortrijk geboren. Wanneer hij precies in Delft kwam, kon ik niet ontdekken, maar de 
volgende acten, die juist geen hoog denkbeeld geven van VAN Mander's karakter, doen 
ons zien, dat hij in 1604 reeds bij Spierinck werkte. 



ï) Prot. Not. F. VAN Uytenbrouck, Delft. 

9) 25 Sept. i6x3 besteedt Guillaume Papineau, coopman tot Rotterdam, aan Joost Jansz., tapitsier int Rijetveldt 
tot Delff te maken 40 stuks eenparige schoorsteenkleeden, ieder lang 5^4 ellen en breed een vierendeel en een zestiende 
el, ^van gelijcke figuyre, patroon, ^nte, en in alles gelijck het schoorsteepcleet hem JoosT Jansz. bij Papineau verthoont 
„hangende in de achtercamer van de huysinge van de dubbelde Slootel tot Rotterdam." Papineau levert het geschildert 
patroon voor zijne rekening. De tapijtwerker ontvangt voor ieder stuk twee p>onden vlaems, drie vierde aan geld en een 
vierde aan „florette" geverwde zijde van „allerley coleur, dienstich tot het werck der voorsz. stucken, het pont tot 33 schel- 
klingen." Joost Jansz« zal leveren alle weken een stuk, (alle 10 weken zo stuks). 

Joost Jansz. teekent: 




Prot. Not. A. Rijshouck. Delft. 

«) Geboren te Antwerpen 1549, overleden te Delft, ai Februari 1630. Of de bij van der Grapt opgegeven sterfdatum 
geheel juist is, weet ik niet. Bij Jonkvrouwe A. M. van Vredenburgh te 's Gravenhage berus\ het goed geschilderd portret 
van een bejaard man, met karaktervolle, ernstige gelaatstrekken, witten baard en knevel. Beteekend.* Aet. 76 Anno 1625. 
Achter op het paneel staat met schrift van p. m. 2700/ Francoys Spiering, geboore tot Antwerpe, gevlught om de relige, 
is gestorven tot Delft den 13 Febr. 1630. Zonder eenlgen twijfel is dit het conterfeitsel van onzen tapitsier. 

<) Zie het oprichtingscon^ct bij van der Grapt, blz. 69. 

*) Men leze de bij van der Grapt medegedeelde Resolutien der St. Gen., ik vond er nog een aantal anderen. Zoo 
leverde Spierinck Julij 1609 tapijten „aen den President Jennyn vereert" (7425 pond) Mei 1613 tapijten „omme te vcr- 
eeren Mevrouwe de Cheurvorstinne Paltzgravinne (12.500 pond) Juni 1614 voor een geschenk aan Chalil Bassa etc. 

^ Resolutien Staten Generaal, 1619. 



DE TAPIJTFABRIEK VAN KAREL VAN MANDER DE JONGE TE DELFT. 3 

19 Jan. 1623 verklaart Mr. Huybrecht Grymani, schilder te Delft, oud 60 jaren 
ter requisitie van Jon'. Nicolaes Snouckaert van Schrapplau, dathij Grymani in 1615 
gereisd heeft met Karel Vermander, Mr. schilder, van den Haag naar Delft, en dat onder- 
weegs VAN Mander „tegens hem deposant klaechde, dat hij de tijt van elff jaeren ten 
huyse van Franchoys Spierincx binnen Delft als slave hadde gedient sonder yets te 
konnen te boven coomen *), sulcx dat als hij in dienst van den voorsz* Franchoys Spie- 
rincx quame te overlijden, door dien hy Vermander gants geen middelen ter werelt en 
hadde, dat syn huysvrouw en kinderen, die hy seyde ses in getale te wesen, souden moeten 
leeven van den caritaet huyse alhyer. Ende dat hy hem dept. daeroAime met alle be- 
weechlyckheyt versochte hem by eenig Heere te recommanderen, die verschot van pen- 
ningen hadde, te meer door dyen Vermander verseeckerde, dat Spierincx de wercken ende 
tapytzeryen, dye hy voor ƒ 15. — ende ƒ 16. — de elle lyet opmaken, vercofte ƒ 30. — en 
ƒ 35. — de elle. 

Waarop hy hem, om hem te helpen, aan den Raatsheer JUNIUS te Delft heeft aan» 
bevolen, die VERMANDER soo verre geholpen heeft, dat hy y^naer luit van den Contracte 
jfVan dato den Sen September 2) 1615 een companie van tapytzerye heeft opgerecht" ^). 

Compareerden enz. 8 Juny 1623 de eersame FRANCHOYS Spierinx, meester tapijt- 
zyer, out ontrent 73 jaeren, Oncommera Monnincx, syn huysvrouw, en Aert Spierincx 
out dertich jaeren, zijn soon, mede meester tapytzijer, welcke ten versoucke van Jonck*". 
Nicolaes Snouckaert verclaerden: dat Carel Vermander, schilder, ten huyse van 
hen deposanten als schilder heeft patronen geteeckent en geschildert van 1608 — 1615 en 
dat Vermander geduyrende den voorsz tijt door syn quaet comportement in continuelicke 
armoede heeft geleeft, sulcx dat sy deposanten hem continuelicken hebben moeten geit 
op de hant doen en leenen, zijne huyshueren tot diversche jaeren hebben moeten betae- 
len, als syne goederen op der lyeden booden waren gearresteert ende, als zyn huys- 
vrouw int kinderbedde lach. haer turff hebben moeten geven, omme in de koude winter 
te verwarmen en dickwils in noode moeten assisteren, oock dickwils geit gegeven om 
voor hem, zijn huysvrouw en kinderen broot te koopen omme te leeven, alsoo hem 
nergens yemant yet wilde crediteren, en als hij in den jare 1615 van hen depo- 



1) Ondertusschen blijkt uit het navolgende, dat van Mander in dien tijd nog wel eenige patronen teekende voor 
den Amsterdamschen tapitsier Semey; Mathijs de Schepper was een concurrent van van Mander. 

26 Mei 1630 verklaart Mathijs de Schepper, Mr. Tapitsier wonende te Delft „ten versoecke van Sr. Franchoys 
Spierincx. mede Mr. tapitsier, waerachtich te wesen, dat eenen Abraham Boonart, patroonschilder dewijle ende geduy- 
rende den tyt, dat hy tot ende voor den reqt. Spierincx heeft gewrocht, oock voor den deposant eenighe dinghen mede 
heeft geschildert, ende dat hij deposant werckende eenighe tapyten voor Dirck Semey. Coopmah van tapitserey tot Am- 
sterdam de patroenen daervan dye noch geheel ' nieu waeren, wesende t'subjet van de Natye met bloompotten daertusschen 
uyt de handt van den voorn. Abraham Boonabt heeft gehaelt. Verclaert oock den Dept. waerachtich te wesen, dat hy 
DzRCK Sejibt. Coopman van tapisen, heeft hooren seggen, dat Carel Vermander in dye tyt als hy voor den reqt. Spierincx 
wrocht, oock eenighe dingen geteyckent heeft voor hem Dirck Semet. Actum, etc. 

Prot. Not. C. Coeckebacker. Delft. 

i) In een latere acte staat 15 November 1615. 

*) Prot. 5fot. H. VAN Ceel. Delft. 



4 DE TAPIJTFABRIEK VAN KAREL VAN MANDER DE JONGE TE DELFT. 

santen buyten alle reden ende boven contracte, daerbij hij verbonden was, noch' bij hen 
deposanten te wercken, es doorgegaen, en geen kleederen en hadde om met eere aen zijn 
lijff te trecken, zonder dat hij eenige middelen hadde omme hen deposanten te voldoen 
ofte voldaen heeft, soo van kleederen, linnen en wollen, als bruUoffs kosten op zijn 
bruUoff, dye zij deposanten hem hadden verschoten, als hij zijn huysvrouwe CoRNELlA 
ROOSWIJCKX in den jaere 1608 trouwde, Eyndigende enz. i). 

Compareerden voor mij ondergeteykende Not*. Maertgen Gerrits, huysvr. 

van Ritsert Parcx, oudt 39 jaren, en Maertgen Gillis ongebouwde persoon, oudt 23 jaren, 
beyden binnen deser stadt Delff, ende dienstmeyssens geweest zijnde tot Franchoys 
Spierinck. Ende verclaerden voor de gerechte waerheyt in plaetse van eede ten versoucke 
van den voorsz. SPIERINCK eerst de voorsz. MAERTGEN Gerritsd'., dat sij omtrent elff 
jaren geleden onbehaelt in den juysten tijt, ten huyse van den req' heeft gewoont een 
jaer, ende de voorsz. Maertgen Gillisd'., dat sij daernaer den tijt van twee jaren mede 
ten huyse van den req' heeft gewoont, ende waerachtig te wesen, dat zij deposanten 
geduyrende den voorsz. tijt van hare respective woningh tottes req*" huyse gehoort ende 
gesijen hebben, dat Carel Vermander de Jonge totten req** huyse gevrocht ende patronen 
geteeckent heeft ende oock gesyen te hebben, dat hy VERMANDER op verscheyde reysen 
geteeckent heeft op verscheyde tyden als de voorsz. Spierinck van huys ende buytens- 
lants was. Ende dat hij VERMANDER de patronen oock tegen de muyr heeft laeten hangen 
ende slingeren ende bederven, datse van de muyr bycanst affgevallen zyn. Dat mede zy 
getuygen gehoort ende gesyen hebben, dat den voorsz. Spierinck req* eenige maelen 
groote woorden maeckte tegen den voorsz. VERMANDER, om het vorderen van zijn wercken 
ende begerende, dat hij Vermander zijn req** wercken zoude vorderen overmits hij daer 
groot gebreck bij leet, niet alleen om één stuck, maer om alle zijn andere wercken, overmits 
dat sulcx menichmael gebeurde. Verclaerde voorts Maertgen Gillisd' alleen, dat des 
req" huysvrou ende soonen menichmael tot zijn Carel's huyse zijn geweest ten eijnde 
hij soude comen teeckenen en zijn werck vorderen, ende hem alsoo lange naegeloopen 
hebben omte comen wercken. Dat noch zij getuyge menichmael heeft gesyen hij Ver- 
MANDER deur het lanck naerloopen van des reqts volck noch eijntelijck te werk quam, 
dat zij oock menichmael gesijen heeft dat des req", kinderen hem VERMANDER s'middach 
te eeten ende te drincken brachten, daer hij sat om te teyckenen, omdat de voorsz. Ver- 
mander van sijn werck nijet.en soude gaen ende tselve bij hem te beter mochte gevordert 
worden, alhoewel tselve werck daeromme nijet te meerder off verder gevordert es, deur dat 
hij Vermander dickwils wel gegeten ende gedroncken hebbende, alsdan deurginck ende 
twerck lyet staen, gaende oock somwylen sitten drincken int werckhuys met ABRAHAM 
BOENAERT, die den req* alsdoen oock diende, in dachloon. Verclaert mede gesijen te hebben, 
dat hij Vermander ende de voorsz. Boenaert dickwils het byer van buyten deur de 
vensters, die an straet staen. in deden comen nyet jegenstaende de voorsz. Spierinck hen- 

*) Prot. Not. H. VAN Ceel. Delft. 



DE TAPIJTFABRIEK VAN KAREL VAN MANDER DE JONGE TE DELFT. 5 

luyden drincken bier genouch gaff, als sy sulcx meer eijschten ofte begeerden ende als de 
req* ofte yemant van sijn volck bij gevalle sach ofte opten angangh quamen ende hen 
onversiens verrasten, als sij met drincken besich waren, dat sij alsdan de kanne wechstaken, 
haer gelatende off sij hadden gevrocht,, ende de req* ende zijn volck weder wech wesende, 
lachte en spotte (hij) metten selven SPIERINCK req* voorn, ende zijn volck. Tuygen noch 
lestelick sij comparanten alle beijde het weibekent te wesen, dat den voorsz. Vermander 
tsij off den req* bij huys offle van huys was echter geen werck gebreck heeft gehadt 
ende mitsdien wel gestadelicken hadde mogen wercken, als hem maer en hadde gelust. 
Ende heeft oock dickwils den voorn. Vermander geit van te vooren, eert verdient was, 
van den voorn. Spierinck gehaelt ende ontfangen. Eyndighende hiermede hare verclaringhe 
enz. Gedaen ten huyse van den req' staende int Oostende binnen de voorsz. stadt Delff. 
28 Aug. 161 9. 

Dieuwertge Pietersd*. huysvr. van Jan Ariens, platielbackersknecht, verclaert 
het inhouden van voorsz. attestatie waerachtig te wesen. (Zij heeft al 16 jaren in het huis 
van Fr. Spierinck verkeerd.) 

Actum als boven ^). 

22 July 1617 compareerde de eersame Mr. Hüybrecht Jacobsz Grimani, woon- 
achtich binnen Delff, verclarende dat tusschen, de Heere Nicolaes Snouckaert ter 
eenre, hem comparant en Carel van der Mander ter andere zijde, opgerecht ende 
gemaeckt is seker contract van Sociëteit omme te maecken tapisserie ende deselve te 
beneficieere ende vercoopen, volgende tselve contract. Daarbij onder anderen gestipuleert 
werdt dat hy comp' ende dVoorn. VAN DER Mander gehouden zijn geduyrende den tijt 
van de* Societeijt alle moeijte, sorge en belevt aen te nemen, ten eijnde alles ten meesten 
oorboir van de Comp»« soude worden beleijt, soo in opmaecken ende vercoopen van de 
selve tapijten als oock int incoopen van de waeren ende stoffen daertoe .... dat de 
werckluyden in alles souden doen t'geene van vroome luyden werdt gerequireert. Datcomp*. 
altyts bereyt is geweest aen synder zyde t'contract te voldoen, en alles te besorgen ende 
te bevorderen, doch dewyle Carel van Mander sonder recht en redene de maniantie en 
bevorderinge int geheel, tegens syn comparants danck en wille aen hem is nemende, sonder 
hem als Compaignon te willen erkennen, enz. enz. 

Soo ist, dat hij comp*. protesteert van de maliversatie, die by den voorz. VAN Man- 
der. . . . werdt gepleecht. . . . om in tyt en wyle aen den voorsz. Carel van dêr Mander 
te verhalen alle de costen en schade die hy compt. geleden heeft.... Maer beducht, 
ingevalle hy nu dese acte van protestatie aen den voorz. VAN DER MANDER liet insinueeren, 
dattet soude mogen strecken tot syn groote schade.... verclaerde hij die nu te moeten 
ophouden .... omme deselve ter gelegender tyt te laten doen ten effecte als boven. 

Get. HUYBRECHT J. Grimani '). 

* Prot Not. A. RijSHOUCK, Delft. 
2 Prot. Not V0CKE8TAERT, Delft. 



6 DE TAPIJTFABRIEK VAN KAREL VAN MANDER DE JONGE TE DELFT. 

Uit deze acten hebben we dus gezien, dat VAN Mander van af 1604 — 1615 bij 
Spierinck werkte, daar niet best oppaste, en 8 September 161 5 met behulp van eenen 
Joncheer NicoLAES Snouckaert van Schraplaü (die van Mander daarvoor / 85,199 
15 — 13 voorschoot)^) een tapijtfabriek oprichtte. Reeds in 1616 vertrok VAN Mander naar 
Denemarken, waarheen Christiaen IV hem ontbood en hem de aanzienlijke bestelling van 
26 groote tapijten opdroeg 2), De schilder Huybrecht Grimani, van Mander's com- 
pagnon, over wien ons HouBRAKEN ^) en Immerzeel *) iets mededeelen, nam voor van 
Mander gedurende diens afwezigheid de zaken waar; maar was hij thuis dan schijnt hij 
gaarne alles zelf bedisteld te hebben, en helaas niet altijd met de grootste eerlijkheid de 
geldelijke aangelegenheden te hebben behandeld, zooals wij later zien zullen. 

Dat VAN Mander voor zijn reis naar Denemarken veel geld noodig had, blijkt uit 
twee quitanties door hem onderteekend, waarin hij bekent van de Compagnie in 1616 
ontfangen te hebben ƒ 1924 — 16 en / 405. — *) en uiteen zeer lange verklaring van 19 Jan. 
1623, gedaan door Mr. Huybrecht Grimani, Mr. schilder, blijkt, dat Carel Vermander 
22 Sept 161 6 vertrok naar Denemarken, en toen klaagde geen geld te hebben voor die 
reis, waarop de Raatsheer JUNIUS hem ƒ 200. — gaf, op intercessie van Grimanl Toen 
Vermander in Februari 16 17 terugkeerde, nam hij in Amsterdam 1000 Ryxdaalders op 
bij Pauwels de Wilhem, zonder kennisse van Grimani, welke 1000 rijksdaalders Van 
Mander niet in pntfang bracht in zijn rekening van 18 July lói/'). 

De tapytfabriek werd gedreven in het voormalig St. Anna klooster, van de stad 
Delft gekocht, waarbij VAN Mander en GRIMANI voor eigen rekening een woonhuis hadden 
aangebouwd. 



Compareerde op den 19 Junij 1623 enz. Huybrecht Grimani, Mr. schilder binnen 
Delff, out omtrent f sestich jaeren dewelcke ter requisitie van Jonkhr. Nicolaes Snouc- 
kaert, Heere tot Schrappla heeft verclaert enz., dat alsoo tusschen den Heere requirant 
en hem deposant neffens Karel Vermander seeckere companie van Tapytzerije es opge- 
recht, naer luyt den contract van dat. 8 November 1615, endesij aen de Heeren Borgem"* 
hebben versocht, dattet haerE. soude gelijeven, dat zij haer een bequame plaetse soude 
vergfunnen, omme de neringe van Tapytzerije te exerceren, doch dat hem deposant cum 
sociis hetselffde bij de E. H. Borgqm**" es affgeslagen; alsoo echter van noode was een 
huysinge, daer men de tapijten soude wercken, dat den Heer requirant alleenlijck hadde 



ï) Obreen's Archief I bl. 294. 

a) Vergelijk Kronyk Hist. Gen. v. Utr. 1856 bl. 62. 

3) I bl. 178. De geboorte en sterfjaren, door hem opgegeven, blijken geheel onjuist te zijn. (1599 — 1629) Grimani, 
eigenlijk Huybrecht Jacobsz werd 1562 geboren (hij zegt 19 Jan. 1623 zestig jaar oud te zijn), schilderde goede portretten 
en werkte voor den Venetiaanschen Doge Grimani, die hem veroorloofde zijn naam te voeren. 

*) bl. 296. 

6) Prot. Not. H. VAN Ceel, Delft. 



DE TAPIJTFABRIEK VAN KAREL VAN MANDER DE JONGE TE DELFT. 7 

toegestaen, dat men ten meeste proffijte van de gemeene companie een werckhuijs soude 
maecken ofte huijren sonder dat den Heer requirant (sich) oyt tot eenige vordere timmeragie 
heeft willen verstaen, maer dat de woonhuijse van hem requirant en den voorsz. Ver- 
MANDER in Sint Anna Straet elck respectivelijck tot sijne laste zijn gebout, zonder dat 
den Heere requirant yets daerinne gehouden is te dragen. Wijders nyet enz. ^) 

Op huyden 30 Aug. 162 1 compareerden ..... Mr. Hu ybrecht Grim ANi, schilder 
binnen deser Stede van Delft, oudt ontrent 58 jaeren, die ter requisitie van Franchoys 
Spierinx, Mr. Tapessier mede binnen Delft verclaert. . . . dat hy dep*, deur eenen Carel 
VAN Gelder versocht es om nevens Mr Carel vermander, mede schilder voor schepenen 
van Delft overdrachte te doen aen Heer Nicolaes Snouckaert van sekere huysinge 
ende werckplaetse, dwelck tegenwoordig by de voorsz. VAN DER Mander werd gepossideert 
ende beseten in vougen deselve by henluyden van de stadt Delft gecocht es, staende in 
de St Anna strate binnen Delft. Item dat voorsz. van DER Mander sich daertoe bereyt 
heeft laten vinden omme d'voorsz huysinge nevens hem dept. te transporteren ten behouve 
van den voorsz, SNOUCKAERT, tot voldoeninghe van sijn achterwesen aen den voorsz VAN 
DER Mander. 

Maer dat tselve onge^ffectueert is gebleven, overmits dat het was binnen de vacantie 
en dat binnen Delft geene huysen werden overgedragen dan met voorgaende gifte, de 
welcke alle 14 dagen op een Dinsdach wordt gehouden, enz. ^) 

De volgende acte laat ons een hoogst interessant kijkje slaan in deze fabriek, en 
maakt ons tot in de détails daarmede bekend. 

Op huijden den I2«° February 1632 compareerden voor mijn, Johan van Beest, 
Notaris tot Delff de nagenoemde getuygen, Jacques Tack, out 50 jaeren, ende Pieter 
VAN COPPENOL, out 42 jaeren, ofte elx daer ontrent, beijde tapijtwerckers binnen dese Stadt 
Delft, ende oock voor tapytwerckers gewrocht hebbende aen de wercken van de nage- 
noemde Compagnie, dewelcke ten versoucke van ENGEL RooswijCK, hebben verclaert waer- 
achtich te wesen, aengaende de Compaignie van Tapytmaecken van za. Carel Vermander 
ende Nicolaes Snoeckart, eenige jaeren geleden opgerecht ende gedaen binnen dese 
stadt in de huysinge van S* Anna Clooster, waervan bedrij ff was den voorsz. VERMANDER, 
dat in 't wercken ende maecken van de Tapijten van de voorsz. Compaignie booven het 
ordinares werckloon seer veel extraordinaris is betaelt ende te oncoste gemaackt. Als 
onder meer anders, dat in alle tapijten de fraeyste ende swaerste wercken, als sijn de 
Trongiens ende alle andere wercken, waeraen iets was gelegen ende waerop bysonder 
gelet diende^ oversulcx waertoe den meesten tijt behoort, altijts extraordinaire bij dach- 
looners sijn gemaekt, die men daervan met dachgelden loonde en betaelde, ende dat even- 



ï) Prot. Not H. VAN Ceel, Delft. 

a) Prot. Not. Ger. Camebling, Delft. Andere stukken bij dezen Notaris zijn geheel door vocht en worm verteerd 
en totaal onleesbaar. 



8 DE TAPIJTFABRIEK VAN KAREL VAN MANDER DE JONGE TE DELFT. 

wel de aennemers van deselflfde tapijten haer volle ordinaris loon wierde betaelt, ende 
de tapijten bij deselffde aannemers in geheel wierde gemeten, in allen schijn als 
oft alle deselflfde fraeijste ende swaerste wercken bij de aennemers selflfs waren gemaeckt 
Jae dat wanneer de aennemers van haer aengenomen werck eeiiige swaere wercken selflfs 
maeckten, sij altijts daervan (booven en onvermindert haer ordinaris loon) extraordinaris 
sijn betaelt ende geloont geworden. Dat mede het wercken van de lantschappen in de 
tapijten koomende, altijts extraordinaire is betaelt. Sulcx dat deselflfde lantschappen dickwils 
wel viermael soo veel, en meer van arbeijtsloon hebben gecost als een ordinaris werck, 
jae dat dickwils wel 48 stuyvers van een stockwerck, daervan datter 16 op een ellegaen, 
tot arbeijtsloon is betaelt geweest, wesende wel achtendertich gulden acht stuvers van 
d'elle. Dat den voorsz. Vermander, wanneer hij eenich werck besteede, ordinaris den 
arbeyders een stuck gelts vooruyt tot een vereeringh most geven, 'tsij twintich, jae wel 
vijerentwintich gulden ende meer op een stuck, sonder dat hen daervooren iets wierde 
gecort, oft haer ordinaris loon is gemindert Vercljieren sij attestanten noch, dat soo 
wanneer Carel Vermander van huijs geweest was ende weder thuijs quam, gelijck mede 
soo wanneer den voorsz. Snouckart uyt Duytslant hyer tot Delft quam, ordinaris by den 
voorsz. Vermander een wellecomst aen de Gasten ofte arbeijders werdt gegeven, t'sij 
een tonne biers ofte twee naer gelegentheijt. Dat de voorsz. werckgasten hadden een 
Bosch tot onderhout haerder siecken ende kraemvrouwen, waerinne sij mosten inleggen 
ende contribueren elcx een stuyver ter weeck, daertegens den voorsz. VERMANDER, sooveel 
moste geven ende indeselflfde Bosch brengen als sij met hen allen, niet tegenstaende daer 
dickwils wel veertich werckgasten teflfens ende over hoop waren. Verclaren sij attestanten 
oock wel te weten, dat men fraeije ende constige werckgasten van buijten binnen deze 
stadt niet wel koste krijgen ofte de voorsz. VERMANDER most voor hen verschieten ende 
op de hant geven een somme gelts, waeronder oock eenige wel hebben gehadt seventich, 
jae tachtich gulden ende meer, ende dit tot redding haerer schulden ende costen van 
herwaerts te comen op hope van hare toecomende winst, waeraen die somme gecort soude 
worden, van welcke sommen bij vele weinich is wedergegeven, tjft laeten inhouden, eerst 
door hunnen soberen staet ende dat sy 't niet wel conden derven, als daemae doordien 
Snouckert hen tselflfde hadde gequiteert ende toegeseijt, dat sij niets en souden geven 
van alle 'tgunt sij schuldich waeren, mits dat sij hem troulic soude helpen uytdraegen 
ende vervoeren de goederen der voorsz. Compaignie uijt het voorsz. St. Annenhuys, tegens 
wille ende danck van den voorsz. VERMANDER. Gelijck ooc is geschiet Dat een tijt nae 
'tselflfde vervoeren sij attestanten bij den anderen hebben gesicht de patronen van de voorsz. 
Compaignie ende hebben gesien, dat uyt deselflfde gesneede waren, de lantschappen, betaeljes, 
ende voorts alle 't fraeyste werck, die opt voorsz. vervoeren daer noch in sijnde, nae 
tselve daeruyt gesneede waren. Ende dat sij uyt den meesterknecht van den voorsz. 
Snoeckert hebben verstaen, dat hij voor denselflfden Snoeckert hadde verveilt aen Zijn 
Conincklijcke Majesteit van Bohemen een der voorsz. patronen van den groten Alexander, 



DE TAPIJTFABRIEK VAN KAREL VAN M ANDER DE JONGE TE DELFT. 9 

daer nae wel vier malen was gewrocht, ende dat hij denzelflfden patroon hadde gehouden 
op twee duysent gulden. Dat oock geduyrende de voorsz. Compaignie een merckelijcke 
somme gelts bij den voorsz. Vermander is betaelt van scheeren ende affsetten van de 
tapijten der voorsz. Compaignie, alsoo daer veeltij ts een droochscheerder tot het scheeren, 
ende verscheijden schilders tot het affsetten van de tapijten sijn gebruijckt ende intwerck 
geweest. 

Aldus enz. ^) 

Het merck van Jacques Tack. 





Het merck van P. van Koppenol. 



De volgende acte heeft wel met van Mander's fabriek niets te maken, maar vertelt 
ons duidelijk, hoe men gewoonlijk de patronen voor de tapijten schilderde. 

26 Maert 1624 verklaren Jonas van der Bürch, out 28 jaeren, Pieter Mathijsz, 
out 56 jaeren, Jan Augustinusz, out 31 jaeren, schilders, alle geschildert hebbende en 
noch schilderende ten huyse van S'. Aert Spierincx, dat sij, neffens Jaqües de Groot 
in 1623 gedurich hebben geschildert bij den req* Aert Spierincx. waar zij nog schilderen — 
en dat sedert i Nov. 1622, Zondags en in de week, in den winter en in den zomer, zoolang 
zij konden zien, en daarvoor kachels en stoven hebben gehad, welke extra-uren boven 
hun daggelden betaald werden. „Verclaerden mede, dat zij geduyrende den vorigen tijt 
y>noyt heele stucken aen malcander hebben geschildert, maer dat zoo haest alle reijsen 
y,enich patroon van een stuck gereet was, dat datselffde hun datelijck es affgehaelt om 
„voor de tapytzijers onder 't werck te ghebruijcken." ^) 

Vóór ik over de aanzienlijke bestelling ga spreken, die VAN Mander uit het 
Noorden ontving, laat ik nog eenige acten volgen, die ons verder verhalen, wat en hoe 
er op zijn fabriek gewerkt werd. 

Compareerden enz. 5 November 1 620 voor mij Harman van Ceel, openbaer Notaris 
enz. binnen Delff, Balthasar VAN DER Zee, out 58 jaeren en Marcus van Grootendael, 
out 36 jaeren, beijde meester tapijtsiers binnen Delff, dewelcke alle beijde ter requisitie 
van den Achtbaren Carel Vermander, meester Tapytsier binnen de vermaerde coopstadt 
Delff, verclaeren bij hare manne waerheijt enz. dat de achtien stticken tapytserijen bij den 
requirant voor de Konincklijcke Majesteijt van Denemarcken of Meij lestleden gemaeckt 
ende gelevert^ dat deselffde Tapytserije sijn gemaeckt van drije fijn sijde ende meer, oock 
mede fijnder en beter ghestoffeert van zijde als de wercken, die Franchoijs Spierincx, 



Prot. Not. J. VAN Beest, Delft. 



\ 




10 DE TAPIJTFABRIEK VAN KAREL VAN MANDER DE JONGE TE DELFT. 

mr. tapijtsier binnen Delff, maeckt. Verclarende mede, dat de stoffen daervan de voorsz. 
tapijten sijn gemaeckt sijn goede en oprechte stoffen. Eindigende hiermede enz. ^) 

Balthazar van der Zee teekent: 

Compareerden op den 12" Maert 1626 voor mij Not*. publ. in Delft, Maerten 
VAN BOüCHOLT, jegenwoordich woonende in Frederickstadt in Holsteijn, geweest hebbende 
Directeur en gehadt hebbende de administratie van de Tapytsyers wftickel opgerecht bij 

J'. NicoLAES Snouckert, zijn swager en verclaerde dat hij int beginsel, dat hij de 

voorsz. administratije hadde, begon specific te stellen wat yder knecht op de voorsz. 
winckel weeckelijcks verdiende, soo van sijn verdingde loon van zijn aengenomen werck 
als oock van alle buytenloonen ende extraordinaris loon omme dat in de reeckeninge 
te stellen dan alsoo de buytenloonen onder sooveel xiyenaers tot soo veel verscheijde 
wercken weeckelijcks ontstaende, dan van pluijmen, cyraeten, lantschappeny stuken van 
hooffdekens, gedeelte van haer^ cleijne hooffdekens^ juweeltijens, verzitten van haerwercken, 
naeyen van de verloopen knechtswercken, verlet van patroonen en diergelijcke saecken alle 
hetselffde nyet toe en lyeten, dat het hem comp*. nyet mogelijck was te volvoeren, enz. i) 

get Maerten van Bocholt. 

13 January 1623 Compareerden enz. Balthasar van der Zee, gewesen M'. tapyt- 
zijer en Maerten van Bouckholt, zijdeverwer, en verclaren ten behouve van Jon'. 
NiCOLAES Snouckaert dat sy op huyden gesamentlijck hebben gemeten de patroonen 
en boorden bij KIaREL Vermander gemaeckt geduyrende zijne administratye als tot den 
16 July 1621 ende bevonden deselffde te zyn van de grootte als volcht: de kamer van 
AlEXANDER, houdende 9 stucken, aen't binnenwerck groot iQO^Vi» ^^^^9 ende de oranien 
en blauwe boorden t'samen 6y^ ellen. Noch de patroonen van de Conincklijcke Majesteyt 
van Denemarcken de binnenwercken groot 432i*/i6 ellen, de boorden tot deselffde patroonen 
121 ellen. Noch de beddecleen, tafelcleen, krollen, rabatten, kussencleen, monsterstucxken 
ende het stucxken mettet paert samen groot 128^ ellen. Is t'samen alles wat Karel Ver- 
mander heeft gemaeckt geduyrende den voorsz. tijt 940 Vi« ellen. Sonder datsy weten, 
dat eenige andere patronen binnen den voorsz. tijt bij Karel Vermander zijn ghemaect. ^) 

Van Mander werd reeds kort na het oprichten zijner „tapitseryewinckel", in 1616, 
door Christiaen IV naar Kopenhagen ontboden. Hij kreeg last 26 stuks tapijten voor 
den Koning te maken, tot versiering der groote zaal op Frederiksborg. *) Die tapijten 
werden slechts bij groote feesten opgehangen; voor gewoonlijk was zij met goudleer, 
wellicht ook van HoUandschen oorsprong? voorzien. Volgens een contract, gedagteekend 



1) Prot. Not. H. VAN Ceel, Delft 

^ Deze zaal was 154 voet lang 42 voet breed. 



i 

V,j I V :■■ • -►- ■'• ~J ■'t,.. ■- I ttC . 




DE TAPIJTFABRIEK VAN KAREL VAN MANDER DE JONGE TE DELFT. 11 

Skanderburg October 1616 ^) zou v. Mander van 20 October tot zijn vertrek een kroon 
per dag genieten, hij moest al de plaatsen bezoeken, waar gedurende den oorlog met 
Zweden gevechten enz. voorgevallen waren en daarvan teekeningen maken. De tapijten 
mochten voor die vaii Fr. Spierinck niet onderdoen ; hij zou 17 rijksdaalders per el ontvangen 
en 10 stuks in anderhalf jaar gereed hebben. Hij kreeg 5000 rijksdaalders in voorschot, 
terwijl een Hollandsch koopman te Kopenhagen, JOHAN de Wilhem, borg voor hem bleet 

In een contract van 6 December 161 6, te Flensburg onderteekend, worden de 
voorstellingen der tapijten genoemd: 2 stukken van de kroning des konings, 2 van de 
afbeelding der stad Calmar in Zweden, 2 van Witsoë in Zweden, 2 van de vesting Elfsburg 
3 van het eiland Oland; i van Travemünde, i van Justburg, i van een gevecht bij Calmar. 
In Mei 16 17 zou VAN Mander de patronen vertoonen, 1618-T-19 ze afwerken en dan 
weder andere maken, namelijk 

!• Een zeeslag by Wexholm (Zweden). 

2. Koning Karel van Zweden, zijn legerkamp verlatende. 

3. Een zeeslag waarbij een admiraalschip in den grond wordt geboord. 

4. De aanval van den Koning van Zweden op het Deensche legerkamp voor Calmar. 
19 October 16 19 bracht van Mander de 18 stuks tapijten naar Denemarken; 

31 Aug. 1619 ontving hij van de Staten-Generaal paspoort „18 stucken tapitserijen in 
yjdrye cassen gepackt*' daarheen te brengen, „vry van convoy en licent, onder suffisanten 
^cautie, dat hij binnen vier maenden sall overbrengen attestatie by Syne Majesteyt geteeckent 
y,dat hy de voorsz. achtien stucken tapitserijen tot zijnen dienst en gebruijck heeft ontfan- 
ghen.*' ^ Eene dergelijke ontving hij i Mei 1620 en ten laatste 27 October 1621. ') 

31 Dec. 1620 zond de koning eene verklaring dat de 26 tapijten tot zijn eigen 
gebruik vervaardigd waren. Van Mander had er dus nog 8 bijgemaakt. Weinige dagen 
te voren (19 Dec.) had de Vorst in zijn dagboek geschreven: 

„Heden heb ik aan Karel van Mander 6005^ kroon gegeven, zijnde het restant 
„voor de tapijten in de zaal te Frederiksborg ; evenwel ontbreken nog eenige kleine stukken 
„die betaald zullen worden, wanneer zij geleverd zijn." 

Een oude lijst der tapijten, in de Deensche Archieven berustende, vermeldt ze 
als volgt: 

I* De krooning des Konings 29 Aug. 1596 (in de L. Vrouwenkerk te Kopenhagen). 

2* De inkomst des 'Konings door een eereboog. 

3* De inneming van Calmar, 3 Mei 161 1, 

4* De overwinning op de Zweden, 17 Juli 161 1. 

5* De vlucht der Zweden bij Risbye, 20 Juli 161 1. 

6* De overwinning bij het fort van Risbye, 30 Juli 161 1. 



1) Al wat deze bestelling betreft ontleen ik hoofdzakelijk aan de Kronyk v. h. Historisch Genootschap van Utrecht 
1656 bL 62 enz. 

s) Resol. St. Gen. 

2» 



12 DE TAPIJTFABRIEK VAN KAREL VAN MANDER DE JONGE TE DELFT. 

7* De inneming van Calmar, 3 Aug. 161 1. 

8* De zeeslag van i Sept. 161 1. 

9* De landing op West-Gothland. 
lO' De overwinning van Witsoë, 11 Febr. 161 2. 
II' De belegering van Elfburg, 5 Mei 161 2. 

« 

12' De inneming van Elfburg, 24 Mei 161 2. 

13* De val van het Deensche gouvernement op Oland, 31 Mei 161 2. 
14* De overwinning te Borkholm, i Juni 1612. 
15' De inneming van Guldburg, 11 Juni 1612. 
16' De inneming van Borkholm, 11 Juni 161 2. 
17* De vlucht der Zweedsche vloot, i Sept. 161 2. 
18' De overwinning bij Travemünde, 6 Oct. 161 2. 
19 — 20. 2 Stukken met drinkende en spelende lieden. 

21 — 22. 2- Stukken, ieder voorstellende een soldaat op wacht met de spreuk des 
Konings: Regnum firntai pietas en: Karel VAN Mander fecit 1620. 

Van Mander heeft dus in elk geval zijn groote taak ten einde gebracht, en naar 
het schijnt, tot tevredenheid van den Vorstelijken Besteller. Maar thuis, in Delft, waar 
ondertusschen nog andere bestellingen uitgevoerd werden, heerschte groote wanorde, 
oneenigheid tusschen VAN MANDER en Jonker Snouckaert, klaagde het personeel over 
de slechte orde, die op hunne betaling enz. werd gehouden enz. De oorzaak van een en 
ander moet, vrees ik, in het karakter van VAN Mander gezocht worden. We vinden te 
vele aanklachten in al de voor ons liggende documenten, om hem vrij te kunnen spreken. 
Hij schijnt veel geld noodig gehad te hebben; toch klaagt zijne vrouw herhaaldelijk over 
gebrek. Waarschijnlijk reisde hij steeds en grand Seigneur en verteerde dan in korten 
tijd zijne zeker niet onaanzienlijke winsten. 21 Juli 1621, dus na afloop der Deensche 
bestelling, blijkt het, dat hij van de door Snouckaert hem verstrekte som (/'85,i99-i 5-13) 
nOg ruim / 45,462 af te lossen had. Voor alle zekerheid eischte Snoeckaert een partij 
tapijten daarvoor in onderpand. *) 

9 Nov. 1621 wordt Maarten van Bocholt, iemand in wien J'. Snoeckaert veel 
vertrouwen schijnt gehad te hebben, in naam eigenaar der tapisseriefabriek in St. Anna- 
convent. Hij was echter slechts plaatsvervanger voor Snoeckaert. In de Acte wordt 
geen geld genoemd. ^) 

6 Mey 1623 verklaart Jonch', NicoLAES Snouckaert dat hij in July 162 1 aan 
Maerten van Bocholt gegeven heeft ,^et gehcele bewint en de volcomen administratie 
yjvan de gantsche Negotie der tapytserie metten aencleve van dien in de St. Annenstraet 



1) Obreek's Archief I 294. 

2) Prot. Not. H. Van Cebl, Delft. 



DE TAPIJTFABRIEK VAN KAREL VAN MANDER DE JONGE TE DELFT. 18 

^te Delflf/' Hij* bekent volkomen tevreden en voldaan te zijn met diens afrekening over 
den tijd van 14 July 1621 tot Mey 1623. *) 

II Juny 1623 zendt Jh'. NiCOLAES Snouckaert, Heer van Schrapplau, den Notaris 
naar Carel Verm ander tapytsier, om hem uittenoo^igen even als hij, S., eenigepersoonen 
uit te kiezen, die dan van wederzijden het different tusschen Snouckaert en VAN Mander 
zullen trachten bij te leggen. 

Van Mander belooft dit te doen. *) 

Maar reeds twee dagen later was VAN Mander niet meer. Moeten wij hier aan 
zelfmoord denken? Wie weet of hij niet, ten einde raad, de hand aan zich zelf sloeg? 

Want reeds 

13 Juny 1623 verklaerden eenige vrouwen ter requisitie van Passchyntje Snoec- 
KAERTSj huysvrouw van Maerten van Bocholt, dat zy voor 8 dagen hoorden hoe 
de suster van Sa: Karel Vermander veele injurieuse woorden tegen haer requirante heeft 
gesproken. Enz. ^) 

2 October 1623 verklaren eenige personen dat Cornelia ROOSWIJCKX, weduwe 
wijlen Carel Vermander, in September 1623 uit haar huis vertrokken is, zonder dat 
iemand wist waarheen. *) Wij zullen dit later zien. Voor mij liggen nog tal van docu- 
menten, die allen een minder gunstig licht op Van Mander werpen. Ik laat ze gedeeltelijk 
volgen, omdat zij ons allen nog iets leeren van de wijze, waarop onze tapitsiers te werk 
gingen. 

Het schijnt dat hij in het einde van 1622 nog naar Denemarken wilde reizen, 
waarschijnlijk niet om, zooals hij zijne vrouw wijs maakte, geld te ontfangen, maar om 
nieuwe bestellingen te erlangen. Ik geloof niet, dat hij die reis nog gedaan heeft. 

Compareerden enz. de tapitsiers Jan Jansz., Guillame Colijns, Balthasar van 
der Zee, ende GuILLIA^^|: Spierincxs en verclaerden ....... ten versoucke van Maerten 

VAN Bocholt, sijdeverwer woonende in St. Annen, waerachtich te wesen dat de camer 
tapitserye met den roden boort by den req*. doen maecken ende oock de nieuw begonne 
camer tapitserye met den breden boort mede bij den req'. doen maecken fijnder en 
swaerder van zijde zijn als de tapitserye wercken die by Carel Vermander zijn doen 
maecken, want de camer tapitserye van den req*. metten roden boort voorsz. daervan zijn 
de boorden bijnae altemael fijne sijde ende de grondt altemael carmozijn root, al van fijne 
sijde, Ende de tapitserye wercken die bij Carel Vermander zijn doen maecken, de 
fijnste daervan en sijn nyet soe fijn ofte soe swaer van sijde als des req**. wercken van 
tapitserye die hij heeft doen maecken. Verclaren voorts dat den voorsz. Carel Ver- 
mander een camer tapitserye heeft doen maecken die den gront van de boorden (dewelcke 
omtrent de helfte vant werck bedragen) altemael van saeye garen was, ende dat noch 



*) Prot. Not H. VAN Ceel, Delft. 



U DE TAPIJTFABRIEK VAN KAREL VAN MANDER DE JONGE TE DELFT. 

diversche andere wercken van tapitserye die den voorsz. Carel Vermander oock heeft 
doen maecken nyet halff soe veel zijde in en hebben als de wercken die de req*. heeft 
doen maecken. Soe datter deur malcander omtrent een derdendeel aen zijde minder in de 
tapitserye wercken van den voorsz. Carel Vermander verwrocht is, als in des req**. 
tapitserye wercken die hij heeft doen maecken, te weten naer advenant de ellen. Verclaren 
noch de dep*^ dat zij oock nyet en weten datter op de voorsz. tapitserye winckel van 
Vermander de waerde van een stuver aen sijde ofte saey deur eenige gasten ontvreemt 
is geduyrende den tyt dat de voorsz. tapitserye winckel heeft gestaen ofte opgerecht is 
geweest Want sulx geschied, soude by henluyden dep*" ende de andere gasten op te 
winckel soe hooge en qualick genoomen worden datter geen gasten bij dengeenen die 
alsulx hadden gedaen en souden willen wercken. 
Actum 30 Nov. 1622. *) 

Balthasar VAN DER Zee en PiETER Stommans beide tapitsyers verclaren noch 
ten versoucke van Maerten van Bocholt, u)^en naeme en van wegen Jonch'. Niclaes 
Snouckaert, Heere tot Schraplau, waerachtich te wesen dat in de tapitseryen die den 
voorsz VAN Bocholt heeft doen maecken nyet meer verwrocht en is dan omtrent 4 oneen 
zijde in elcke elle deur malcanderen nyetjegenstaende de boorden meestal van fijne zijde zijn. 

Actum 30 Nov. 1622. *) 

Compareerden enz. Anthony DE Lawaerde, oudt 50 jaren, Jan Jansz. oudt 
omtrent 32 jaren, LuCAS Mary oudt 29 jaren, LiBRECHT Vervoort oudt 54 jaren, 
GuiLlAEM Colijns oudt 32 jaren en Pieter van C oppenhol oudt 34 jaren alle tapitsiers 
ende gewrocht hebbende in het tapitserye huys ofte winckel staende in S** Annastraet 
binnen Delff, ende verclaerden voor de gerechte wae rheyt in plaetse van eede ten versoucke 
van Maerten van Bocholt, sijdeverwer wonende in S** Annenstraet voorsz. waarachtich 
te wesen dat al over de vijftyen maenden langh den req*. alleejj de sleutels gehadt heeft 
van de sorteercamer ende de camer daer alle de tapiten stoffen ende patronen int voorsz. 
tapitserye huys gelegen hebben, soe dat als de meesterknecht eenige stoffen van doen 
hadde voor de gasten van hem req*. gevordert en deur hem gelevert mosten worden alsoc 
daer nyemant bij ofte aen en conde comen van Carel Vermander'S volck, noch oock 
hij Carel Vermander selve nyet, overmits den req*. alleen de slootels hadde. Verclaren 
sij dep**" voorts dat de req*. de rekeninge met de gasten alleen heeft gehouden ende als 
yemandt geit van doen hadde, most tselve van hem req*. ontfangen worden. Noch verclaren 
sij dat Carel Vermander maer ééne schilder int werck gehouden heeft ettelicke maenden 
langh, sulcx datter nyet een stuck patroonen van nijeuwe opgedaen wercken geschildert 
en was ten tijde de wercken tot Arnolt Spierincx overgebracht zijn soe datter groot 
gebreck aen de patronen is geweest ende verclaren mede ten ware men daerin hadde 



i) Prot. Not A RijSHOüCK, Delft. 



f 



DE TAPIJTFABRIEK VAN KAREL VAN MANDER DE JONGE TE DELFT. 15 

voorsyen de gasten als meest ledich souden hebben moeten gaen overmits de patroonen 
maar met eenen reep ende de boorden met stucken en stollen tefiens zijn geschildert 
geworden. 



Actum 9 November 1622, 



Anthony de Lawaerde I AA 
stelt dit merck 



\ 



Nog eene dergelijke getuigenis leggen af GuillaüME Spierincks, Marcus van 
Grootendael, Baltasar VAN DER Zee ende Daniel Willemsz. Corthals. 

Daarin zeggen zij o. a. dat Carel Vermander (terwijle de Heere Snouckert 
uj^te lande is geweest) ettelicke maenden lanck maer ééne schilder int werck heeft 
gehouden, ende dat daer deur de werckgasten, nu den eene, dan den anderen hebben 
moeten wachten ende ledich gaen omdat zij geen werck en hadden, Ende dat oock de 
patronen niet meer dan met eenen reep teffens ende de boorden met stucken ende stollen 
zijn geschildert, sulcx dat men ter oirsaecke van dien het gedaene werck weder tot 
diversche reijsen heeft moeten uitdoen ende dyennyettegenstaende heeft de req*. (VAN 
Bocholt) de gasten al evenwel moeten betalen het loon van haeren versuymden tijt, 
want het nyet bij de gasten schuit maer bij Carel Vermander toequam, die nyet bijtijts 
de patronen en heeft laten schilderen. 

Actum 4 November 1622. 

+ 

Guilliame Spierings stelt dit merck: 

In eene verklaring van 31 October 1622 wordt eene heele scène beschreven die 
plaats had tusschen Maerten van Bocholt de sijdeverwer en Jan Engels Rooswijx, 
zwager van Van Mander. Deze hield v. Bocholt staande en wilde weten wat hij onder 
zijn mantel verbergde. Daarbij kwam nog een EngelRooswijx, zoon van Jan Rooswijx; 
deze Engel trok dadelijk zijn „pongart" en stak BocHOLT „daermede opt lijff." Dit 
geschiedde alles voor Van Mander's deur. Plotseling kwam „Carel Vermander onge- 
yjcleet in zijn hemde uyt sijn huys hebbende in de hant een halve piecke, daermede zy 
yjgetuygen gesijen hebben dat Vermander den req'. (Van Bocholt) naeliep sulxdatde 
„getuyge Catalina den req*. getrocken heeft int logiement van den meesterknecht, sluy- 
„tende de deure toe. Abraham Spierincx verclaert dat groot gewelt van doppen ende 
yjbonsen opte deur daer de req*. in was werde gedaen, ende dat aldaer seer veel volx 
vergadert is geweest, Enz. ^) 




*) Alles Prot- Not. A. Ryshouck, Delft. 



16 DE TAPIJTFABRIEK VAN KAREL VAN MANDER DE JONGE TE DELFT. 

Compareerden enz. d'eerbare Maria GERRiTSdr. huysv* van Ysaacq Blocq, verwer 
ande Geerwech binnen Delft ende MaritGEN BARTELMEESdr. dienstmaecht van denvoorz. 
Blocq ende verclaerden ten versoucke van Maerten VAN BocHOLT, sijdeverwer wonende 

in de S** Annastraet dat sij, soe uytte huysvrouwe van Carel Vermander, genaemt 

CoRNELiA Rooswijx als oock uijt hem Carel Vermander selffs, wesende tenhuysevan 
ha^r dep** gehoort ende verstaen hebben dat Carel Vermander gesinth was om naar 
Amsterdam ende daernae nae Denemarcken te vertrecken alwaer hij nodich wesen moste 
om seker geit aldaer wt staende, soe hij seijde, te ontfangen ende dat haer dep* man 
Ysaacq Blocq mit hem Carel Vermander oock nae Amsterdam soude reijsen. Ende 
dat hij Vermander haer Maria GERRiTSdr. oock presenteerde haren vader in Denemarcken, 
alwaer hij Vermander seijde nootsaeckelicke te moeten wesen, in sijn saecken te wege 
wilde helpen, ende off zij dep** hem daertoe een brieff* aen haren vader wilde medegeven, 
dat hij sijn debvoir soude doen. Ende dat sij dep'* onlancx uyt monde van Carel 
Vermander's huysvrouwe heeft verstaen dat sij seer drouvich ende verslagen was om 
het wttrecken van haren man die in zijn reijsen naer Amsterdam ende naar Denemarcken, 
nyet en conde vorderen, sulcx dat sij, CORNELIA Rooswijx nu selve naer Amsterdam 
moste reysen. Enz. Enz. 

I Nov. 1622. *) 

9 Jan. 1623 verklaren Balthazar VAN DER Zee en PlETER Stommans tapytsijers 
in de winckel in de Sint Annastraet te Delft, te versoucke van Jr. NICOLAES SnoüCKAERT 
dat een elle, fijne tapijtserije, soo van de hant van maecken als stofferen, kan wel en ten 
overvloede gemaeckt werden voor 16 ofte ten hoochsten 17 Gulden.') 

15 Febr. 1624 verklaert Baltiiazar van der Zee, dat bij Carel Vermander. 
gedurende diens administratie der tapijtfabriek, zijn gemaeckt 2323 ellen tapijten, zoo aen 
historyen, tafelcleden ende cussen bladeren*). 

12 Aug, 1628 verklaren nog eenige tapitsiers gewrocht hebbende bij Carel 
Vermander, dat men ook wel eens slechte zijde onder de goede zijde deed ^. 

In Sept. 1628 verklaren zij dat eene elle fijne tapytserije „door hen bij C. VERMANDER 
„gemaeckt costte 9 gulden alle oncosten daerinne begrepen." 

De tafel en beddekleeden 3 Jt 4 gulden de elle, met de onkosten*). 

De volgende verklaring geeft ons ten overvloede een denkbeeld van het woesten 
opbruisende karakter van Van Mander en niet minder van diens gade. 



ï) Alles Prot. NoU A. Ryshouck, Delft. 
«) Prot. Not. H. V, Ceel Delft. 



fac-stullé eener teekening van f. c. lund, naak een der wandtapijten van den jongen 
Carel van Mander indertijd op het slot Fsederiksbobg bij Kopenhaven. 



DE TAPIJTFABRIEK VAN KAREL VAN MANDER DE JONGE TE DELFT. 19 

28 Jan. 1623 verklaren eenige tapitsiers dat Van Mander iemand om hulp gevraagd 
had in zijn werk. Deze sloeg dit af; waarop Van Mander's vrouw, Cornelia Roos- 
WIJCKX, v,nemende een bardisaen in de hant, tegens Vermander seijde: Kaerel, ghy 
^en hebt geen koeragie int lij ff, dat ick een man waer als ghy, het soude bloet costen, 
„ende ick zal u bijstaen^ hebt coeragie soolange als ick bloet int lijff hebbe." 

Voorts nog „dat de voorsz. Vermander hem heeft vertelt dat Jonch'. Snoückaert 
y^et Aert Spyerincx en Maerten van Boucholt een wijl tijts voor dén voorsz. tijt 
„gecomen was tot zijne Verm ANDERS huysinge aen de tafel en dat Vermander opstont 
en so den req*. nyet hadde geweecken, dat hij iemand met een mes meende in zijn lijff te 
steecken. En dat Vermander altoos een pistool bij hem droech, en dat het noch bloet 
moste costen, daer mosten der eenige snuevelen." Eyndigende enz, ^) 

Onderteekend door Guilliaem Spyerincx 






Willem Colijns 




15 Febr. 1623 verklaren Maerten van Boucholt en Balthasar van der Zee 
^dat Karel Vermander Tapytzier binnen Delff in zijn Leeven nijet meer patroonen 
van de Camer van Cleopatra heeft laeten schilderen als ontrent f seventich ellen. Eindi- 
gende enz*). 

De onderstaande tapytsiers uit Van Manders fabriek vragen hem af, dadelijk te 
restitueeren ƒ 3 1 8. — uit de armenbus, onder zijne bewaring. 11 Febr. 1623I*) 

Daniel Willemsen. 
Dominicus van der Zee. 
Aentoni Voeset (?) 
Jacus van Steenwinckel. 
Guliaem Collijns. 
Balthasar van der Zee. 

Pauwels Rombouts. 
Pieter Stommans. 




Jacob de Vijs. ^ 
Jan Janssens. 




1) Prot Nou H. VAN Ceel, Delft. « 

s) Prot. Not H. VAN Ceel, Delfu De laatste acte deel ik alleen om de namen der tapijtwerkers mede. 

3* 



20 



DE TAPIJTFABRIEK VAN KAREL VAN MANDER DE JONGE TE DELFT. 



ISAC PlETERSE. 



^ 



LiJBERECHT VERVOORT. 




Willem de Godder. 



Jacob Tack. 




Lucas Maries. h^^ 



De eenïge handteekening van VAN Mander vond ik onder de navolgende insinuatie : 
Alsoo Mr. Carel van der Mander, schilder, hem onlancx geleden vervordert 
heeft Barbara jACOBSdr. Huysvrouwe van Jan Maertensz tegens eenighe persoonen te 
blameeren seggende dat hij soo menighmael sijn wille van de voorn: Barbara jACOBSdr. 
heefl' als hij wil item: dat hij wel weet hoe hij met deselve Barbara staet; Noch als sij 
Barbara voorbij den Voorn, Vermander gaet dat hy Vermander geseijt soude hebben , daer 
gaet sij heen, sij moet al wederomme ergens ontboodenwesenendedergelijckefaemroverien 
meer. Soo doet de voorn. Barbara jACOBSdr. den voorn. Vermander affvragen door een 
Notaris off hij bij de voorn, injurien alsnoch wil persisteren ende waervoor hij deselve 
Barbara is houdende tsij dan voor een vrou met eere off anders. Actum den 28 Februari 1612. 
Van Mander antwoordt hierop dat dit alles onwaar is en „oprechte vrouweclap", en 
van de voorn. Barbara „geen quaet nochte deucht te weten. Gedaen ten huyze van voorn 
Vermander" 28 Februari 161 2*). 

Ondertekend : 



1) Prot. Not. J. MOLijN, Delft 

^ Prot. Not P. J. Warmont, Leiden. 

*) Prot. Not. G. Bobsselaer, Amsterdam. 




DE TAPIJTFABRIEK VAN KAREL VAN MANDER DE JONGE TE DELFT. 21 

Na VAN Manders dood vertrok zijne Weduwe met hare kinderen naar Kopenhagen, 
waar zij nog geruimen tijd leefde. Ik vond omtrent haar nog de volgende acten: 

12 July 1628 machtigt d'eerbare Cornelia Rooswijcx, wed. wijlen Caerl van 

Mander, althans wonende tot Coppenhage in Denemarcken, ende En GEL Rooswijc, 

wonende binnen dcser stadt Leyden, als voocht van de naegelaten kinderen van den voorsz . 

za. Caerl van Mander, den eedelen en hoochgeleerden Doctor Dominicüs van Hottinga, 

ad^ in s'Gravenhage, om uyt haren naem hem ^informeren van den processe, die sij hangende 

hebben tegen. . . . NiCLAES Snouckaert in 's Gravenhage, voorts 'tselve proces te helpen 

bevorderen enz. 

Geteekend: Cornelia Rooswijckx. 

Enghel Rooswijck. 

Zij teekent de Acte nog, was dus' toen blijkbaar in Leiden (of zou het stuk ter 
teekening opgezonden zijn?) en vertrok kort daarop naar Kopenhagen. 

24 July 1654 legt iemand ten verzoeke van Cornelia Verm ander, wonende te 
Coppenhagen, een attestatie af over aan haar gezonden meel. Haar zoon Karel van 
Mander III was een goed schilder, zijne werken, meestal voor den koning geschilderd, 
bevinden zich bijna uitsluitend in Denemarken. Alleen berust een portret van Christiaan IV 
in het Depot van het Museum te Berlijn. *). Snouckaert zette de tapijtfabriek met Aert 
Spierinck, zoon van Francois Spierinck, voort. 

6 Nov, 1623 belooft Jonchr. Snouckaert, die in compagnie met Aert Spijerinck 
tapitsier was, tot bevordering van het onderhanden werk van tapitserijen alle 3 maanden, 
te verstrekken ƒ1000 tot het werk af zou zijn '). 

Zij hadden een en ander overgenomen uit de nagelaten fabriek van VAN M ANDER. 
De volgende acten zeggen ons wat: 

26 Maert 1624 verklaeren Aert en Pieter Spierincx ter requisitie van Jonch'. 
Snouckaert van Schraplauw, dat de tapytzeryen noch onvercogt sijn, die ten tijde 
dat hij Aert Spierincx de winckel overbrachte dye ten huyse van Maerten Boe holt 
en Carel Vermander binnen Delff bevonden werden, als : drye kamers van Alexander, 
een met roode, een met blauwe en een met oranie boorden, met noch een stucktje van 
Sint Joris met noch enige sitcussens, en noch de camer van Cleopatra daer doen ter 
tijt noch weynich op gemaeckt was. ') 

7 Maert 1624 verklaart d'eersame Maerten van Bocholt ten behouve van Aert 
Spijrincx, tapitsijer beide wonende te Delff, dat hij aen den requirant nyet en heeft 
willen laeten volgen d'hyernae ghespecificeerde stucken Tapijtzeryen als: de visserije, het 
banket van Cleopatra^ het stuck genoemt de Slange, noch een stuck van ALEXANDER met 
roode boorden^ de battalie van Poorus^voor en aleer den requirant bij hanttastinge hadde 



*) Zie over hem verder: Kronijk van het Hist. Gen. te Utrecht 1856, bl. 65. 
s) Prot. Not. H. VAN Ceel, Delft. 



22 DE TAPIJTFABRIEK VAN KAREL VAN MANDER DÊ JONGE TE DELFT. 

belooft dat hij alle de werckgasten dye aen de voorz. stucken wrochten soude voldoen in 
alles volgende de contracten die hij mette voorz. gasten hadde gemaeckt. Enz. *) 

Het schijnt nochthans, dat Snouckaert genoeg van de zaak had. In Februari 
1624 verhuurde hij zijn huis en tuin in de St. Annastraat aan een zijdecfamer JACOB VAN 
Halmael *). 

II Februari 1624 maken Jonchr. N. Snouckaert en Maerten van Bocholt 
zijdeverwer en Pascasia Snouckaert, zijn vrouw een contract. Daarbij bekennen de 2 
laatsten geheel en al voor hun diensten voldaan te zijn (o. a. voor het ^^openbaeren van 
de const van 't carmozynverwen**) Paschasia krijgt alle jaren ƒ 150. — enM. v. B./iSOO. — 
eens. Reeds 12 April 1624 tratïsportjeerde M. VAN BOUCHOLT deze ƒ 1500. — aanJOHAN 
VAN Halmael*). 

Snouckaert schijnt zich sedert dien tijd niet meer met tapijtfabrieken enz. bemoeid 
te hebben. 

Nog een korte opmerking ten slotte. We mogen in Carel van Mander II, schilder en 
tapitsier te Delft, iemand hebben leeren kennen, wiens karakter en levenswijze ons minder 
gunstig voorkomt: eindigen we daarom toch met een woord van lof, voor de energie 
waarmede hij hollandsche kunst in den vreemde wist te doen hoogachten en zoeken, met 
een woord van lof voor zijn talent. We krijgen daarvan een denkbeeld door de afbeel- 
dingen, die dit artikel begeleiden. Zij stellen een tapijt voor dat in 1880 door Prins 
Demidoff te Parijs verkocht werd en uit van Mander's fabriek stamt. Een ander 
prachtig tapijt, gemerkt K. v. Mander fecit an. 1619 behoort aan Mr. Léon Somzée te 
Brussel, die het aldaar in 1884 tentoonstelde in de „Exposition d'Arts industriels." Het 
stelt den brand van Rome voor, en kan gerust onder de beste voortbrengselen op dit 
gebied {in dit tijdperk f) gerangschikt worden. Jammer, dat het de eenige stukken zijn, 
die ik hier als nog in wezen kan aanduiden. De drie andere afbeeldingen zijn genomen 
naar houtsneden uit het Deensche tijdschrift Illustrered Tidene en geven ons een denk- 
beeld van de pracht der in Frederiksborg verbrande kunstschatten. 

Delft bleef nog tot in het begin der XVIIP eeuw toe aanzienlijke tapijtfabrieken 
bezitten; ik noem slechts die der familie VAN DER GuCHT^) later ook in den Haag werk- 
zaam enz. Een ander maal hoop ik op deze Delftsche en Haagsche tapijtfabrieken terug 
te komen. 



1) Onbegrijpelijkerwijze noerat Mr. van der Graft deze tapijtwerkers voortdurend van der Vucht. Hij noemt 
Maxihiliaan van der Gucht den opvolger van Fr. Spierinck en spreekt nauwelijks van de fabriekvan van Mander. 
») Prot. Not. H. v. Ceel, Delft. 



SIBYLLE VAN GRIETHUYSEN. 



D'. J. A. WORP. 



R was eens weder een geschil gerezen tusschen de stad Groningen 
en de Ommelanden, De twist hield jaren aan; gecommitteerden 
werden naar den Haag gezonden, de staten-generaal deden eene 
uitspraak, het hof van Holland trachtte een einde aan den strijd te 
maken, doch alle pogingen bleven zonder gevolg. In Juni 1648 
verzochten eindelijk de staten-generaal den prins van Oranje om 
met eenige gecommitteerden naar Groningen te gaan en te beproe- 
ven om de quaestie te regelen. Willem II voldeed aan dat verzoek en kwam den i"" 
September (nieuwe stijl) 'te Groningen, waar hij, zooals Aitzema zegt^), werd „ingehaelt 
door de Boigerye, oock 't Guamisoen te voet ende te paerde, neffens losbrandinge van 
kanon". Die intocht werd bezongen door eene vrouw, die toen te Appingedam woonde, 
in een vers, dat tot titel heeft: Op de Triumphante In-komst en Huldinge van den Door- 
Ituhtigen en Hoog-geboren Vorst Wilhelm, Groef van Nassouw, etc, tot Stadikouder van 
Stadt Groningen ende ömmelanden% Ook een meer bekend dichter tokkelde de lier, 

1) VI. blz, 593. 

>) Vgi. KHetl Kraam, vel vtrahtidtH gidichU». VEirsU Opining. Gtdr^kkt II LauwardtH, By Hinrih RiKtjia. 1656. 



24 SIBYLLE VAN GRIETHUYSEN. 

al was het in dit geval de Latijnsche. HüYGENS was in het gevolg van den prins bij zijn 
bezoek te Groningen, en hij schreef een vers ^), dat op de volgende wijze door dezeltde 
dichteres werd vertaald*): 

PRONOSTION PHYSICO-POLITICUM. 

Gcmaeckt den 25. Augusti 1648. als tegen d'Avont, na bykans den gehelen dag langduyrigen Regen, 
de Son helder had begonnen te schijnen. 

»Dus langh kastijdt Godts toom! ons landen met slachregen, 

En dwarlewint daer tegen: 
Dus langh bewimpelt (ach!) ons vaderlant verkracht, 

Door een Turbecrde macht; 
O droevich Groningen! al *t spad van u landen 

Straelt noch een vreed* op handen, 
En dat den Hemel spaert, sijn tranen dick en nat, 

Beduydt waerachtich wat. 
Siet aen Orangiens Prins, sijn soet* en blyde oogen, 

Gedenckt wat die vermogen, 
't Plomp mislach word' een troost, van vreed* en soeticheyt, 

Door Godts handt toe bereydt 
Tot 't wonder bied' sijn gonst de Avont Son uyt 't Westen 

Oprijsendc ten lesten". 

Men mag veronderstellen, dat de secretaris van den prins het ook op reis druk 
had met allerlei bezigheden. Hij voerde o. a. met zijn zwager de WiLHEM eene drukke 
correspondentie. De Wilhem hield hem vooral van de Engelsche zaken op de hoogte, 
van de komst van den prins van Wales (later Karel II) in ons land, van de uitrustingen 
door Willem II om zijn schoonvader, den koning van Engeland, te hulp te komen, enz *). 
Maar HUYGENS, die tijd vond om twee Latijnsche gedichtjes te maken over de niet 
waardige wijze waarop Groningsche professoren waren gekleed*), een ander om het te 
beklagen dat de academie schade leed door de voortdurende twisten *^), en in een vierde 



1) Vgl. Constantini HugeTai..,,Mafnenta desu/ioria,,,, Editio altera .... 1655, blz. 366. 

Het vers luidt aldus: 

„Hactenus affligit Coeli discordia longo 

Turbine» perpetuis imbribus omne solum; 
Hactenus involvit Patriae turbata potestas 

Omne soli spatium, moesta Groninga, tul. 
Afiiilget pladdae tandem spes certa quietis, 

Et lachrimis aethram parcere in augurio est. 
Aspice in Auriaco blande ridentia vultu 

Sidera, et hos oculos omen habere puta. 
Fata soloedsmo pacem et bona verba loquuntur.* 
Prodigio favet k vespere sol oriens". 
«) Vgl. ICUoos Kraam, I, blz, 196. 

*) Zie de brieven in die Archives de la Afaison étOrange, Deuxihne Série, IV, blz. 263, 264, 265, 266, 269, 273. 
4) Vgl. Atomenta desultorta^ blz. 364, 365. 
•) T. a. p., blz. 365. 



SIBYLLE VAN GRIETHUYSEN 25 

v^ersje het beklaagde, dat hetzelfde gebouw diende voor bibliotheek en voor anatomisch 
museum 1), liet natuurlijk de beleefdheid van SiBYLLE VAN GRIETHUYSEN niet onbeant- 
woord. Hij schreef nl. het volgende karakteristieke gedichtje*): 

»Ick gingh vermomt door Land en Stadt, 
lek wierd gevatt en niet gevatt, 
Verstaen, en niet verstaen van velen: 
Die geen Onduytsch en konden velen : 
lek sprack nochtans den Duytschen aen: 
Dat heeft een' wijse Vrouw verstaen; 
Die heeft my vriendelick bedrogen, 
En 't Roomsche Masker afgetogen. 

Verheught u, droeve Stadt en Land, 
De rust en vrede is voor de hand: 
lek had gegist, en 't konde missen,, 
Den Hemel soud' uw* tranen wissen, 
Doen hy de sijne droogen liet: 
Nu giss ick end' en twijffel niet: 
't Moet waer zijn wat ick seggen wille; 
't Komt uyt den mond van een' Sibylle". 

Daar de voorspelling van de WiLHEM waarheid bleek te bevatten, dat Zijne 
Hoogheid „ne se pourra desvelopper si tost des affaires qu'il a k manier en ladite 
province"^), en werkelijk de prins eerst den isden October weer is afgereisd*), bleef er 
nog tijd genoeg over voor het wisselen van dichterlijke complimenten. SiBYLLE dichtte 
het volgende versje'): 

»Het Hollandts Licht quaem in ons Stadt, 
Van veel gesien, maer schaers gevatt, 
Een waere heyl, en troost voor velen. 
Die krijgh noch twist en konden velen. 
Het blonck soo stralende op ons aen 
Tot alle druck most achter staen ; 
Vertrouwt, hy heeft ons noyt bedroogen, 
Maer Martis harnas uytgetoogen. 

Juyght Groningen en Ommelandt, 
De Ueve Vreede is nu op handt; 
Constanters gissing kan niet missen, 
Orangien Boude ons tranen wissen, 



i) T. a. p. blz. 366. In 1615 hadden de Staten nl. besloten, „dat men vande oude Bibliotheecque ten Broe- 
ren beneden een Anatomia ende boven een Bibliotheecque sal toemaecken" (Vgl. Jonckbloet, Gedenkboek der Hoogeschool 
U Groningen^ 1864. blz. 388). Hoe lang die toestand heeft geduurd schijnt niet met zekerheid bekend . 

s) Vgl. Korenbloemen (167a), II, blz. 193 en Klioos Kraam, I, blz. 197. 

3) Vgl. Archives, t. a. p., blz. 365. 

4) Vgl. Johan van Nycnborgh, Groninger Histcrijen: of Kort Ver had van het gedenckwaerdighste datter in de 
Provincie ofte Heerlijckheydt van Stadt Groningen en Ommelanden geschiedt is van de eerste geheugenisse af^ tot desen tegen- 
wo&rdigen Jare toe, Den vijfden Druck: veel vermeerdert^ en verbeetert. Tot Groningen gedrucki by Jcuob Sipkes^ enz,, 1660, 

») Vgl. KHoos Kraam, I, blz. 198. 

4 



26 SIBYLLE VAN GRIETHUYSEN. 

i 

Doen HUYGENS wijsheydt blgcken liet, 

Nu gfaet het vast en twijfelt niet, 

Daer sulck een Stuyrman sit te stuyren, 

Ontsteeckt vast Vrecd' en Vreugde vuyren". ^ 

En HUYGENS antwoordde weer*): 

»Sibylle komt noch eens in Stadt; 
Heeft yemant niet te decgh gevatt 
De Toonen van haer' Damsche*) velen, 
Die maer de twistige vervelen, 
Sy spreeckt op nieuws 'sLands welvaerd aen, 
En doet sioh meesterlick verstaen, 
En heeft elok, of ick ben bedrogen, 
Den lesten nadocht uytgetogen. 

Gaet aen, verwerde Stad en Land; 
Geeft gins en weer de rechterhand; 
Daer sal maer de benijder missen. 
Als ghy d'oneffen' kerf sult wissen, 
Daerom u d'Eenigheit verliet: 
Sibylle seght het, twijffelt niet_, 
Den Hemel sal de vrede stieren, 
In 't Jaer van dry vijf en thien Vieren"*). 

Het is interessant iets te weten van de personen, die met groote mannen in eene 
of andere betrekking hebben gestaan; daarom zullen eenige bijzonderheden over SiBYLLE 
VAN GRIETHUYSEN misschien niet onwelkom zijn. 



In de Hemelsche Troost-Borney teghen de banghste aen-vechtinghe ; om de overblijff- 
selen der zonde *)y een werk door Sibylle en door Sibrandus Francisci, predikant 
te Appingedam, uitgegeven, zegt de laatste in eene voorrede, dat evenals tien steden el- 
kander de eer betwistten, dat zij Homerus hadden zien geboren worden, dit mutatis 
mutandis ook van SiBYLLE VAN GRIETHUYSEN geldt. „Soo laet die van Buyren segghen : 
't Is onse Sibylla. Wy segghen hier nu in den Dam : 't Is onse Sibylla". Met dit Buren 
wordt het Geldersche stadje van dien naam bedoeld. Dit blijkt uit het volgende. Sibylle 
heeft een Graf-schrift op den E. H, Michael Middel-hoven Predikant te Buyren^^ gedicht*), 
waarin deze regels voorkomen: 



^) Vgl. Korenbloemen^ blz. 194 en iclioos Kraam, I, bk. 199. 

s) Sibylle woonde te Appingedam, ook wel den Dam genoemd. 

') Waarschijnlijk waren het wel afschriften van deze verzen, die Huygens aan de Wilhem toezond en waarvan 
deze in zijn brief van 28 September schreef: „Je vous rens grices de vos beaux vers'* (Archivts, t. a. p., bk. 273.^ 

*) Met een scherpe spoore tot een Godtzalich leven. Over de vier eerste verssen van V achtste Capittel des Sendtbrie/s 
Pauli aen de Romeynen: In drie Meditatien, by forme van predicatien; in een goede ordre; gheopent^ in Dichte^ door Sibylle 
van Griethuysen; ende in Prose, door Sibrandus Francisci, Eydelshemius, 1>redicant in Appinga-Dam, Ghedruckt tot 
Leeuwardeny by Claude Fonteyne, Boeck-Drucker der Staten, 1651. 

•) Opgenomen in Het wonder- Toneel ofte Lust-hof der Histori-paerlen^ van Wonderbaere Behoudenissen, mitsgaders 
xande vreemdigheden der Gewassen ende Gedierten op Aerden^ ende Wateren, Blixem^ Bergen, Mineralen^ Afenschen, mach- 
tige Steden, Gebouwen^ Rijckdommen^ Begrafnissen, op en ondergang der werelds Staten: Als oock van 7 Paradijs^ Verschij" 
ningen^ eenige Consten ende Sin-Gedichten^ enz, meer. Door Johan van Nyenborch. Gedruct tot Groeningen. By Augustijn 
Eissens Boeck' Drucker in Costerus 1657, blz. 312. 



SIBYLLE VAN GRIETHUYSEN. 27 

iHier deckt dees steenen Sarck, het eens geschenen wesen, 
Van hem, die 't oncruydt heeft uyt mijn geboorte - Stadt, 
Zoo Goddelijck gewiet," enz. 

MiCHAÊL VAN Middelhoven was van 1650 tot 1652 predikant te Buren in Gel- 
derland 1), en zoo blijkt uit het aangehaalde, dat SiBYLLE daar geboren is. Eene andere 
vraag is, wanneer? In het archief van Buren zijn de doopboeken van dezen tijd niet 
meer aanwezig, maar men vindt weder eene aanwijzing in één harer gedichten. In 1646 
verscheen nl. SiBYLLE van Griethuysens Spreeckende Schildery; Af- beeldende een corte 
Verclaringe over het vierde Vers des eersten Capittels^ uyt het Hoge Liedt Salomons '), 
en hierin vindt men deze regels: 

»Is 't Werck te slecht, ó Volck! ay! wilt my het vergeven, 

Naest twee-mael derthien Jaer, en kend* ick Doot noch Leven". 

Erg duidelijk is de laatste versregel nu wel niet, maar hij schijnt toch te betee- 
kenen, dat men bij de beoordeeling van haar boekje hare jonge jaren '), ongeveer 26 
zomers, in aanmerking moet nemen. 

SiBYLLE VAN Griethuysen is dus ongeveer in 1620 geboren te Buren en was de 
jongste van negen kinderen *). Eene harer schoolvriendinnen was MARIA VAN DE Waeter, 
eene dame, die later tot het gevolg der keurvorstin van Brandenburg behoorde*). Hare 
opvoeding is zonder twijfel zeer goed geweest, want niet alleen kei>de zij zooveel Fransch, 
dat zij Montaigne kon citeeren, maar zij haalt ook Spaansch aan en las Horatius en Cicero. 

In 1644 was SiBYLLE gehuwd met Upke Harmen Wytzema, een apotheker; in 
Mei van dat jaar kwam zij met haar man van Kollum in Friesland naar Appingedam •). 
Wanneer zij, getrouwd is en hoe lang zij te Kollum heeft gewoond is niet na te sporen, 
omdat het kerkelijk archief van die gemeente over deze jaren niet meer bestaat. Uit 
haar huwelijk schijnt slechts één dochtertje te zijn geboren 7), dat in 1651 nog leefde 
maar in 1656 reeds overleden was ^). 



1) Vgl. Kerkelijk regisier van de Plaatsen en Namen der Predikanten van alle de Classes, gehorende onder de Syno- 
dus van Zuyd- Holland, van 't begin der Reformatie, tot nu toe^ door Martinus Soermans, Emeritus- Predikant van Gou- 
dreaan. Dese tweede Druk merkelijk verbetert^ vermeerdert, en vervolgt tot het Jaar 1701. Tot Haarlem, Bij Wilhelmus 
van Kessel^ enz., 1702, blz. 146. 

1) Cantic, i.vers. 4, Treckt my\ etc, Gedruckt tot Leeuwarden, by Claude Fonteyne, Boeck- Drucker, enz., 1646. 
s) In een lofdicht achter hetzelfde werk leest men ; 

„Gy zijt door u Verstand, 
Een Roem voor uwen Man, een Cierssel van het Land; 
Ghy teelt Natuyrlijck Zaet, vermits u frissche Jaren, 
Ghy condt noch, boven dit, Papiere- kinders, baren", enz. 
4) VgL Troost'Borne, h\z. 534. 

») Volgens het vers Aen de Edele Juffrou Me- Juffrou Maria van de Waeter oen 't Keurvorstelijcke Hof van 
Brondtnborghy op d^ Hofstede van Nyenborgh^ van den in yver brandenden Heer Johan van Nyenborgh^ te vinden in y.. 
y, Nyenborchs Hof- stede. Met desself s andere Bedenckingen^ Gedichten en Historiën: Door den selven Johan van Nven- 
horch. Tot Groningen gerukt by \, %. Boeckdrucker op de Hoge-straet, 1659. 

s) In één der boeken van het kerkelijk archief te Appingedam, waarvai\ de heer D. Goedhuis, predikant aldaar, mij 
met de grootste bereidwilligheid inzage verschafte, vond ik aangeteekend ; 
„1644, 30 Mei: Te Appingedam met attestatie aangekomen van Collum: Upke Harmens en SibijUa van Griethuyss." 

7) Vgl. Troost- Bome, blz. 541. 

8) Vgl. het vers van N. Klinge: Troostrym aen Ui>ke Wiii&ema^ En Sibtlle van Griethuizen^ over 't afsterven harer 

Dochtertje (Klioos Kraam^ t. a. p., blz. 353.) 

4* 



28 SIBYLLE VAN GRIETHUYSEN. 

In Appingedam begon zij aan de Muzen te offeren. In 1645 zag nl. het licht 
Sibyllae a GriethuysenSy in rym gestelde CUug-lieden Jeremiae, Metverlicktinge derselve^), 
dat zij aan de burgemeesters, den secretaris en de predikanten van Appingedam en Farnsum 
opdroeg, en dat met vier lofdichten is versierd. Van dezelfde godsdienstige strekking is 
het werkje, dat het volgende jaar door haar werd uitgegeven en dat tot titel had : Sibylle 
van Griethuysens Spreeckende Schildery; Af-beeldende een^ corte Verclaringe over het vierde 
Vers des eersten Capittels^ uyt het Hoge Liedt Salomons^ dat zij zelfs door de classis van 
Appingedam liet „approbeeren." 

Uit een gedicht vóór het werkje geplaatst en gericht tot Anna Ripperda blijkt, 
dat Sibylle veel op het slot dezer adellijke familie kwam en er gebruik maakte van de 
bibliotheek. In eenige woorden proza spreekt SiBYLLE Arnold van DEN BosCH, 3,Phoenix der 
Oost-Friessche Poëten", toe, die in het „Aen-Hangsel" van het boekje dan ook verzen plaatste. 
Verder worden er nog een paar gedichten in gevonden van C, FONTEYNE, Albertus 
BlERUMA, een student in de theologie, en van SiBYLLE zelve. 

Achter het exemplaar van het werk van SiBYLLE, dat op de bibliotheek van 
Nederl Letterk. berust, is nog een ander gedicht van haar gebonden met den volgenden 
titel : Aende Edele, Gestrenge^ Erentveste, Hooghgeleerde, Wijse^ ende seer voorsienige Heer en, 
Den Heeren, Borgemeesteren, ende Raedt der Stadt Embden, op het voortreffelijck gebouw 
van V nieuwe Valders Bethel ; ende over desself s, daer eerst in gedane Predicatie, door 
den Eerwaerdigen^ Godtsaligen ende Wei-geleerden, Dn, Petrunt Eilshemium, Getrouwen 
Dienaer yesu Christi, in Sijne Gemeynte aldaer. 

Uit den titel van deze werkjes blijkt, dat onze dichteres zich bij voorkeur met 
godsdienstige onderwerpen bezig hield. Hare levensrichting vond dan ook een lofredenaar 
in één der Pre'dikanten van het stadje harer inwoning, die o. a. van haar getuigde*): 
„Sy is waerlijck een SiBYLLA, een Heroïsche Matrone, een Peerle onder de Vrouwen, een 
Cieraedt van den Dam; ja van dese gantsche Provincie. Hoe uytmuntende is hare Poësie! 
Sodanigh is oock dese Personagie. lek en segghe dit niet, om yemandt te verachten. 
Dat zy verre. Nochte, om yemandt te flatteren. Die my kennen, weten wel beter. Maer 
ick schrijve dit, om dat sulcke Onderdanen zijn, als Diamanten, aen de Croone van de 
Goden. Ia, ick tuyghe dit, om Gode te dancken, voor sijne Gaven. Want, indien hoogh 
Verstandt, ghesondt Oordeel, Geestigheydt, Gaeuwigheyt, Kloeckheyt, Voorsichtigheydt, 
Dochter zijnde van Wijsheydt; indien een stalen Memorie, Bevalligheydt, Aenghenaemheydt, 
Gaven Godts zijn, als-se zijn, soo moeten wy den Heere hier loven, voor sijnen Zeghen, 
aen ons arme Menschen. Ay! Leser! Wy hebben gheseydt van hare Poësie. Maer, leest- 
se selve, ende oordeelt dan. Sy leest veel, niet alleen in Poëten, Historiën, Medicijns; maer 



1) I. Corinth, lo. K. 31. 
Het sy dan dat ghy eet, oft drinckt o/f yet doet, dat doet al ter Eeren Godts. 
Gedruckt tot Embden » Door H, Callenbach, ordinary Boeck-drtuker^ 1645. Men vintst tecoop, hy Johannes Joachimi Spies, 
Boeckvercoper in Appingedam, 

^ In zijne „Oratie" vóór de Hemelsche Troost- Borne, 



SIBYLLE VAN GRIETHUYSEN. 29 

oock, ende voornamelijck, in de Theologie, in de Heylige Sehriftuyre, ende Theologanten. 
Dit is haer Herten-lust en sin. Verstaet de Theologie oock in den grondt. Spfeeckt oock 
geeme daer uyt, van Godt, ende van sijn Woordt. Belieft het u, spreeckt met haer; by 
Exempel, van de Predestinatie, ende oordeelt dan. Sy is te Huys, als men teghen Papisten, 
Mennisten, Arminianen, en andei:e, sal disputeren". 

„Sy is daeromme dan oock, oikouros^ gelijck Paulus seydt, dat de oude Vrouwen 
Leeraressen sullen zijn van V Goede, op dat sy de jonge Vrouwen léeren^ te zijn, 
oikourous\ dat is, het Huys te bewaren, in een stil, rustigh, vredich, ende in-ghetoghen Leven". 

SiBYLLE zelve schijnt van hare voortreffelijkheid wel overtuigd te zijn geweest, 
want in hetzelfde werk, waarin deze lofrede voorkomt, legt zij de volgende bekentenis af') : 

yjjae, tot de uyre der tegenwoordicheydt, (hebbe ick) my soodanich ghedragen, 
(sonder roem ghesproken) dat ick, voor de gantsche Werelt, mijn Hooft, on-belamffert, 
mach op-steken. 

„En, by soo verre ick onsen Eerwaerdighen en Godtzalighen Dienaer Godts in 
Leere en Leven niet over-een-stemmende hadde bevonden; verre, verre hadde 't van my 
gheweest, dat ick my tot insluytinghe van desen Arbeydt soude hebben laten beweghen". 

Van onrechtzinnigheid was Sibylle dus niet te beschuldigen. Misschien kon men 
haren man evenmin daarvan aanklagen, maar toch kwam hij telkens op minder aange- 
name wijze in aanraking met den kerkeraad, zooals de notulen van dat college ons leeren. 
TLoo werd hij in de kerkeraadsvergadering van 14 October 1649 ondervraagd over de 
volgende zaken. Of hij niet Heereveenster almanakken had verspreid, zijnde „vol, nae 
veler gevoelen, van venijnige steken?" Of hij niet gezegd had, „de damster kinder wor- 
den opgevoedt in hoererie ende tooverie.^" En ten derde: of hij niet gezegd had: „moet 
ick uit den Dam. so moet de pastoor (nl. ds. SiBRANDüS Francisci) daer oock uit. ick 
' heb sijn hant?" Daar hij, wat de tweede beschuldiging betreft, als verzachtende omstandigheid 
dronkenschap aanvoerde, mag men veronderstellen, dat zijn levenswandel niet geheel 
onberispelijk was. In elk geval babbelde hij veel te veel, misschien wel uit trots over de 
geestesgaven van zijne vrouw. In de kerkeraadsvergadering van 18 November 1649 ver- 
klaren twee getuigen, dat „de apotheker" gezegd had, dat SiBRANDUS medewerkte aan al 
de geschriften van zijne vrouw. En nadat hij zich in de vergadering van 10 Februari 
1650 schriftelijk en mondeling had verdedigd, wordt besloten dat hij zal „met ernst 
vermaent worden, sich met woorden ende wercken anders niet, als stichtelick te dragen, 
met bijgevoegde dreiginge, dat men anders doen sal na Godes woort ende kerken-order." 

De vriendschappelijke verstandhouding tusschen SiBYLLE en dominé SiBRANDUS 
schijnt door al dat gehaspel niet geleden te hebben, want in 165 1 gaven zij te zamen 
de Hemelsche Troost- Borne uit. Ook dit werk was goedgekeurd door de leden der 
classis van Appingedam, die verklaarden, dat het boek was „Godts Woordt conform" en 
„allesins waerdich" „om ghedrtukty ende de kinderen Godts mede-gedeelt te worden". 



>) T. a. p., blz. 535. 



30 SIBYLLE VAN GRIETHUYSEN. 

Het lijvige werk bestaat voor een groot deel nit preeken van SiBRANDUS, waartusschen 
telkens verzen van SiBYLLE worden aangetroffen. Het werd door de dichteres opge- 
dragen aan den stadhouder WiLLEM Frederik en aan de staten van Groningen i). Behalve 
portretten van SiBRANDUS en Sibylle, naar schilderijen van T. Faber, bevat het voorwerk 
eene menigte lofdichten in het Latijn en Nederlandsch, van Philippus Humalda, 
Regnerus Wolphius, Johannes Toxopaeus, (de beide laatsten waren predikanten in de 
buurt van Appingedam), van den rector en conrector der Latijnsche school, AntoniüS 
Perizonius en Johannes Olingius, van Eelckien van Bouritius, Claude Fontaine, 
„Parisien" de bekende uitgever, van A. Elderkamp, johan Nyenborch, J. J. Schipper, 
WiLH. JANSSONH Zytsema, Hero Galama en anderen. Enkele van die verzen 
werden natuurlijk door SiBYLLE beantwoord, terwijl zij ook in eene „Een-voudighe Nae- 
reden" een en ander over haar eigen persoon meedeelt, o. a., dat haar man blij is, 
dat dit groote werk is voltooid, en dat zij het plan heeft niets of weinig meer te 
schrijven, maar zich te wijden aan haren echtgenoot en aan de opvoeding van hare 
dochter. 

Nog geene twee jafen na het uitgeven van dit werk ontstond er weder eene hevige 
botsing met den kerkeraad. Jammer is het, dat de notulen der vergaderingen van i en 2 
Maart 1653 zoo onleesbaar zijn geschreven, dat ik niet kon uitmaken, wat de oorzaak 
was van den twist. Uit het gezegde van SiBRANDUS, „dat sijn eere niet gekrenckt worde 
van Sibilla en haer man", mag men echter besluiten, dat het echtpaar den predikant 
had belasterd, en de kerkeraad vond goed, dat Dis. SiBRANDUS „onder poene van suspen- 
sie van dienst'* en WijTZEMA van excommunicatie zich voortaan van hunne „opmercke- 
lijcke conversatie sullen moeten onthouden". 

Waarschijnlijk maakte dit voorval, dat het echtpaar niet best meer in Appingedam 
kon blijven ; een jaar daarna vinden wij hen dan ook te Groningen, waar>^ij in Maart 
1654 hunne attestatie inleverden '). Of zij hier vrede hebben kunnen houden met den 
kerkeraad is niet na te gaan, omdat de acta consistorii van dezen tijd ontbreken. Er 
gingen eenige jaren voorbij, voordat SiBYLLE weder als dichteres optrad; zij heeft echter 
geen afzonderlijk werk meer uitgegeven. Maar de beide deelen van Klioos Kraam vol 
verscheiden gedichtetiy in 1656 en 1657 te Leeuwarden uitgegeven, bevatten eenige ver- 
zen van haar, die zij wellicht aan den uitgever in manuscript had afgestaan. Ook de 
verzen aan HUYGENS, die vroeger werden besproken, zijn er in opgenomen. Behalve deze 
is een gedicht aan Margaretha DE Heer'), eene Friesche schilderes, die nog al naam 
heeft gemaakt, het merkwaardigst Zij zelve wordt in het eerste deel bezongen door 



ï) Onder die opdracht staat: „Ghegheven, uyt mijn Boeckvertreck, den lo. Augusti, 1651". 

s) Op folio 104 van het boek, dat de „Namen der lidtmaten der Gemejrnte Jesu Christi in Groningen**, enz. (dl. I, 
1594-1660) behelst staat ingeteekend in die maand: 

„Attest: Sibylla van Griethuisen, van den Dam"; op fbl. 128 in diezelfde maand: „met attest: Upke Wijtima". Ds. 
Meerdink, scriba van het kerkbestuur, was zoo vriendelijk mij in staat te stellen van het kerkelijk archief gebruikte maken. 

') Vgl. dl. I, blz. 308. Zie over dit nichtje van Gijsbrecht Japiks Halbertsma's Hulde aan dien dichter, bk. 354- 



SIBYLLE VAN GRIETHUYSEN. 31 

SiMON Abbes Gabbema ^, den historieschrijver van Friesland, terwijl N. Klinge het 
echtpaar een troostwoord toespreekt wegens het verlies van hun dochtertje. Ik denk, dat 
het na den uitgave van Klioos Kraam was, dat JAN Vos het volgende versje op haar 
schreef*): 

JUFFROUW SIBYLLE VAN GRIETHUIZEN 

lOudt Grieken pronkte lang met roem van Zanggodinnen, 

En met Sibylle, vol van woorden, ryk van zin. 

Wie rype herssens heeft, doet zich van elk beminnen. 

Nu komt ons Groeningen een schrandre Zanggodin, 

En een Sibylle, in een enkel mensch vertoogen. 

Wie dubble wysheidt heeft, heeft overgroot vermoogen". 

Sibylle was bevriend met Johan van Nyenborgh, een rijmer, die een half uurtje 
van Groningen woonde'); zij schreef niet alleen lofverzen voor zijne werken, maar liet er 
dikwijls ook gedichten van haar in opnemen. Zoo beantwoordde zij in De Weeckwercken *) 
een versje, dat Hendrik Bruno tot haar had gericht, en bezong in de Graf-pyramtde •) 
verschillende personen. En Het Wónder-Toneel van dezen schrijver bevat ongeveer 
twintig verzen van hare hand, waarvan ik alleen aanstip het „Beclagh over 't verlies van 
't Boeck Jobs, in Rijm gesteldt door Henrick Bruno" •). 

In 1658 maakte SiBYLLE kennis meteen Amsterdamsch dichter, M'. JOHAN Blasius, 
die haar tijdens zijn verblijf te Groningen opzocht en een versje op haar maakte^). In 
het volgende jaar werd hare pen vaardig ter gelegenheid van het vorstelijk huwelijk, dat 
te Groningen werd gesloten en waarvan NYENBORGH in zijn Groninger Historijen de 
kroniekschrijver is geworden. Het feit is zoo weinig bekend en zoo onverklaarbaar, dat 
eene kleine uitweiding er over waarschijnlijk wel vergeven zal worden. 

Den laatsten Mei kwam de prinses douairière Amalia met hare dochters te Gronin- 
gen en den 2^ Juli de keurvorstin van Brandenburg. De vorst van Anhalt, de bruide- 
gom, was den 27**" Juli „met groot suite" aangekomen en den 6*" Juli werd zijn huwe- 
lijk met Henriette Catharina van Oranje in de Martinikerk voltrokken. Allerlei feeste- 



I) I, blz. 116. 

*) Vgl. Alle gedichten van den Po'éet Jan Vos. Verzamelt en uitgegeven door J, L. f Amsterdam, By Jacob LcscailU^ 
Boekverkooper, enz., 1662, l, blz. 368. 

^ Vgl. over hem Jhr. J. E. H. Hooft van Iddekinge in de Handelingen en mededuHngen van de Maatschappij der 
Nederlandsche Letterhunde te Leiden, 1883, blr. 75-96, en Mr. W. J. E, Berg van Dnssen Muilkerk, t. a. p., 1884, 
blz. 3-7., 

*) Der ghedenckwaerdige Historiën, Leer-gedichten, en Spreucken, etc Door Johan van Nyenborch, Gedpuckt tot Gro- 
ningen, by Jan CoUen, Anno 1657. 

*) Inhoudende, verscheyden Vermaekelijcke, Historiale, en Leersaeme, Grafdichten, met eenige andere Historiën, Invallen, 
en Sin-rijmen, etc. meer. Door Johan Nyenborc^. Tot Groningen,* Voor Jochem Frylingh, enz., I65. 

•) T. a. p., blz. 318. 

7) Op de uytnemende IHcht-kunst van Me-Juffer Me-Juffer Sibylle van Griethuysen op blz. 109 der bygevoegde Mengel- 
dichten achter Geslachte-boom der goden en godinnen, met hun vergode nakomelingen. Waar achter by-gevoegde mengeldichten 
van dUrgelijke stof, de voornaamste Juffers toegepast, door Mr. Joan Blacius, Ruhts-Geleerde . Leyden, By Salomon 
Wagenaar, enz., x66i. 



32 SIBYLLE VAN GRIETHUYSEN. 

lijkheden hadden er bij plaats, zelfs werd er een vuurwerk afgestoken, „'t weick perfect 
de naem van de Bruyt vertoonde," Het jonge paar vertrok den 14*" Juli weer naar den 
Haag, waarheen de prinses douairière reeds vroeger was afgereisd, en ook de keurvorstin 
van Brandenburg en Willem Frederik, de stadhouder, die met zijn gezin aan al de fees- 
ten had deelgenomen, gingen weder heen, natuurlijk „met statelijke uytgeleydingh der 
Militie, Ruyterye en salvo van Musketten en 't Canon", 

In een paar gedichten die in NvenbORGH's Hofstede zijn geplaatst, heeft SiBVLLE 
enkele dezer bijzonderheden bezongen,. Eén daarvan is gericht aan Maria van DE 
Waeter, hare schoolvriendin. 

Zij schreef verder nog een lofdicht op het 7otmnee/ der Amèac/ttett') van 'tiVKHBORH^ 
op Blasius' Geslacht-boom der goden en godinnen, welk werkje in 1661 het licht zag, en 
op zijn Fidamanis kusjes*') in 1663. Dit is het laatste gedicht, dat mij van haar bekend 
is. In een werkje van Nyenborgh, dat in 1668 uitkwam en tot titel heeft Den Tempel 
der heylige Historicn, of Verscheyden Gedenckwaerdige Historiën, der H. Schriftuyri, en 
des Nieuwen- Testament s, in den Tempel tot Jerusalem voor-g hevallen^) wordt haar naam 
niet gevonden. Het jaar van haar dood is niet uit te vorschen, omdat de begrafenis- 
boeken der gereformeerde gemeente te Groningen van dien tijd niet aanwezig zijn, 
Groningen, Febr. 1885. 

4 0/ Dtn H'irKM da- Handtwertktn eit Koialen, tnz. Midlsgadert HU Btriikl va» den Koof-Handil .- Ter Iteringe, 
gericht, tn gedicht door Jokaa van Nyeitiorsh. Den Tweeden Druei: grooteiijcJii vermeerdert. Tot Groeaiagen. gedruckl by 
Jacob Sifkes, 1659. 

1) Minne-uyien en iyrymea aan Celestyni, vaa Mr. Jaan Blasius, Rechts-Gelecrde. i? Amsterdam, Bf Balies 
BoclihBlt, enE,, 1663. 

•) By ten ghestelt. door Johan van Nyenéorch. Tol Groningen; Gedruett, vjer den Aathiur ; Anna iMB, Het 
werkje wordl door Hooft van Iddekinge niet VGimeld; Prof. B. J. Linlelo Baron de Geet van Julphaas, die er een 
exemplaar van be/i), was zoo vriendelijk mij. dit ter inzai;e af ie staan. 



DE CONINXLOO'S, 



Mr. N. de roever. 



ET is een voor velen zonderling en tnjkans onverklaarbaar, 
maar voor ieder, die het bedrog in kunsthandel en kunstge- 
schiedenis heeft opgemerkt, een gemakkelijk te begrijpen ver- 
schijnsel, dat een aantal kunstenaars, waaronder niet weinige 
in de voorste rijen der gildebroeders stonden opgeschre- 
ven, mettertijd wat hunne werken aangaat als we^evaagd 
werden van den aardbodem, en slechts bij name, hoog- 
stens door een paar in een vergeten hoekske van een 
Museum teruggevonden stukken aan onze eeuw bekend 
werden. 
Dat was het noodlot van den meester, die leerlingen kweekte grooter dan hij 
zelf, van den leerling, die zijn meester evenaarde, of wiens manier zoozeer overeenkwam 
met die van atelierbroeders van beteren naam dan hij zich kon verwerven, dat weinig 
nauwgezette kunstverkoopers er hun voordeel in konden zien om wein^ kundige kunst- 
verzamelaars ■ — naamkoopers, gelijk Samuel van HOOGSTRATEN ze noemde — het 
werk van den eerste voor dat van den laatste in de hand te stoppen. 

In den vorigen jaargang, van dit tijdschrift maakte de Heer A. Bredius de lezers 
opmerkzaam op het spoorloos verdwijnen van een hollandsch kunstenaar Adriaen Corneusz 



84 DECONINXLO O'S. 

VAN LiNSCHOTEN, die bij de Italianen was ter schoole geweest. Ik geloof, dat het niet te 
gewaagd is hetzelfde toetepassen op een man, die in de tweede helft der zestiende en in 't begin 
der zeventiende eeuw bloeide, en die door den onschatbaren VAN Mander zóó vleiend 
Wordt beschreven, dat wij er ons slechts over kunnen bedroeven zijn werken in geen%er 
Noord- of Zuid Nederlandsche Musea te zien prijken. 

In zijn GrooUSchildersboek geeft Karel VAN Mander van den meester, die ik be- 
doel, „de uytnemende lantschapniaecker" GiLLES van CONINXLOO ^) de volgende loffelijke 
getuigenis : 

„Want om kort maecken, en myn meeninghe van zyn constighe wercken te 
„zeggen, soo weet ick dees tydt geen beter landtschapmaecker, en sie dat in HoUandt 
„zyn handelinghe seer begint naegevolght te worden; en de boomen, die hier wat dorre 
„stonden, worden te wassen na de zyne so veel als sy goelicx moghen, hoewel het 
„sommige Bouwers oft Planters noch noode zoude bekennen". ^) 

Van Manders loftuiting is voor de kennis der waardeering van 's meesters werk 
van groote beteekenis, en wat zijn levensbericht aangaat zou men den anders zoo nauw- 
keurigen schrijver gaarne op zijn woord gelooven. Doch er komt helaas een „maar" in 
't spel. 

De geslachtslijst der CONINXLOO'S schijnt uit de gegevens van VAN MANDER met 
voldoende zekerheid optemaken. De oude Gilles van Coninxloo huwde met de zus- 
ter der vrouw van PiETER COECKE VAN Aelst, beide dochters van Jan van Doornicke, 
en de jonge Gilles met de weduwe van Pieters natuurlijken zoon PAULUS COECKE VAN 
Aelst'). Daarmede zijn echter geenszins terijmendeberichten van Hans VAN CONiNXLOO, 
oomzegger van onzen GiLLES *), die eigenhandig in eene door hem afgelegde rekening van 
den jare 1609 nederscheeef, dat zijn grootvader jAN VAN CONiNXLOO heette en gehuwd 
was met Elisabeth Hasaert, welk echtpaar hoogstwaarschijnlijk een viertal kinderen had '). 

Er heeft hier echter eene verwarring van personen plaats. 

Om dit aan te toonen gaan wij eenige jaren terug en doorzoeken den onmisbaren 
Liggere van het Antwerpsche St. Lucasgild. Daar vinden wij aangeteekend, dat een 



1) Kkamm, die over 't algemeen te veel werk maakt van de spelling der namen, verdedigt met allen ernst de spelling 
CONINCXLOOY, zich beroepende op de autoriteit van VAN Mander, terwijl hij te velde trekt tegen de „taalkuisching die 
zooveel verwarring sticht in geschiedenis, en vooral in de woordenboeken." Dat neemt niet weg, dat hij KoKiNGSLOO 
schrijft. Kramh schijnt te vergeten, dat men in 't begin van de XVIIe eeuw nog geen Dfi Vries en te Winkel had 
en derhalve allerlei spellingen mits tot de ware uitspraak leidende gewettigd zijn. 

s) K. V. Mander's Groot-Schildersboek bl. 184 (i6i8). 

3) ld. bl: 137. i40Ti. en i84n. MAX RooSBs, Geschüdmis der Aniw, schilcUrschool bl 184 meent, dat Jan Aertsz 
alias Jam de Hollander met de weduwe van den ouden Gilles hertrouwde. Uit van den Branden blijkt evenwel 
juist het omgekeerde. 

*) Dat Gilles de oom was van Hans, blijkt uit diens ondertrouw-acte van ai Augustus 1599. 

') De hier bedoelde regels luiden.* „Alsoo ick in mey tot Brussel gewest ben heb vernomen naetgene onsen groot- 
„vader Jan van Coninxloo en Elisebbt Hasaert, syne huysfrouw, opt contoor van de staten van Brabant op rente 
„geleet hebben ; heb myn vader saliger alletyt hooren seggen dattet was ontrent 34 oft 27 gulden erfl^ck, dan alsoo de 

„brieven door de troubelen verlooren syn kanmen niet zeker geweten Hieraen soude het sterf huys van desen 

„Gilles van Coninxloo maer het 4de pairt hebben*'' 



DE CONINXLO O'S. 35 

Gilles van Coninxloo in 1539 als vrijmeester van dat gild werd aangenomen, en nog 
1542/43 binnen Antwerpen woonachtig was'). Maar eenige jaren later werden eerst 
PiETER daarna Jan, twee zonen van Jan van Coninxloo en van Brussel geboortig, de eerste 
in 1544, de tweede in 1551 op den Liggere als gildebroeders ingeschreven. Van GiLLES 
vernemen wij verder niets. Nu zegt van DEN BRANDEN in zijn bekende Geschiedenis der 
Aniwerpsche schilderschool '), dat zijne weduwe, met den schilder Reter VAN Else alias 
VAN DEN WiNCKELE hertrouwd, in 1562 overleden was, en de stiefvader toen met den 
jongen Gilles afrekende. Moet ik veronderstellen, dat de zooevengenoemde Hans van 
Coninxloo zich in de vermelding van den naam zijner grootouders niet bedroog, dan 
mag ik veilig aannemen, dat deze Gilles de jonge niet dezelfde persoon is als onze 
y»uytnemende lantschapmaecker" en Karel van Mander zich bij de teboekstelling der 
familie-relatie vergist heeft. Dit wordt mij noch waarschijnlijker als ik het geboortejaar 
van onzen Gilles met het jaar der afrekening vergelijk. Onze GiLLES zou toen even 18 
jaren oud geweest zijn, en gewoonlijk hadden dergelijke afrekeningen niet vóór 't bereiken 
der meerderjarigheid plaats. 

Ik houd het voor zeker, dat er twee GILLESSEN geweest zijn: de zoon van GiLLES 
in 1562 nog in leven, maar van wien in de gilde-archieven van St. Lucas geen melding 
wordt gemaakt, en de zoon van Jan, over wiens werk van Mander de loftrompet stak, 
terwijl hij dezen de ouders toedichtte van genen. 

Een nauwgezet onderzoek der Antwerpsche schepen-protocollen zal deze kwestie, 
die buiten het bestek van dit opstel lag, ongetwijfeld kunnen oplossen. 

De schilder Jan van Coninxloo schijnt een voorzichtig huisvader te zijn geweest, 
die zijn spaarpenningen belegde in renten op 't kantoor van Brabant te Brussel, maar toen 
zijn kinderen tijdens de troebelen zich naar Duitschland verplaatsten gingen de schuldbrieven 
verloren en kostte het hun heel wat moeite om de gelden te beuren. 

Dit echtpaar had vier kinderen, waarvan Aegidius, Gilles of Jelis er een was. 
Maar Gilles was niet de eenige zoon. Hij had een broeder Jan of Hans, *) die almede 
schilder was en vader werd van een broederpaar, dat evenzeer het penseel hanteerde. 
Bovendien had hij een zuster Catalyne, die gehuwd geweest zijnde met Hans VAN DEN 
Bosch, *) bij haar omstreeks 1606 te Frankenthal plaats gehad hebbend overlijden haren 
broeder tot mede-erfgenaam achterliet. Wie het vierde kind was is niet zeker. •) 

Na zijn leertijd volbracht en een reis gemaakt te hebben vestigde GiLLES VAN 
Coninxloo zich te Antwerpen, trad er in 1570 in het gild en huwde er, volgens VAN 



*) BI. 134. 

») BI. 307. 

a) Op dezen Hans v. C. den Oude kom ik zoo aanstonds terug. 

4) Op den Liggere zijn verschillende kunstenaars van dien naam ingeschreven. 

») Wellicht was het Margarbtha v. Coninxloo uit \*ier huwelijk met Jean Minuit in 1575 een zoon geboren 
werd; of Francois van C wiens gelijknamige zoon in 1590 moet gehuwd zijn; of wel een dochter tweemaal gehuwd, en 
uit bdde huwelijken kinderen hebbende. Onder de erfgenamen van de weduwe van den Bosch, worden althans genoemd 
Mart Jacobs, de vrouw van Willem Huigen en de gebroeders Roblof en Frans Pieterszn. 

5* 



86 D E C O N I N X L O O'S. 

Mander, met de weduwe van Paulus Coecke alias VAN Aelst. *) Haar naam is niet 
bekend, en het is daarom niet uit te maken of zij de moeder was van GiLLES' drie kinderen : 
Marie, geboren omstreeks 1578, Cathalyne, geboren omstreeks 1579, en Gilles, geboren 
omstreeks 1581. De moeder dezer kinderen heette Maria ROBROECK. ') Zij zagen alle in de 
Scheldestad het eerste levenslicht en zijn met den vader haar ontweken. Van 's meesters werk- 
zaamheid in die jaren. verhaalt ons zijn levensbeschrijver iets. Toen Parma het beleg voor 
Antwerpen had geslagen en de Hervormden het gevaar voorzagen, dat hun godsdienst 
dreigde, verliet Gilles in Januari 1585 de stad, hetgeen bewijst, dat hij een verklaard 
en volhardend voorstander der nieuwe leer was, bereid om daarvoor in vrijwillige balling- 
schap te gaan. Noode verliet hij zijn geboortestad en steeds bleef hij gelooven, dat de 
zon der gewetensvrijheid nog bij zijn leven over haar zou opgaan. Dit bewijzen twee 
stukken, die in zijn boedel gebonden werden, en door zijn kinderen, in dit opzicht minder 
optimistisch dan hij, onder de „stucken van geenerley waerde" gerekend werden. 

lek Antoni Merttens, coopman juwelier, woonende in deser stadt Franckfort, 
bekenne bij desen wel en deuchdelijck afgecocht te hebben van GiLLES VAN Coninxloo, 
schilder, nu ter tyt in Franckendaell residerende, twee doecken schilderije in olie gewrocht 
my gelevert tot myn contentemente, ende dat voor die somme van vijflftich florenen tot 
vyffthien batsen den gulden gerekendt, welcke vyfftich guldenen ick denselven GiLLES, 
syns actie ofte transport hebbende, belove te betaelen als men sal moghen m der stadt 
van Antwerpen vrye wooninge hebben ende exercitie van de gereformeerde religie, ende 
dat sonder arch oft list. Des t'oirconden hebbe ick dese onderteeckendt met mijn gewoon- 
lyck handschrift, dese Oistermisse Anno XVc negen en tachentich. 

(w. g.) Antoni Mertens. 

Eene dergelijke verklaring werd geteekend door Adriaen Verstraten, coopman 
van speceryen, mede te Frankfort verblijf houdende. ') 

Uit beide stukken blijkt de juistheid van VAN Manders opgaaf, dat de meester — 
na eenigen tijd in Zeeland *) te hebben verwijld — zich teFrankenthal vestigde, waar 
evenals in Frankfort verschillende Antwerpsche vluchtelingen gastvrij werden ontvangen') 
en zijne zuster, met VAN den Bosch gehuwd, tot haren dood wonen bleef. 

Van 'smans werkzaamheid daar ter plaatse weten wij niet veel. Uit hetgeen VAN 
Mander zegt valt optemaken, dat zijn werken er zeer geacht waren en grif van de hand 
gingen. De Keizer gaf hem bestellingen en andere groote heeren volgden het keizerlijk voor- 



*) Van Mander bl. 140. 

*) Deze vrouw schijnt vermaagschapt te zijn geweest aan den Antwerpschen schilder Mr. Chris'HAEN van de 
Perre of aan diens echtgenoot Margriete van Gindbrdeurbn. 

') Deze stttkken liggen met het eerstvolgende ter Weeskamer Lade 102. 

*) Wellicht te Middelburg, waar van Mahdbr een schilderij van hem zag. 

*) De RegeeringscoUeges stonden -daar al spoedig voor de vlaamsche vluchtelingen open. In den boedel van de 
weduwe van den Bosch vond ik vermeld schuldvorderingen op Boüdewijn Bardoel, burgemeester, en Evert van 
Orlby, raad aldaar. 



DE CONINXLO O'S. 37 

beeld, zoodat hij weldra een bemiddeld man was. Alle groote heeren waren evenwel niet even 
goede betalers. Dit blijkt uit eene rekening, dié onbetaald in zijn boedel gevonden werd. 

— EEN REKENINGE VAN DE GRAEF VAN OVERSTEYN — 



Erstlich gelieflfert aan Jhr. G. ein gemahltes Schloss 

Oberstein kost 6 Reychsthaler thut 8. — R 
It. noch 5 conterfeytt gelieflfert jedes 

stuck 3 kronen zu 25 batzen thut 25. — R 
It bin gen Obersteyn gereyst ausz 

E. Gn. befelch, hab auch eynen 

man mit ettliche gemalte Tticher 

E. G. zu underthönige n befelen 

mitbrachty darüber verzert. 8. — R 

Somma sommarum 41. — R 

E. G. Underthöniger. 




OJ^ ^ ü^-rf- 



O 



Toen hij zich na een verblijf van tien jaren in Duitschland te Amsterdam vestigde — 
het moet in 't jaar 1595 geweest zijn, want bij zijn tweede huwelijk in 1603 woonde hij 
er reeds acht jaren — betrok hij aanstonds een huis van 200 gl. huur op een fatsoenlijken 
stand, de Turfmarkt, en schroomde niet om zekeren Philips VAN Benthem onder de 
ongunstige voorwaarden van kleine aflossingen op lange termijnen 65 gl. te leenen, waarvan 
hij nauwelijks een zesde deel terug zag. 

Een paar jaar nadat hij metterwoon te Amsterdam gekomen was kocht hij het 
poorterrecht der stad, 22 April 1597. In den regel geschiedde dit weinige dagen vóór de 
opname in het een of ander gild, want zonder dat men zijn burger ceel vertoond had namen 
de overheden niemand aan. Al dien tijd heefl hij dus blijkbaar buiten het gild gestaan, 
hetgeen, meent men, bewijst, dat de kunstenaar zijn werken niet te gelde maakte. 

In het volgende jaar bleef hij borg yoor zekeren ABRAHAM DIAMANT, die Hans 
Lenaertsz, den rijksten hoedenmaker van zijn tijd, 25 gl. schuldig was. Daar gene in 
gebreke bleef te betalen werd hij ter voldoening aangesproken, en nu kwam hij met den 
schuldeischer overeen, dat hij hem een schilderij zou leveren berekend tegen 22 gl. en de 
rest zou bijpassen. Eerst na zijn dood werden deze drie gulden aangezuiverd. 



38 DECONINXLO O'S. 

Dit cijfer van 22 gl. was voor dien tijd geen geringe prijs. 

Te Amsterdam werden zijn doeken al evenzeer gewaardeerd als in Duitschland. 
De bekende kunstverzamelaars van dien tijd bezaten ook van hem stukken. Ik wijs slechts 
op den rijken koopman Hendrik van Os, de broeder van Dirk, een der mede-oprichters 
van de Compagnie van Verre, en op den kunstlievenden koopman JEAN NlQUET (niet YcKET), 
wiens portret in prent uitgaat, die met eenige anderen door van Mander worden opgenoemd. 
Het komt mij echter voor, dat de stukken, die VAN Mander prijst, grootendeels uit zijn 
eersten tijd zijn. Meest zijn ze door VAN Cleeff gefigureerd. 

De kunstenaars met welke hij te Amsterdam omging zijn ongetwijfeld talrijk geweest, 
en 't schijnt wel of er vooral onder de jongere kunstbroeders verschillende waren, die zijn 
gezelschap zochten en in zijn huiselijken kring werden ontvangen. Te beweren dat 
ze leerlingen van den ,,uytnemenden lantschapmaecker" waren zou wellicht wat te 
ver gaan, onmogelijk is het echter geenszins. Onder die jongere kunstbroeders noem 
ik in de eerste plaats Gilles' neven Hans en Isaac van Coninxloo; voorts Hans 
VAN Essen, een geboren antwerpenaar, over wien inden vorigen jaargang van dit tijdschrift 
iets werd medegedeeld ^); PlETER ISAACSZ, de vooral in Denemarken zeer bekende kun- 
stenaar '); Jonas van Maerle of Merle, wiens werken ook verloren geraakt schijnen, 
doch op wien ik zoo aanstonds terugkom; CORNELIS van der Voort, de in zijn tijd zeer 
beroemden portretschilder, wiens sterfjaar ik in 't Breederoo-album van Oud-Holland mede- 
deelde en voor wien van CONiNXLOO, blijkens zijne zoo aanstonds af te drukken inventaris 
soms misschien de landschappartijen schilderde; en GovertGo\^RTSZ, een omstreeks 1583 
te Arnhem geboren maar van jongs af te Amsterdam wonend kunstenaar, aan C0NINXL00*S 
vrouw, mede te Arnhem geboren, wellicht niet onbekend en haar vertrouwen dermate 
genietende, dat zij hem meermalen verkoos, om haar in rechten bij te staan of haar als 
getuige acten te helpen passeeren. Daarbij was dan ook vaak tegenwoordig JACQUES VAN DER 
Weyen. Beide laatstgenoemde personen worden onder de koopers van CONINXLOO'S kunst- 
schatten genoemd, en werden door den afslager aangeduid als „knechten". Wie meermalen 
contracten uit dien tijd tusschen meesters en gezellen gelezen heeft weet, dat men daaronder 
„leerlingen" te verstaan heeft. Ook VAN Mander gebruikt het woord in dezelfde beteekenis. 

Van deze kunstenaars is niets of bijna niets bekend. ^) Nu kennen wij ze als leer- 
lingen van Coninxloo. De laatste kwam, we zullen het straks zien, weldra bij David 
ViNCKBOONS op den „winckel." 



^^^4 J>^^^^r4-^ j^wUivL&^ ^^^^ 't^^ 




1) Mr. Ch. M. Dozy. PUier Codde^ de schilder en de dichter, bl. 64. 

3) Men zie over hem Ph. Weilbach. Dansk Konstnerlexikon. Kjobenhavn 1878, in voce. 

8) Kramm noemt op gezag van Brijan-Stanley een landschapschilder Govert, die bloeide in den lijd, dat deze 
leerling van Coninxloo moet gebloeid hebben. Onze Govert woonde met zijne moeder in Juni 1607, toen hij bruigom 
werd van Maiken Willems, in de Geelvinksteeg 



DE CONINXLO O'S. 3^ 

De zooeven genoemde Jonas van Maerle Dirkszoon, omstreeks 1578 mede te 
Antwerpen geboren, en wellicht reeds in 1 590 te Antwerpen als leerling van PAULUS VAN 
OvERBEKE ingeschreven, was een broeder van den rijken juwelier Jan of HANS VAN 
Maerle, die eep uitmuntend kabinet schilderijen had, dat na zijn dood in 1637 verkocht 
werd. Hij huwde in Juli 1603 met Cathelyne, de 24-jarige dochter van van onzen meester *). 
Uit dezen echt werden eenige kinderen geboren, waarvan er twee in 1622, toen de vader 
reeds minstens acht jaren overleden was, minderjarig nog in leven waren. In 1607 was 
de zestienjarige Salomon de la Tombe bij hem in de leer. 

Nog waren geen twee maanden na dit huwelijk verloopen of de weduwnaarsstaat 
verdroot den bijna 60-jarigen kunstenaar, en op den 23 Augustus teekende hij ten ondertrouw 
aan met eene in zijne nabijheid — in de Langebrugsteeg — woonachtige trouwlustige 
weduwe, Geertgen van Eeden, die slechts een jaar geleden haren man, Jeremias DE 
Pandere, had verloren en haar nieuwen echtvriend vóór er twee jaren verloopen waren 
een zoon schonk, die den naam Samuel ontving. Deze zoon is op achtjarigen leeftijd, toen 
zijn moeder reeds weder was hertrouwd met een te Leimuiden gevestigden kleedermaker en 
collecteur Jan Harmensz*), komen te sterven. 

Het voorbeeld van vader en zuster vond weldra navolging bij GiLLES' andere dochter 
Maria. Zij ondertrouwde 19 Juni 1604 "i^t een brabanter Wouter Willemsz de Coster, 
schoolmeester van beroep. In 1622 deelden zij met van Maerle's evengenoemde kinderen 
de nalatenschap van hun broeder Gilles van Coninxloo, de Jonge. 

Laat ons bij dien jongen GiLLES even stilstaan. 

Ook hij was te Antwerpen en wel omstreeks 1581 geboren. Ofschoon door zijn 
vader in het kunstvak opgeleid, schijnt hij niet zulk een bizonderen aanleg aan den dag 
te hebben gelegd, dat hij met palet en penseel alleen door de wereld kon komen. Hij 
trok daarom den soldaten-rok aan en lag nu, toen zijn vader kwam te sterven, te Kampen 
in garnizoen als soldaat onder hopman Fran(;ois van Westerbeke '). Hetzij dat zijn 
geestvermogens min of meer beperkt waren, hetzij dat zijn handel en wandel den ver- 
kwister kenmerkten, hij werd door zijn verwanten onder voogdij gehouden en het was 
PlETER ISAACKSZ, die de administratie op zich nam, zijn gereede penningen belegde, het 
hem toebedeelde werk van Albert Dürer, voor een som van 90: 1415 : gl. verkocht, 
en, nadat hij te vergeefs te Dantzig afnemers voor zijn „kunst** had gezocht er tenslotte 
in slaagde elders koopers te vinden. Inmiddels voorzag hij hem van kleederen, van penseelen, 
verwen en lak en bewaarde voor hem een „landtschep van den ouden Conickslo", „een 
clain met een schepken van froen" en "een out counterfeit". Eindelijk maakte hij den 



]) Kerkelijke huwelijksprodamatien 'No. 11. 

s) Kerkel. Huw. procl. No. 13 in dato 33 September 1608. 

s) Protocol van den Notaris F. van Banchem bL Z13. — De soldaten van dien tijd oefenden, wanneer zij ergens 
in gamisoen lagen, dikwijls een beroep er bi} uit. De kasemeering bestond nog niet Onder de Amsterdamsche soldaten zijn 
verschillende beroepen vertegenwoordigd. Kunstenaars zijn er echter witte raven onder. Het zullen er dan ook kunstenaars 
naar geweest zijn 1 



40 DECONINXLO O'S. 

i8 April 1614 zijn rekening op en leverde die den 29 Juli, korten tijd vermoedelijk vóór 
hij ons vaderland verliet om weder naar Denemarken te trekken, ter weeskamer in. ^) Hij 
zag toen de voogdij opgedragen aan Isaak van Coninxloo, den neef van zijn pupil. 

Nog zes jaar ongeveer nam de nieuwe voogd de curateele waar; in 1619 ^^ ^^^ 
stierf de jonge Gilles, een goede 1 100 gl. aan obligatién op de O. I. Compagnie nalatende. 

De oude Gilles genoot het jonge echtgeluk niet lang. 

Toen hij zijn einde voelde naderen beschikte hij bij testament over de voogdij 
van zijn jongste kind, bovengenoemde Samuel, en het was aan zijn neef Hans dat hij die 
zorg opdroeg, terwijl hij hem tevens benoemde tot executeur van zijn uitersten wil. 

Op het einde van het jaar 1606 blies hij den laatsten adem uit'), en op den 4 
Januari 1607 werd zijn stoffelijk overschot door zijn kunstbroeders naar zijn eeuwige rust- 
plaats in de Nieuwe kerk gedragen. 

Korten tijd daarna hield de notaris F. VAN Banchem de: 

Inventarisatie van de goederen^ acten ende gerechtigheden, uyt- 
ende inschulden bevoTuten ten sterfhuyse van GILLES van 
Coninxloo, den ouden, in zijn leven schilder^ in voeghen hy 
die nutter doodt ontruympt ende agtergelaeten heeft. Ende gyn 
deselve goederen by Geertgen van Eeden €Us boelhouwster ge- 
trouwelyck aangegeven. Actum den 19 Januari 1607. \) 

— IN 'T VOORHUYS. — 

Een eecken sitbanck. Een dantsicker kist met een bonten spree er over, eenige stoelen en een 
aantal manskleederen (meestal van fraaie stoffen o. a. een nachttabbaert met bont gevoerd, een 
grauwe reismantel, een roode overbroek, twee vilt hoeden met fluweel gestoffeerd.) benevens 
const en schilderyen als: . 

Een groot stuck gemaeckt by Hans van Aecren, wesende een Adam en Eva van olyverff 

Jeremias van Casteren^ hoek Stoofsteeg 75 :- 

Een groot stuck schilderye op doek, van de strytt ofte val der Engelen van olyverff. 

Gregorius van den Broek^ Catverstr. 4a. 

Een groot lantschap op doeck van de Tentasie Christi van olyverff. 

Een groot lantschap van olyverff van Pleysant. 

Een taeffereel waarvan de lysten gestoffeert zijn, wesende olyverff ende een boeren verdriet 

Een stucxken peneel van Orpheus van olyverff. 

Een stucxken van olyverff wesende een Bancket met gestoffeerde lijst Héndr. van Os^ 32. 

Een stuck op doeck gemaeckt van waterverff wesende een vysmarck met een gestoffeerde lyst {de 
Anhverpsche vistnerct.) Pauim Bisschop^ ao. 

Voorts twee matten aen de muyr. 



1) Weeskamer. Lade 35. Deze rekening, die wegens bovengenoemde data belangrijk is, werd geheel door hem ge> 
schreven en onderteekend. De hoop op desen kunstenaar later uitvoeriger terug te komen. 

s) Volgens Kramm zegt Brtan-Stanlbt doch ten onrechte dat hij in 1609 te Antwerpen overiedenis. 

t) Uit de zoo aanstonds te noemen veilingsacte voeg ik van de kunstwericen, die ik in dezen inventaris kon 
terugvinden, de koopers en de opbrengst (cursief gezet) hierbij. 



DE CONINXLO O'S. 41 

« 

— IN DE BINNEN HAERT. — 

Behalve een paar peneeltjes, al het yzerwerk het tinnewerk (alleen 85 pond aan plateelen en 
tailloren) het koperwerk (waarby een kannenbord mét 10 steenen kannen) het houtwerk (waeronder 
een slaepbanck) een eenvoudig ameublement, benevens ,,een middelmatige bijbel, daer by een 
psalmboeck, een boecxken olte tsamenspreeckinge van Anna ende Pelites." 

— ACHTER IN 'T SOMERKOKENTGEN EN IN DE GANCK — 
Alleriei koper keukengereedschap en huishoudelijke artikelen. 

— OP DE BOVEN ACHTERCAEMER. — 

Een eikenhouten bedtstede, pers, trecktaefifel, bancken, een groote vergulde spiegel, twee distincte 
conterfejtsels van Conincxloo en een van Geertgen van Eede, linnengoed (de linnenkast 
was wel voorzien,) benevens een aantal boekefi, o. a. 

Een duytse Josephes. / S' A' 

Een boeck in duytse taele wesende de Cronica Carionis. 4 : 3 : 

Een duyts boeck Calvini op de uytlegginge vande vyer Evangelisten. 

Een duyts boeck op de uitlegginge Calvini vande sentbrieven Pauli ende oock op de Sentbrieven 
totten Hebreen. 

Een duyts testament. 1:6. 

Een duyts boek door Lutherus gemaeckt, genaempt huyspostille op de Evangeliën vande Sondaghen. 

Noch een luters boeck genaempt het Somerdeel van de huyspostil. 

Nog een out duyts testament. 

Een duyts boecxken genaempt die kleyne gesonde leere. 

— CONST DIE BEVONDEN IS BOVEN OP DE ACHTER-WINCKEL. — 
Twee langwerpachtige doecken van waterverfif zynde jachten. 
Een vyerkanl waterverff doecxken oock een jacht. 
Een begonnen doeck van olyverf oock van een jacht. 

Een principael Pauwels bekeringe van Coninxloo. Laurens Charlier^in de Warmoesstr,^^i\ 10. 
Een copie van deselve grootte. 

Een Lantschap daer de boeren in vorschen veranderen. 
Een copie op doeck vant selve twelck noch nyet opgemaeckt is. 
Een kleyn penneeltgen van S*. Andries. 
Een groot stucxken olyverflf vande historie Thobias. 

Een principale toom van Babelonien, Hendr. van Os, 350. 

Een groote doeck van S*. Jan den dooper van olyverflf. 
Een penneeltgen vande moerendoopsel van olyverflf. 

Twee copytgies van de vyflf sinnen op penneeltgens in olyverflf geschildert. 
Elen boschagie wesende een copie nae Coninxloo. 
Een principale van een geestelycke jacht met een binnen lyst. 

Noch een principale lantschap met een binnen lyst van deselve meester van gelijcke groote. 
E^n seestrantgen nae PAU^VELS Bril. 
Een principael stuck van Coninxloo halflf gedaen. 

Noch een principaele stuck van Coninxloo met een binnenlijst helemael gedaen. 
Noch een principaele stuck van Coninxloo bynae opgemaeckt. 
Noch een groot penneel van Coninxloo begonnen; (benevens een aantal dergelyke, onafgewerkte 

groote en kleine stukken.) 
Een teeckening op een penneeltgen by Coninxloo gemaeckt. David Boins, 3: 15: 

6 



42 ^ DECONINXLO O'S. 

Een gedoodverfit stuck met een binnen l)rst by Coninxloo begonnen, waarvan de penneel Hans 

CoNiNXLOO toebehoort. 
Een stuckgen penneel van een blau lantschap by Coninxloo aengeleyt. 
Een kleyn swart taffereeltgien van Coninxloo met cryt geteekent. 
Een knaep van Coninxloo met een cle3m eseltgien. 
Een groot doeck gedoodtverfft voor Breughbl 
Een doeck begonnen voor Corneus van der Voort. 
Een grooten doeck opgemaeckt in olieverflf van den Moerendoop. 
Een lantschap van den doop Johannes, opgemaeckt synde. 

Een grooten gedoodtverfden doeck van een lantschap, Philips Thysz^ 40: 

Een copiavan Marten de Vos van de negen Mu)rsen. 
Een doeck van een vrouw geschildert, synde een lantschap. 

Een principael penneel van Coninxloo, synde een schaepsstal. Faulus Bisschop^ '30 : 10 : 

Een principael bos op een penneel, opgemaekt. 
Ken taeffereel sonder lijst daer Christus int cooren gaet. 
Een groot lantschap met een meulen daerin. 
Een penneel van de doop Johannes. 
Een lantschap van de vyff garstebrooden, principael. 
Een taeflfereel van een groot moerendoopsel. 
Noch een clejm taeflfereel daer Christus voort cooren sit. 

Een taeflfereel vande blinde, principael. i) simon Root, 38 : 

Noch eeji S». Janspredicatie, principael taeffereel. Barent Theunisz 56 !• 

Een doecxken van den Ouden Breughel, principael. ' 

Noch een doeck van Sacheus. 

Een grooten geoHverffden doeck vande vyer tyden van 't jaer. Rogier Meuwsz. 8 • 5 

Een brandeken van den jongen Breugel, principael. ^ Bendr. van Os, 58 • 

Een stucxken van Coninxloo, principael, van Venus endé Adonis. /acgues Kina 22: 

Een avontmael van Mostaert. ' 

Een stuck met een binnenlystken van Brill. 

Een steenrootsken van Coninxloo met een vergulden lyst. {Een gebergte:) Hercules Pütersz, 6 : 5. 

Een begonnen stucxken van Jochim Patenier. 

Een stucxken tovery van Mostert. ^^^^ ^ Nia^lan/, 13 : 5. 

Een- stucxken van 2 wagentgiens in wit ende swart. 

Een stucxken van Goliat 

Een copie vant avontmael nae Mostaert. 

Eenige stucxgens met bloemen. 

Een koockentgien van Breugel. {een coocken^ortgen) Jirans PUtersz van HaerUm 32 • 10 

Een taeffereel van Rebecca. ^^^^ ^^^ LUbergefl, 14 : 10! 

Een taeffereel m wit en swart van den Coninck David. 

Een taeffereeltgen van Marten van Cleeff synde de historie van Rachel. Barent Thonisz 15 : 15. 
Een monnickendans van Breugel. > j j 

Een taeffereeltjen van 't paradys Adam en Eva. 7^^ Jleyckes 9 : 

Twee stucxkens met schepen. >^ 1 v • 

Een stucxken van paerden wit en swart. 
Ses verscheyden stucxkens van Marten de Vos en Marten van Cleef. 

») Dit is weUicht de schilderij van Coninxloo ons bekend door een kopergravure van Jan van Lokderzeel, voor- 
stcUende de genering van den blinden man. 



DE CONINXLO O'S. 43 

Een stucxken van S*. Jans openbaring^. 

Een leggende Magdalena. 

Een stucxken van Joris van Cleeff. {Een bortgen van de sotte Cleef.) Guiüiam Bassé^ 8 : 

Een stucxken van Mides van Coninxloo Hendr, van Os, i8 ; 

Een stuck daert vareken in't cot moet 

Een Maria beeltgen op een gouden gront. {Een Maria-beelt van Scorel) Corn. Cour ten, 31 : 

Een Christus en S*. Jan. 

Een Jonas van Jan wit en swart 

't Conterfejrtsel van Besa. 

Vyff boeren troniens van Makten van Cleeff. 

Een boom van Coninxloo. 

Een besnydenis Christi. 

Een cruysefix met een gouwe lyst. 

12 Stukken conterfeytsels nae 't leven. 

15 Stucxkens met verscheyde beesten, (15 anderen zyn by den advocaat fiscaal van Holland Simon 

VAN Veen.) * 

Een lantschap van Juda en Tamar. i) 
Een stucxken van Sodoma en Gomorra. 
Een stucxken vanden Burge^. tot Roomen. 
4 Stucxkens van'lantschappies van Adriaen. 
Een cleyn gerolt doecxken vande nèghen Muysen. 

Een cleyn carstnachtgen, principael. Jan Andriesz, in U Jerusalems kruis, 10. 

Een boerenbniyloft nae Brbugel. 
Een waterverff doeck van Zeelandt. " 

Een waterverffdoeck van Hans Breugbl, wesende een boerenkermis. Cryn Verboom, 16. 

Een stucxken op doeck van waterverff van Pleissance. 
Een jacht van Hendrick Leuenens 2) op doeck, van waterverff. 
Een eis van Jeronimus Bos, waterverff. 

Een Boelschap vande swaenen, in waterverff. {Een schilder y van Leda,) Corn. v. d. Voort, 9 : 10. 
Een waterverff doeck van Hendrick Leunens, wesende een jacht. 
Noch een cleyne ordonnancie van Hendrick Leunens, wit en swart. 
Een plaetgen dat geschildert is principael van Coninxloo. 
Benevens een aantal lantschapens. 

Een conststucxken, in was geboetseert van Hsronymus Ottüs. 
Vyff esels groot en cleyn en vyer wryffsteenen groot en deyn, benevens allerhande verfstoffen en 

een opstaand kastgen daerinne allerley fyne verffen. 
Een vyercant Idstgen van vueren hout, daerinne eenighe quantiteyt italiaense printen, papieren 

konst ende mede het boeck van Alber Düyr* 
Een mandeken met diverse papieren consten. 
Een kantoirken met veel verscheyde laetgiens, daer in syn diverse teyckeningen van const 

gemaeckt by allerhande meesters. 
Een aantal van allerlei lysten en randen. 
Vier stoelen, 24 cristal)aien glaesen. 



1) Claes Jansz. Visscher, heeft een prent uitgegeven naar een schilderij van Coninxloo, voorstellende Juda en 
Thamar; wellicht het hierbedoelde. 

s) In de zeer slecht geschreven acte is deze naam nauwelijks leesbaar. Er staat Leuenens en Leuuens (Leuvens.) 
In 't zelfde jaar leeide hier ter stede een zekere Hendrik Dirksz.. Leuvens. 

6* 



44 DECONINXLO O'S. 

Eenige boeken waarby : Een boeck van Ovidius Naso, Hoogduyts en latyn — Een dnyts boecxken 
vande vernoeginge des menschelyken geest. — Een duyts boecxken van de O. I. vaert. — Een 
duyts boecxke de goede vermaeninge. — ^ Een duyts boecxke van de vaststandigheyt van Lipsius, 

— OP DE SOLDER — 

Een groote tooren van Babilonien van den ouden Pieter Breugel. 
Een waterverflf doeck van een jacht. 
2 Stoelen en 2 ezels, enz. 

— OP DE ACHTERSOLDER — 

Vyer vuerenhouten bedsteden met drie bedden. 
Een verfmolen. 

Noch drie halfgedaene stucken schilderie als namentlijck een Johannes predicatie, een lantschapken, 
en een bosken. 

INSCHULDEN. 

Comt het sterffhuys van Franchois Spiering tot Delflft, de somme van 10 £ ter saecke ende als 

reste van schilderye. 
Noch is PiETEB Segees^) schuldigh ter zaecke van syn soons leeren 16: gl. 9 st. 

Barent Stoffels, boode op Antwerpen, is schuldigh van dat zyn soon en ^halff jaer geleert 

heeft, de somme van 15 gl. 

UYTSCHULDEN. 

Jelis van Coninxloo de jonge, soone van den ouden Coninxloo geprocreeerd by Mayken Roo- 

BROSCK, comt ^er zaecke van zyns moeders erffenis 600 gl. 
Hans van Coninxloo compt 100 gl. ter zaecke van zyn deel eener erflfenis door Gilles van C. 

tot Franckendael voor hem ontfangen ende 68 gl. door hem verstreckt tot subsidie vande huys- 

houdinge. 
Hans van Coninxloo, tot Atrecht, compt mede 100 gl. ter saecke als boven. 
Willem Jacobsz compt mede per resto 48 gl. ter saecke als boven. 
Arent ten Grootbnhuys, compt voor huyshuur Mei te verschynen 200 gl. 
Harmen Muller compt ter saecke van geprente const volgende s)m reeckeningh d'sommevan32 

gl. 12 st. 
Huisschulden tot een bedrag van circa 470 gl. (waaronder voor brood 40, voor bier 90, voor 

lijsten en paneelen 22, en Jonas van Maerlen, voor arbeytsloon 3 gl. : 8 ;) ^ 

Deze inventaris is een openbaring voor de geschiedenis der laatste levensjaren van 
onzen meester. Werkzaam als altijd schijnt het werk met het klimmen der jaren minder 
vlot van de hand te zijn gegaan, en dat schijnt de grijze kunstenaar zelf te hebben ingezien. 
Telkens begon hij met frisschen moed, maar telkens moest hij het aangelegde of hall 
voltooide paneel van den ezel zetten om een nieuw te beginnen. En de liefhebbers en 
kunstkoopers kwamen ook niet in al te grooten getale opdagen, zoodat in den „winckeF' 
zich de „stucken" en „stucxkens" zoo van landschap als historie ophoopten, terwijl in de 
geldlade de „stucken" en „stucxkens" hoe langer hoe meer slonken. Hadde meester daarom 
behoefte aan meer dan een enkele kanne biers om de zinnen wat te verzetten? 



1) Hij woonde naest het Groot School blijkens de vendutie. Zie verder Bijlage No. i. 



DE CONINXLO O'S. 45 

In die omstandigheden kon het onzen Gilles niet onaangenaam geweest zijn, dat 
zijne zuster de weduwe van Hans van den Bosch te Frankenthal overleden, hem tot 
zijn mede-erfgenaam achterliet. Hij trad als executeur op en belastte zich met de uitbetaling 
van eenige legaten aan familieleden, doch bleef voorshands in gebreke ze te voldoen, omdat 

« 

hij het geld zelf noodig had, ja nog schijnt dat niet genoeg te zijn geweest en moest zijn 
neef hem bijspringen „tot subsidie van de huyshoudinge." Vrij van zorgen was zijn oude 
dag dus niet. 

Te midden zijner werkzaamheid, terwijl de paneelen op de ezels en de vermotten 
gevuld stonden, schijnt hem eene ziekte overvallen te hebben, lang genoeg van duur, om de 
aangemaakte verwen te doen verdroogen, en hevig genoeg, om het gestel van den een-en- 
zestigjarigen meester geheel te sloopen. 

Na zijn overlijden vreesden de erven, dat het passief het actief zou overtreffen ; 
blijkbaar rekenden zij de waarde van de talrijke schilderijen van den erflater niet hoog, 
zoodat de voogden van het jongste kind diens erfdeel repudieerden, en „aan de gemeyne 
crediteuren overlieten.*' ^) Toch schijnt de boedel vrij goed terecht te zijn gekomen. De 
vendutie bracht netto 3400 gld. op, zoodat de mindeijarige in zijne gerechte moederlijke 
er^rtie noch de mede-erfgenamen, voor wier belangen de oude GiLLES was opgekomen, 
te kort gedaan behoefden te worden. 

Of 't om de crediteuren of wel op verlangen der voogden geschiedde weet ik niet, 
zeker is het, dat op i Maart 1607 en vijf volgende dagen van wege de weeskamer door 
den afelager Gerrit Jacobsz Harinck voor 't sterfhuis op de Turfmarkt eene publieke 
vendutie van den inboedel werd gehouden. 

Het procesverbaal, dat de secretaris van die veiling hield *), brengt ons den boedel 
nogmaals onder de oogen; maar niet geheel onder dezelfde omschrijvingen. Slechts weinige 
schilderstukken zijn terecht te brengen. De notaris en de secretaris waren beide al even 
slordig om de namen der meesters er bij op te geven. Daar dacht men toen minder 
aan dan thans. Uit de vendutie zien wij, dat CONINXLOO nog enkele andere belangrijke 
stukken had b. v. 't Hof van Maerten DE Vos (10 gL\ negen stuckjes van Frans Floris 
(die nauwelijks samen 4 gl, konden opbrengen))^ een stucxken op doek van Hans Bol 
{David Colijn 9 gL^ een Landschap bort van Evert {Hans Rem 36 gL), Bedelaars van 
Breugel {David Colijn 40 gl.) 

En dat die kastjes met „papieren const en teyckeningen" de moeite van 't bekijken 
wel zouden hebben beloond, bewijzen behalve een aantal teekeningen van den overledene 
(de grootste brachten 3^ gL op) en zijn teekenboeken, {die iets hooger liepen dan 3 gl.) 
teekeningen van Albert Durer, {Claes Jansz Visscher betaalde voor een 3 : 6) van H. 
Breugel (4:^/. .'7) terwijl onder de prenten genoemd worden 24 van de Passie van A, 
Dürer {Cornelis v. d. Voort 5 ^/. S :) 11 van Lucas van Leiden (/s^o^ Catelynca, ^gl.) 



') Protocol Notaris VAN Banchem, bl. 94. 

3) Erfhuysen vande weescamer, aanvangende December 1606. (28 bladzijden folio). 



46 DECONINXLO O'S. 

Het is jammer, dat wij uit deze gewichtige veiling niet te weten komen hoeveel 
CONINXLOO'S stukken opbrachten. Ze zijn met een aantal andere onder de weim'g sprekende 
aanduiding „een lantschapbort of bortgen", of een „landtschildery" verkocht. Het schijnt 
dat de goede wel 20 tot 40 gl. en meer konden opbrengen. Thans zijn er slechts twee 
werken van hem bekend. Ze versieren de verzameling LlCHTENST3£lN te Weenen. 

Maar het proces-verbaal is nog in een ander opzicht hoogst merkwaardig. 

Het spreekt van zelf, dat zich op die dagen voor het sterfhuis vereenigde al wat 
in dien tijd te Amsterdam met de kunst had te maken, oud en jong, beroemd en onbe- 
roemd. De secretaris, die geen vreemdeling behoeft te zijn geweest onder de oudere 
en bekende kunstenaars, kende de jongere en onbefaamde kunstbroeders niet zoo goed, of 
hij moest hun woonplaats aanteekenen, en zoo levert ons zijn minute een aantal adressen van 
kunstenaars, terwijl we tegelijk verschillende discipelen van beroemde meesters leeren kennen. 

Wij vinden er in bonte mengeling bijeen PiETER Lastman, Barend van Someren 
met zijn leerling Daniel van den Bremde, Pieter Pietersz. in de^ wandeling genaamd 
de jonge lange Pier, met zijn leerling Wijnand Pietersz., ^) Christlaen en David Colyns, 
Adriaen van Nieuwland, Frans de Caersgieter, Hans vande Velde, den beeldsnijder 
CoRNELis VAN DEN Bloocke, den boekverkooper Barend Adriaensz., den plaatsnijder 
Claes Jansz. Vissciier, den goudsmid Pieter Coning, vader van Salomon, Fran(;ois 
Badens met zijn leerling Philips Lysart, Gerrit de Bock of Buck, de kunstverzamelaars 
Hendrik van Os en Jan de Mareez, David Boins (Vingboons), met zijn leerlingen 
Jacob Quina en Jacques van öer Weyden, die nog kort te voren bij Coninxloo was, 
Pieter Stalpaert, de vader van den later zoo beroemden Daniel, Dirk Pietersz. met 
zijn leerling PiETER jANSz. Snoeck, Jan en Guiliam Bassé, Hans en Pieter Boll, 
Joost Goemare en zijn zwager Jacob Savry, de juweliers Hans van Uffelen en 
Hans van Wely en den diamantsnijder Hans Brodyn, Cornelis Ketel met een drietal 
leerlingen GiLLEs Smissaert, Pieter Geelkerken en David Dircksz., Franz Pietersz. 
DE Grebber hier genaamd Frans Pietersz van Haerlem, Cornelis van der Voort 
met Pieter Luycx zijn leerling, Hans Rem, den bouwmeester Paulus Vredeman de 
Vries, Gerrit Appelman met zijn zwager Hendrik Stock, Isaak Castelyn ^) Pieter 
ISAACKSZ, die er behalve met zijn leerlingen Jan Claesz, Huyg Pieters, »J Job Pouwelsz. 
en Fran^ois Venant tegenwoordig was met „de Stomme", zijn vijfden leerling. *) En 



1) Misschien een schrijfTout voor Wijnand Govkrtsz., voor wien Pietrr weinige jaren later voor een notaris een 
Latijnsche attestatie gat Ging die leerling toen naar Italiö? 

s) Wellicht dezelfde gezelschapschilder wiens voornaam onbekend is en waarvan Dr. W. Bode {Gesth. der HolL 
Malerei S, 165.) slechts één schilderij gezien heeft. 

8) Hij was waarschijnlijk een Leyenaar en een zoon van Pieter Huygesz, in den gulden .clock, van wiens door 
Pieter Isaacksz geschilderd portret van Mander met lof melding maakt (blz. 205). 

"*) Dit is ongetwijfeld Hendrik Averkamp, de stomme van Kampen. Was hier een der in 't noorden van ons 
land voorkomende schilders van dén naam de Stomme bedoeld, dan zou ongetwijfeld de voornaam er bij hebben gestaan. 
Het lag in 't begin der zeventiende eeuw allerminst in den tijd, om de menschen alleen bij hun familienaam aantedui- 
dcn. Over den stomme van Kampen zie verder Bijlage 2. 



D E C o N I N X L o O'S 47 

nu zal ik noch van andere volkomen onbekende schilders, noch van de glaseschrijvers 
(b. V. Jan Jansz en Cornelis Simonsz. beide glasschilders), noch ook van de toonkunstenaars 
(b. V. Artus Geerdincx, klokspeler van de Oude Kerk, Hendrik Coop, citermaker) 
spreken, die bij de vendutie tegenwoordig waren. 

De auctie Coninxloo is voor ons een spiegel van het kunstleven van dien tijd, omdat 
ze ons met een oogopslag bijna alle kunstenaars vertoont, die toen te Amsterdam werkten. 

Het moet een ieder, die de namen der koopers leest, aanstonds treffen, dat daar- 
onder het getal der Zuid-Nederlandsch klinkende bizonder groot is. Het vlaamsche 
element begon al spoedig na Antwerpens val zich in de Amstelstad in te burgeren en 
moet door zijn talrijke kunstenaarsbent van onberekenbaren invloed op de richting, de 
ontwikkeling, en de uiting van onze nationale kunst zijn geweest. Door enkelen bevroed 
of in algemeene trekken uitgesproken, zal het de taak zijn van den kunsthistoricus, die musea 
bezocht en archieven doorzocht heeft, om dien invloed natesporen, aantewijzen en te meten. 

Doch keeren wij tot den inventaris terug. 

Zij leert ons nog andere merkwaardigheden. 

Wij hebben tot dus verre den „uytmuntenden lantschapmaecker" alleen als zoo- 
danig lecren kennen maar de inventaris wijst aan, dat hij zich ook bezig hield met het 
schilderen van historie-stukken, aan de gewijde geschiedenis en de fabelleer ontleend, 
waarin natuurlijk aan het landschap een breede plaats zal zijn ingeruimd geweest Had 
hij wellicht beter gedaan dezen weg niet te betreden? en ging hij mank aan het euvel 
dat de Italianen den Hollanders en Vlamingen verweten van wel landschap, maar geen 
beelden te kunnen schilderen.^ In de hulp die VAN Cleeff hem verleende schijnt een 
bevestigend antwoord op deze vraag te liggen. ') 

Als ontwerper van landschappen met bosschen, gebergte en verschiet, als vaardig 
teekenaar schijnt hij evenwel zijn roem te hebben behouden. Men kan toch niet aannemen 
dat de beroemde Delftsche tapitsier Fran(;oys Spierinck, stad- en lotgenoot van onzen 
meester en slechts weinige jaren jonger dan hij, hem om andere redenen dan om zijn 
talenten aan de fabriek dienstbaar te maken, aan 't werk zou hebben gesteld. Hoeveel 
patronen dier beroemde landschappen en verschieten van tapijtwerk zal hij hem wel geleverd 
hebben? Belangrijk ware het geweest als de inventaris daarover meer licht had verspreid. 

Voor dien goeden naam schijnt ook . het viertal leerlingen te pleiten, dat door 
's meesters overlijden hunne studiën zag afbreken. Meer nog bewijzen het de gravures, 
die eenige plaatsnijders van zijn tijd — hoofdzakelijk NiCOLAAS DE Brüyn, wederom een 
Antwerpenaar naar Amsterdam geweken — naar zijne werken vervaardigden, en zijn portret 
door H. HONDIUS in 't koper gesneden. 



1) in een boedel van 1624 vond ik een schilderij van Coninxloo vermeld, gestoffeerd door Esaiab van de Velde . 
Dit is voorzeker een stuk uit zijn vroegen tijd, toen hij nog geen werk van 't stoffeeren maakte. 



48 DECONINXLOO'S. 

In de geschiedboeken der kunst zijn de beide hierboven reeds genoemde neven van 
onzen Gillis, nog minder bekend dan hij. Zijn zij dan zonder eenige verdienste geweest ? 

Het is moeielijk hierop een antwoord te geven, zonder hunne werken te hebben gezien. 

Alle handboeken over kunst, alle lexica zwijgen over deze meesters, en ook ik 
zou een aantal belangrijke gegevens — vooral over den hiergenoemden jongen Hans — 
missen, indien de heer Ingenieur Starcke, de samensteller van den catalogus van het Kunst- 
Museum te Emden ^) mij niet zeer had verplicht door mij op verzoek van den heer Bredius 
een exemplaar van dien uitmuntenden en met zorg bewerkten catalogus te doen toekomen. 

Thans werd mij zekerheid, wat ik reeds vermoed had, dat Hans VAN CONINXLOO, 
de broeder van onzen Gilles, zich te Emden had gevestigd, om daar vrijheid van geweten 
te vinden en de schilderkunst in vrede uit te oefenen. Als dit in 1571 geschiedde — 
gelijk de catalogus vermeldt *) — dan moet de jonge Hans reeds vóór dat jaar 
geboren zijn. Zeker woonde hij er in 1592 toen hij een der op 't museum aanwezige 
schilderijen, de goden van den Olympus, voor een raadsvriend schilderde blijkens het 
opschrift: H. v. Coninxloo fecit embdFq Juni 1592. Het was door zijn toedoen, dat 
in 1595 het schildersgild een nieuwen gildebrief met ruimer privilegiën kreeg. Hij schijnt 
omstreeks het volgende jaar overleden te zijn. Behalve het genoemde schilderij bezit dit 
Museum een stuk van hem voorstellende: Mozes water uit de rots slaande. In 't Museum 
te Praag zag de heer Bredius nog een schilderij van dezen meester gemerkt Hans va 
Coninxloo fecit embd^ 26 februari 1592. Al deze schilderijen zijn zeer verschillend 
van het werk van den Jpngen Hans, waarvan er twee te Embden en een te Praag be- 
waard worden. 

In Augustus 1599 vinden wij den Jongen Hans te Amsterdam gevestigd in de 
Nieuwe Stad bij het Waterpoortje (Singel bij Korsjespoortsteeg). Op den 2 1"** dier maand 
teekende hij ten huwelijk aan met de dertigjarige Clara Wouters. Beide personen 
— hij was weduwnaar van Magdalena Ruts — verklaarden van Antwerpen geboortig 
te zijn. Den 2 Juni 1605 kocht hij het Amsterdamsche poorterrecht Zijn oom GiLLES 
benoemde hem gelijk wij zagen tot voogd over zijn jongste kind. Als zoodanig admini- 
streerde hij diens kleine vermogen en bereidde als executeur de scheiding der nalaten- 
schap van den vader voor. Op zijn rekening en verantwoording, die voor ons onder- 
werp de aandacht verdiende, wees ik reeds. Hij onderteekende dit stuk — het was in 
1610, toen hij in de Kal verstraat in de Olycan woonde — 




1) Starcke, Verzeichniss der Gemalde in der Sammliing der Geselschaft fur bildende Kunst und Vateriandischen 
AUerthumer zu Emden. (1877). 

s) Hiermede is in strijd, dat Isaak omstreeks 1580 te Antwerpen geboren werd. 



DE CONINXLO 0»S. 49 

Niet alleen GiLLES, maar ook de overige leden der familie stelden vertrouwen in 
zijn administratieve bekwaamheid. Door allen werd hij na GiLLES' overlijden tot geniagtigde 
benoemd, om hunne belangen waar te nemen bij de beredding des boedels hunner te 
Frankenthal overleden moei. Den 23 Juli 1607 substitueerde hij echter reeds een paar 
inwoners dier plaats ^alsoo hij comparant vermits zijne dagelyckxe negotien ende afTairen 
overal nyet selfTs persoonlycke conde vaceeren" ^) om dit gedeeltelijk voor hem waar te 
nemen; zelf trok hij naar Brussel en naar Frankenthal om vast goed te verkoopen en 
een oog op de liquidatie te houden. Die „dagelycke negotien ende affairen" doen ons 
echter vermoeden, dat hij slechts in zijn vrijen tijd het penseel voerde en, gelijk vele kunst- 
broeders uit dien tijd, ook een kunsthandel dreef, waarvoor wellicht David ViNCKBOONS 
in 1604 twee stukken onder handen had^. Onder de koopers van kunst en zeldzaamheden 
komt hij tot in 1615 altijd voor, sedert 1612, bij gelegenheid der veiling van het in die 
dagen beroemde kabinet der erven Ravaert of Rauwaert, terzijde gestaan door zijn 
zoon, dien wij later hier ter stede als y,koopman in parstelijnen" meenden terug te vinden. 
Deze derdfe Hans bloeide hier in 1636 a '39, in welk eerstgenoemd jaar hij in moeielijke 
finantiéele omstandigheden verkeerde*'). 

Intusschen had Hans II zijn vrouw, die herti in Juli 161 1 nog een dochter 
geschonken had, welke in de Oude Kerk gedoopt werd, verloren. Nog in October 161 7 
was hij hier gevestigd, toen hij de administratie nederlegde over het goed van zekere 
uit Emden afkomstige wees*). Kort daarna schijnt hij zich naar Emden begeven te 
hebben, want het was als te Emden woonachtig schilder, dat hier ter stede op 30 September 
1618 zijne geboden werden afgekondigd met Sara de Vogelaer, eene vrouw van zeer 
deftige Ëimilie, mede aldaar woonachtig en ongetwijfeld verwant aan den schilder NicOLAES 
DE Vogelaer, die 13 September 1590 als Amsterdamsch burger werd ingeschreven. 

Het lag niet in 't plan van onzen meester om naar Amstel en IJ weder te keeren. 
In 1619 liet hij zich te Emden als lid van 't schildersgild aannemen, en zijne verkiezing 
tot veertig-raad dier stad zal hem wel voor goed aan haar hebben verbonden. 

Hij is te Emd^n overleden. 

Zijne aldaar bewaarde schilderijen beelden gevogelte af. 

In latere jaren treffen wij hier een viertal CONINXLOO'S aan, die wij wellicht als 
zijn kleinkinderen te beschouwen hebben. Pieter, die na in 1642 vrijkoopman en glazen- 
maker op 't Redef van Femambuco te zijn geweest, in November 1646 huwde met 



1) Protocol Not. V. Banchbm bk. 480. 
3) Van MAjmsB bk. aia'». 

*) Protocol Not. P. Pz. VAN Perssbn 36 Nov. 1636. De heer Bredius deelde mij deze acte mede. 
*) Hans v. C. was in 16x5 door Weesmeesters benoemd tot voogd over eene van Emden afkomstige wees dit 
bier geen verwanten had, en dch dos met goede bekenden moest behelpen. (Weeskamer Lade 34). 

7 



50 DECONINXLOO'S. 

Cathalyne Danckerts, Abraham, wiens weduwe in 1670 nog te Emden woonde, 
ISAAC en Clara. 

Evenals Hans schijnt Isaac van Coninxloo een geboren Antwerpenaar te zijn 
geweest. In Juli 1607 was noch hij, noch zijne zuster Cathalyne^) te Amsterdam ge- 
vestigd, maar noemt Hans zich beider gemachtigde. In 't zelfde jaar werd hij op den Liggere 
van 't Antwerpsche S*. Lucasgilde ingeschreven, en bleef dit tot in 1614, toen het den 
penningmeester bekend blijkt te zijn geweest, dat hij voornemens was spoedig te vertrek- 
ken. *) Hij ging toen naar Amsterdam, om er in 't huwelijk te treden. Hij had toen den 
leeftijd van 34 jaren bereikt en was dus in 1580 geboren. Zijne bruid Reynsgen Sybrandts, 
weduwe van IJSBRAND Danckertsz, was de zuster van den zilversmid CORNELIS 
Sybrandtsz en van Marretje, die met den straks genoemden schilder Hans van Essen 
gehuwd was. In 't volgende jaar wórdt hij genoemd onder de koopers van erven door 
de stad uitgegeven op de noordzijde van de Leliegracht bij de Prinsengracht, waarvoor 
hij 1510 gl. besteedde. Hans van Essen, bleef borg voor hem*). Zijne vrouw testeerde 
als kinderlooze weduwe op den 7 Aug. 1637 voor den Notaris L. Lamberti en bedacht 
al hare neven en nichten benevens de Diaconie der Nederd. Herv. Gemeente *). Hij was 
dus vóór of in 1637 overleden, maar in 1627 leefde hij nog en woonde evenals bij zijn 
ondertrouw in de S*. Jansstraat. 



^) Uit de hierachter staande aanteekeningen van Mr. A. D. de Vries zal men zien, dat zij den 21 November 161 7 

te Amst. in de Nieuwe kétk begraven is. 

j) Liggere blz. 443. 503. 

') Register der verkochte erven III bl. isS'". 

4) Weeskamer Lade 325. 




B IJ L A G E N. 

N*. I. 

(Zie bladzijde 44 hiervoor.) 



HERCULES SEEGERS. 



Te betreuren is het, dat de inventaris ons niet den voornaam van den zoon van 
PlETER Seegers, den leerling van CONINXLOO, opgeeft. Ik gis, dat het niemand minder 
dan de raadselachtige HERCULES Seegers ') geweest is. Uit het hiervolgende betoog 
zullen mijne gronden ^blijken. 

' Noch het geboorte-, noch het sterfjaar vstn dezen landschapschilder en etser is 
bekend. Alleen weten wij, wat het laatste betreft uit den mond van SamüEL van HOOG- 
STRATEN, in 1627 geboren, „dat hij bloeide of liever verdorde in mijne (HOOGSTRATEN) 
eerste groene jaren." (bl. 312). VOSMAER in zijn Rembrandt (bl. 301) zegt te recht, dat 
hij dus vóór 1650 overleden zal zijn. Ik geloof, dat men daarvan veilig nog tien Jaren 
kan aftrekken. Samuel zal zijn „eerste groene jaren" wel niet veel verder dan tot zijn 
dertiende hebben uitgestrekt In den regel kwamen de jongens al zeer vroeg bij de schilders 
in de leer. Met hem is dit zeker het geval geweest; het was immers van zijn vader, dat 
hij het eerste onderricht in de kunst kreeg .^ 

In het Archief voor Nederlandsche Kunstgeschiedenis (D. IV bl, 314) deelde de 
heer A. Bredius de eerste „date certaine*' betreffende HERCULES mede, waaruit blijkt, dat hij 
in 1633 te 's Gravenhage was. *) 

Ik neem dus aan, dat hij tusschen 1633 en '40 overleden is. 

Uit HOOGSTRATENS woorden schijnt men te mogen opmaken, dat hij te Amsterdam 
verblijf hield, en dit wordt bevestigd door een der uiterst zeldzame kleur-etsjes van den 



1) Ik behoef nauwelijks te zeggen, dat de voornaam Hercules weinig gebezigd werd. In den tijd van Seegers 
ken ik nog slechts Hercules Fransz, die in 1603 als gildebroeder in 't Chinirgijns-gild werd opgenomen,, en Hercules 
Fallet, die in den aanvang der zeventiende eeuw hier ter stede Notaris was. In een boedelverkooping van 10 Juli 1635 
vond ik Hercules Sanders, schilder in de Kalverstraat; genoemd. Moeten we hier aan een schrijffout denken 

s) Dat hij te Haarlem gewoond heeft berust op een bloote gissing. '' 

7» 



52 B IJ L A G E N. 

meester, waarvan de heer J. Ph. VAN DER Kellen mij een doortrek liet ziem Seegers 
heeft daar ' een gezicht op den noordelijksten gevel van de Noorderkerk, uit een hoog- 
gelegen venster van de Noordzijde der Lindeng^cht in 't koper gebracht, in een tijd 
toen de Zuidzijde van de Lindengracht nog niet volbouwd was, en men over 
schuttingen en tuinen nog de achtergevels van de huizen van de Noordermarkt kon zien, een 
toestand, die nog in 1625 bestond, blijkens den bekenden plattegrond van Balth. Florisz. 
Dit etsje moet jonger zijn dan 1620/23, toen die kerk gebouwd werd. Onze meester 
heeft (volgens eene mededeeling van den Heer VAN DER Willige in den Spectator van 
1871, bl. 263) ook een schilderij van dezelfde kerk gemaakt, dat uit de verzameling 
van Allert VAN E verdingen in 1709 is verkocht geworden.. 

Met dit al zijn weomtrentzijngeboortejaar niet veel wijzer geworden. Het tot dusverre aan- 
genomen jaartal 1625 of' 26 komt na des heeren Bredius mededeeling niet meer in aanmerking. 

Een blik op het proces-verbaal der vendutie zal ons iets verder brengen, wellicht 
ook wat dit punt aangaat. 

PlETER Seegers, die aan den boedel van Coninxloo nog leergeld voor zijn zoon 
schuldig was, woonde, gelijk gezegd is, naast het groote school, en kocht uit den boedel 
voor 26 gulden een „taeffereel". Hij had in dien boedel een schilderijtje en een albast beeldje 
ingestoken, die samen 3 gl. opbrachten. Het spreekt van zelf, dat de familie hem en zijn 
zoon kende, en dat men het daarom overbodig kon rekenen, om, indien die leerling iets 
kocht, hem anders aan te duiden dan bij zijn patroniem of om hem zijn woonplaats af te vragen. 

Nu komt onder de koopers enkele malen de naam voor van HERCULES PlETERSZ. Hij 
kocht in zes koopen tot een gezamenlijk bedrag van ig^g gl. prenten, teekeningen en één 
schilderijtje voorstellende een gebergte. Dit was het duurste stuk van de pas verworven 
sciiatten; hij moest er 6^/^ gl. voor betalen. In 't voorbijgaan herinner ik er aan, dat 
Hercules Seegers, volgens Hoogstraten bl. 232, juist bizondere voorliefde voor 't schil- 
deren van gebergte aan den dag legde. 

Achter den naam van dezen kooper ontbreekt iedere aanwijzing van adres. Hij was 
der familie dus goed bekend. 

Thans houd ik HERCULES PlETERSZ. en Hercules Seegers voor één en dezelfde persoon. *) 

In dit geval volgt uit het bovenstaande, dat de man, wiens werk door Rembrandt 
zoo hoog werd geacht, een leerling van onzen Gilles van Coninxloo was, en dan 
onderstel ik, in aanmerking van den gemiddelden leeftijd, waarop de leerlingen op den 
winkel kwamen, dat hij omstreeks 1590 k '93 geboren werd. 

Ik voeg hier nog bij, dat de bekende bloem-schilder Daniel Seegers, die in 1590 
te Antwerpen het levenslicht zag, ook een PlETER Seegers tot vader had. 



') Nog juist vóór het afdrukken van deze bladzpde wordt mijne veronderstelling bevestigd. Mr. Ch. M. Dozt 
gaf mij inzage van een acte van 14 Mei 1619 geregistreerd in 't Register der kw^tscheldingen No. 39 H. bl. 39, inhoudende 
eene overdracht van een huis op de Lindengracht — blijkens zijne belendingen aan de Noordzijde gelegen — genaamd de 
Hertog van Grelre door Thomas Jacobsz, conciërge, aan Hercules Pieterz., schilder, waarop deze den verkooper een 
losrente van gl. 112: 10: — schuldig bleef. 



B IJ L A G £ N. 58 

N«. II. 

(Zie hiervoor blz. 46.) 



HENDRIK AVERKAMP. 

^DE Stomme van Kampen." 



Het IS zelfs den Heer Mr. J. Nanninga Uitterdijk {Archief voor NederL Kunst- 
gesch. II bL 195 e. v.) niet mogen gelukken den meester van den „Stomme van Kampen" te 
ontdekken. Zijne conjectuur ten dezen opzichte is niet steek houdend. Mijn geachte Kam- 
pensche ambtgenoot stelt, geloof ik zijn geboortejaar te laat Zijn vader Barend Hen- 
DRIKSZ Averkamp, uit Friesland geboortig, werd op 25-jarigen leeftijd in November 1 582 
als yjduytsche scoelmeister" in 't groote school te Amsterdam op een wedde van 45 gl. 
aangesteld, en ondertrouwde een goed jaar later met Beatrix, de dochter van den toen- 
maligen rector PiETER Vekemans van Meerhout en Hester Mostert. Tot Juni 1584 
bleef hij aan de school werkzaam. Kort daarna verkreeg^ hij het radicaal van apotheker. Als 
zoodanig kocht hij 13 Juni 1584 het poorterrecht der stad. In 1586 treedt hij vervolgens in 
Kampen op. 

Het geboortejaar van den „Stqmme'' is tot dus verre niet bekend. 

De Heer Uitterdijk acht den schilder de jongste der kinderen. Ik daarentegen 
de oudste. Het is een 'oude gewoonte, in dien tijd nog vaster dan thans, dat men zijns 
vaders naam aan den eerstgeboren zoon geeft. Nu werd in Januari 1585 aan Baerent 
Hendricksz, apteker, en Beatris PlETERSeen zoon geboren, die den 27'*'** bij zijn doop 
in de Oude Kerk alhier den naam ontving van Hendrick. De „Stomme van Kampen" 
is dus eigenlijk geen Kampenaar, maar een Amsterdamsche jongen, die ongetwijfeld door 
bemiddeling van zijn Amsterdamsche bloedverwanten — waartoe de bekende Mosterts 
en Slades behoorden — in zijn geboortestad werd in de leer gedaan. 

Ook Hendriks broeder Evert ging later voor zijne opvoeding naar Amsterdam, 
In 161 3 was hij er leerjongen bij den chirurg Albert Jansz. Scherm. 

Dat „de stomme" geruimen tijd te Amsterdam kan hebben gewoond mag men 
afleiden uit de bekende gravures van Simon Fokke (Ouderkerk. - Schellingwoude. - Haar- 
lemmermeer) waarvan de beide eerste de jaren 1619 en 1622 dragen. Omstreeks dezen 
tijd stond zijn werk hier reeds zeer in aanzien. In 1619 betaalden LuCAS LUCE, schilder, 
en NICOLAAS Hardere, koopman, aan den Notaris Cluyt dertig gulden voor een winter^ 
ken van de Stomme» Dat was een goede prijs voor dien tijd. Maar ze zouden nog 
meer waard worden, want in 1637 werd uit den boedel van den juwelier Hans VAN 
Maerle een wintertgen van de Stom voor vijfenzeventig gulden verkocht. 

De door zijn gebrek wellicht wat achterlijke kunstenaar, leerling nog op een leef- 
tijd dat anderen reeds zelfstandig optraden, kocht in de auctie CONINXLOO teekeningen 
tot een bedrag van 9 gl. 15 st. 



IETS OVER JAN JANSZ: STARTER. 

DOOR 

A. BREDIUS. 

MTRENT de levensbizonderheden van dezen guitigen dichter is tot nog 
toe zeer weinig bekend. Daarom meen ikdentegenwoordigen „lyeffhebberen 
der Nederduytsche Poesy" gee n ondienst te doen, door het afdrukken 
yan het volgende document, dat een eigenaardig licht werpt over de 
wijze waarop de toenmalige letterlievende koopmanswereld de dichters en 
de dichtkunst aanmoedigde. 

Dit stuk, te merkwaardig om niet in zijn geheel Over te nemen, luidt als volgt: 

Wy ondergeschr. als Lyeff hebbers van de Nederduytsche Poesy om den persoon 
van Jan Jansen Starter alhyer te houden, opdat hij zijn begonnen wercken 
magh volenden, en die hy midtertijt sal maecken met gemack aen den dag 
magh geven, beloven te contribueeren elck de somma van twee ponden vis. voor 
een jaer, welcke penningen wij sullen stellen in handen van eenen (daertoe van 
ons geordineerd en) rentmeester, wt wiens handen Starter vz. weeckücks sal tree- 
ken de somma van twaeiff car, gis.; voor welcke contributie hy gehouden sal syn 
ons volcomen acces tot alles wat hij maeckt ofte gemaekt heeft te geven; 
wat wy van syn Liedekens ofte gedichten begeeren üytgeschreven te hebben, 
dat hij ons dat voor drie struj'versz de syde gehouden sal syn te schryven, 
300 wy yets van hem willen gemaeckt hebben, dat hy ons vóór een ander tot 
een billicke pryse sal voort helpen '). Ende dat hij geduyrende onse contributie 
syn vaste woonplaets tot Amsterdam sal houden. Oorconde onse handen. Actum 
t' Amsterdam den 25 Augusti 1622. 

Jacomo Pauw. Gasper van Wickevoort de Jonge. 

Pedro Occo. Jacob Ducker. 

Aerent Pietersz Brughman Daniel de Lqecker. 
Manuel Colyn. Marcus Westhoff. 

dominicus poulle. johannes roghe. 

GuILLIAEM VAN DEN BROECK. PeDRO ElANDT. 

Andries de Grauwe. Pieter van Malsem. 

ISAAC Tentenier. Hendrick Hoochkamer. 

Jan Gerritsz Kieft. Pieter Willems Poussin. 

Jacques de Schott. Enrico Bernart. 

Jan Cornelisz van Geerestevn. 

Nog drie jaren later ontmoette ikhem weder in een acte den 25 April 1625. Hij noemt zich 

toen Jean Starter, Historyschrijver van Z. Princel ycke Excellentie de Grave VAN MansfeLT, 

en schenkt aan zijn broeder FRANS, te 's Gravenhage woonachtig, zoodanige penningen als hij 

krachtens een contract van denzelfden dag te vorderen had van BrOER Jansz, oud-courantier. ') 

i) Hier volgen in de minule twee doorgehaalde regels; „namelyclt elck hedtje ^oot iwee gl. elck Bniyloftsgedidit 
voor les gl. ende andere rymeryen naer adrenanl." 
b) Prol. Nol. W. Cluyl. Amsterdam. 



BIOGRAFISCHE AANTEEKENINGEN 

betreffende 

voornamelijk amsterdamsche schilders, plaatsnijders, enz. 

en hunne verwanten 

verzameld door 
Mr. A. D. de vries Azn. 



IJ de aanteekeningen door mijn" vriend de Vries varzmeld 
hoofdzakelijk bij een vlijtig onderzoek van het nog niet met het 
overige archief vereenigde oud-archief van den Burgelijken Stand 
te Amsterdam, heb ik slechts een paar woorden te voegen. 

De aanteekeningen betrefTen hoofdzakelijk schilders en plaat- 
snijders, maar er loopen genoeg onder door, die op andere kun- 
stenaars en op personen ïn de kunstgeschiedenis bekend be- 
trekking hebben. 

Met vriendelijke hulp van den heer J, F. Gebhard Jr. werden ze lexicographisch 
geregeld, nadat zooveel mogelijk uit de massa was geschift hetgeen reeds door anderen 
of elders werd bekend gemaakt. Een aantal aanteekeningen kwam hiermede te vervallen, 
en een stellig even groot getal moest worden achterwege gelaten, omdat het zelfs na ceo 
zorgvuldig onderzoek niet kon worden bepaald met welk doel ze waren gemaakt. 



56 BIOGRAFISCHE A ANTEEKENINGEN. 

Het was niet mogelijk de hiergegeven aanteekeningen stuk voor stuk met de 
bronnen te vergelijken. De Vries verzuimde het echter nooit 

Slechts spaarzame noten zijn hierbij gevoegd. Eenige iconografische dankt men 
aan den Heer J. Ph. van DER Kellen, die met heusche bereidwilligheid zijn oog over 
de^ geordende massa heeft laten gaan. 

De verzameling van aanteekeningen over prenten, die mettertijd zou gevoerd 
hebben tot een beschrijving van het werk van menigen meester, was nog te zeer in staat 
van wording dan dat het de moeite zou geloond hebben ze op deze wijs uit te geven. 
Een uitzondering hierop maakt de beschrijving van het werk van H. Barv, van J. Lievensz, 
van R. V. Persijn, van Cl. J. Visscher en van enkele anderen meer, die door hare uitvoe- 
righeid minder vatbaar zijn, om op de hier gevolgde wijze te worden behandeld. Zij 
zullen waarschijnlijk in den vorm van monografien in dit tijdschrift het licht zien. 

N. D. R. 





A. 



Ondertr. 19 Mey 1638 Pieter van den Abele, van Middelburgh, Juwelier, out 30 
Jaer, woon. inde Langebrughsteech, en Catharina de Boudoes, van A, out 1 8 jaer,geass. met Robbert 
de Boudous, .haer vaeder, woon. inde verwery. (Kerk. huw. procl.) 

Hy noch ouders hebbende. 

Gedoopt 25 Aug. 1639. Oudekerk. Pieter zoon van Pieter van den Abeele en 
Katryna de Boudous; Pieter van Abeele en Helena Jacobs, getuigen. 

Gedoopt 13 Nov. 1642. Oudekerk. Robartus zoon van Pieter van den Abeele 
en Catarina Boudoes; Jacob van den Abeele en Sara Slichers getuigen. 

, Geidoopt 19 Juni 1646. Oudekerk. Adriana dochter van Pieter van den Abeele 
en Catryne de Boudous; Adriana Burchgraef, Samuel van den Abeele getuigen. 

Ondertr. Pieter van den Abeele de* jonge, juwelier binnen desen stede [magtigt.] 
Sinjeur Hommer Jansz. woonendt tot Stockholm in Sweeden . . . omme ... te innen van 
Pieter Chamber, meede aldaer woonachtig, alle de Juweelen en andere effecten als hem van den 
constituant in commissie toegezonden zijn ... 10 Mei 1655. 

(Prot. Not. Sal. v. Nieuwland c. 10 p. 207). 

Ondertr. 29 Dec. 1656. Philip de Baudoux, van Dort, Chirurgijn out 24 j. ouders doot geass 
met Pieter van de Abele zijn neef, woon op de de N. Z. Achterburgwal, en Steyntje Crafs. 

(KerL huw. proc. Amst) 

Ondertr. 5 Oct. 1657. Jeremias de Baudoux, van A. wed' van Elisabeth Laurens, woont op 
de N. Z. Achterburgwal, geass. met Pieter van den Abele, en Anna Cau van Middelburgh 
out 32 j. geass met Magdidena Arents enz. (Kerk. huw. procl. Amst.) 

Ondertr. 18 Juni 1639. Jacob van den Abelen, van Middelborgh, wed' van Hester de Bedoux, woon 
inde Bloemstraat, met Elisabet de Key j. d. tot Haerlem. (Kerk. huw. pr.) 

Gedoopt 14 Juni 1640 Oudekerk. Marija, dochter van Jacob vande Abeele en Elysabet de 
Kay; Pieter van de Abeele en Anna de Kay, getuigen. 

27 Mei 1661. Thobias de Coninck, gesw. maecklaer, out ontrent 73 j. en Abraham de Coninck, 
verfVercooper out omtr. 41 j. hebben te behoeve van Peter van de Abeele de Oude verclaert, 
dat deze is de grootvader van Maria van de Abeele, onmondige dochter en eenige erfgen. van zijn 
zoon Jacob van de Abeele, waarschijnlijk in O. I. overleden. (Not. F, Wttenbogaert p. 94bl. 119.) 

Mathys Adamszoen, schilder^ een kim onder den arrem den 8 Maart 1566 begraven 
Oudekerk 1-9-c. 

Ondertr. 27 Jan. 1656 Steven Adams, van Tours, schilder out 26 j. geass. met Anthony 
Adams,. sijn vader, woonde in de Nes, en Maria Ros' van A. out 23 j. (Kerk. huw. procl.) 

8 






58 BIOGRAFISCHE A ANTEEKENINGEN. 

Begraven in de Walenkerk 6 May 1738. Een kind van Jacob L'admiral junior, inde 
Kal verstraat op de hoek van de Roozeboomsteeg 7.10 

Begraven in de Walenkerk 23 Nov. 1741, een kind van Jacob L'admiral junior, in de 
Kalverstraat op de hoek van de Roozeboomsteeg 7.10 

• 

Ondertr: 31 Dec. 1678. Willem van Aelst, van Delft, schilder^ out 52 jaren, op 
de kijsersgraft, ouders dood, geass. met Eglon van der Neer, en Helena Nieuwenhuys, 
van Wetten, out 35 jaren, als vooren, vertoont acte van ouders konsent. 

Dese persoonen zijn tot Slooten getrouwt den 15 January 1679. 

Begraven Oudekerk. Pieter Aertszoon, schilder^ sijn soon den 19 in Augusto 
(1568) 4-7 s(olvit) p(er) syn huysvrou 4-7. 

25 Maart 1661. Begraven O. Z. Kapel. Jan van Aken {de -fi'/x^r?) swager van Lammert 

Van den Velden, op d hoeck vand nieubrugsteech 8. — 

12 Mei 1676. Begr. Nieuwe K. Jan van Aken inde Warmoesstraet, kint 4. — 

Gedoopt. 16 Aug. 1635 Oude Kerk. Albert zoon van Jan Albertsz. plaetsnyder^ en 
Lysbetje Lourens ; Marya Lourens met Lysbet Jacobs getuigen. 

Ondertr. *2 7 Dec. 1659. Barent Aldertse, van K^ gouüeer schilder^ wed», van Steyntje 
Isaacx, wn. inde Binnen Brouwerstraat en Grietje Claes, van Deventer out 27 j, geass met haer nicht 
Immetie Egberts, op de Brouwersgraft . (Kerk. huw. procl.) 

Ondertr: 30 Aug. 1662. Hermanus van Aldewerelt, van A. schilder, out 33 jaer 
geass. met zyn moeder Aeltje Harmens, woont ind Heerenstraet, en Fietje Jans van A. ouders doot, 
out 27 j., geass. met haer goede bekende Comelis van Wanpeloo, woont op de Egelantiersgr. 

(Puyboek.) 

Ondertr. 2 Maart 1647. Huych Aller t, van Doomick, cunstcooper, out 22 j. won. in 
de Calverstraet, geass met syn voocht Symon Mas...(?) en Abraham Fouchenier, en Maria de Goyer, 
out 32 j. woon als voren, geen ouders hebbende, geass met Maritje Schelte haer nicht. (Kerk. huw. proc.) 

Gedoopt 19 Jan. 1648. Oude Kerk. Garolus, zoon van Huich AUardt en Marya de Goyer; 
Rombout van de Hoyen, Jacomijn Roelofsen ende Jannetgen de Goyer getuigen. 

21 May 1682. Begraven Oude Kerk. Maria de Goojer, huysvrouw van Hugo Allart, inde 
Kalverstraet. / 8. — 

19 Dec. 1684. Begraven Oude Kerk Hugo AUard in de Kalverstraat bij den Dam. / 8. — 

Ondertr. 14 Juli 1673. Carel Allart, van A. kunstverkooper, oudt 25 jaren, geass met syn 
vader Hugo Allart, woonende op den Dam, en Lusija van Doresla (sic), oudt 19 jaren, op de 
St. Anthonie Breestraedt, geass. met haer vader Abraham van Doresla (sic). 

(Zij onderteekent) : Lucya van Dooreölaer. 

Ondertr. 9 Juli ^1683. Carel Allard, van A. konstkoi>er. wed*. Lucia van Dooreslaar op 
den Dam, en Cornelia van Buuren, van A. oud 38 jaren, op Zingel, ouders doot, geass. met haar 
broeder Isaac van Buuren. 

Ondertr. 10 April 1688. Jacob Allardt, van A. winkelier, oud 29 jaren in de Kalverstraet, 
ouders doot, geass. met syn broeder Carel Aller t, en Johanna van Goor enz. Dese persoonen sjm 
op den 9 May 1688 getrouwt tot Diemen. 

Ondertr. 4 Aug. 1634 Dirk Cornelisz van Almeloveen, van Uytrecht,out 28j.woon üytreght, 
geass. met Comelis Dierx van Almeloveen, en Marya Bachers. (Kerkel. huw. procl.) 

(Is deze een broeder van den etser J o han v. AT) 



BIOGRAFISCHE A A NTEEKENINGEN. 59 

Begr. Oude Luth. kerk 8 Jan. 1684 Barbara Bartram, huysvrouw van Peter Lourensz 
Ansloo, schilder ^ op de Singel over 't Uytersche Veer. 

Ondertr: 5 April 1670 Arnout Appel, van Rotterdam, schilder^ out 24 j, geass. met 
Jan Teunisz Appel zijn vader, op de Prinsegragt, en Pieternell Kleurs van A. 27 j. ouders doot 
geass. met Willem van de der Does, haer zwager op de Rozegracht. 

Ondertr: 21 Oct. i673Huybertus Appel, van Rotterdam, schilder^ out 25 j. d'ouders 
in Deenemerke, inde Cleene leytse dwarsstraat geass. met Dirk Bosboom, en Geertruy de 
Fuyter, van A. out 26 j, geass. met Louwies de Fuyter, haer vader. 

Barend Appelman, geb. 1640 beschilderde een groote 2aal op het slot Soestdijk met land- 
schappen en beelden. Bracht achtergrond in de portretten door J. de Baan. f i636. 

8 Sept. an*. 1557 ontfangen van Pieter Ariaenszoen, glaesschr ijver ^ voor 2 kinderen 
in een kisgen begrauen onder den arm gedragen den 23 May an*. 1557 . . . 2-18-0. 

(Begrafenisboek Oudekerk,) 

B. 

Ondertr. 9 Augustus 1669. Adrian Backer van A: jr/i//<i<fr ^), out 33 Jaar, ouders doot, 
geass. met Jacob Backer syn Broeder, op de Colck, en Elsje Colyn, van A: out 3 5 Jaar, geass. 
met Jannetje Colyn, haar zuster, op d^ N. Z. Agterburgwal. (Puiboek.) 

Trouwregister van het Stadhuis. Op huyden den 27. Augusti 1669 sijn door d onderget. 
kin Schepenen in den echt bevestigt. Adriaan Backer en Elsje Colijn. 

Begr. 1669 ^^^ 9 ^pt* 't kint van Jacob Bakker op de Gelderse Kaay. 
1674 den 8 Nov. 't kint van Adriaen Bakker. Overigens kinderen van Nicolaes van 
Lockhorst in dit graf. 

Begr. Oostervak N^. 42. 

1677 27 Sept., 't kint van Adriaen Bakker, N, Z. Achterburgwal. 

1685 18 July, Jacob Bakker, op de Lastaty bij de Bantammer Brugh en Pieter Bakker 

iongman in dito huys. 

1686 28 May, Elisabeth Bakker, in de Haringpakkery. 
1688 26 Aug. Elisabeth Dootshooft. 

Begraven 23 Mey 1684. Nieuwe Kerk. Adriaen Backer, man van Elsje Colijn 
achter het Bagynhof. 

Ondertr. 30 Aug. 1657. Ludolfus Backhuysen, van Einden, out 24 \zxtxi^tyckenaer^ 
ouders doot, geass met Pieter Lubberts, woont op de Haerlemerstraet, en Lysbet Lubbers, van A. wed*, 
van Jan Volckersz, woont in de Anjeliersdwarsstraet (Kerk. huw. proc.) 

Ondertr. 29 April 1660. Ludolphus Backhuysen, van Embden, 7>^^A:^«dw, wed' van 
Lysbeth Lubberts, woont inde Nes, en Catharina Bevel, van Haerlem, out 26 j. geass met Pieter Bevel 
haer vader, woont als voren. (Kerk. huw. proc.) 

Ondertr. 26 Juni 1664. Ludolph Backhuysen, van Embden, schilder^ wed' van 

Catarina Bevel, woon op de N. Z. Voorburgwal, ,en Alida Greffet, van A. wed. van Aldert Nicke 
woont n. Lelistraet. (Kerk. huw. procl.) 



1) Een andere A. Backbr (misschien vader van dezen, schijnt leerling van Rembrandt te zijn geweest.) 
Hij schilderde in 1640 een fraai stuk voorstellende Jezus en de Cananaische vrouw (Markus VIII. 25-30) nu berus- 
tende in de Roomsch Katholieke Kerk te Heeswij k. 

Jacob Adriaens Backer v. Haerlera Varendsgezelle 24 j. w. Haarlem, moeders consent Ondertr: 5 Januari 1613. Sara 
Barentdr 21 j. opde Wael, Barend Barendsz. vader. (KerkL huw. procl.) 

8' 



60 BIOGRAFISCHE A A NT EEKENINGE N. 

Ondertr. lo May 1680. Ludolph Backhuysen, van Emden, schilder^ wed' Alida 
Griffet, op Zingel, en Anna de Hooge, van A. j. d. woont tot Haarlem. (Kerk. huw. prod.) 

Begraven N. Z. Kapel. 17 Febr. 1681. Een kint onder den arm van LudolfBachuysen, 
komt van de Singel over de Doele. 7 — 'o* 

Extract uit het graf boek van de Westerkerk. Graf Zuidzijde N^ 88. 

1708 12 Nov. Ludolf Backhuizen, opde Heerengracht bij de Oude Leliestraat aan 

de Zuidzijde. 

17 17 27 Febr. Anna de Hooghe wed*, van Ludolf Bakhuizen, op de Heerengraft 

bij de Oude Leliestraat. 

17 19 25 Mey, 't kind van Johannes Bakhuyzen op de Heerengracht besuide de Oude Lelie- 
straat. ' 

1731 12 Maart. Johannes Bakhuyzen op de Heerengraft bij de Oude Leliestraet, laet na 3 

kinderen. 

1778 19 Maart. Juliana Parmessan, huysvrouwvan Ludolf Backhuyse, van Rotterdam 
hiernaar toe gevoerd en 's avonds in stilte bijgezet, adres ten huize van den heer A. Bakhuyzen 
op Singel b/d Bergstraat; mondige kinderen. 

1780 6 Jan. 't kint van Johannes van den Brink. 

1782 19 Juli. 't lijk van Ludolph Bakhuize begraven 12 April 1782 uit No. 147 
Middelkerk hierin overgezet. 

1793 14 I^cc. Ajent Bakhuisen. 

1809 30 January. Anna Maria Linckens. 

Huwelijks-voorw. tusschen Hans Jeurriaensz van Baden, schilder^ wed' van zal'. 
Brechtgen Jacobs, en Claesgen Jans 21 Dec. 1652. 

(Prot. Not. L. Lamberti, pak 125. bl. 449.) 

Johannes van Baden, schilder^ bij d' Amstelkerck ind' straet, Ugt begr. op 't Leidsch 
kerkhof. 

• 

Ondertr. 4 April 1711 Antoni Barbiers, van 1^0Mst\2LZx^ fijnschiider, out 35 jaar, inde 
Blomstraat, ouders doot, geass. m. Jan Ulsman, en Geertruy Natrop, van Waltrop, oud 32 jaar, woont 
als voren, ouders doot, geass. met Jan Guykinck. 

Ondertr: 15 Jimi 1623. Jan Barents, van Leyden, xM///i3?r, wed" van Hendrickje Harmans, 
op de Coningsgraft, ende Lysbeth Valkenborgh, van Campen, Inde Laurierstraat. (Puiboek.) 

De volgende acte doet ons wellicht een broeder van den grcmeur Johan Barra kennen : 
Ondertr: 2 Oct 1621. Op d'acte van Jeremie de ?ours? predt. tot Middelburg. 

Jacobus Barra, doctor inde medicijnen, wed' van Sara Mois, en Margarite Tulkschaep, van Middelb. 

wed* van Henrick Geens; hij inde nieuwe hooghstraet en sij tot Middelb. (Extra-ord, huw. Procl.) 

Ondertr: 19 Mei 1611. Jan Basse, van Rijssel, ^Mi^r, oud 40 jaar, won op de Oudezijda 
Voorb. wal, geass. met Guill(iam) Basse, zijn vader, en Komelia Kieff, oud 24 j. geass. met Anna 
van Liesveld, haer moeder won in de Koningstr. (Kerk. huw. pr.) 

Ondertr: 4 Dec. 1632. Jan Basse, de Jonge, van A. out 21 Jaeren^ schilder^ geass. met 
Jan Basse, sijn vader, won. inde Spinhuysteech, overleggende acte notarieel van quijtscheldinge 
tusschen hem en Marya Maes, ende Jannetie Andries Holooch, van A. out 18 jaer, geass. met 
Meynsgie Andries, haer zuster, overleggende acte van vaders consent won. als voren. De 
voornoemde persoonen zijn tot Sloterdijck getrout den 26 December 1632 door Mathyas Meursius 
pred. aldaer. (Kerk. huw. proa) 

Ondertr. 26 Juli 1647. Willem Basse, van A., plaetsnydcr^ geen ouders hebbende, geass 
met syn oom Guilliaem Basse, woont op de Breestraet, en Pietemelle Boudewijns, van A. wed* van 
Gysbert Jansz. Verburgh, geass. met haer moeye Susanna Boudewijns, woon op de Princegracht. 

(Kerk. huw. proc.) 



BIOGRAFISCHE A ANTEEKENING EN. 61 

Gedoopt 6 Aug. 1648. Nieuwe Kerk. Johannes, zoon van Willem Basse en Pietemelle 
Boudewijns; Chrislina Verschuyl getuige. 

Gedoopt 30 Jan. 165 1. Nieuwe Kerk. Susanna, dochtervan Willem Basse enPietemella 
Boudewijns; Susanna van Nirop getuige. 

Gedoopt 15 Dec. 1652. Nieuwe Kerk. Isaak, zoon van Willem Basse en Pietemella 
Boudewijns ; Susanna van Nierop getuige. 

24 Oct 1667 Adriaen van Koppenol, coopmaa, wj.iende in de Warmoe sstract op de hoek 
van de St Jansstraet deser stede, heeft hemselven mitsdasea gejonstitu^ert ende gestelt tot borge ten 
behoeve van Jan Willems van Anveldingh, lywaetreder, voor Willem Basse. syn schoonvader, voor 
sodanige ƒ262: 10 als deselve Willem Basse ter sa2:ken vai hiysha/r vati een huis en erve staende 
op de Egelantiersgracht, aan de suytsijde int leste parck naest Naboth Wynbergh aan Tan Willems van 
Anveldingh schuldich sal sijn. (Prot. Not. Hellerus p. 169.) 

Ondertr. 21 Oct. 1672. Johannes Basse, van A. out 25 jaar, geass. met Willem Basse, 
sijn vader, op de Prinsegraft, en Juliana Hemmerick, van A. out 27 jaer, geass. met Abram Hemmerick 
haar vader, op de Heeregraft. 

Begraven N. Zijds Kapel 22 Nov. 1672 een man Willem Basse, komt van de prinsegraft 
tusschen de Lijtse ende Spiegelstraet. 

Ondertr. 2 Aug. 1597* GuiUame Basseé (Bassen), zijdeverwer, oudt 28 jaren, won. in 
de verwerye in de Nieustadt, en Jenne Arondeau, van Valencyn, oudt 25 j. enz. 

Ondertr. 4 Nov. 1634 Gerardus van der Heyden, van Uytrecht, out 22 j. woontotUytrecht, 

en Judith Basse, van A. out 20 j. geass. met Guilliam Basse, haer vaeder, woon op de 
Roozegracht. (Kerk. huw. procl.) 

Ondertr: 11 Juli 1641. Guilliaem Basse van A, syreder, geass, met zyn vader Pieter 
Basse, woon in de Verwerye, en Susanne Ackermans tot Leyden. (Kerk. huw. pr.) 

Ondertr. 2 Febr. 1686 Gerrit van Battum van A. geelgieter, oud 26 jaar, in de Dirck 
van Assen-steeg, geass : met zyn vad'. Jan van Battum, en Catarina van Baalbergen enz. 

(In Puib. geroyeerd en in kerkb. gebracht.) 

Ondertr. 6 Jan 1605, Robert de Baudous W i 1 1 e m s z., van Bruessel, ^//z^/x^y/iJfr 
oudt 30 j. won in de nieuwebrughssteegh, hem opleggende des moeders consent voor de solem- 

nisatie te doen blycken t. e, en Heyltgen Heyns Jacobsd'. oudt 27 jaren, won op de Nieuwe 
zyds afterburghwal, geass: mit Tryntjen Cornelisd'. hare moeder t, a. z. (Kerk. huw. prod.) 

1 7 November 1605, compareerden Robert Baudous, plaetsnyder^ (binnen Am- 
sterdam) met Helena Jacobsd'., echteluyden, en maken hun testament. (Prot. Not. Mostaert.) 

Gedoopt 16 Juni 1616; Oudekerk. Lambert, zoon van Robert de Baudous en 
Heyltjen Jacobsd'.; Heinrik Jacobz Hein, Sar a Jans, Pieter van den Abeele, Adeijaen van Nieu- 
lant, getuigen. 

Ondertr. 6 Mei 163 1. Jeremias de Baudous, van A. syverwer, out 20 jaer, geass. met 
Robbert de Baudoes, zijn vader, en Heyltgen Jacobs, zyn moeder, won. in de calverstraet, 
en Elisabeth Lourens, van A. out 22 j. geass. met Lysbett Basseel, haer moeder, won. in de War- 
moesstr. (Kerk. huw. procl.) 

Ondertr. 14 Febr. i636_Jacob de Baudoes, van A, out 27 jaar geass. met zijn vader Rob- 
bert de Baudoes, woonen op \ Nieulant, en Sara Slichers, van A. out 24 jaer, geass. met ^ 
Jannetie de Wolff, haer moeder, woon op de Conincksgracht. (Kerk. huw. procl.) ^ 



62 BIOGRAFISCHE A A NTEEKENINGEN. 

Ondertr. 24 Nov. 1639. Lambert de Boudoes van A. out 23 Jaerwon. opt Nieuwelant, geass. 
met Robbert de Bedous, sijn vader, en Claesge Jansdr. de Grande, van A. out 18 jaar enz. 

(Kerk, huw. procl.) 

Ondertr. 23 Dec. 1644, Robbert de Beaudous, wed» van Helena Jacobs, won op de 
N. Z. Achterb. wall, en Adriana Burggraefs, wed* van Arnout van Istersijn(?) tot Leyden. 

(Kerk. huw. procl.) 

Ondertr. 14 Marty 1607. Michiel de Beauvois, van Antwerpen, schüder^ oud 26 j. 
won. inde Kalverstraet, verclarende geen ouders te hebl^en, by solemneele eedt verclarende een 
vrye persoone te wesen t. e. en Geertruyd Melis, van Antwerpe, oud 24 j. wonende op 
den Aemstel inde Nieustadt, geass met Heynrixken van Keullen hare moeder. 

Gedoopt 14 April 1660. Magdalena, dochter van Joannes Beerstraten en Magda- 
leentje Teunis; Saartje Teunis getuige. ^ 

Gedoopt 20 Dec. 1661. Daniël, zoon van Johannes Beerstraten en Magdeleena 
Teunis; Hilletje Jans getuige. 

Ondertr. 1 1 April 1665. Joannes Beerstraten, van A. schilder ^ wed' van Magdaleentje 
Antonis van Bronkhorst, woont op de Rosegragt, en Albertje van Crale, van Swol, out 38 j., ouders 
doot, geass. met Aeltge Magnus (?) op de Heeregracht. Hij de weeskamer voldaen. (Kerk. huw. procL) 

Ondertr. 10 Nov. 1635. Daniel Abrahamss. Beerstraten van A., barbier, out 24 j., geass. met 
Abraham Daniels, woon, aent Cathuyser Kerckhof, en Lysbet Volckerts, van A. out 28 jaer, woon 
als vooren, geass. met Duyff Claes haer moeder. (Kerk. huw. proc.) 

Begraven Nieuwe-Zijds Kapel. 27 Jan. 1674, een bejaert Jon(g)man Sybrant van Beest, 
kompt uyt de Kalverstraet bij de Regiüierstoore. f ^S* 

6 Febr. 1628. gedoopt Nieuwe K. Annetje dochter van Jan Belkyn en Annetje Cor- 
neUs; Catryna van Hoorn getuige. 

Begr. Oude Kerk. 5 Febr. 1636. Jan Belkyn, achter de Beurs. 

6 Febr. 1627. Pieter Comelisz., 20J., besteedt zich by Jean Belki (hijteekent Bellequin) 
paerUtnoer inlegger^ voor i jaar, B. zal hem in de kost en bewassching nemen en aan 't einde 
van 't jaar 15 gl. toegeven. (Not. P. v. Perssen f*. 51, 62 ".) 



^^Ici^ 



le& 



f 



iwt 



Onder protocollen van 161 7 lag het volgende klad-contract niet gedateerd en niet geteekend: 

lek Jan Bellekien, als Inventor ofte uytvinder van seecker const van inleggen, ten eenre, 
en AUert AUertsz, ter andere syde, hebben met malcandcren innegegaen seecker contract in manieren 
navolgende : . 

dat de voorsz Jan Bellekien, den voorsz AUert Allertsz van alles sal onderwijsen in de 
yoorsz. Const en voor hem niet verborgen houden. Ende dat sijlieden den voorn, const tsamen 
sullen vercopen ende daervan genieten winst halflf en halff, Alsmede zal geen van beijden vermogen 
den voorn. Const binnen den tijt van 12 jaren sonder believen van d'een of den ander vercopen. 
Noch sall geen van beijden vermogen van den anderen te scheijden ende den voorn. Const|bijeen 
ander te useren ende oeffenen. Sonder arch ende list etc. 

Not. Ev. Cpck, Amsterdam. (Mededeeling van den hr. A. Bredius.) 

De volgende werken zijn van hem bekend: 

Lekkerbeetje B. F. 1628. 

Een rockende Mars. IB. 

Ruitergevecht (n. Martsen de jonge?) IB. 

Abrahams offerhande. IB {valsch er op gezet,) 

Terwijl van C. B e 1 1 e k i n,' wellicht zijn zoon, bekend zijn : 

Drie naakte kindertjes waarvan een een visch aan een hengel ophaalt gemerkt : C. BELLEKIN /. 
gedeeltelijk uitgesneden, gedeeltelijk gegraveerd. 



BIOGRAFISCHE A ANTEEK E N I NGEN. 63 

Ondertr. i8 Febr. 1634 ÏL.ourens vanden Bemden, van Antw., cacrtemaker^ wed', van 
Elsgie Jans, won. inde Elantstraet, en Engeltie Steffens. (Kerk. huw. procl.) 

Ondertr. 20 Nov. 1660. Joan Wils, van Haerlem, en daer wonende, coopman out 30 jaer, 
geass. met Niclaes Berchero, sijn swager, ende Maria Vingbooms, van A, wed«. van Thomas 
de Kemd woont op de Cingel. 

Ondertr. 15 Januari 1683. Abraham van den Berg, van Kampen, plaatsnijder ^^^^^^ 
van Swaantie Luijcas, inde Egeliersstraat, en Annitie Harmens, van Vrede, op 't Zingel 
ouders dopt, geass. met Elsje Steenwijk. 

Ondertr. 18 Maart 1623. Willem Bertram, van Londen, x^^///^, oud 39J., ouders dood, 
woont 2 j. Prinsengracht, en Margriet Heyndrix van Call, 35 j. (Kerk, huw. proc.) 

15 Febr. 1750, Aangenomen op Attestatie Jan Bezoet, van Rotterdam. 

Ondertr. 2 1 Augustus 1688. Wouter Jansz Binneman, van A., plaetsnydcr^ wed'. 
Marritje Jans de Graef, in de Nes, en Hilletje Harmeus, van A.,wed«. Broer Jacobsz, won. als vooren. 

Ondertr. 9 Nov. 1653. M'. Johan de Bisschop, geboortich van Amstelredamme, 
Ad* postulerende voor den Hove van HoUant j. m. met Joufl^. Anna van Baerlej. d'. geb. 
van Leyden b. w. in 's Gravenhage. (Mededeeling van den Heer Bredius.) 

Op huyden den 4«» Marty 1665 comparerden voor my Jacobus Hellerus Not. Jan Blancken- 
hof, schüdeTy oudt omtrent 37 jaren, wonende in de Sc.erstraet, ende Cornelis Nommes smit, out 28 
jaren, wonende op de Loyersgracht, beyde binnen deser stede, ende hebben ten verzoecke van S». Idrix? 
Decker, wynkoper, wonende op de Nieuwemarckt in 't wapen van Campen geattesteert ende getuyght waer- 
heyt te sijn, dat de req. omtrent Amsterdamse kermis lestleden 2^, 1664 aen Abraham de Mil, wynvercoper, 
gewoont hebbende ende overleden op den Loyersgracht dcser stede, om daer mede syn huys te vercieren 
geieendt ende te hand gestelt heeft eenige schilderyen synde soo hy Blanckerhof verklaart 

Een stuck van Jonker van Suylen synde een lantschap. 

Een stuck van Breevelt mede een lantschap. . 

Een dito van een bloempot. 

Noch een lantschap van de Vries. 

Twee zeetjes ende het conterfeytsel van Abraham de Mil S'. 

Presenterend hy deposant sulx des noots ende versocht synde by eede te sterken enz. 

Wij ondergeschreven op den XXIII« dezer maend verbonden hebbende de persoon van Dirck 
Bleecker gequetst, sijnde aende rechterzijde van 't hoofd oordeelen... dat deselfde wonde gemaect i$ 
met een snjjdend instrument enz. 26 May 1653. (Not. d'Amour p. 141.) 

Dirck Bleecker, oud omtr. 32 jaeren, verklaart te versoecke van Sr. Pieter van de Venne dat 
zekere Frederick de Veer iets gezegd had. 

(Protocol Not V. Nieuland p. 205.) 

S». Dirck Bleecker, oud omtrent 31 jaren, wonend binnen deese stede, Jieeft verklaard ten 
versoecke van S'. Pieter van de Venne meede hier woonachtig, dat Frederick de Veer van V. d. V. om- 
trent Febr. j. 1 met speelen gewonnen hebbende seecker schilderytje synde een perspectiff geschil dert van 
van Basse, met beeltjens vao Palamedes, hetwelck de req. va hem attestant gekocht hadden, en onder hem 
attestant noch berustende was, hy requirant nae dat hem attestant verboden heeft hetzelve schilderytje 
aende voorsz. de Veer te laten volgen ofte o\rer te leeveren, doch dat deselve de Veer (nu omtrent 
drie maend geleden) het terwijl Bleecker niet te huis was heeft laten halen en de meid ter goeder trouw had 
meegegeven. 7 Oct. 1653. (Protocol Not. v. Nieuland p. 205.) 

6 Juni 1669 S'. Dirck Bleecker, J/^. schilder^ getuigt met nog een paar anderen ten ver- 
soecke van de H'. Gerard Hasseber, oud Burgemeester en Hooftofficier, dat zy in seekere herberge genaempt 
de Blauwe Halve Maen er by syn geweest, dat Edwart Smitwart valschelyk deed alsof hy niet schryven 
kon, toen het er opaan kwam een seecker accoort tusschen S'. Jonas Koedyck en hem gesloten 
over leverantie van kolen te onderteekenen. (Protocol Not, J. Snel p. 231.) 

2 Aug. a». 1669 verklaart S». Dirck Bleecker, iï/r. xMi/</^r, wonende binnen dese stede schuldich 
te weesen aan d'eersame Jan van den Bloem (?) de somme van / 28 : 14 st. over geleent geld. 
Jonas Koedyck was by deze acte getuige. (Protocol Not. J. Snel p. 131.) 



64 BIOGRAFISCHE A ANTEEKEN INGEN. 

Ondertr. 26 Juni 1682. Abra ham de Bloisj. m. en Catharina Bootj.d. beide wonende 
tot Delff. * (Kerk. huw. proc.) 

Ondertr. 30 Maert 1691. Abram de Blois van "Dtlk, j>laetsnijder^ wed' Catrina Boot, in 
de Amstelkerkstraet, en Catrina Adriaens, van A., oud 26 jaren, als voren, geass. met haer moeder 
Annetje Crijnen. (Kerk. huw. proc.) 

10 Maert 1658 testeert dr. £. Manhafte Jan Blom^) vaendr. onder de Comp. van £. Manh. Gapt. 
Gerridt Tack hier ter stede; hg stelt tot eenige universeele erfgenaam zijn eenigcn broeder Mattheus 
Blom, schilder i oh hij versterf desselfe wettige descendenten. Hij maakt de volgende legaten: 

Aen Comelis Witsen, Burgemeester, een boeck getiteld de hantvesten van Amsterdam, Hoont 
etc. verschelde m** daerin gebonden met de handt van den heer secr. Mostaerd geschreven mits- 
gaders een graeutie repressenteerende de bootschap aan de herders op den velde door Blommaert. 
Aen Mevr. Catr. Wiesen, alt porcelein en twee bijzondere teeckeningen van geestelijke medi- 
tatiën staende in vergulde en swarte lijsten beyde van Blommaert 

Aen den secr. Tan Witsen, een silvere vergulde schroef, die uytbeeldt de figure van Bacchus, 
mitsgaders een schilderytie van een Gorhoen , door Mr. Blom gedaen, een grauwe uytbeeldende 
een mysyck tusschen verscheydene persoonen met een swarte lijst van van de Velde, noch een oversjjts 
tronetie in een swart en vergulde lijst van deselve, qpch een chérubijnshoofie van Lasman. 

Aan den heer Hopman Lambert Witsen de weergae van de voorn, schroef, die uytbeeldt Gaeres^ 
met een lange vogelroer van meester Volkert Noch twee schetsen in swarte leesten van Jacob 
Pinas. 

Aen Sr. Nicolaes Witsen, een silveren schael gedreven met verscheyden schelpies en dergelijck. 
Noch een lantschapje daerin de jonge Tobias van Jan Pinas. 

Aen hr. Comelis Witsen, een achtcante spiegel met een gevlamde lijst, en cleerschuyer, noch 
een grautie met een ander lantschapje beyde in swarte lijsten van Josias van de Velde. 

Aen Sr. Jonas Witsen, een diamanten ring met twee teeckemngen van Willem Bartius zijnde 
oude tronien met swarte lijsten, noch een landschapje zijnde een hollen bergh met een swarten 
leest, en dito met een vischende vroutje sonder lijst, en een roode teeckeninge in een vergulde lijst 

(Prot Not Torquinius A. 19.) 

12 Juni 1662 conp. JufTrou Margaretha Houtmans wed', van Za'. de heer Agent Michiel Ie 
BI on, S». Gomelis Ie Blon*) en de E D*. Johannes Ie Blon kinderen en eenige universeele erfge- 
namen van deselven heere Michiel Ie Blon over een questie betreffende het secreet van hun comparants huys 
op de westsyde van de Keysersgracht. (Prot. Not J. Hellerus p. 157.) 

13 Oct. 1677 comp. Gomelis Ie Blon, en D'. Johannes Ie Blon, kinderen en erfgenamen van Juffr. 
Margarita Houtmans wed«. van de heer Michiel Ie Blon, agent van de Groon van Sweden, wonende 
te deser stede, en geven volmacht aan Adriaen van Herrevelt, procureur, om in het proces dat zy voor 
den Heve van Hollant voeren tegen regenten van het leprozenhuis alhier op te treden. 

(Prot Not Hellerus p. 176 blz. iio.) 

24 Aug., 1677 geven Tf, Christoffel Hellerus en Sr. Michiel Ie Blon getr. met jufTr. Willemina 
Hellerus, executeur van het test. huns vaders en schoonvaders Andries Hellerus volmacht aan den proc. 
Abraham van den Ende. Zij waren voogden van de 2 onmondige kinderen van Z*. Dorothea HeUerus 
en met deze erfg. van Andries Hellerus. (Prot. Not. J. Hellerus p. 176.) 

Acte van 13 Dec. 1677. 

Ondertr. 24 Oct. 1631. Abraham Bloteling, van Delft, out 27 jaer, winckelier, woonende 
Warmoesstr. en Geertruyt Jacobs van Oosterwijck, woon. te Voorburgh. (Kerk. huw. proc.) 

Gedoopt 28 November 1632. Oude Kerk. Jacob, zoon van Abraham Blooteling en Geert 
Jacobs; Jacob Jansz. Lantsman, Tniitgen Wilkes getuigen. 

Gedoopt 19 Febr. 1634. Oude Kerk. Jacob, zoon van Abram Bloteling en Geertruy Jacobs ; 
Barent en Agniet Jacobs getuigen. 



1) Wellicht; Jan Blom, Doeckverkooper op het Rockin bij de Cappel in 't Nieuwe Martelaers- boeck. Ei^raod 
Haarl. Donderdagse h e Courant 16 Dec. 1688. (v. d. K.) 

^ Tot Amst., ten huyse van Albert Magnus, op de Nieuwen dyck, in de Atlas, zullen op Maendag den 5 April, 
en volgende dagen verkocht worden uytsteeckende rare boecken en Papier-konst van de beste Meesters, nagelaten by 
wylen Comelis Ie Blon. enz. Opr, Haerl. Dinsd. Courant 23 Maart 1688. (v. d. K.) 



BIOGRAFISCHE AANT EEKENINGEN. 65 

Ondertr. ii Jan. 1657. Jacob Blotelingh van A., zijwinckelier, out 24 j., geass met Geertje 
Jacobs zgn moeder, wont inde Warmoesstraet en Jannetje Reuring. 

Gedoopt. 26 Aug. 1635. Oude Kerk. Aerjaen, zoon van Abraham Bloteling en Geert Jacobs ; 
Jan Gerritsz. van Heinsbergen, getuige. 

Gedoopt 8 Febr. 1637. Oude Kerk. Maria, dochter van Abraham Bloteling en Geertruyt 
Jacobs; Claesgen Jacobs van Oosterwijck en Adryaen van Oosterwijck getuigen. 

Gedoopt 23 May 1638. Oude Kerk. Comelis, zoon van Abraham Bloteling en Geertruit 
Jacobs; Guyljam de Graeff en Hendrickje Wilkens, getuigen. 

Gedoopt 2 Dec. 1640. Oude Kerk. Abraham, zoon van Abraham Bloteling en Geertruit 
Jacobs; Pieter Beucken en Trgntje Dierxd'., getuigen. 

Gedoopt 20 Nov. 1642. Oude Kerk. Johannes, zoon van Abraham Bloteling en Geert Jacobs; 
Geertruit Willekes en Pieter Ryswijck getuigen. 

Gedoopt 3 Dec. 1643. Oude Kerk. Maria, dochter van Abraham Bloteling en Geertruit Jacobs ; 
Pieter Ryswijck en Oetje Jans, getuigen. 

Gedoopt 17 Dec. 1645. Oude Kerk. Maria, dochter van Abraham Bloteling en Geert Jacobs; 
Jan Willemsz. Ryswijck en Claessen Jacobsz. Beloys, getuigen. 

Gedoopt 9 Juni 1647. Oude Kerk. Katrina, dochter van Abraham Blotelingh en Geertruyt 
Jacobs; Guiljam Bleyswijck en Marya Willems, getuigen. 

14 Oct. 1638 in de Oude Zijds Kapel begrauen t kindt van Abraham Bloetelijngh, gecomen 
wtte Warmoesstraet. * 6. — 

1642 2 Dec het kint van Abram Blooteling, uyt de Warmoesstraet. ƒ 5 : 6 : 8 

1644 'S Juny, het kint van Abraham Blotelinch, wt de Warmoesstraet, 5:6:8 

1648 23 May. Abram Bloteling, uyt de Warmoesstr(aet). 8:0:0 

1661 16 Jan. Adryaen Blootelingh, soon van wijle Abram Blooteling, uyt de Warmoesstraet. 10 

Abraham Blotelingh en Grietje Jacobs, zijne weduwe, dood 1659. Hun kinderen en erfgenamen 
onder beneöce van inventaris verkoopen voor 1050 een tuin op 't Nieuwe Weespad buiten St. An- 
thonispoort, voogden waren Jan Adriaensz. v. Santen en Govert Hugo de Blois. 

(Afschr. V. Deer. B. bl. 246.) 

Ged. Westcrkerk 18 Sept. 1678. Abraham zoon van Gerard Valck en Maria Valck; Abra- 
ham Blooteling*) en Susanna Jans Eendet getuigen. 

Ged. N. Z. K. 25 Febr. 1684. Johannes zoon van Gerard Valck en Maria Blootelmg; 
Abraham Blooteling en Johannes Valck getuigen. 

Meijndert Fredericks, cleervercoper, besteedt syn soon genaemt (Abraham) Meynderts, out 
12 jaren, aen Sr. Abraham Blotelingh. teekenaer^ Etser ende plaetsnydery die mits dese 
bekent denselve in (zijn) dienst aen^enomen te hebben voor de tyt van vier achtereenvolgende jaren vast, 
waervan het eerste jacr ingegaen is de eerste j. . . . deses lopende Jaers 1669, welcketydtgeduyrende 
de voorsz. Abraham Meynders gehouden sal wesen, gelijck de voorsz, Meynder, Fredericks belooft 
mits desen, van 's morgens ten ses ure tot 'savonts acht uren op des aenncmers winckel te comen 
en des somers soo lange men sal connen den en aldaer syn tyt in neersticheyt te besteden tot 



1) Zie verder bij Comelis van Dalen. 



66. BIOGRAFISCHE A ANTEEK ENINGEN. 

le«ringe van het tekenen, etsen end plaetsnijden vooral syn voorsz. meester met eerbiedicheyt 

te gehoorsamen en alle tgene hem dienaengaende sal werden geordonneert, en neemt de gemelde 
S». Blotelingh aen syn voorsz. discipel de voorsz. vier jaren soo veel te leeren tekenen, etsen ende 
plaetsnyden als hem eenighsint mogelgck sal sijn, waertegen de (voorsz.) Meyndert Fredericks by 
dese aenneemt en be(loon) aen de voorsz. Blotelingh boven de dienst van syn soon toe.... alle 
jaren de somme van acht en veertigh car. guldens, daer(van) betaelinge sal geschieden in deser voege, 
namentlijck vier en twintig guldens op de handt ende gereed te betalinge van t leste .... ende 
dan alle vierendeel jaers daer aen precys telckens.... gulden by anticipade, onde of het geviel dat 
de voorsz. Abraham Meynerts voort expireren van de gezegde vier jaren uyt syn dienst quam te 
lopen, dat niet verhoopt wert, in sodanige cas verobligeert hy Meyndert Fredericks hem by desen 
alsdan aen de voorsz. Blotelingh te vold(oen) t gene hy voor de vier jare onderwysinge hem hier 

voren heeft ende dat in voege of syn soon syn tijdt ten volle uytgediend had, verbindende 

syl. ter wederzijds tot nacominge deser hare respective personen en goederen, deselve stellend ter 
bedwangh van alle rechters en rechten. T oirconde deses by partyen getekent in presentie van my 
Jacobus Hellerus not. publ. by den hove van Holland geadm. t Amst, resideerende huyden den 
iiw» September 1669. ^Protocol Not. Hellerus.) 

Judith van Aelst, huysvrouw van Willem Jans. van Munnickhuysen, wonende tot als ten dese 

van haer voernoemde man procuratie, ordre en last hebbende, besteel haer Soon genaamd Johannes 
Willems, out 14 jaren, ende Abraham Blotelingh, tekenaery etser en piaetsnyder, verklaert 
in zynen dienst te hebben aengenomen de voorsz. Johannes Willems voor den tyt van vier achter 
een volgende jaren vast, waer van *t eerste jaer ingegaen is den eersten deser maand, geduyrende 
welcke tijt den voorn. Johannes Willems gehouden sal wesen, gelyck hy sulx met syn onderteeke- 
ningh aenneemt ende belooft, van s'morgens ten ses uyren tót s'avonts ten acht uyren op de winckel 
te comeif; ende des somers zoo lange men sal connen sien, en aldaer sijn tyt in neerstichteyt te 
besteden, tot leringe van het tekenen, etsen en plaetsnyden en voor al zyn voorn. M'. met eerbie- 
dicheyt te gehoorsamen in alle t gene hem dienaengaende sal werden geordoneert, ende neemt den 
gemelten S'. Bloteling aen zyn genoemden discipel inde voorsz. vier jaren zoovele te leren 
teeckenen, etsen en plaetsnyden, als hem eenichsints mogelyck sal syn, waer tegens de voorsz. juffr. 
Judith van Aelst by desen aenneemt en belooft, aen den voorn. S*. Bloteling voor den dienst 
van haer soon toe te geven alle jaren een sonmie van acht en veertigh Carolus guldens, daervan 
de betalinge sal gesclueden in desen voege, acht en veertig gulden voort eerste jaer contant en 
dan alle vierendeel jaer daer aen precys telkens twaelf gulden by anticipatie, ende off het geviel dat 
voorn. Johannes Willems voort expereren van de geseyde vier jaren uyt syn dienst quam te lopen, 

dat niet verhoopt wert, in soodanig geval verobligeert sy Juffir. Judith van Aelst haer 

S'. Blotelingh te voldoen.... 

Ten bedwangt van allen rechters enz. Toirconde deser getekent den 23 Augusty 2fi, 1669. 




&tx.»vvv98 OarUBJU^.; 



(Protocol Not. A. van Santen.) 

* 

Op huyden den 5 January 1673 compareerden voor mij Joan van Ophoven, openbaar Not^ 
binnen der StadtDelff... S». Abraham Abrahamsz. Blotelingh, Jƒ^ plaetsnijder, en 
Maria Blotelingh beneffens haer broeder Jacob Blotelingh, ongehuwde ende meerderjarige kinderen 
van Za.: Abraham Cornelisz. Blotelingh, in den jare 1648 bmnen Amsterdam overleden, die een 
soon was van Za; Aeltgen Ariens Overschie, in den jare 1650 binnen Delft overleden, in haer 
leven huysvrouw van Jaques van Crombrugge. (Zij machtigen den E. Jan van Santen, Schepen te 
Voorburch, haerluyder Oom ende d*Heer Comelis a'Gravesande, Raet ende Vroetschap deses Stadt 
Delft, elcx van hen int bbonder. ... om hunne erfenis van den onlang^s overledenen Jan van 
Crombrugge te ontfangen en daarover te disputeeren, te accorderen en te transigeren.) 



BIOGRAFISCHE AANTEEKENINGEN. 67 

Uit eene Acte van 20 Mey 1677 blijkt dat de zaken toen nog niet geregeld waren; de pro- 
cureur Gerardt van Dalffsen wordt „gesubstitueert*' om de zaak tegen de Wed», van Jan Crom- 
brugge hangende waar te nemen enz. (Protocollen Not. J. van Ophoven, Delft.) 

Mededeeling van den Heer Abr. Bredius. 

• 

1689 den twintighsten Juny testeert voor Gaspar Ypelaer, openb. Notaris te Amst Sr. Abraham 
Blooteling, woonende binnen deezer stede Amst. ziekelyck aan den Lighame, doch by goede 
verstande, herroept alle eerdere testamenten en bespreekt aan ieder der kinderen van syn overleden 
broeder Jacob Blotelingh drie hondert gulden, aen zijn dienstmaecht Jannetje Barents hondert gulden. 

Ende aen zijne neve Adriaen van Santen not*. deeser stadt zijn testamentje en Psalmboeckje 
met silveren slooten en een dosyn van de beste prenten van syn testateurs werck door den selven 
Sr. van Santen uyt te ciesen. 

En wat belanght alle de verdere goederen by hem testateur metter doodt te ontruymen en 
natelaten, daer inne heeft hy tot syne eenige erffgenaeme gestelt en geinstitueert zyne soster Maria 
Bloteling, ofte by vooro verlijden van haer, alsdan haere kinderen by re presentatie» omme daer mede 
te doen en te handelen en daervan te disponeeren als met ofte van haere andere vrye en eygene 
goederen enz. (Prot. Not. G. Ypelaer). 

Begraven Nieuwe Zijds Kapel 20 Januari 1690 een bejaert vrijer Abraham Blooteling, 
pkuUnijder^ compt van de Prinsegraft tussen de Reguliersgraft en Üijtersestraat. /^S* — 

Op huyden den 15 April 1690 comp. . . . S**. Q^rard Valck, te echte hebbend Maria Blotelingh, 
wonende alhier (suster van wijle Abraham Bloteling hier ter stede overleden) item Jan Baers, woon- 
achtig tot Purmerend, getrout met Anna Blotelingh, en Abraham Blotelingh, mede wonende 
binnen dese stadt de twee laatste kinderen van wylen Jacob Blotelingh (die een broeder was van 
gemelte overleden Abraham Blotelingh,) alle voor haer zelve en noch de voorsz. Gerard 
Valck als voogt over Geertruye Blotelingh, noch minderjarige dochter van den voorsz. Jacob Bloteüngh 
zal»., met den anderen erfgenamen van zal'. Adriaen Clemens Overschie en Tryntje Jans in haer 
leven ecbtelingen en haer comparanten grootvader, grootmoeder, overgrootvader en overgrootmoeder; 
en verclaerden sy comparanten machtig te maken den comp. Gerard Valck, speciael omne uit 
de hand ter meesten pnjse te vercoopen een obligatie van f 5032 herkomstig uit de nalatenschap 
van gemelte Adriaen Clemens Overschie en Trijntje Jans. (Prot. Not, A. van Santen, p. 78.) 

Ondertr: 10 Febr. 1657. Hendrick Hendricksen Bogaert, van A. out 30 jaren, 
schilder^ ouders doot, geass. met Hans Bogaert, sijn broeder, woont op de ReguUersbreestraet, en 
Marritjen Centen, van A. wed. van Jans Jansz van Lubeck, woont als vooren. Zij den 8 Febr. 1657 
de weeskamer voldaen (Kerk. huw. procl.) 

Ondertr. 1 1 Marty 1606. Abraham Bols, van , schilder^ oud 25 jaar won. enz. en 

Emmerentie Karels. (Kerk. huw. proc.) 

Ondertr. 20 April 1602. Jaques Bols, van Mechelen, schilder^ oudt XXXIII jaren wonen 
in de Agnietenstrate, geassisteert met Urselken Roybos, zijne moeder enPieter Bols sijnen 
broeder t e. ende Judith Marinier Jorisdr., van Antwerpen, oudt XXV Jaeren wonende aent Oude 
Zijds kerkhoff, wier vader Joris Marinier aen den secretaris Mostart sijn consent verclaert heeft. 

(Kerk. huw. proc.) 

Gedoopt 18 Aug. 1605. Oude Kerk. Mar3rtje, dochter von Jakes Bol, schilder^ en Judick 
Maroniers; Lysbet Mamoniers getuige. 

Ondertr: 15 May 1599. Pieter Bols, schilder^ out XXXVI jaren wonende in de Agnete- 
strate, geass. met Jaques Bolts en Urselken Roobos, zijne moeder, t. e. ende Catelyne van 
Roye, van Antwerpen, oudt XXI jaren, won. in de Baernende steech, geass. met Michiel van Roye 
ende Barber Monseyn, haer vaeder en moeder t. st. z. (Kerk. huw. procl.) 

Gedoopt Mart 1602. Oude Kerk. Symen, zoon van Pieter Bool, schilder ^ en Cathalyn 
Roey; Josyntgen Bols getuige. 

Gedoopt 25 Maye 1603. Oude Kerk, Kathelyn, dochter, van Pieter Bols, schilder^ en 
Katelijn van Royen; Judith Maronier getuige. 

22 Aug. 1607. Pieter Bol een kint onder den arm begraven op't hooch choor Nieuwe Kerk. 

9* 



68 BIOGRAFISCHE AANTEEKENINGEN. 

Prent van R. van Bol ten, voorstellende S. Lucas zittende te schrijven onder boog, links 
de stier, v. onder en rechts Rolande van Bolten ^) scuspit (sic) C. v. Sichem excudebat Van 
o. in 't midden: Ut. medicus Sic pictoreraspraeclarus: JesumP vt misten (sic) ostendis; Pauli sic gecta 
(sic) Celebrus || 1608 II 

20 Meert 1652. Salomon van Nieuwlant, van A. oud 26 j. Nol*. Publycq, geass met syn vader 
Adriaen van Nieuwlant, woon. inde Calverstraet, en Maria Boorten s, ') van s'Gravenhage 
out 25 j. woon op de Roosegracht, geen ouders hebbende, geass. met haer suster Matgareta Boortens. 

(Kerk. huw. procL) 

15 Nov. 1653. Comp. voor Johannes d'Amour D»«. Petrus Praelinus, als man en voogd van Juflfr. 
Geetruyd Boortens, Sr. Jacobus van de Does, als man en voogd van Margareta Boortens en Sr. Salomon 
van Nieuland, mede Notaris alhier, als man en voogd van Maria Boortens en die qualiteyt geïn- 
stitueerde erfgenamen van Juffr. Maria Pieters, wed*, van S». Dirc Boortens de Oude. Zy verclaren dat 
de scheiding der nalatenschap van Maria Pieters is afgeloopen, dat onverdeelt b gebleven een gra&tede in 
de Groote Kerk te Haarlem, en eenige manuscripten „welverstaende dat onder yder der voorn, comp is 
berostende een somme van vierhondert gulden... door de voorn. Maria Pieters gemaect aen Dircenjosina 
Boortens. (Net d'Amour p. 14.J 

„M aria Boortens, huysvrouw van my Notaris, oud 26 jaren, en Margareta Boortens, huysvrouw 
van Jacobus van der Does, oud 22 jaren." 

Amsterdam 3 April 1653, (Prot Not. S. v. Nieuland p. 199.) 

30 Oct. 1661 stelt juff*. Maria Boortens, wed. wijlen Salomon van Neulandt, tot vooghden over 
haar minderjarige kinderen S. Nicolaes Longespee, haar swager, en S. Martin Pietersz. Schrick, hare goede 
bekende. (Prot Not. d'Amour. p. 142.) 

3 Jan. 1663 comp, juff'. Maria Boortens, wed. van zal'. Salomon van Nieulandt, ende verdaerde 
uyt crachte van den testamente met haer overlede man op den laetsten January 1653 voor my Notaris.... 
verleden aen haere twee onmondige kinderen by den voorn, haere man geprocreert ten overstaen van 
Sr. Jacob Wayer, als oom en bloetvooght van deselve haere kinderen, voor haere vaders ErfTenisse te 
bewysen.... de somme van vier duysent twee hondert Carolus gulden. (Prot. Not. d'Amour.) 

II Sept 1663 comp. Jacob Reyerssoon, sydereeder hier ter stede, ter eenre, en juffi:. Maria 
Boortens, huysvrou van S'. Steven Versteegen, sy verdaerde van J. R. gekocht te hebben een 
huys op de Oude graft tot Haerlem voor ƒ 5000. 

(dezelfde hand als de wed. van Sal. v. Nieuwl.) 
(Prot. Notaris d'Amour. p. 142.) 

25 May 1624. Dirck Dircksz. Boorten, doctor in de rechten van Haarlem, geass. met zijn 
vaeder Dirck Dircksen Boorten, en Maria Loots^, out 19 j. enz. (Kerk. huw. prod.) 

26 Febr. 1650. Jacob van der Does, van A., out 27 jaer, woon. op de Lelygracht, vertoont 
acte van Inteekeninge van hem comparant met Margrieta Boortens, van 's Gravenhage, woon. tot 
Haerlem. 

Ondertr. 12 Aug. 1639. Baerent van Borsem, van Embden, ^/jw^^^rj^^, won. op de Egelen- 
tiersgr. geen ouders hebbende, geass. met zyn broeder Comelis van Borssum, en Susinna Ie Pluck 
van A., geen ouders hebbende, geass. met haer peete Susanne Ie Pluc, in de Betanie straet 

(Kerk. huw. prod.) 

2 Sept. 1669. Huwelyksch voorwaarde. Comelis Pietersz. Quack, jongman toecomend bruy- 
degom, geass. met de eersame Pieter Jacobs en Marrytje Jans, syn vader en behoutmoeder, David 



^) Op een prent door hem uitgegeven voorstellende de kniiziging noemt hij zich : Swollensis. (v. d. K.) 
S) Maria BooM ens is in de kunstgeschiedenis bekend door twee etsen, copien naar Rembrandt: 

a, de wegzending van Hagar (B 30) gemerkt met haar monogram, bestaande uit eene saamgekoppelde MB. 

b, bedelaars aan de hui^eur (B. 176). Het exemplaar op het Amst. Prentenkabinet is voorzien van hare handtee- 
kening en het jaartal 1658. 

Beide etsen zijn ongeveer even groot als die van Rembrandt doch naar de tegenzijde genomen. (v. D. K) 

Is de Maria Soutens, die Kxarom noemt, misschien M. Boortens? 

s) Maria Loots, was eene dochter vanAeije van Campen. Deze Maria en hare kinderen waren er^enamen van 
Comelis van Campen bij zijn testament 5 Febr. 1636 voor Not. Sam. Hendricx te Amst. verleden. 
Zij was alzoo verwant aan Roemer Visscher. 



BIOGRAFISCHE A A NTEEKENINGEN. 69 

Davidsz. Tatum syn swager t. e. ende d'eerbare Janneken van Borsom j. d. toec. bruyt geass. 
met d'eersame ComeUs van Borsom en Sophia Kempen, haer vader en behoutmoeder, A n t h o n y 
van Borsom, haer broeder, en Rutgero van Weert, haer Neefif t. a. z. 

(Prot. Not P. de Barry. p, 22.) 

Ondertr: 24 October 1670. Anthonie van Borssom, van A. schilder^ oud 40 jare 
geass. met sijn vader Com. van Borssom, woont op de Rosegracht, en Anna Crimpings, van Embden, 
oud 30 jaren, ouders doot, geass. met Janneke Crimpings, haer suster, woont op de Heregracht. 

1671 op den 9« September des avonds de clocke omtrent half negen ure testeeren voor Jac. Hellerus 
enz. Sr. Anthony van Borsom, konstryck schilder^ en jufï^. Annetje Krimpinghs, echteluyden, 
wonende op de Princegracht deser stede.' De langstlevende erfgenaem. Des testateurs vader ComeUs van 
Borsom de legitime portie. (Prot Not J. Hellenis. no. 176.) 

19 Maart 1677. Begraven Westerkerk. Antonij van Boorssom, in de Beerestraet 15,- 

Ondertr. 27 Maart 1649. Paulus van den Bos, van k.^ fijnschüder^ out 34 j. woon. 
.^op de Oude Ossenmarct, geen ouders hebbende, en Jacomyntje van de Velde, van s*Gravenhage 
'out 28 j. woon op de Princegr., geen ouders hebbende. (Kerk. huw. procl.) 

Ondertr: 9 April 1678. Dirk Bosboom, van Nimwegen, plaatsnyder^ out 30 jaar 
Kerkstr. en ... . Jans geass. met Jan Mathysz Knaap, haar vader. Zij sijn getrouwdt den 
eersten May 1678 tot OuderkercL (Kerk. huw. procL) 

Zie ook bij H. Appel. 

Ondertr : 24 Sept. 1644. Heyndrick Bosch, van Dortmond, schilder en Maria Ransons . 

Ondertr : 10 Oct. 1654. Hendrick Adriaentse Boscoop, van Zutphen en ald. 
woon. schilder, out 26 j. geass. met Pieter Jansse, ende Hendrickje Torens enz. (Kerk. huw. procl.) 

Ondertr : 26 Maart 161 1 Abraham Bosschaert, van Antwerpen, schilder, out 25 jaren, 
won- (23 annis) in de Kejrserstr., geen ouders hebbende, geass. met Neeltgen Bosscharts, zijn zuster t. e. 
Dierikjen Dierixdr. oud 20 jaren, won. op de St. Tonispoort geass. met Dirck EUeberts, haer vader. 

(Kerk. huw. pr. 

Ondertr: 15 Aug. 1626 Johan Bonman, van Straesburgh, schilder, out 24 Jaeren, geen 
ouders, woon. (4 annis) op de binnen EmstSr, en Anna Bongers, van Wezel enz. (kerk. huw. pr.) 

Ondertr. 2 Juli 1678. Filibert Boetats, van Antwerpen, plaatsnijder, out 23 jaar, op 
de Binnen-Amstel, ouders aldaar, geass. met Joannes Jacobs vanden Abeele, en Joanna Frits, van 
Braams, out 22 jaar, woont als voren, vader tot Braams, geass. met Joannes Frits, haar broeder. 

Hij teekent: Philibertus Bouttats. 

■f 

Ondertr. 9 Dec. 1661. Christianus van Bracht, van Eyckensoort (?), schilder, oysA 

24 j., geass, met ouders consent, inde Oude Tichelstraet, end Lysbeth Adriaens, van A., oud 23 j., 
geass. met haer moeder Grietie Adriaens. 

Begraven in de Nieuwekerk een kint op een baer van Nicolaes de Bray, op den 
Nieuwendij ck, inde Roos, den 2o«» Augusti 1602. 2-18 

Niclaes de Bray, Jonchgesel, inde Roos is begraven den 21 Augusti 1602. 4-7. 

Begraven Zuiderkerk Kerckdodt den 25 Sept. 1652. Nicolas de Bray, Letter a onder 
de banck, 10-13. 

Ondertr: 7 Oct. 1595. Daniel van Breen, v. Antwerpen, oudt omt. 30? jaren, won. tot 
Dantzigh, jbass. met Hans Mercijs en Claerken Bodaens, syn moeder, en Maéyken Bommersum, 
V. Antwerpen, oudt omtr. 23 j. 

Ondertr: 20 Juni 1609. Antonie van Breen Giliszone, van Dordr(e(;Jit), oudt 37 (?) j. won. 
op de Oudezyds Voorburgwal, geass. met M'. (?) Antony Smyters (?) sijn oom, en Marie van Breen 



V 



70 BIOGRAFISCHE AANTÈEKENINGEN. 

Guillamsd'., van Antwerpen, oud 34 jaren, won. in St. Anne dwarsstr. geass. met Gilles van 
Breen en Claesken Bodaens, haer vader en moeder. (Kerk. huw. pr.) 

Begraven 20 Mei 16 18. Nieuwe Kerk. Kind onder den arm van GuiDiam van Breen, 
opde Ossenmerct. 

Ondertr: ii Juli 1634. Op de acte T^n Henricus Swalmius, Pred*. tot Haerlem, Gilles 
van Breen*) van Amst. woon. om de hoeck van de Gasthuysmeulensteech, met Hester de Glarges, 
wtten Haege, woon. tot Haerlem. (Kerk. huw. pr.) 

Ondertr. 28 Apr. 1650. Jillis van Breen, van A., wed', van Hester de Glarges, won. 
om de hoeck by Gasthuysmolensteech en Jannetie van Kessel, van A., out $S jaer, woon op de 
Coninxgr., geass. met David van Kessel haer vaeder. (Kerk. huw. procl.) 

Gedoopt II May 165 1. Oude Kerk. Een kind van Gillis van Breen en Jannete van 
Beyssel; Davit van Bessel, Anthoni van Breen getuigen. 

Begraven in de Westerkerk 28 Dec. 1677. Gillis van Breen, op de Cingel. 

28 Maart 1679 comp. S'. Anthony Boursse, wonende binnen Amsterdam, dewelcke verklaerde 
te hebben gezien, geleezen en wel verstaen, den testamente ende codidlle by wylen Anthony van 
Breen op den 20 Maert 1649 en den 30 July 1651 respective onder de hand gepasseert, mitsgaders 
nogh den testamente van wylen zijne moeder Clara van Breen, op den 27 Juli 1659 voor den 
Notaris Cornelis Hogheboom en zeeckere getuigen alhier verieden. Item de acte van tbewys by 
zynen vader S'. Jacques den 14 Oct. 1659 ter weeskamer gedaen, voorts den accoorde en transactie 
tusschen Gilles van Breen, zyne compts. vooght, ter eenre, en zyn gemelten vader Jacques 
Boursse ter andere zyde op den 12 Dec. 1659 opgereght, ende nogh den staet en specificatie van 
de goederen by wylen zynen broeder Jacob Boursse met den doodt ontruymt enz. 

(Prot. Not D. Ypelaer p. 129, bl. 113.) 

Ondertr: 28 Augustus 1641. Daniel van Breen> van Middelborgh» Pia^^nydcn out 42 
Jaer, op de Anjeliersgracht, geass. met Anthonis van Breen, syn cousyn, en Maria Bisschop, van A. 
out 35 jaer, geen ouders hebbende, geass. met Cathalyn Serwouters, haar suster, op de Breestraet. 

(Kerk. huw. prod.) 

Begraven. Wester Kerk. i May 1665. Daniel van Breen, op de Angeliersgraft. 

Gedoopt Nieuwe Kerk. 4 Dec. 1590. Daniel,* zoon van Baltes Breen en Susanna van 
Breen syn huysfrouw; en Tanneke Kretser als peet. 

Ondertr: 2 April 1621. Theodore Bleuet, van St. Jean d'Angeli (Fr. stad aan de rivier 
Bontone), schoolmr. wonende 6 annis inde St. Janstraet, Ende Sara van Breen, van Middelburg oud 32 
j. geass. mit Saerken Regniere (?) hare moeder, won. in St. AnneJwersstraet. 

(Kerk. huw. procl.) 

Ondertr: 8 Dec. 1634 Symon van Breen, van Jisp, out 24 j. candidatus theologie, geass. met 
zijn vader Egidius van Breen, won 1V3 j« op de Achterb. wal, en Regina de Bont, van A. out 23 
j. geass. met Geertie Willems de Bont, haer petemoey, woon op de Coningsgr, 

(Kerk. huw. procl.) 

Gedoopt 18 October 1635 Oudekerk, Jan, zoon van Symon van Breen en Regina de Bont; 
Gilles van Breen, Clara de Haas getuigen. 

Ondertr. 4 Maart 1639 Hermanus Bex, van Geulen, out 28 j. won op de Keysersgr. geen 
ouders, geass. met zijn cousyn Herman Bex, en Maria van Breen, out omtr. 28 j. won op de Conings- 
graft, geass. met haer vaeder Antony van Bi:een. (Kerk. huw. procl.) 

Ondertr. 8 Juni 1602. Hans van den Bremde, van Antwerpen, Pasteybacker, wonende in 
de Nes en Sara Marrij, van Antwerpen, won tot Middelborgh. (Extra-ord. huw. prod.) 



1) Op het portret beschreven bij Bartsch No. 293 (houtsnede van Goltzius) Prentemkab. Amst staat met een 17e 
eeuwscbe hsmd geschreven Gilles de Breen kunstdrukker van Goltzius. Wellicht grootvader van dezen. (v. d. K.) 



BIOGRAFISCHE A ANTEEK ENINGEN. 71 

Ondertr: 27 Sept 1614. Abraham van den Bremden, ^^i^yjfr, van Middelborgb, 
oud 26 jaren, won. (18 anni) in de Nes, geen ouders hebbende, t. e. ende Susanna Smissaert, wed« . 
van Franchois Hustart. 

Ondertr: 18 Febr 1612. Daniel van den Bremden, van Antwerpen, Schilder^ oud 

25 j. won. inde Nes, geen ouders hebbende, geass: met Haelbos en Abraham de Decker, zyn 

vooghden, en Susanna Schreuels, oud 22 jaren, won. in de Bethaniestr. geen ouders, geass. met 
Anneken Hugens, haer stiefmoeder. (Kerk. huw. procl.) 

Gedoopt. II Oct. 1615 Oude K. Susanna dochter van Daniel van de Bremdeen 
Susanna vande Bremde; Pieter Elekaert, Kataryn van Doesborch getuigen. 

Ondertr: 16 Juli 1622 Daniel vanden Bremden, schilder^ van Antwerpen, wed*. 
van Susanna Schrijver, won. inde Bloemstraet, en Suster Orbons, van Breedsteede, oudt 23 j geass . 
met Tryn Boijens, haer meue, won. inde Goutbloemstr. (6 aimis.) (Kerk. huw. procl.) 

Gepoopt. 3 Dec. 1623 Jeremias, zoon van Daniel van Bremden en Susje van 
Bremden; Mayke Dechers getuige. 

8 Dec. 1654. Adriaen Rietveldt, coopman, oud 25 j., Jan Hagedoom, Gezw. maklaer, oud 45 j„ en 
Cornelis Brisee, schilder y oud 3^ jaren, alle wonende binnen dese stede, leggen ten verzoeke van 
S». Jan Mulder verklaring af. 

(Prot. Not. van Nieuland, p. 205.) 

Cornelis Brisé, schilder bet. voor vernissen enz nj* xxv gis. 

(Thes. rek. 1655.) 

Ondertr. 6 Juli 1663. Cornelis Bresee, van Haerlem, schilder^ wed. van Ida Cornelis, 
woont op d' Kaysergragt, en Marrike Marcus, van A., oud 18 j., geass. met haer moeder Trijntie 
Jans, woont als vooren. 

Hij heeft den 18 Juli de weescamer voldaen. (Kerk. huw. procl.) 

Ondertr. 24 Febr. 1651. Abraham van den Broeck, van A., out 34 ]., plctetsnyder^ 
geen ouders hebbende, won. om de hoeck van de Berenstraet, ende Mayke Christoffels, van A., out 
28 j., geass. met vader ChristofFel Coenraetsz, won. aent Oudesyts kerckhofF. 

(Kerk. huw. proc.) 

3 Oct. 1651. Mutueel Testament van Abraham van den Broeck, plaetsnyder^ en 
Mayken Christoffels, poirter en poirteresse deser stede zijne huysvrou. 

(Prot. not. P. de Barry, p. 163 bl. 160.) 

Begraven. Nieuwe Zijds Kapel. 6 Febr. 1708. Een man, Elias van den Broeck, 
m'. konsischildcry compt van buyten de Uytrechtse-poort op den Amstel voorbij de Bergevaarders- 
kamer. 15 

21 April 1708. Een vrou, Maria Leenarts, wed. van Elias van den Broek, in syn 
leeven k&nstschildtr ^ compt van buyten de XJytrechtse-poort op den Amstel voorby de berger 
vaarderskamer. . 15 

Gedoopt. 12 September 1649. Noorder Kerk. Johannes, zoon van Bastyaen de Broen 
en Neyltien de Broen; Pieter de Ram en Marya de Ram getuigen. 

12 Novemb. 1677. Johannes de Broen, van A. plaatsnyder^ out 28 jaar, opdePrin- 
cegragt, geass. met Bastiaan de Broen, zijn vader, en Anna Hasewinkel, van A. out 20 jaar, op de 
Noordermarct, geass: met Gerrit Hasewinckel haar vader. 

Ondertr: 8 April 1684. Gerrit de Broen, van A. plaatsnyder, out 25 jaren, op de 
Prinsegracht, geass. met syn vader Bastiaen de Broen, en Dorothea van Akerlaken, van A. out 26 
jaeren, woont als vooren, geass. met haer moeder EUsebet Bruyningh. 

Gedoopt 22 Nov. 1684. Noorderkerk. Johannes zoon van Jan de Broen en Marike de Broen ; 
Trintien Grerrits, getuige. 



72 BIOGRAFISCHE A ANTEEKENINGEN. 

Zwarte kunstprent van R. Brookshaw. 

De Melkboer. Voor een huis, waaruit een bakker door zijn hoorn de aanwezigheid van warm 
brood te kennen g eeft, staat een melkboer, die aan een bij de emmers zittende vrouw melk verkoopt, 
terwijl een andere vrouw geld staat te tellen en een jongen met een stuk geld en een kruik ter 
rechterzijde staat, een tweede jongen wijst met de hand naar den bakker. Van ond. links J. Steen. 

In het marge. 

C. Roos, Excu*. Amster*. en Gravé a Amsterdam par R. Brookshaw 1779. 

Ondertr: 26 Juli 1659. Corn. van der Burg h, wt Hage, êchüder^ out 19 jaer, geass. 
met Neeltje Com. syn moeder, woon inde Runstraet, en Annetje Hendr. Riers, van A. out 24 j . 
geass. met haer vader Hendrikz. Riers,- woon. inde Camemelcksteegh. (Kerk. huw. proc.) 

27 Juli 1654 compareerden voor Sal. v. Nieuland enz. Sr, Hendrickvan de Burgh, 
schilder en kunstbewaarder van de overleedene Gravin van Arondel en Zurey, oud 40 jaeren 
Juffirou Laiua Interbatelo, seine huysvrouw, oud 30 jaren en Sr Willem Moene, Ebbenhoutwercker in 
dienste van haer hoogh gedachte Execellentie, oud 32 jaren, Ende hebben ten versoucke van Dnus 
Arnoldus Schoonhove, predikant tot Abcoude verclaert... dat alle de tapijten en goude leeren, die 
in de beneeden camers hingen van het huys op den Cingel bij den reqt aen hoogh gedachte 
Gravin verhuurt, ten tijde aU deselve haer hooghgedachte excellentie in hetselve huys metterwoon 
quam en ten tijde als deselve tapijten en gouden leeren door twee manspersonen hen getuygen 
on(bekent) uit het voorsegde huys wegh souden gehaelt worden, int selve huys op Clampen in de 
muuren nagelvast waren. . . dat oock de schilderijen, die in *t groot salet boven de tapijten voort 
tot de soldering de muur bekleeden, nagelvast waeren. 

Uit de getuigenis van Trgntje Tames blijkt verder, dat de tapijten en gouden leeren in het bij- 
wezen en door ordre van den curateur Elbert Huybertse. Krieck sijn weggehaald. 

(Prot. Not. V. Nieuland p. 205.) 

6 Juni 1626. Jan Gerritsz. Bruyn, coopman te Enkhuizen, 29 j., ten verzoeke v. Willem Watson, 
Engelsch koopman alhier, verklaart dat in zijn schip de Hope, laatst komende van Civita Vecchia, 
door Willem Langhom, Engelsch koopman te Liomo, te C. V. aan boord z§n gebracht 4 kisten 
schilderijen ten name van Z. Co. Ma. van Groot-Brittanniën en 29 kisten met steenen en schUderijen 
ten name van den grave van Arundel, om ze in Engeland uitteleveren. Hier aangekomen beloven 
met ander gelegenheid naar Engel, te zenden. (Not. Jos. Steyns (int pak W. Cluyt) 

Verklaring dat Luis Quyckclenbergh, uit Indië gekomen en daar goede fortuin gemaakt heb- 
bende, van den viscount de Staffort in beleening genomen had, juweelen rakende 't sterfhuis van 
Arundel waarbij, paternoster met juweelen bezet, de orde en gouden staf van Arundel voor 10,000 gL 
%vaarmede de viscount zeer tevreden was, 16 Juni 1659, (Not. J. Q. Spithof bL 154.) 

Henry Crow, engelsch edelman en Colonel, gemachtigde van Henry Houwart, grave van 
Arundel substitiueert Com. Back proc. te Utrecht. 19 Juni 1659. (ld.) 

Ondertr. 20 Nov . 1660. Wilhelmus Ludolfus Büsinck, van Munden, schüdcr 
out 25 jaer, de moeder aldaer, woont tot Utrecht, en Maritje Ryxen, van Marienborgh, out 21 jaer 
ouders tot Utrecht, woont in de Capelsteech. 

De geboden syn tot Uytrcgt overhindert gegaan. (Kerk. huw. procl.) 

Ondertr. 23 Febr. 1625. Pouwels Buys de Jonge, schilder, wonende op de 
Koningsgraft, en Lysbeth van der Voort, in de Nes. 

Meyndert A. Buytendyck, schilde, oud 40 j. Acte van 4 Mei 1653. 

(Prot. S. v. Nieuland p. 199.) 



C en K. 

„Op 't afbeeltsel van Juflfr. Emerentia van der Gracht, Geschildert door Adam Kamerarius. 
„Dit is Emerentia: het zichtbaarlijke deel, Getroffen door de swier van Kameraars penseel** 
enz. J. Serwouters, in HolL parnas 1660 bl. 55. 

Te Naarden in \ Burger-weeshuis bevindt zich een regentenstuk van dezen meester. 



BIOGRAFISCHE AA NTEEK E NINGEN. 78 

Ondertr. 9 Februari 1647. Govert Camphuysen, van Gorkum, schilder^ out 2^ jaer- 
woon. op de Lindegracht, noch een moeder hebben., geass. met syn broeder Raphel Campi, 
huysen, en Nelletie Francken, van A., out 20 jaar, woon. op de Roosegracht, geass : met Anthon, 
Francken, haer vaeder. 

Begr: 22 Juni 1648 in de Nieuwe Kerk. Een kind van Govert Camphuysen 
inde Roosestraet. 

Ady primo Martii 1662 in de Remonstr. Kerk publiek gedoopt Catalyntje, 't kint van 
Govert Camphuisen en Elisabeth Cramers. 

Begraven* Nieuwe Kerk. 4 Juli 1672. Godefridus Camphuysen, opde Oude 
Schans /d:- 

Ondertr; 14 May 1678. Govert Camphuysen, schilder^ van A., out 20 jaar inde 
Beerenstraat, geass: met Lysbeth Cramers, syn moeder, en Martyntje Reyniers de Coester, van 
Leyden, en daar wonende. 

Ondertr: 20 Febr. 1627. Jochem Camphuysen, van Gorkum, out 25 j., geen ouders 
hebbende, schilder ^ geass. met Raphel Camphuysen, zyn broeder, woon. (6 anuis) over ? de 
Gasthuysmeulenbrugh, en Heyndricke Jacobs, out 20 j., geen vaed» hebbende, geass. met haer 
moeder Harmtie Hendrix, woon. aen de Heiligewechpoort. 

Dese persoonen zyn getrouwdt den 7 Meert 1627 tot Sloterdyck, door M. Meursius 
Pred*. aldaer. (Kerk. huw. procl.) 

Begraven. N. Z. Kapel. 21 Jan. 1659. Een man Jochem Camphuys, schilder^ 
comt van het water, bij die vrouwensteegh, int witte klaverblat; 2 kinder ƒ 10: 13. 

Ondertr. (24 Oct 1626). Raphel Camphuysen, van Gorkum, schilder^ out 28 jaer, 
won. op de Coninxgr., voort 2* gebot sal des vaeders consent moeten blyken, en Machtelt Crosé 
van Hersberghe; out 32 j. geen ouders hebbende, geass: met haer nicht Sophia Rannix, won. als 
voren. 

Aant: Govaert Raephelsz. Camphuizen, de vader, verclaert te consenteeren in *t huwel. voorz. 

Nota dat dese personen getrouwt sijn tot Sloterdyck den 15 Nov. 1626 door Matthyas 
Meursius pred*. te Sloterdyck. (Kerk. huw. procl.) 

Begr. Nieuwe Kerk. 23 Oct. 1657. Raephel Camphuysen, op de Keisersgraft 

12 Januari 1663. Comp. Sr. Arent Arentsz Loefs, Nots. en Abraham van der Cappe, xr^^/f^r, 
als vooghden bij testiment ende codicille van Maria Harmans zaU., in haer leven huys vrouw van 
Jan Hendricks. over haer onmondige kinderen. (Prot. Not. J. Hellerus p. 157.) 

Ondertr: 3 Juli 1665 Abram van der Cappen, van A., schilder ^ wed. van Bartie 
Adams, woont op de Loyersgracht, en Marretie Adams, van A., wed. van Jan Hend. Gesterhoom, 
woont opde Blomgracht. ^ (Kerk. huw. procl.) 

7 Sept. 1599. Pieter van de Keer e, van Gendt, plaetsnijder^ oudt XXVIII jaren, 
woonende opt Rockin, geass: met Jan Jansz Burt, sijn stiefvader, ende Anna Burts, van Gendt, 
oudt XVin jaren woont ter selve plaetse, geass. met Jan Burt haer vader t. a. 

(Kerk. huw. procl.) 

Gedoopt. I Jan. 1606. Oudekerk. Susanna dochter van Pieter van den Keere 
en Anne Burt; Gilles van der Leyden, Coleetje Loudynse Suysanne Bint, getuigen. 

Gedoopt. 2 Nov. 1608. Oude Kerk. Pieter zoon van Pieter van de Keeren 
Anna Bort; Lysbeth Joostend'. getuige. 

Gedoopt 17 Jan: 1621. Anna dochter van Pieter vanden Keere en Anna Burt; 
Jan Jansz. getuige. 

10 



74 BIOGRAFISCHE A ANTEEKENINGEN. 

Ondertr: lo Meert 1623. Pieter van de Keer, van Gent, pUuisnydery wed», van 
Anna Beurt, won. aende Beurse, en Anna Winnens, van Gent, wed*. Jelis van Eyck, won. tot 
Hoorn, alwaer de gebooden mede gaen moeten, verdaerende 2^ jaer wed. geweest te hebben. 

(Kerk. huw. prod.) 

16 Maert 1610 had Cornelis Ketel, schilder, cloeck ende gesont van lichaam, bij codicil 
bepaald, dat Aeltgen Jans, sijn huysvrouw, naer sijn overlijden sal bewonen het noorder gedeelte 
van sijn huys ende enie staende op de oude Sijts Voorborghwal tegenover d*oude kercke, gelijcke 
't sclue bij Jan Aertsz, sijn voors. huysvrouwen vader, jegenwoordelick bewoont wert. voor 72 gulden 
des jaars, ende dat haer leven langh gediurende, oft so sy Aeltgen Jans totte aeselve woninge 
noch begeert te hebben de camers daerboven, responderende tot int opperst van den huyze, zijnde 
daermede de minste helft van sijnen huyse, sal sy al 't selve mogen bewonen voor de somme van 
120 gulden 'fljaers: verder bespreekt hij haar, als Andries eerst overleed, van diens natelaten 
goederen van hem Ketel gecomen, de vruchten en renten en na haer overlijden sal alles komen 
aen des Codicillants naeste erfgenaemen. Actum fAmst op de weescamer in presentie van Herman 
Jans en Hans Heylinc clerk, aÊ get. 

24 Nov. 1610 testeert Ketel sieck te bedde liggend, als volgt: 

Hij verclaerde also Aeltgen Jans, zijn huysvrouwe, eenige dagen geleden tsijne huyse 
met Pieter Woutersz, sijn cosijn, woonachtich ter Gonde, redenen heeft gehadt aengaende waer 
Andries Ketel de voorschreven comparants sone soude blyven ende mogen onderhouden werden 
ingevalle hij comparant hem mochte oomen te ontvallen ende te overlijden den voorsz. Andries 
Ketel noch in leven sijnde, ende bij den voorsz. Pieter Woutersz daerop geseyt werdt, dat hij hem 
t' sijnen huyse nyet en soude begeren te houden om drye hondert Car. guldens des jaers, waer- 
omme hij comp. den voorsz. sijnen sone naer sijn overlijden willende versien, ende hem van een 
• goede plaetse versorgen, is overeengekomen met Aelgen Jans, sijn lieve huysvrouwe, dat zij in dat 
geval voor Andries zal zorgen en daarvoor 300 Car. guldens zal ontvangen uit de vruchten van 
Andries goederen zo van vaders als moeders sijde gecomen. Verder bepaalt Cornelis dat Aeltgen 
boven 't gene bij codicil van 16 Maert 1610 was bepaald, na Andries dood de helft zal hebben 
van al 't gene Andries sal nalaten, ende van hem comp. geërfd had. In de andere helft van die 
goederen zal komen Marigen Jacobs, wonende tot Utrecht, oft haers gebrekende hare kinderen voor 
twee derde deelen ende sijne neve Pieter Woutersz. wonende ter Goude, een derde deel ende 
de kinderen van Gerrit Govertsz, zijn broeder, te samen in de twee derde deelen van 't resterende 
derdedeel, hem mede in dyer voege sijn voorsz sone substituerende. 

Hierenbouen heeft hij comparant sijn voorsz. huysvrouw Aeltgen noch gelegatert ende bespro- 
ken de schilderije bij hem comparant met duym, vingeren ende den voet alleen gemaect, daerinne 
hij comparant hem selfs geconterfeyt heeft, ende bij aldien hetzelfde stuck bij den genen dien 't 
gecoft heeft, nyet gehaelt en werdt, ofte indyen den 't voorn, stuck compt halen zal sijn voorsr. 
huysvrouwe de helft van de cooppenningen genyeten en> de ander hclfft in sijn boedel gebracht 
worden.... Actum te Amsterdamme ten hiiyse van den voorsz. Mr. Cornelis Ketel, staende 
op de Oudezijdtsvoorborchwal in presentie zijn d'eersame Heyndrick van Kempen, coopman, ende 
Steven Jansz Scharm, apoteker. (Prot. Not. S. Henrix p. 194 bl. 191.) 

21 Dec. 1610 maakt Ketel een test. voor denzelfden Not. 

•Compareerde d'eersame Mr. Cornelis Ketel, mijn goede bekende, sieckelyck van 
lichaeni ende te bedde liggende. Hij institueerde tot sijn universeele erfgenamen Andries 
Cornelisz sijnen sone, in d'een helft, ende Aeltgen Jans, zijn huysvrouwe, in de andere helft.... 
ende dat so om de goede affectie, hulpe, bijstandt ende groote diensten hem Testateur bij de 
voorschreven Aeltgen Jans, zijn huysvrouwe, so te voren als nu in sijn siecte en ongeval hem 
bewesen ende noch te bewijsen, als mede om de moederlycke affectie, dienstbaerheydt ende 
moeyte gedaen ende betoont aen den voorschreven Andries, zijnen zone, ende willende voorts 
mede den voorschreven Andries sijn sone naer sijn testateurs overlijden voor so veel in hem is 
versien ende versorgen van een goede plaetse, daer hij zou mogen wonen en blyven, hebben goet 
tractement ende toesicht, ordonneert ende begeert hij Testateur, dat de voorschreven Andries, sijnen 
sone, naer zijn overlijden sal blyven wonen bij de voorschreven Aeltgen Jans, zyn huysvrouwe, (die 
hij Beyde daertoe bewillicht te hebben) mits voor zyn cost, cleederen ende onderhoudt genyetende 
ende haer toevoegende alle de vruchten ende renten, die van deszelfs Andries vaders als moeders') 
erf f uilen procederen, verder bepaalt Ketel, dat als Andries voor Aeltgen overlijdt, dat rij dan erven 



.y 



^) Hij was dus voorzoon. Ketel teekent niet, was zijn hand misschien sedert 16 Maart i6io verlamd. 



BIOGRAFISCHE AA NTEEKENINGEN, 75 

sal de goederen, die Andries sal nalaten en van hem had geërfd, verder heeft Aeltgen van hare 
sijde aan Cornelis Ketel gemaeckt, als sij eerst mocht overlijden, de loo Car. guldens, die 
bij de huwelyckse voorwaerden besproken syn te sullen ontfangen van de 1600 guld. capitael die 
zij Aeltjen Jfans in huwelyck heeft gebracht, zoodat Corn. Ketel overlevende, die niet sal 
behoeven uit te keeren aen haer vader of naeste vninden. . . . Actum te Amst. ten huyse van 
testateur op de Oudesijdtvoorburghwal in presentie van Hendrick van Kempen en Mr. Heyndrick 
de Kyser, architect dezer stede, den 21 December 1610 op den noene ten twaalf uren. 

Aelgen Jans. 
Hendrick van Kempen. 
Henrick de Caisar. 
(Losse acte in*t Protocol Not. S. Henrix p. 194 bL 85.) 

Tn den name des almachtigen Amen. Bij dezen openbaren Instrument zij kennelyck dat 
in den jare onzes heeren 161 3, den 3 Novembris ten 3 uren verscheenen is en compareerde 
voor mij Salomon Henrix, not. publ. t' Amsterdam enz. d'eersame Mr. Corn. Ketel, schilder^ 
mijne goede bekende, hoe wel swack van lichaem overmits sijn beroertheydt in stoel zittende, 
nochtans ^esont van harten enz. . . . dewelcke verclaerde bij forme van donatie inter vivos voor 
hem* en sijn erfgenaemen voor altijt ende onwederroepelyck gegeven te hebben aen Aeltgen Jansdr. 
sijne lieve huysvrouwe, omme de goede hulp en affectie en hefde hem ende Andries snnen sone 
(corts overleden) gedaen en bewesen, ende tot haer seer groot ongemack, onniste ende moeyte 
hebbende tot nog toe so by dage als by nachte hem comparant in syn gebreckelyckheyt geassisteert 
en byghestaen en noch hem comparant te doen en te bewysen, als oock omme andere goeae redenen 
zijn gemoet daertoe porrende ende bewegende, gelyck hy haer Aeltgen Jans onherroepelyckcedeert 
ende geeft mitsdesen alle sijne goederen roerende en onroerende, actiën (enz.) sonder voor hem 
daervan yets te behouden ...Voort comp. de voorsz. Aeltgen Jans... heeft de voorsz. donatie 
geaccepteert enz. Actum ten huyse van den donateur op de Oudesijdsvoorborchwal tegenover 
d'oude kerck. In pntie van de eersame Hendrick van Kempen, coopman, en Mr. Heyndrick de 
Keyser, architect. (Geen handt van Ketel, wel van de anderen.) 

Den 3 November verklaart Aeltgen Jans, dat sij de donatie slechts aanneemt voor zoover de 
eigendom overgaat na Ketels overladen. 

(Protocol Not. S. Henrix p. 195 ) 

12 Nov. 161 3 comp. Aeltgen Jansdr, huysvr. v. Corn. Ketel, en maakt haer test. waarby 
sy aan haer man *t vrucntgebruyck maekt van alles wat sy nalaten sal ; verder bepaelt sy, om hem in 
syn beroerdtheyt en swaeckheyt des lichaems goed hulpe te versekeren, dat Gijsbertgen Jans, hare 
suster, die beloofd had hem te willen verzorgen, zoolang sij ongehuwt is, by haer man Corn. 
Ketel zal co9ien inwonen, en benoemt sy dese suster tot haer erfgenaem, oft haers gebre^kende 
institueert sy Jacob Dircks haren soon, in sijns moeders plaetse; Gijsbertgen Jans comp. en stemde 
toe om hieraan te voldoen. (Prot. Not. S. Ëennx p, 195 bl. 62.) 

13 Nov. 16 13 comp. Corn. Ketel, schilder, overmits syn beroertheyt in stoel sittende, en appro 
beert syn donatie inter vivos den 3 Nov. gemaakt en benoemt Aeltgen tot sijn universeele erf- 
genaem en substitueert als zoodanig haer suster Gysbertgen Jans. 

Ondertr: 31 Dec. 1672. Jan Jansz. van Geulen, schilder ^ out 22 j., ouders doot, 
geass. met Roeloffs Albertsz., inde Loyersstraat, en Annetje Roeloffs, van A., wedu van Pieter 
Pardon, als vooren. 

Sy weescamer voldaan, den 12 January 1673. 

Gedoopt : 25 Maart 1607. Komelis zoon van Heinrick de Keyser, stads steen- 
houwer en Byken Pietersd'.; Komelis Danckers getuige. 

In den Naeme des Almachtigen Amen. By desen openbaere instrument sy kennelyck, dat in 
den Jaere ons Heeren XVIe Een en twintich den 15 November, savonts te negen lu-en, compa- 
reerde voor my Salomon Henrix, Notaris enz. d'Eerbare Barbara van Wildere, weduwe van wylen 
Heyndrick de Keyser, in syn leven Architect ende steenhouwer deser stede, myne goede 
bekende, sieck te bed leggende .... dewelcke .... eerst .... heeft te niet gedaen alle andere 

uyterste willen en heeft gepraelegeert . . . Machteltgen, haere dochter, alle de cleederen 

linnen en wollen, t haren lyve behoorende . . . met noch twee dosyn nieuwe servetten ende het 
bedde daer sy testatersse op slaept met syn peluwe en de toebehooren; Ende voorts mede 
gewilt ende geordonneert, om redenen haer daer toe moverende so sy verclaerd, dat haren sone 
Pieter de Keyser zal voor uyt hebben, en ie behouden, sonder eenighe teghendeelinghe aZ/^r 

10» 



76 BIOGRAFISCHE A ANTEEKEN INGEN. 

de modellen, patroonen, papieren, teyckeningen ende bootseersels, met het gereetschap daer toe be- 
hoorende, by sal: Heyndrick de Keyser, zyn vader, nagelaten, uytgeseyt de navolgende 
beelden als «.en Cupido met de Psyche, het conterfeylsele van zyn Ex«*«. den Prince van Oraignen 
h(oogloffelyker) m(emorie), vyff gebootseerde kinderkens, den MercuriuB, een paertken, den Lao- 
choon, drye gebootseerde Anathomien van Menschen, en 't model van de begraeffenis van Me 
voorsz. zyn Ex«** van Üraignen, mits conditie, dat den voorsz. Pieter, haren sone, daer teghen 
gehouden sal syn tot voordeele van haren gemeynen huyse ten eflfecte te brengen met zynen 
arbeydt de begraeffcnisse vande voorsz. zyn £x<^. van Oraignen tot Delff met oock het beeldt van 
Erasmus metten toebehooren van dyen voor soo veel aen de respective stucken noch souden 
moghen resteren op te maecken sonder meer; Ende alsoo Marie, hare dochter, b uytgegeven 
ende ten huwelycke besteedt, sonder dat hare andere kinderen daertegen yet hebben genoten, soo 
wil ende ordonneert zy testatersse, dat elck van hare ongehuwde kinderen daer tegen zullen ver- 
geet worden elx met drye hondert gulden eens, die sy sullen vooruyt den boedel trecken voor 
ende alleer de voorsz. Maria mede tot eenige deelinghe sal mogen komen; Ende in hetgene dat 
zy Testatersse meer sal nalaten heeft sy genomineert .... mitsdesen haren ses kinderen in 
ge ycke portiën ende gedeelten als te weten, de voorsz. Maria, Pieter, Thomas, Machteltgen, 
Willem en Heyndrick of desselfs kinderen by representatie van haer ouders, begerende dat zy te 
zamen in goede eenicheyt ende vruntschap zullen de zelve goederen parten ende deylen, .... 
actum tot Amsterdamme ler woonhuyse vande Testatresse staende op de hoeck van de Groene 
Borchwal, In presentie van d'eersame Cornelis Canter, ende Tan Arentsz. borduyrwercker als, 
getuygen. (Prot. Not. S. Henrix p. 198.) 

Ondertr. 8 Augustustus 1625 Pieter de Keyser, van Amsterdam, Stads- steenhouwen 
wedr. van Magdalena Geens, ^on. op de Groene Burghwal, t. é., en Magdalena Jacobs, van A., 
oud 19 jaeren, geass. met haer suster Clara Jacobs, won. op de Egelantiersgracht. (Kerk. huw. pr.) 

Ondertr. 22 Oct. 1639. Pieter de Kayser, van A, wednr. van Magdalena Jacobs, 
won. op de Brouwersgr., en Catharina Begyn, van A, wed. van Esaias de la Tombe, woon. inde 
Runstraet. ' (Kerk. huw. pr.) 

15 Febr. 1641. De heeren Regerende Burgem. ende Tresoriers sijn geauthoriseert, om met 
Mr. Pieter de Keyser, siats steenhouwer^ te handelen aengaende de aenneminghe van sijn 
huys ende erve, gelegen bij het Staelhoflf, mitsgaders om 't selfde gedaen alsdan te approprieren 
tot een staelhoflf voor de verwerijen van sayen etc, (Res. van Burgemeesteren.) 

Willem de Keyser draagt op aan Wouter Gerritsz Leyten, een huys en erve staende 
op de Nieuwesyds Oostervoorburgwal, daer lendenen van sijn oflf geweest hebben X^laes Moyart, 
aen de noordsijde, ende de erfgenamen van Reynier Engelen, aen de suytsijde, streckendë vóór 
van de straet tot achter aen Jan Hennansz Bock. — Pieter ende Thomas de Keyser 
mede comparerende waren borgen. 31 Mei 1652. (Kwijts. A A., 163.) 

Ondertr. 23 Juni 1668. Paulus Keyser, van A, schilder^ oud 25 j., geass. met sijn 
vader Jan Keyser, woont in de Laurierstr., en Meertyntie Leurs. 

Ondertr. 24 Julio 1660. Daniel Christoffel, van Valenciennes, schilder^ out 40 j., 
ouders doot, geass. met Dominicus Janse, woont in de Hooghstraet, en Catarina Gabriels, van 
Hoesum, out 26 j., enz. (Kerk. huw. pr.) 

Deze personen sijn op den 8sten ugusti 1660 tot Buycksloot getr» 

1647 II April. Testament van Styntje Cornelisdochter, huys vrouw van Symon Kick, 
schilder^ poorteresse deser stede. Zij approbeert haar testament van 20 Dec. 1633 met haar voorn, 
man voor dezen Not. verleden. Zij woonde 11 Apr. 1647 in de Coninxstraat. 

(Prot. Not. L. Lamberti. p. 118.) 

Ondert. 5 Mei 1661. Cornelis Kick. van A, out 27 jaeren, ^Mt///<?r, geass. met sijn 
moeder Styntje Cornelis Duysker, wed . van Simon Kick, woont inde Koninghstraet, ende ComeUa 
Spaeroogh, van A, out 24 j., geass. met haer vaeder Harmen Chesz Spaeroogh, woonende 
inde Nes. (Kerk. huw. pr.) 



BIOGRAFISCHE A ANTEEK ENINGEN. 77 

i^ - Ondertr. 21 Dec. 1674. Cornelis Kick, van Amsterdam, oudt 41 jaren, xrA*/fl?Jfr, 

wedr. vaa Corneüa Spaeroogh, op de Uytersetraet, ende Maghtcltie Dirkx, van Leyden, wed. van 
Andries ter l^ysen (?}, op de Nieuwendij eb 

Ondertr: 5 April 1680. Johannes Kip, i) van A: plaatsnijder ^ out 27 jaren, op de 
O. Z. "ftchterburgwal, ouders doot, geass: met Claas van Scheyden, en Elisabeth Breda, van A., 
out 24 jaren, op de Bierkay, geass : met Elisabeth Asselyn, haar moeder. 

Begraven : Oudezyds Kapel. 5 Juli 1643. Abraham Claetsen, schilder y gekomen vande 
Nieuwe Marckt / 10 : 13 . 

Ondertr: 29 Juni 1663. Broer Claesz. van A., schilder ^ out 22 jaer, geass. met syn 
moeder AMetje Broers, woont inde Tichelstraet, en Marretje Claes, van A., out 20 j. 
*"* ' (Kerk. huw. pr.) 

Ondertr: 2r Jan. 162 1. Dirk Claesz. schilder ^ oud 92 iaer en Aeltje Jans. 

(Kerk. huw. pr.) 

Begraven Nieuwe Kerk. 17 juli 1602. Van Pieter Claesz. buyten byt Backhuys, een 
kint op een baer. 

Begraven Nieuwe Kerk. 6 April 1604. Van Fitter Claes, by het Grotte backhuys, 
een kint onder den arm. 

Gedoopt 13 Aug. 1606. Oude Kerk. Annetj e dochter van Pieter Claesz. schilder^ 
ien^Wary Pieters; Heinrich Jansz. van Gengeren, Pouwels Teset. Aeriaen van der Geest, getuigen. 

Gedoopt 6 Aug. 1609 Oude Kerk, Paschijn kind van Hans van Kleef, J^^/Z/Z^r, en Lysbet 
Schrijvers; Pieter Molijn, Lyntgen Heinrixdr. getuigen. 

Ondertr : 14 ' Febr. 1654, Ferdinandus de Klere k, van A., schilder ^ out 21 j. 
ouders doot, geass. met David de Klerck, sijn broeder, woon. op de Leliegracht, ende Gerberighje 
Gerrits, van Jeveren? out 23 j. ouders dood, enz. (Kerk. huw. pr.) 

Ondertr: 27 Maart 1655 Jan Tacobse Kloeck, van A., Plaatsnijder ^ out 30 j. geass. 
met Jacob Janse Kloeck, sijn vader, won. op de Nieuwendijck, en Josina Kocks, van Woerden, out 
21 j. geass. met Jannetje Jelmers, woon op 't Rockin, enz. (Kerk. huw. procl.) 

Jannetje Abrahams, weduwe van Geraerd Koeck, salr., in sijn leven plaetsnijdery 
wonende binnen dezer stede, machtigt Hendrick Vink, procureur, om van Pieter de Porck, tot 
Wesop woonachtig, te eysschen... betalinge van iio gis. ter zake van verteerde kosten t'haren 
huyze genoten. 25 Sept. 1649. (Jannetje Abrahams kon niet schrijven). 

(Prot. Not. V. Nieuland, p. 196 bl. 212.) 

16 Juni 1663 testeert Maria du Gardijn, huysvrouw van Albert Jansen Clomp, 
schilder^ wonende in de Reestraat, zij maakt haar man universeelen erfgenaam. 

(Pröt. Not. J. Hellerus, p. 157.) 

Tot Amsterdam is op den 20 December 1688, een persoon genaemt Albert Klomp, 
Fijn Schilder y out omtrent 70 jaren, tegen den avont uyt sijn huys gegaen, en sedert nooit meer 
vernomen, waerom geoordeelt wert verongelukt te wesen. Gem. persoon, is kort en dik, heeft 
een lichte lakense rock aen, en een geknoopt dasje om den hals. Die deselve, *t sij levendig of 
ïïoot, weet aan te wijsen, adresseere sich op de Oude Wael 5 a 6 huysen van de Mont Albaens 
Toom, boven het wapen van Medemblik, sal eerlyck geloont worden. 

Amst. Saturdagsche courant van 12 Febr. 1689. (Mededeeling van den Heer v. d. Keilen.) 



1) Dat hij in 1697 te Londen was, blijkt uit een ets van de Deensche Kerk aldaar. 



78 BIOGRAFISCHE AA NT EEK EN ING EN. 

Ondertr. i8 Mey 1641. Ysaack Coedycki), van Leyden, out 24 jaer, won. tot Leyden, 
en Sophia de Solemne, van Aernhem, wede. van Gedion Bouwers, woon. op de Roos^raft. 

(Kerk. huw. pr.) 

Gedoopt Nieuwe Kerk, 20 Oct. 1644. oophia, dochter van Isaack Koedyck, en 
Sophya de Solemne; Antony Luit en Clare de Solemne, getuigen. 

Sr. Jonas Coedyck, out omtrent XXXVIII jaren, verklaart ten versoecke van Anna Baertsteen, 
van Hoesem, in Holstein, dat zij in 1668 te Amst. getr. is met Frans Kerckhofif. 13 Juni 1669. 

(Not. J. Snel, p. 231 •) 

Testament van 19 Juni 1652 van Abrahamus Conradus, plaetsnyder^ en Dirckje 
Jans van Bampt, EchteHeden, burgers en inwoonder alhyer. Zij verklaren tot hunne erfgenamen 
in te stellen: Abraham, Jo(ann)es, Sara en Catharina Abrahams, haere kinderen, de langstlevende 
zal echter de beschikking over de goederen houden.... Aldus gedaen ten woonhuyze van de 
testateurs in de Pieter Jacob dwersstraet, (De \touw kan niet schrijven). 

Ondertr. 19 Oct. 1652. Abraham Coenradus, van A, plaetsnyder^ wedr. van 
Dirckie Jans, won. in de Keter Jacobdwarsstraet, en Anna van Cotensteijns, van Uytrecht, out 
34 j., op de Vijgendam. (Kerk. huw. proc.) 

Ondertr. 3 Febr. 1624 Frans Koerten ^, van Hambiug, schilder^ out 24 jaer, geass. 
met Griete Fransen, zijn moeder woon. op de Coninxgracht, en I^beth Claas, out 21 j. geass. 
met Claas Jansz, haer vader, woon. op *t Uyterseveer. (Kerk. huw. pr.) 

Gedoopt 15 Juli 1627, Oude kerk, Claes, zoon van Frans Coertsz., gf setter^ en Ljrsbet 
Claes; Engeltje Evers getuige. 

Gedoopt 27 Nov. 1640 Claes en Grietje, kinderen van Frans Coerten en L)rsbet 
Claes; Jacob Teunisz, Katelijn Goossens getuigen. 

Ondertr: 30 April 1644 Frans Courten, van Altena, caertaf zetter^ wed' van Lysbeth 
Claes, won. op de Egelentiersgracht, en Annetie Blijcourt, van Ceulen, won. Halsteech, geass. met 
Hester de Blijcour, een simpele moeder hebbende, out 45 jaer. Haxmen AUerts verclaart des 
moeders consent goed te sijn. (Kerk. huw. pr.) 

Ondertr.. 3 Dec. 1649 Franss Courten, van Altena, cacrtemdker^ wed' van Anne de 
Blécourt, woon. op de Egelantiersgracht, en Lysbet Dircx, van Haerlem, wed. van Hendrikus 
Donkers, woon. als voren. (Kerk. huw. proc.) 

8 Juni 1668 begraven in de Westerkerk. Frans Koerten, op de Negelantiersgracht, /" 15. 

Ondertr : 22 Juli : 1595. Heinrick Koetemans, van Loeven, schilder^ wed«. van 
Mayken Welbos, woon. inde Warmoesstraet, ende Susanneken Dorresin, van Mechelen, oudt 39 j. 
(get,) Heyndrick Koelemans, Susanneken Doritsien. 

Ondertr: 15 Febr. 1647. Johannes Collaert, van A., out 25 j., schilder^ geen 
ouders hebbende, won. opt Rockin, geass . met zijn neve Jan Dircksz . , en NeUetjen van der Clay, 
van A., won, inde Warmoesstraet, geass. met haer moeder Lysbet Rycken. 

^ (Kerk. huw. procl.) 

24 Oct . 1667. Joannes Collaert, konstryck schilder j wonende op de Heerengracht, 
geeft procuratie aen zijne huysvrouw Petronella van der Kley. (Prot. Not. Hellerus p. 169.) 

Ondertr: 2 Januari 1649. Johannes Collaert, van Heusden, schilder ^ o\xt 2^ ]ajtx 
vertoon, acte van moeders consent en woon. inde Oude-Mannepoort, en Maria van der Velden, 
van A., out 25 jaer, geass. met haer moeder Maria van Velden, woon. als vooren. (Puib.) 



1) De Vries meende dat deze de schilder was. 

*) Deze schilder, en ,, Wereld kloots verluchter" is bekend, door 't portret van Matham. 



BIOGRAFISCHE A ANTEEKE NINGEN. 79 

Ondertr: i Aug. 1671. Harmanus CoUenius, van Kolm, schilder^ oud 21 jaar, 
ouders doot, geass. met Tjerk Jellemans, woont op de Rozegracht, en Judith Pyl, van A., out 25 j., 
geass. met Engeltje Engelberts, haer moeder, op de Deventer Houtmarct. 

Ondertr : 2 April 1677 . Casparus Kollerus, van Dantzick, schüaer^ out 28 jaren, 
op de Elantsgraft, ouders doot, geass. met sijn nicht Maria Huyberls, en Maria vanden Appel, van 
Rotterdam out 27 jaren, inde N. Spiegelstraet, ouders doot, geass. met haer broeder Anth. van 
den Appel. (Kerk. huw. prod.) 

Ondertr: 17 Nov. 1616. Jan Sijwertsen Colms, schilder y wed», van Anna Seroije, 
won. by de Snoeckjesbrugh, en Fijtjen Lindeman, oud 21 j. enz. (Kerk. huw. proc.) 

Ondertr: 20 Oct. 1679. Cornelis Kolom, van A., schilder ^^ oud 23 jaren, woont op 
Singel, geass. met syn moeder Sara Rengers, en Anna Verstappen, van Rotterdam, oud 28 jaren, 
tot Rotterdam, ouders doot, geass. met Hillebrand Block. 

Ondertr: 31 Juli 1599. Crispiaen Colin, van Mechelen, schilder, wed', van Elisabeth 
Engelbrechts, woonen. inde ICalverstrate, t. e. ende "Martynken Gaule, van Antwerpen, wed. van 
Jan van Loo, verclaerende 15 jaeren wed', geweest woon. int Pouwels Broers Steechjen. 

(Teekent Cryspiaen Kolijens.) (Kerk. huw. procl.) 

Ondertr: 27 Marty 1613. David Kolijns, van Rotterdam, schilder, out 31 jaren, won. 
in de Hoochstraat. geass: met Crispiaen Kol^ns, zyn vader, ende Aeltjen Jocobsd'. oud 24 
jaren, wonende in de Keysersstrate enz. (Kerk. huw. procl.) 

Ondertr: 10 Juli 1593. Dierick Colijns, van Mechelen, schilder, oudt omtr. xxiij 
iaren, woon. inde ICalverstrate, geass. met Elysabeth Colijns, syne moeyken, t. e. ende Susanneken 
van der Heyden, van Antwerpen, oudt xxiij jaren, woonende als bovea, geassisteert met Janneken 
Daniels, haer moeder t. a. z. 

Op huyden den 29 Nov. 1656 Compareerde Neeltje Pieters de Bruyn, bejaerde dochter 
mij Not bekent en verclaerde geconst. en machtich gemaeckt te hebben: J ft c o b Colijns, 
schilder, haere neefF omme sich te transporteren binnen de dorpe van Nieuwer Amstel, en aldaer 
te vorderen, innen en ontfangen, alle alsulcke penn. als haer const**. wtte penningen geprocedeert 
van vercofte goederen van RoelofF (oningevuld) gewesenen smit aen Overtoom .... zullen toege- 
wezen worden. (Prot. Not. van Toll p. 21. H. 12. p. 223.) 

23 Febr : 1668. Aen J a c o b C o 1 ij n, voor het schilderen van 5 wapens de andere volgens 
rek. / 65.— (Uitgiftb. Oude Kerk.) 

Ondertr: 3 Febr. 1657. Michiel Comans, van Rotterdam, wedunaer van Catrina 
E^els, woon. op de Cingel en Geesje Willem, van . . . , out 40 jaer, ouders doot, woonde inde 
Nieiiwestraet, geass*. met haer suster Evertje Willems. (Puiboek.) 

Ondertr: 28 July 1674. Michiel Comans, van A., schrijfmeester, woont by deRegu- 
lierstoom, geass: met Michiel Comans, syn vader, en Catrina Rithart, van Rotterdam, en daer 
wonende . (Puiboek.) 

Begraven: Nieuwe Kerk 9 Dec. 1687. Michiel Comans de oude, wedunaer van Eli- 
sabeth van der Mersche, op Nieuwendyck / !$• 

Michiel Komans, die tot heden t' Amsterdam Schoolgehouden en sig nu inne 't school 
van syn overleden vader tot Noortwyck begeven heeft, presenteert synen dienst, en sal nevens 
goet tractement, syn discipelen onderwysen in *t lesen, grondig schryven, Tekenen, Rekenkonst en 
t Koopmans of Italiaens Boeck-houden, nae de kortste en Koopmans-gebruyckelycke maniere, 
nevens een continueele onderwysinge en oefifening in de Fransse tael en hope van yegelyck goet 
genoegen te geven. Extra ordinaire Haerlemse Donderdaeghse Courant van '19 Febr. 1688. 



80 BIOGRAFISCHE A ANTEEKENINGEN. 

Als etser is M. Komans of Comans alléén door de vier volgende prenten bekend: 

10. Titelpl. voor D. Erasraus. Van de borgelyke wellevendheid door kinderlyke zeden, in 
vaersen gebracht door M. Komans, Ainst. 1663. kl. 80. 

2*. Titelpl. voor Joan Luykens Duytse Lier. — t* Amsterdam bij Jacobus Wagenaar 1671. 
in i2«. Er bestaan ook nog exempl. van dienzelfden druk met het adres t* Amsterdam by Adriaan 
Veenendaal. 

3«. Overwinning bij Chattam en Rochester — Muller N<>. 2271 in fol. 

4*. Afbeelding v. h. gebruyck der op nieuw gepractiseerde houte Brandspuyten 1667. — 
By M. Comans te Amsterdam, op de hoek van de Bloemstraat, in de Gouden Zon en by Gilles 
Comans, op het Droogbak te Arasterdam. 

A. van Zylvelt graveerde naar hem de vierdaagsche zeeslag i666. 

(Mededeeling van de Hr. van der Keilen.) 

Ondertr: 19 Juni 1604. Wouter Willemsz. van Roy, in Braband schoolmeester tot 

^ oudt 27 jaeren, won. tot en Marie van Coninxloo, van Antwerpen, oudt 26 jaer, 

won. opde turfmerckt, geass. met Gilles van Conincxloo, haer vaeder. 

Aan den kant staat. Wouter Willems de Koster. (Kerk, huw. procl.) 

Begraven 21 Nov. 1617. Catalyn van Coningsloo, inde Beerenstraet Nieuwe Kerk. 

Gedoopt: 24 Juli 161 1. Oude Kerk. Klaerken dochter van Hans van Koningsloo, 
schilder ^ en Klaerken Wouters; Katryna Woutejp, Hans van Koningsloo de jonge i), getuigen. 

Ondertr: 18 Oct. 1619. Willem de Bruel, uyt Gravenhage, goudsmit, oud 26 jaeren, geass. 
mit Abigael van Tillborgh. syn moeder, won. (3 annis) op den Nieuwesyds Voorb. wal, ende 
Magdalena van Coningsloo, van Gorkum, oud 26 j. geass: met Jan Minuit, hare oom, woon. aJs 
vooren. (Kerk. huw. procl.) 

Begr: Oude Kerk 17 May 1698. Anna Maria de Kooker, v». van Jan Camersfelt, 
op de Binnen Amstel. / 8. — 

Gedoopt 15 Februari 1680. Rem. Kerk. Door D». Brandt in huys gedoopt, Daniel de 
Koker, soontje van Gilles de Koker en Mathilda Swaerdecroon. 

Ondertr: 25 Oct. 1626. Aert Cornelisz., van Rotterdam, schilder, woon. by de Sleutel- 
bruch, en Annetje Tennis, in 't Gravenstraetje. 

Ondertr: 2 April 1650. Willem Jansz. Coster, van Bremen, schilder, woon. op de 
N. Z. Voorburgwal, geass. met Jan Jansz., syn oom, en Aeltien Jochems, enz. 

(Kerk. huw. procl.) 

Ondertr: 16 Maart 1651. Johannes Croon, van A., schilder ^ out 21 jaar, geass. met zijn 
vaeder Gerrit Croon, won. bij 't Dolhuis, en Lysbeth Homes, enz, (Kerk. huw. procl.) 

Ondertr. 9 May 1682. Jacob Jabobsz van der Croos*) van Middelburg, xM^dSfr, 
out 27 jaren inde Leitzestraet en Marretje Gerrets Koenhardt, J. D. van Alkmaar en daar woonende. 

Ondertr. 18 Sept 1682. Jan Jacobsz van der Croos*), van 's Gravenhage, x^^ü^^]^, 
wed' Marretje Gerrets, op de Leitzestraat, en Lysbet Kroon, van A., oud 22 jaren, op deKluijve- 
niersburgwal, ouders dood, geass. met haer stiefvader Marcus Kuys. 



1) Dit is ongetwijfeld eene vei^gissing voor Gilles van Coninxloo de jonge (d. R.) 

9) Een van beide voornamen is fout. De heer Bredius geeft mij op: de schilder werd als Jacob van der Croos in 't 
Middelburgsche gildeboek ingeschreven. Hij was hoogst waarschijnlijk een neef van Antoni van den Croos uit den Haa^, 
en was maar korten tijd in Middelburg geweest. De vader, Jacob van der Croos. moet een Haagsch meester geweest rijn 
maar ik vond niets over hem in 't Haagsch Archief. Er zijn a gezichten opdenHaaginhet Gem. Mus. gemerkt JCroos. Hij 
heeft pi. m. van 1660— 1670 en niet later geschilderd. Pieter van der Croos was ook schilder in den Haag. 



DE OMKEERING IN DE^ KERKSTAAT TE AMSTERDAM VAN 1578, 
'l DOOR DEN PRINS VAN ORANJE VEROORDEELD 



Prof. Dr. J. J. VAIV TOORENENBERGEN. 



"■■■■■ ■ ■ ENIGEEN, die met welgevallen het schoone monumentale kerkge- 

bouw aanziet, hetwelk aan de Stadhouderskade in de Hoofdstad 
onlangs voltooid is en gesticht werd ter gedachtenis aan de ker- 
kelijke revolutie, aldaar tot stand gebracht in de Meimaand van 
1578, zal niet vermoeden, dat hetgeen toen plaats had door Prins 
Willem I ten hoogste werd afgekeurd. Het behoorde tot die 
dingen, welke in de storm- en drangperiode na de Pacificatie van 
Gend door de Gereformeerden zijn uitgericht, en „die niet allen 
■ Protestanten lief waren," zooals uitdrukkelijk door degenen, die 
eene maand later op een eerlijken Godsdienstvrede aandrongen, verklaard werd. 

De Prins stond in het midden dier stormen als anti-revolutionair van den echten 
stempel pa!. Tegenover den Koning van Spanje had hij, omdat deze ïn zijne landen 
van-herwaarts-over al de privilegiën en de onvervreemdbare rechten der conscientie met 
voeten trad, in dienst en aan het hoofd der Magistraten van Holland en Zeeland en hunne 
medeverbondenen een wederstand aanvaard, dien de zucht voor zelfbehoud onmisbaar 
achten moest, maar de vrijheid, welke hij voorstond, wilde hij niet ten koste van recht 
en weti noch uitsluitend voor éene partij in den lande verwerven. Dit stand- en steunpunt 

11 



82 DE OMKEERING IN DEN KERKSTAAT ENZ. 

voor zijne handelingen stelde hem aan veel miskenning J>loot van de zijde zoowel zijner 
medestanders, als zijner vijanden; Volgens den kardinaal VAN Granvelle zocht hij de 
Roomsche religie omver te stooten, en volgens den Predikant Dathenus trachtte hij „de 
openbare uytgeroyde affgoderie wederom op te richten:" zóo luidde het verschillend oordeel 
over 's Prinsen bedoelingen en handelingen^ in dat jaar 1578. 

Met 's Prinsen bedoelingen kwam de loop der dingen in ruwe botsing. De Pacificatie 
had eene menigte vluchtelingen van Gereformeerde belijdenis in het land doen terugkeeren, 
en deze waren stoutmoediger dan ooit, met het oog op de macht van krijgsvolk, die 
tegenover Don JüAN, den nieuwen Landvoogd, in de wapenen stond. Men begon ook" 
meer en meer in de priesters en monniken de bondgenooten van de Spanjaarden te her- 
kennen. Hen te verdrijven en volle godsdienstvrijheid in te voeren met geweld, werd het 
geliefkoosde denkbeeld onder het Gereformeerde volk. De Algemeene Staten mochten 
nog buiten Holland en Zeeland den Roomschen godsdienst willen handhaven bij een 
plakkaat, in de maand April afgekondigd: het was eene vruchtelooze poging. Even' 
vruchteloos zocht de Prins overal de bestaande bepalingen in stand te houden en zijn 
wensch te doen gelden, dat de Gereformeerden ddar, waar de publieke oefening van hun 
godsdienst niet door de Overheid was toegelaten, voor 's hands tevreden zouden zijn met 
hetgeen hun in particuliere woningen en buiten de steden vergund werd. Bepaaldelijk 
was het zijn verlangen, dat de overeenkomsten van satisfactie, waarmede sommige steden 
onder zijn bewind waren gebracht, stipt zouden worden nagekomen. 

Zulk eene overeenkomst bestond sedert den 8en Februari te Amsterdam, en wat hier 
in het laatst van Mei plaats had was daarmede in openbaren strijd. Bij de satisfactie was be- 
paald, dat alleen de Roomsche openbare godsdienstoefening in de stad zou worden toegelaten, 
doch dat de Gereformeerden daarbuiten zouden mogen vergaderen, terwijl de plakkaten op 
't stuk van den godsdienst werden opgeschort. De Magistraat, die Roomschgezind en 
den Gereformeerden niet gunstig was, belemmerde in menig opzicht de betrekkelijke vrij- 
heid en gelijkheid, voor deze laatsten bedongen, waaruit een toestand geboren werd, die 
hun, naar Wagenaar'S karakteristieke uitdrukking, „begon te vervelen." Het kwam tot 
de uitbarsting, die ik de revolutie van 1578 zou mogen noemen. In hoever de predikatie 
van Thomas van Til — den gewezen Abt van St. Bernard, bij Antwerpen, toen Predikant 
te Delft — aan den St. Anthonisdijk, den 25 en Mei gehouden, daarop van invloed mag 
geweest zijn is onzeker, maar den dag na die predikatie „werden de Wethouders en Gees- 
telijken, tusschen twee rijen soldaten door, om beschermd» te zijn tegen de woede van 't 
grauw, schreeuwende dat men ze naar de galg voeren moest, daar zij menigeen aan 
geholpen hadden, door de schutters geleid naar 't Water en elke soort afzonderlijk gescheept 
in verscheiden vaartuigen, die hen maar even buiten de stad, aan den St. Anthonisdijk, 
wederom uitzetteden" *). Hierdoor was de weg gebaand voor de invoering en de heer- 



ï) Wagenaar, Btschr. van Amsterdam^ I, fol. 368, 



DE OMKEERING IN DEN KERKSTAAT ENZ. 88 

schappij van den Gereformeerden godsdienst en in het algemeen voor die verandering, 
welke bedoeld is in het distichon, te lezen op het koorhek in de Oude Kerk: 

„'t Misbruyk, in Godes Kerk allengkens ingebragt, 
Is hier weer afgedaen, 't jaer seventig (en) acht." 

Dat de Prins met deze gewelddadige handeling niet was ingenomen, is licht te 
begrijpen. Hij wenschte den opkomenden stroom, waarin een religie-oorlog tusschen de 
burgers van hetzelfde land bruischte, in de veilige bedding eener wettelijke regeling te 
leiden. Wat in Vlaanderen sedert het begin des jaars plaats had deed hem in zijne voor- 
zienige zorg reeds in April, zooals uit een' brief van Languet aan SvDNEY blijkt, bedacht 
zijn op het verkrijgen van de toestemming der Algemeene Staten tot de openbare oefening 
en gemeentelijke inrichting van den gezuiverden godsdienst: en nu was het Amsterdam, 
— straks ook Haarlem, — hetwelk hem dwarsboomde op den weg, dien hij wilde betreden I 

Doch van den grooten Zwijger zijn ons geene hevige woorden bewaard tegen de 

hem doorgaans weerstrevende Nederlanders. Zelfs van Datheen, die hem schold, was 

het ergste dat hij zeide — het was zeker aangaande een evangeliedienaar berisping 

genoeg: — „Mr. Petrus heeft zich te veel met staatszaken bemoeid."^) Ook nu ging 

hij op zijne gewone wijze te werk: hij handelde met onverzwakt beleid naar den eisch 

der omstandigheden, en wanneer hij bij deze gelegenheid zijn ongenoegen nadrukkelijk te 

kennen gaf, dan was het om daarmede zijn doel des te spoediger te bereiken. Toen de 

tijding van hetgeen te Amsterdam en te Haarlem had plaats gehad te Antwerpen kwam, 

waar de Prins zich bevond, stonden JEAN Taffin, Predikant bij de Walsche en Johannes 

CüBUS, Predikant bij de Vlaamsche gemeente aldaar, gereed om zich als afgevaardigden 

te begeven naar de Generale Synode, welke te Dordrecht tegen den 2en Juni beschreven 

was. Zij waren nog opgehouden, waarschijnlijk wegens eene opdracht, welke hun gegeven 

was door de kerken in de Classes van Walcheren en Delft om aan den Prins de belangen 

der Synodale vergadering aan te bevelen. Eene audiëntie althans had op den 5 en Juni 

plaats in de tegenwoordigheid van den heer de ViLLiERS, 's Prinsen raad in kerkelijke 

zaken, en daarbij ontvingen zij speciaal de opdracht, aan de „Herders en ouderlingen der 

Nederlandsche Kerken" het gevoelen van Zijne Hoogheid omtrent het te Amsterdam en 

te Haarlem gebeurde mede te deelen, en tevens kreeg Taffin in last van 's Prinsen raadsman 

t^^r^l^ te doen van hetgeen aan die van Gend door de afgevaardigde van Z. H. (ook 

^^r^elijke personen) zoude worden kenbaar gemaakt. Het protocol van die audiëntie en 

v^a.n deze lastgeving, door de Villiers onderteekend, is onder de nagelaten papieren van 

-^Noldus Cornelis Croese, die Scriba der Synode van '78 was, bewaard en luidt aldus: 



^) Lamb. Daneaü, Hoogleeraar te Leiden en driftig Calvinist, schreef in October 1581 naar Zürich aan Rüdolph 

^'^Hkk, ZwiNGLi's schoonzoon en Predikant aldaar: „De Prins van Oranje laat Uder op zijm wijze leven, en dat komt 

^^ 3d]ne vele andere bezigheden, en omdat hij van nature volstrekt niet voortvarend is^ en toch schijnt in zijn behoud en 

'^iju bet heil van geheel dit land gelegen te zijn." Er waren dus ook „voortvarende" Franschen, die zich over den 

Wns beklaagden. 

11* 



84 DE OMKEERING IN DEN KERKSTAAT ENZ: 

Dilectis in Chrialo fratibus et Domints, Pastoribus 
et Senioribus Belgicarnm Esdedarum. 
S. m Chriito. 
Quod D. Taffino, charissimo symmystse eiusque collegEe in tnandatijs dederatis, fratres iu Christo 
honorandi, illud fideliter IIW D« Prindpi expücnerent, me praesente; quae Princeps respondent ex illb mtel- 
ligetis et quae incidenint hac septimana negotia, qoae nos varie exetcent, qaaeque magnam aflerunt rebus 
aostris remoram. Praecipue vero quae Atnatelredami et Harlemi gesta aunt, quae quantum a Principe et 
quousque improbentnr audietis. At in primis nas vexat Gandensium fratrum intempestiva festinatio, quae, 
nisi Dominus ex alto provideat, reliquis Ecclesijs atque adeo universae patriae magnum dabit malum. Ex 
D- Tafftno autem intelligetis quid inter nos fratresque, qui Gandavum sunt amandati, actum dictamqne sit. 
Oplo vos, Domini et fratres honorandi in Christo, bene valere. 

Antverpiae 5 Junii 1578. 

Vobis addictus frater in Christo et tymmysta 

ViLLEBIÜS. 

Het was met eetie ver uitziende bedoeling dat dit oordeel van den Prins aan de 
Synodale Vergadering werd medegedeeld met een getuigschrift als dit is, waarbij geloof 
geeischt werd voor den overbrenger van de boodschap, ook met betrekking tot nadere 
opening van gemaakte afspraken. Die boodschap toch en wat verder mondeling moest 
worden overgebracht was de inleiding tot hetgeen Oranje van de Synode verlangde, dat 
zij namelijk zou medewerken tot het verkrijgen van den Godsdienstvrede, die een einde 
moest maken aan de daden van geweld, waarvan Vlaanderen en nu ook Holland, te 
Amsterdam en te Haarlem, het schouwspel gaven. In hoeverre en op welke wijze aan 
dat verlangen voldaan werd is elders verhaald*); hier werd dit belangrijk document slechts 
medegedeeld als eene bijzonderheid, behoorende tot de oude geschiedenis van Amsterdam. 



1) Door Dr. M. F. VAs Lbnnep, iu lijn Akademisch proefechrift over Gatfar van der H^da, bl. ia8, vgg. 



REMBRANDT, 

NIEUWE BIJDRAGEN TOT ZIJNE LEVENSGESCHIEDENIS, 

DOOR 

A. BREDIUS EN Mr. N. DE ROEVER. 



N weerwil van het vele wat in den laatsten tijd over het leven en 
de werken van den prins onzer schilderschool is aan 't licht gebracht, 
blijft er nog zooveel over wat opheldering en bevestiging door 
authentieke stukken verdient vóór we ons geheel in Rembrandts 
levensomstandigheden zullen kunnen verplaatsen en een verklaring 
kunnen vinden voor zijn finantieele moeielijkheden, dat het den belang- 
stellende in zijn levensgeschiedenis niet dan aangenaam kan zijn 
om ingewijd te worden in de nieuwste ontdekkingen in de archieven gedaan. 

Wij geven hier een aantal acten, voorzien van een korte commentaar, niet meer 
dan noodig is bf tot het rechte verstand van het stuk, bf tot aanwijzing van hetgeen ei 
nieuws in wordt verkondigd over het leven van den meester en de personen, die tot zijn 
naaste omgeving behoorden. Wij moesten ons hiertoe bepalen in de eerste plaats omdat 
het hoe langer zoo meer blijkt, dat de tijd nog niet gekomen is om eene met bewijsstukken 
gestaafde Rembrandt-biografie te schrijven, en vervolgens omdat de stukken, die hier worden 
a%cdrukt, betrekking hebben op twee zeer verschillende tijdperken van des meesters 
leven, want terwijl de eene helft te beschouwen is als processtukken in het geding, dat de 
voogd van TlTUS, ter verdediging van zijn erfportie, had uit te staan tegen REMBRANDTS 



86 REMBRAND T. 

schuldeischers, zal de andere helft ons nader in kennis brengen met de eenvoudige maar 
sympatieke persoonlijkheid van Hendrickie Stoffels. Toch ontieent de eerste helft voor 
ons niet zoozeer hare belangrijkheid aan haar aard als processtukken, maar veel meer aan 
de merkwaardige bizonderheden, die zij bevatten. 

Het bedoelde proces en de aanleiding daartoe is niet onbekend, maar toch heeft 
men in 't algemeen een verkeerde voorstelling gegeven van de verhouding, waarin Rem- 
BRANDT tot de gedirigfvoerende partijen stond. Men heeft gemeend, dat Saskia's verwanten 
den meester in dit proces hebben betrokken, en hem tot op 't laatst van zijn leven daar- 
mede hebben vervolgd, doch het geding ging van geheel andere zijde uit. Rembrandt 
stond er geheel buiten, ofschoon hij zich blijkbaar geheel stelde aan de zijde van de partij, 
die voor de belangen van zijn :50on optrad. 

Saskia had weinige dagen voor haar dood TiTUS tot haren erfgenaam gesteld, op 
voorwaarde dat Rembrandt levenslang, of tot hertrouwen toe, het vruchtgebruik zou 
behouden, en had daarbij den meester moeten ontslaan van de verplichting om TiTüS bij 
't bereiken zijner meerderjarigheid of bij eerder huwelijk zijne erfenis uit te keeren, hem 
alleen de verplichting opleggende om hem behoorlijk op te voeden en te doteeren. Niets 
kan duidelijker dan deze beschikking getuigenis afleggen voor het onbepaalde vertrouwen 
dat Saskia in haren echtgenoot stelde. Nu was het een in de testamenten van dien tijd 
en vroeger vaak voorkomende bepaling, dat de langstlevende der ouders ontslagen zou zijn 
van de verplichting tot het maken van inventaris, eene bepaling, die rechtens dan alleen 
van bindende kracht werd, ook voor derden, indien, — luidens de bepalingen van het wees- 
recht, — „de vrinden oft voochden van de nagelaten kinderen metten overgebleven vader 
ofte moeder bij advys ende consent vande weesmeesteren (daaromtrent) accordeerden", 
hetgeen zoo veel zeggen wilde als dat in overleg met weesmeesters bij taxatie eene som 
werd vastgesteld, waarop de erfenis geschat werd. Saskia had nu de weeskamer geseclu- 
deerd, en daar Rembrandt zich hield aan de bepalingen van haar testament, was er niets 
geschied, waardoor officieel kon blijken, hoe groot TiTUS' erfenis was. Waren Rembrandts 
zaken nu voortdurend voor den wind gegaan, dan had dit zeker geen bezwaar opgeleverd, 
maar het schijnt, dat zich reeds in '47 sporen van achteruitgang vertoonden. Op dat tijdstip 
begonnen de verwanten van Saskia zich in ^t belang van den minderjarige te doen gelden, en 
hun ten gerieve maakte Rembrandt nu een ongetwijfeld onderhandschen staat des gemeenen 
boedels, gelijk die zich op Saskia's overlijden, vijf jaren vroeger, bevond. Die staat leverde 
een bedrag uit van 40750 gl. TiTUS erfenis zou dus 20375 gl. hebben bedragen. In min- 
dering van deze som „bewees" Rembrandt zijn zoon ter weeskamer den 17 Mei 1656 
zijn huis op de St. Anthonis-breestraat, waarmede hij feitelijk al zijn recht op dit huis 
aan hem overdroeg. REMBRANDT verkeerde echter op dit oogenblik reeds in zeer slechten 
doen en 't wekte bij zijn crediteuren het vermoeden, dat deze geheele weeskamerhandeling /« 
fraudem crediforis was geschied. Zoo bewerkten zij, dat zijn boedel aan „de kamer" verviel, 
waarvan het natuurlijke gevolg was, dat er een curator over de insolvente massa werd 



REMBRAND T. 87 

benoemd, die aanstonds een inventaris liet opmaken. Maar nu kwamen de belangen van 
TiTUS in gevaar. Daarom benoemde de weeskamer den 6 September jAN Verbout tot 
voogd in de plaats des vaders, die, omdat hij thans zelfonder curateele stond, geen voogdy 

kon bewaren. 

Een enkel woord over de crediteuren. In de stukken ter Desolate Boedelkamer, gedeel- 
telijk afgedrukt en gedeeltelijk niet, worden slechts twee crediteuren van beteekenis genoemd. 
Het zijn de raad CORNELis WiTSEN en de koopman ISAAK VAN Hertsbeek, die van den 
schilder beide 4200 moesten hebben, krachtens schepenkennissen van 1653. Zij beriepen 
zich op de volgende overweging. Schepenkennissen (schuldbekentenissen voor schepenen 
gepasseerd) geven preferentie en brengen legaal verband mede op alle goederen des debiteurs. 
Aangezien hunne schepenkennissen anterieur waren aan het weeskamer-bewijs, meenden 
zij bevoorrecht te zijn boven TiTüS, terwijl de voogd van dezen minderjarige volhield, dat 
Rembrandts bezittingen van den dood van Saskia af met een stilzwijgend hypotheek 
ten voordeele van zijn pupil waren belast geweest. Ziedaar het verschilpunt in rechten, 
waarover het proces hoofdzakelijk zich bewoog, een proces, dat door zijn langen duur van 
bijna negen jaren, betrokken als het werd voor de bestaande Rechtbanken, Hoven en Hooge 
Raden, schatten moet hebben verslonden, zonder dat het zijn bewerkers eenig voordeel 
opleverde. Zij werden immers in alle instantien in 't ongelijk gesteld. TiTUS alleen werd het 
kind van de rekening. Door al deze processen schijnt zijn erfdeel merkelijk te zijn geslonken. 

WiTSEN had niets verzuimd om zijn zaak te winnen. Niet zonder zijn raadsheerlijken 
invloed zou het mogelijk geweest zijn Rembrandts huis bij executie te verkoopen vóór 
ten principale over het rechtspunt was beslist. En toen de verkoopsom door den curator 
ontvangen was, wist hij bij commissarissen te bewerken, dat hij uftbetaling van zijn vor- 
dering kreeg. (22 Februari 1658). Hertsbeek schijnt zoo gelukkig niet te zijn geweest. 
Inmiddels was Louis Crayers, een geroutineerd praktizijn, die een curator van beroep 
was, in de plaats van Verbout tot voogd over TiTUS aangesteld. Wakker optredende 
voor de belangen van zijn pupil, legde hij aanstonds beslag op het provenu van het ver- 
kochte perceel, en schijnt hij te hebben bewerkt, dat WiTSEN een borgtocht moest stellen 
tot teruggave der gelichte penningen, indien het reeds aanhangige geding in zijn nadeel 
werd beslist, waartoe ten slotte ook Hertsbeek werd verwezen, vóór hij bij provisie de 
penningen uitbetaald kreeg. 

Inmiddels ging men met het proces ten principale voort. Het schijnt, dat de tegen- 
partij het een oogenblik in haar voordeel rekende om REMBRANDTS taxatie van den 
gemeenen boedel op Saskia's overlijden te betwisten. Om dezelfde reden becijferde zij, 
dat TiTUS slechts recht zou hebben op de legitieme portie, dat is op een derde van 
Saskia's nalatenschap. Waarop zij dit laatste heeft gegrond is bij de duidelijke woorden 
van het testament onverklaarbaar. De bedoeling is diÉlelijk. Naar mate TiTCJS' erfportie 
verminderde, bleef er des te meer voor de crediteuren te deelen over. Maar Crayers liet 
zich het in twijfel trekken van den ongetwijfeld door Rembrandt te goeder trouw en 



/ 



88 R E M BRANDT. 

naar waarheid opgemaakten staat des gemeenen boedels niet welgevallen. Hij zou door 
getuigen bewijzen, dat in 't jaar van Saskia*s overlijden genoeg voorwerpen van waarde in 
den boedel aanwezig geweest waren, die, gevoegd bij de penningen verdiend met het schil- 
deren van eenige bekende stukken en de activa op 't oogenblik der cessie aan de crediteuren 
aanwezig, het door Rembrandt opgegeven cijfer van 40750 gl. zouden wettigen. Hij 
riep een aantal personen waaronder den meester zelven op, om voor notaris en getuigen 
y^bij ware christelijcke woorden in plaetse en des noot onder presentatie van eede" te 
verklaren, wat zij wisten. Deze verklaringen werden afgelegd voor den Notaris NicOLAAS 
LiSTiNGH, onder wiens door den brand van 1766 sterk beschadigde minuten van *t jaar 
1658 en 1659 zij werden teruggevonden. 

(Compareerde S'.) Rem(brandt) van Rhijn, ko(nstschilder), ende heeft ten 
ten versoecke van S'. LOUYS Cr(ayers) by ware woorden in plaetse ende met 
presentatie (van eede) geattesteert, getuycht ende verclaert hoe waer is: dat hy 

(Comp'.) in den jare 1647 door syne vrouws vrienden (ge ) synde over sytis 

kinds moederlijck goet, sich heeft ver(voegt) bij den advocaat M'. PlETER Cloeck 
ende geadviseert, hoe hij sich wegens hetselve soude hebben te dragen, wa(ervan) 
door Syn E. schriftelyck advys is gegeven, dat hy attestant soude h(ebben) te 
maecken staet ende inventaris vande goederen, sulcx die geweest waren op 't 
overlijden van syn huysvr. waervan dit kindt als erfgenaem van syn moeder de 
helfte competeerde, die hy in vruchtg ebruyck besitten ende possideren mochte. 
Weshal(ve) hy attestant binnen den tyt van 2 maenden daernae opgestelt ende 
gemaeckt heeft den inventaris aen de grosse deses geannexeert zynde *), de goe- 
deren ende effecten daerop gebracht (als op 't over)lijden van syn (voorn, huys- 
vr)ouwe gheweest, alsdoen noch hem volcomelijck toebehoorende, ende noch een 
wyle daer nae in dier voegen by hem gepossideert. Alle 'twelck alsoo de waerheit 
synde consenteerde acte. Dat aldus passeerde enz. in tegenwoordigheid van oude 
Frans Dircksz. en Cornelis Jousum get(uygen). 

(w. get) Rembrandt v. R(hijn.) 
Oude Frans Dircks. 
Cornelis Insum. 

N. LISTING, Notaris. 

(Compareerden S'. Jan van Loo, silversmith, en Ann)a Huybrechts, syne 
huysvrouw, woonachtigh in den Nesch hier ter stede, en hebben ten versoecke 
van S'. LouYS Crayera als by de E. Heeren Weesm**" deser stadt gestelt tot 



:r^ 

AN 



vooght over TiTUS VAN Rhijn, soone van Rembrandt van Rhijn, by ware 



1) Dexe inventaris was bij de minute dezer niet aanwezig. 



REMBRAND T. 89 

i 

christelijcke woorden en in hare conscientie in plaetse van solemnelen eede geat- 
testeert, getuyght ende verclaert hoe waer is: dat zijlieden seer goede kennissen 
hebben gehadt aen den voorn. Rembrandt VAN Rhijn en syne overleden huys- 
vrouwe Saskia van Uylenburgh, ende ter dier oorsaecke als anderssins seecker 
weten, dat deselve te samen gehadt hebben, en hij VAN Rhijn noch nae synder 
huysvfouwen overlijden, gepossideert twee snoeren groote paerlen om de hals ende 
de cleyne om de armen, tot int jaer 1649 toe. Voorts verclaerde de attestante 
Anna Huybrechts noch allene, dat sij ook seeckere kennisse heeft als vooren, 
dat den gemelten Rembrandt van RniJN en sijne huys vrouwe mede hebben 
gehadt en gepossideert, gelijckerwijs oock hy alleen na syn vrouws affsterven: 

Twee peerpaerlen. 

Een groote diamandt rinck. 

Twee diamanten pendanten. 

Ses silvere lepels. 

Veel ten-, cooper- en yserwerck. 

Een toer goude doppen met paerlen geciert. 

Een paer goude geamailleerde braseletten. 

Een kerckboeck met gout beslach. 

Twee groote silvere bancketschaelen. 

Een silver tellioor en 

Een silvere schenckkan. 

Gevende de attestanten voor reden van hare wetenschappe, dat sylieden 
respective de voorstaende' goederen luyt elcx depositie soo voor als nae de doot 
van des voorsz. VAN RiiijNs huysvrouwe by en onder hem VAN Rhijn hebben 
gesien. 

Alle 't welck enz. • 

(w. get) Jan van Loo. 

Anna Huibrechts. 

Compareerde S'. PHILIPS KONINCK, constschilder, woonende op de Princegraft 
en heeft ten versoecke van S'. LOUYS Crayers, als by de E. Heeren Wees- 
meesteren dezer stadt gestelt tot vooght over TiTUS van Rhijn, zoone van 
Rembrandt van Rhijn, bij ware christelycke woorden ende in zijne conscientie 
in plaetse van solemneelen eede geattesteert, getuyght en verclaert hoe waer is: 
dat hy attestant nu rijckelijck seven jaeren geleden van den voorsz. Rembrandt 
VAN Rhijn gekocht en voorts betaelt heeft een snoerde paerlen. (Doorgehaald 
is: een snoertie paerlen vier dick.) 

Alle 't welck enz. 

(w. get.) Philips Koninc(k). 

12 



90 REMBRAND T. 

Terwijl deze stukken ons de VAN Loo's als oude huisvrienden van Rembrandt 
en Saskia, en Philips de Koning als een getrouw vriend van zijn voormaligen meester 
leeren kennen, en tegelijk ons een denkbeeld geven van den weelderigen voet waarop de 
huishouding moet zijn ingericht geweest, geeft de volgende acte ons bericht over *s meesters 
rijke verzamelingen, 

19 Martii 1659. 

Compareerden SS". LODEWIJCK van Ludick, oudt omtrent 5(2?) jaren, en 
Adriaen Hendricksz. de Wees, out omtrent 63 jaren, beyde woonende hier 
ter stede, en hebben ten versoecke van S'. LoüYS Crayers als door de E. E. 
Heeren Weesm*" deser stadt gestelt tot vooght over TiTüS van Rhijn, zoone 
van Rembrandt van Rhijn, geprocreëert by Saskia van Uylenburcö, geat- 
testeert, getuycht ende verclaert hoe waer is: dat haerlieden attestanten seerwel 
bekent is, dat de papiere konsten, rariteyten, antiquiteyten, medalien endeseege- 
wassen, die den voorsz. REMBRANDT VAN Rhijn heeft gehadt en continuelijck 
gepossideert vant jaer 1640 aff totten jare 1650 inclusive toe, nae hare gissing 
wel waerdich sijn geweest de somme van elflTduysent gfuldens, ende de schilderijen, 
die den voorsz. VAN Rhijn die tijt geduyrende oock heeft gepossideert wel souden 
hebben gegolden de somme van sesduysent vierhondert guldens, beyde eer meerder 
als minder, nochtans dat de tweede (comparant) de prijs der (schilderijen) soo 
niet bewust en is (als de) andere konst-rariteyten, gevende sij attestanten voor 
reedenen van wetenschap, dat sij seer groote famillariteyt in de gemelte jaren 
mette voorsz. Rembrandt van Rhijn hebben gehadt en gehouden, oockonder- 
tusschen tott veele maelen, soo int begin als int laest, syn voorsz. konst-rariteyten, 
schilderijen etc. hebben wesen besien, ende overmits sij attestanten groote lief- 
hebberS en kenders daervan sijn ende veele handelingen daermeede doen, ver- 
claerden sij wel verseeckert te wesen, dat alle tselve soo als voorsz. is, de waar- 
heyt is. Presenteerende enz. 

(w. get.) LODEWIJCK VAN LUDICK. 

Adryaen Heyndericxsz. 

Inderdaad er werd niet te veel van gezegd als er beweerd werd, dat de som van 
5000 gl., die deze verzamelingen slechts konden opbrengen, op verre na niet hare wer- 
kelijke waarde vertegenwoordigde. Het ongeluk vervolgde Rembrandt. Huis, inboedel 
en verzamelde kunstschatten *t ging alles voor een appel en een ei weg ! Welke gevoelens 
moeten hem hebben bezield, als hij de bewerkers van al dat leed zag.^ Zij zelven warin 
er niet mede gebaat en hij moest zich op de meest onaangename wijze, gedwongen door 
de overmacht van de wet, scheiden van al wat hem dierbaar was geworden, wat hij zeker 



REMBRAND T. 91 

sedert 1635, toen hij nog met Hendrik Uylenbürg samenwoonde i), op allerlei 
aucties, bij alle kunst- en rariteitverkoopers had aangekocht en in zijne woning opgehoopt. 
Maar twee nieuwe acten vragen onze aandacht. Ze hebben betrekking op de zoo- 
genaamde Nachtwacht, een schilderij dat het Rijk zich gelukkig mag rekenen in zijn 
Nieuwe Museum, naast andere aan de stad Amsterdam en den Staat toebehoorende schilderijen 
te mogen tentoonstellen. 

Compareerde S'. Jan Pietersz., laeckencoper, out omtrent tseventich jaren, 
woonende op de Nieuwesijds Voorburchwal tegenover de Nieuwestraet hier ter stede, 
en heeft ten versoecke van S'. LOUYS Crayers, als vooght over TiTUS van Rhijn, 
zoone van Saskia van Uylenburch en Rembrandt van Rhijn, by ware 
christelijcke woorden in plaetse van eede geattesteert, getuyght en verclaert hoe 
Avaer is: dat hij attestant door Rembrandt van Rhijn, konstschilder, is geschildert 
en geconterfeyt geworden neffens andere persoonen van hunne compagnie en corpo- 
raelschap tot sestien int getall in een schilderije, nu staende op de groote sael in 
de Cloveniersdoele, en dat het yder van hen, nae de geheugenisse, die hy attestant 
daer noch aff heeft, van schilderen wel heeft gekost dooréén de somme van 
hondert guldens, d'een wat meer en d'ander wat minder, nae de plaets, die sij 
daerin hadden. 

Alle *t welck enz. (w. get) jAN Pietersz., Laeckencoper. 

Compareerde den E. NiCOLAES van Cruysbergen, provoost van de burgerije 
hier ter stede, en heeft ten verzoecke van S'. Louys Crayers, als vooght over 
TiTUS VAN Rhijn, zoone van Saskia van Uilenburch, geprocreëert by Rem- 
brandt VAN Rhijn, geattesteert, getuycht ende verclaert hoe waer is: dat het 
stuck schilderije staende op de Cleuveniersdoelen door den voorsz. REMBRANDT 
VAN Rhijn geschildert, en daerin hij attestant mede is geconterfeyt, van schil- 
deren wel heeft gekost de som van sestienhondert guldens. 

Gevende hy attestant voor redenen van wetenschappe, dat hy syne portie 
daer mede toe heeft betaelt, en sulcx verscheyde maelen alsdoen heeft hooren seggen. 

Alle 't welck enz. (w. get) Claes VAN Cruysbergen. 

Opmerkelijk is het zeker, dat het aantal der door den eersten attestant opgegeven 
personen overeenkomt met het getal der namen op de schilderij zelve vermeld, maar dat 
de naam van den laatsten der attestanten daaronder niet worden aangetroffen. Ook die 



1) In de Verkoopingsstaten van de Erf huizen van de Weeskamer komt Rembrandt van Rijn — allereerst in 
Februari 1635 — telkens en telkens voor onder de koopers van teekeniogen, prenten, horens, kokieljen, wapens, gewassen 
enz. In Maart 1637 kocht „Leendert Cornelisz., descipel van Rembrandt" het kunstboek van Lucas (v. Leiden) 
voor f 637 : 10 : — uit den boedel van Pieter Bassê. Wellicht kocht hij dit voor zijn meester. Wie is die onbekende 
leerling van Rembrandt? 

12* 



92 REMBRAND T. 

van den eersten attestant leest men noch in de gewone catalogus-opgaaf, noch onder de 
namen, die thans in de nieuwe lijst van dit schoone doek op 't Rijks-Museum prijken. 
Een nauwkeurig onderzoek, van het cartouche op de schilderij zelf bracht, behalve andere 
fouten, ook aan 't licht, dat zijn naam steeds verkeerd gelezen, was: Jan Mettessen 
Bronchorst of Bronkhout, terwijl er duidelijk staat Jan Pietersen Bronckhorst. 

Behalve YAN Cruijsbergen komen er een aantal personen meer dan de met name 
genoemde op de schilderij voor, maar het is vrij zeker dat vele daarvan slechts als 
figuranten dienst deden. Niet ieder staat op dat doek op een honderdg^uldensplaats ! Wie 
wat meer achteraf stond en wiens tronie alleen in de schilderij vereeuwigd werd betaalde 
ongetwijfeld minder dan de groote heeren wier volle gestalten men den voorgrond ziet 
innemen. Daarom behoeft de schilderij den meester nog niet meer dan 1600 gl., dat toch 
een aanmerkelijke belooning voor dien tijd was, te hebben opgebracht. 

Nu is het ook bewezen op welke wijs de zoo karakteristiek Hollandsche schutters- 
en regentenstukken in 't leven werden geroepen. Een voorbeeld betreffende het beroemde 
Haagsche schuttersstuk van Ravestein is reeds gegeven*); hier hebben we een tweede 
Amsterdamsch voorbeeld. 

Thans weten we ook, dat Rembrandt nog vóór Saskia's dood de laatste hand 
aan dit beroemde doek h^eft gelegd. En dit moet ook het geval zijn geweest met 
het in de volgende acte bedoelde „stuck schilderye van Susannak*\ dat de meester eerst 
in 1647 aan den attestant verkoopen kon voor een som, die voor die dagen waarlijk buiten- 
gewoon hoog mag worden genoemd. ^ 

Zoowel in de Louvre als in 't Museum te Berlijn bevindt zich een schilderij, waarop 
de geschiedenis van de kuische Susanna is voorgesteld en dat het jaartal 1641 draagt. 
Een van beiden is ongetwijfeld de schilderij in de volgende acte bedoeld. 

Compareerde Adriaen Banck, out omtrent 4(6) jaer, coopman hier ter stede 
ende heeft ter versoecke van S'. LOUYS Crayers, vooght over TiTUS VAN Rhijn, 
zoone van Saskia van Uylenburch, by ware christelycke woorden en in syn 
conscientie geattesteert, getuyght ende, verclaert hoe waer is: dat hy attestant 
int jaer 1647 van Rembrandt van Rhijn, vader van deselve TiTUS, gekocht 
heeft een stuck schilderye van Susannah, daervoor hy attestant alsdoen aen hem 
heeft betaelt gehadt de som van vijffhondert guldens in gelde. 

Alle 't welck enz. 

(w. get.) Adriaen Banck. 

Il 

Dat de som, die men Rembrandt voor zulk een schilderij betaalde, in vergelijking 
met hetgeen andere meesters met hun werk verdienden zeer hoog was, bewijst voor de 
hooge achting, waarin zijn werk reeds bij zijn tijdgenooten stond. Meermalen kan men 



i) Zie Nederl. Kunstbode 1881. 






REMBRAND T. 98 

ontdekken hoeveel bij publieke of onderhandsche verkooping schilderijen opbrachten. 
Zelden echter komt men te weten, wat de kunstenaars zelven voor hunnen arbeid ontvingen, *) 

cn 't is daarom te merkwaardiger, dat we nog twee voorbeelden bij het reeds gegevene 

kunnen voegen, waarbij van even hooge cijfers sprake is. 

Compareerde S'. Hendrick Uylenburch, out omtrent jaren, en heeft 
ten versoecke van S*. LOUYS Crayers, als voocht door^e E. E. Heeren Weesm". 
deser stadt gestelt over TiTUS VAN Rhijn, soone van Zaskia van Uylenburch, 
geprocreöert by Rembrandt van Rhijn, geattesteert, getuycht en verclaert hoe 
waer is : dat hy attestant mede als goede man is geweest in de saecke en questie 
tusschen de Heer Andries DE Graeff, ter eenre, en REMBRANDT VAN Rhijn, 
ter andere zijde over een stuck schilderije off Conterfeytsel, dat de voorsz. van 
Rhijn voor den gemelten Heer schilderden, en dat door hem en de andere goede 
mannen uytgesproocken is, dat den voorsz. VAN Rhijn daervoor door den gemelten 
Heer DE Graeff sou werden .betaelt de somme van vijfthondert guldens, welcke 
questie nae sijns attestants geheugenisse gevallen en affgedaen is int jaer van 1642. 

Alle 'twelck enz. 

Marcus en Abraham Uylenburch zijn getuigen. 

(w. get.) Hendrick Ulenburch. 

Het verdient zeker de aandacht, dat ANDRIES DE Graeff lid was van den Oud- 
Raad, toen er in 1662 sprake van schijnt geweest te zijn, dat Rembrandt een schilderij 
voor het stadhuis zou maken. '). 

Compareerde de Hr. Abraham Wilmerdonx, Bewindthebber van de Geoc- 
troyeerde Westindische Comp** hier ter stede, en heeft bij ware christelijcke 
woorden ten versoecke van S'. LouYS Crayers, als vooght over TiTUS VAN 
Rhijn, soone van Saskia van Uylenburch, geprocreert bij Rembrandt van 
Rhijn, geattesteert, getuycht en verclaert, hoe waer is: dat deselve Rembrandt 
VAN Rhijn hem Heer attestant en sijne huys vrouw omtrent het jaer 1642 heeft 
geconterfeyt gehadt, daervoor hij attestant aen hem, in de sieckte en doen voor 



1) Volgens Boedel-rekeiUDgen etc. ontving de Babn in zijn bloeitijd/ 150.— voor een portret; Johannes Mijtens 
daarentegen slechts / 12a — voor twee portretten. Een onzer grootste stilleven-schilders, Abr. van Bbyeren moest een 
kleedingstnk met zeven schilderijen van zijne hand betalen. Van Goyen, van der Venne e. a. die in 1647 in den Haag 
eene veiling hunner eigene werken hielden ontvingen hoogstfns f 50.— maar voor de meesten hunner schilderijen slechts 
van / lo.— tot / ao.— . 

s) Vlg. Oud-Holland II blx. 90. Men dacht in dien tijd over het in orde maken van de krijgsraadkamer. Door een 
zonderling spel van het toeval is bijna een eeuw later toch Rembrandts werk in diezelfde zaal gekomen. In 't midden 
der 1 8e eeuw kreeg de Nachtwacht daar een plaats. 

Dat de Oud- Raad ook zijn stem liet hooren over bouwen, verbouwen enz. leest men bij Wagenaar III. bL 296. 



94 REMBRAND T. 

de doot van sijn huysvrouw, heeft betaelt gehadl de somme van vijflfhondert 
gulden, wegen het schilderen, en noch de somme van tsestigh gulden daerenboven 
voor *t doeck en lijst 
Alle 't welck enz. 

(w. get.) Abr, Wilmerdonx. 

Onder de portretten van 1641 of '42 kunnen we derhalve met zekerheid een mans- 
en vrouwenportret de namen geven van den Heer en Mevrouw WiLMERDONCX, terwijl 
het uit de voorlaatste acte niet met zekerheid blijkt of wij onder het daargenoemde conter- 
feytsel aan dat van den lateren schepen en burgemeester Andries de Graeff te denken 
hebben. Is dit wèl het geval, dan zal het met behulp van het kostelijke, door QuELLYNS 
hand gebeitelde borstbeeld van dien burgervader, wiens fijn besneden gelaat niemand uit 
het geheugen wordt gewischt, die dit meesterstuk zag, gemakkelijk vallen dien telg uit het 
machtige Gravengeslacht in veel jonger jaren te herkennen. 

De laatste verklaring, die Crayers uitlokte, betrof een groot stuck van Rubens, 
dat RjEMBRANDT na het vier of vijf jaren te hebben bezeten aan den ons reeds bekenden 
schilder en kunsthandelaar VAN LUDICK overdeed. 

Compareerde S'. Lodewijck van Ludick, out omtrent 52 jaren, coopman 
alhier ter stede, en heeft ten versoecke van S'. LOUYS Crayers, als door de 
Heeren Weesm"" etc. geattesteert, getuycht en verclaert, hoe waer is: dat hy 
attestant in den jare van 1644 ofte daeromtrent, sonder den precysen tijt onthouden 
te hebben, gekocht heeft van Rembrandt van Rhijn een stuck schilderije, synde 
een Leander en Hero, door Petro Paulo Rubens, daervoor hij aen den voorsz. 
van Rhijn alsdoen betaelde omtrent de somme van vijflfhondert en dertigh 
guldens in geldt, welck stuck de voorsz. Rembrandt VAN Rhijn wel vier a 
vijflT jaren te vooren hadde gehadt, als hem attestant wel bekendt sijnde, wanneer 
de voorsz. VAN Rhijn hetselve stuck ingekocht heeft. 

Alle 't welck enz. 

(w. get) Lodewijck van Ludick. 

Met de bovenstaande verklaringen kon^CRAYERS voorzeker allen mogelijken twijfel 
aangaande de juistheid van Rembrandts eigenhandige inventarisatie wegnemen, zoodat 
de opgeworpen exceptie in zijn voordeel door schepenen werd beslist. Bezaten wij een 
volledig rechterlijk archief, waarin de pleitzakken met stukken in geregelde orde waren 
opgeborgen en bewaard, het zou een geringe moeite zijn geweest, om ook een afdruk van 
het document te geven, dat beter dan eenig ander ons den kunstenaar zou hebben leeren 
kennen op het toppunt van zijn zoo ras gekeerd geluk. 






REMBRAND T. 95 

Over het tijdperk in Rembrandts leven, dat aanvangt met den dood zijner Saskia 
om met zijn finantieelen ondergang te eindigen, een tijdvak van veertien jaren, zijn 
tot dusver slechts weinig bizonderheden bekend. 

De eerste acte, die dit tijdperk kan toelichten, pleit voor zijne liefde voor de vrouw 
die gedurende eenige jaren hem ter zijde stond. Op den 9 Juli 1642 zien wij hem voor 
den Notaris Laurens Lamberti verschijnen, om opdracht en kwijtschelding te ontvangen 
van een enkele grafstede in de Oude Kerk in de voormalige Veerkoopers-kapel onder het 
kleine orgel (4de laag No. 167) waarin Saskia's stoffelijk overschot eenige weken te voren 
was bijgezet. Twintig jaren zouden moeten verloopen eer hij, en dan in de dagen toen 
vrouw Fortuna hem niet meer als vroeger begunstigde, dit graf weder verkoöpen kon. 
Dit geschiedde bij acte den 27 October 1662 voor den Notaris PiETER VAN Veen ver- 
leden. ») 

Het groote aantal doeken sedert 1642 door Rembrandt geschilderd, talrijke tee- 
keningen en etsen bewijzen, dat de meester in een onverpoosden arbeid troost en afleiding 
zocht voor het verdriet, dat hem de ledige plaats in huis en hart veroorzaakte. Vosmaer 
heeft zeer eigenaardig gezegd, dat in de eerste jaren „l'homme disparait presque eritièrement 
et nous ne voyons que 1'artiste." Uit 1645 dagteekenen de eerste bewijzen van zijn vrien- 
schap met den 27-jarigen Jan Six, die geduurd heeft tot den tijd toen deze de eerste schreden 
zette op den baan der magistratuur (1656). 

Inmiddels had Hendrickie Stoffels een nederige plaats in het huis op de 
St Anthonie-breestraat ingenomen. 

In de eerste aflevering van Oud-Holland werd het vermoeden geuit, dat reeds in 
den aanvang van 1652 aan Hendrickie een plaats in 's meesters hart verzekerd was. 
En dit leidt wederom tot de veronderstelling, dat zij althans eenige jaren vroeger zijne 
huisgenoote werd. De volgende acte is daar, om dit te bewijzen. Hendrickie legt 
daarbij getuigenis af in eene voor Rembrandt zeer pijnlijke en onaangename zaak, omtrent 
eene persoon, die een zekere bekendheid in de kunstgeschiedenis dankt aan een in de 
verzameling van het Teyler-Museum bewaarde en in Havards „/^ fils de Rembrandt^ 
gereproduceerde teekening, waarop door eene zeventiende-eeuwsche hand met rood krijt 
aangeteekend werd „^ minnemoer van Tüus^ Deze vrouw, Geertgen Dirks, weduwe 
van Abraham Claesz, trompetter, had den 24 Januari 1648, toen zij „siecklyck van 
lichaem*', wellicht meende, dat haar laatste uur spoedig zou slaan, bij testament voor 
den Notaris Lamberti verleden, hare moeder in de legitieme portie en haar pleegkind 
TiTüS onder den last van een legaat ') in hare overige natelaten goederen tot hare erfge- 
namen ingesteld. Had zij haar pleegkind liefgekregen en daarom zijn eerste jeugd langer 
verzorgd dan een minne gewoonlijk doet.? Hoe dit zij, anderhalfjaar later gaf zij haar 



1) I^t. Not. L. Lamberti en Archief Oude Kerk in registr: Bescheiden tot de graven. 
5) Dit legaat bestond uit een som van loo gl. en haar conterfeytsel. 



V. 



96 REMBRAND T. 

voornemen te kennen, om 's meesters huis te verlaten, en Rembrandt scheen e^ aanstonds 
op uit, om de diensten hem en zijn halfverweesd kind bewezen op onbekrompen wijze 
gelijk wij van hem mochten verwachten, te beloonen. Toen had Geertgen hare ware 
natuur laten blijken. Zij had allerlei „pretensies'* laten gelden, zich wellicht beroepende 
op woorden gesproken en beloften door den zorgelijken vader gedaan toen hij in hare bereid- 
willigheid, om de moederlijke plichten ten opzichte van TiTUS over te nemen, het eenige 
middel had gezien om het hem dierbare pand zijner Saskia te behouden. Zij had toen 
„hevich ende wredelyck" tegen Rembrandt uitgevaren en gedreigd met herroeping van 
haar testament. Het schijnt zelfs, dat zij Rembrandt voor Commissarissen van Kleine 
Zaken riep, en dat de meester zich daartoe op de verklaringen van de getuigen bij een 
haar door hem voorgeslagen accoord beroepen moest. 

Die verklaringen werden in de maand October 1649 afgelegd voor den notaris 
Lamberti door Hendrickie en- door zekeren Octaef Octaefsz*). Zi} luiden als volgt 

Den eerste October anno XVP negenenveertich compareerde Hendrickje 
Stoffels, vrijster, out 23 jaren, ende heeft bij haere vrouwe waerheyt in 
plaetse van eede, ten versoecke van den E. Rembrant VAN Rhijn, Schilder, 

geattesteert dat op den 15* Juny lestleden (als wanneer Geertghe Dircx 

Weduwe van zal' Abraham Claesz, Trompetter was in sijn leven, die aldaer 
eenighe tijdt hadde gewoont ende wilde van daer scheyden ende van hem affgaen) 
- d' voorn. Requirant ende d' selve Geertghe Dircx, in presentie van haer Compa- 
rante ende van Trijntje Harmans, huysvrouw van Jan Pietersz, Constapel, 
hebben gemaeckt (over eenighe differentien, die den Requirant op haer hadde) 
accoort in de volgende manieren, te wetene: 

Dat dVoorn. Requirant heeft toegestaen, dat soo haest 't navolgende accoord, 
den rechten genoech zijnde, gestelt ende bevesticht soude sijn geweest, d' voorn. 
Requirant aen de voorsz. Geertge DiRCX soude betalen hondert en vijftich 
gulden Capitael eens, ende v^oorts jaerlicx haer leven langh de somme van 
tsestich gulden, ende daerenboven, indien sijt van noode hadde, noch soud 
adsisteren jaerlicx *t sijnen .discretie tot haer eerlijcke nootdrufticheijt. Onder 
die conditie nochtans, dat het Testament, 't welck zij ten voordele van des 
Requiranten Soontge doen gemaeckt hadden voor my Not*. soude moeten blijven 
onverandert, ende dat GEERTGHE geen pretensies meer op den Requirant soude 
mogen maecken; sonder arch of list; enz. 



(w.get.) (^^<^>^^ êrio(^ 




1) Hij was evenzeer getuige geweest bij Geertgens testament. Hij zou een van R. 's modellen kunnen 
geweest zijn. 



REMBRAND T. 97 

Den 14 October 1649 l^g^ Octaef Octaeffsz, Schoenmaker, mede een lange verklaring 
af ten verzoeke ^pan den wiftvermaerden Schilder Rembrant van Rhijn", waarin hij 
verklaart tegenwoordig geweest te zijn toen Rembrandt met Geertge Dircx het boven- 
genoemde accoord maakten. 

Hij noemt de condities daarvan op, en zegt dan: 

„dat hij op den loden October 1649 sijnde neffens my Notario ende 
„d' voorn. Gbertge Dircx in de koocken van den Requirant om 't accoord te 
„teeckenen, d'selve Geebtge Diecx tegen den Requirant (Rembrandt) seer 
„hevich en onredelyck heeft uytgevaren, willende 't accoord niet hooren lesen, 
„veel min tekenen. Ende niettegenstaende dat ick Notaris haer mondelingh seijde, 
„dat 't accoordt niet anders inhouden soude, als' dese conditien : 
(volgen weder de bovengenoemde bepalingen) 

„ende dat daermede alle actiën ende pretensien, die d'een op d'ander soude 

„mogen hebben, souden dood ende te niet sijn, d' voorn. Geertge Dircx wel 

„heeft bekent die conditien soo waren geaccordeert, maer dat sy 'taccoort niet 

„en wilde teeckenen, nemende tot een uytvlucht bij sieckte ende andere swack- 

„heden een meyt ofte bewaerster, ende sulcx meer jaerlicx als hondert zestich 

„gulden nodich te hebben, 'twelck, alhoewel den Requirant seyde sulcx tzijner 

„discresie te sullen verbeteren, heeft de voorn. Geertge Dircx geen accoord 

„voor die tijd willen teeckenen. Gedaen enz. 

Hoe deze zaak is geëindigd weten wij niet, en wij zouden evenmin weten te zeggen, 

of het thans volgende concept- contract het bedoelde door Geertgen verworpene was, 

of datgene, waarmede zij ten slotte genoegen nam. 

Compareerde etc Geertghe Dircx. Weduwe van zal : Abraham Claesz. 

geass*. met (opengelaten) als haren voogd in desen gecooren, ter eenre, 

ende den eersamen, wijtvermaerdm Schilder Rembrant van Rhijn, ter andere 
zijde, verclarende ende bekennende d Voorn Geertghe Dircx: hoe dat zij 't 
Soontghe van de voorn. Rembrant, genaemt Titus van Rhijn, jonger sijnde, 
hadde droogh gemint, ende daernae een geruymen tijd gewoont bij d'voom. 
Rembrant, ende haer goederen, die doch weynich ende nochtans haer 
niet en kennen voeden, meest ende tsijnen huyse gewonnen, al 't welck haer 
beweeght heeft, dat zij op den 24 January 1648 voor my Notario al haer goed, 
't welck sy soude mogen comen natelaten, gemaeckt heeft op Rembrants 
voorsz. soontje (TiTUS) VAN Rhijn ; 

Ende alsoo d'voom. Geertge Dircx, tsedert dat sy gegaen is uyten huysen 
van Rembrant op een camer woonen, bevint, dat zy van haere middelen niet 
eerlyck totten eynde haeres levens en soude kennen leven, maer geschapen 
deselve in corten tijd altemael te verteeren ende te niet souden loopen, soo 

18 



98 REMBRAND T. 

hadde sij aen de voorn, hare gewesene Meester Rembrant versocht, tot behou. 
denis van haer en hare middeltgens, met haer in te gaen een accoord, twelck 
Rembrant consenterende, verclaerden sijl(ieden) metten anderen onwederroe- 
pelijck geaccordeert te sijn • . . . te welene : 

Eerstelijck sal d' voorn. Rembrandt van Rhijn aen de voorn. Geertghe 
DiRCX soo nu soo dan, tusschen dit ende nieuwe jaer eerstcomende, om haer 
goed, dat verset is, van silver en gout wederom telossen, en haer alsootenemalen 
te redden, onder de cortinge van tgunt hij haer reets heeft verschoten, noch soo 
veele geven, dattet samen bedragende de somme van tweehondert car: guldens 
eens. Ende daerenboven noch tot haer eerlijck onderhout ende alimentatie 
jaerlijcx de somme van hondert en tsestich car: guldens haer levenlangh gedu- 
rende ende langer niet, in te gaen op den 28en Juny 1650 eerstcomende ende 
te betalen telckens ten eynde van yder jaer. Ende dit voor ende in voller beta- 
linge van alle gelden en pretensiën, die dVoorn. Geertghe Dircx onder haer 
meester voorn*, eenichsints gehad heeft ofte soude mogen hebben, alsook 'tgunt 
zij op hem in eenigerley manieren souden kennen pretenderen, tsij uyt wat 
oorsaecke tselve soude mogen wesen, niets uytgesondert, bedacht ofte onbedacht 
Onder desen uytdruckelijcke conditie nochtans, dat het Testament, twelck zij 
Geertghe Dircx op den 24 January 1648 voor mij Notaris en seeckere getuyghen 
heeft gemaeckt ten behoeve van het Soontghe van de voorn. Rembrandt VAN 
Rhijn, sal blijven onverbreeckelijck, gelijck sij tot seeckerheyt van dien, bij desen 
'tselve is approberende, te niet doende alle andere makingen van uyterste willen, 
bij haer tsedert tot date deses toe, ofte oock voor tmaecken vant voorsz Testament 
gemaeckt. Belovende voorts zij GEERTGHE DiRCX haer nu soo te coroporteren, en 
eerlijck te dragen, dat d*roosringh met diamanten neffens al haer ander goet, dat 
sij tegenwoordich noch is hebbende, ende mede tgunt sij mette voorn, penninghen 
lossen sal, op haer overlijden vrij ende onbelast bij haer sal nagelaten worden. 
Is mede geaccordeert, dat de hondert tzestich gulden 'sjaers, noch haer ander 
goet, niet en sal mogen werden aengesproocken ofte uytgewonnen voor eenighe 
hoedanige schulden bij GEERTGHE DiRCX gemaeckt ofte hierna te maecken; onder 
die condite staet Rembrant toe haer dselve toe te geven en anders niet. 
Belovende partijen ten wederzijden, elck int zijne, desen accoorde nae te komen, 
onverbreeckelijck, zonder hiernae eenige pretensie meer op malcander te maecken, 
tsij waeruyt tselve soude mogen wesen. Onder verbant enz. _0p peene soo 
Geertghe Dircx contrarie doet, van te sullen metter daet vervallen van de 
voorsz. 160 gulden s'jaers, ende daerenboven noch datelijck uytkeeren al tgunt 
sij ontfangen soude mogen hebben, zonder echter eenich pretens te mogen maecken i). 



^) Deze Acte is slechts comept en ongeietkend* 



REMBRAND T. 99 

Uit de eerste der beide verklai*ingen is ons thans gebleken, dat Hendrickie in 
1649 op drie-en-twintig-jarigen leeftijd reeds onder 's meesters dak verbleef. 

Wij weten uit betrouwbare bronnen, dat het zoogenaamde boerinnetje, dat een ieder 
voor RêMBRANDTS huisvrouw aanzag, van Rarep geboortig was. Is dit het waterlandsche 
door zijn stompen toren bekende dorpje Ransdorp, gelijk Houbraken zegt, of ligt het 
over 'slands grenzen, in 't Munstersche .^ Ook daar ligt een plaatsje welks naam met die 
van "t bedoelde dorp overeenkomt ^). Hoezeeer het een kwestie van weinig belang is, 
wordt zij wellicht beslist door de volgende acte, die ons buitendien de laatste berichten 
van Hendrickie geeft. 

31 Augustus 1661. 
Compareerden Hendrickje Stoffels, bejaerde dochter, woonende op de 

Rosegraft hier ter stede en geeft een machtiging aan Jan Carstensz. PUfC- 

KENPOEL, burger tot Breevoort, hare swager, om geld te ontvangen en al wat zij 

uit die gewesten zal te ontvangen hebben, enz. *). 

Toen voor Rembrandt de kwade dagen aanbraken, was HENDRICKIE reeds zijne 

trouwe levensgezellin. Bij de ontruiming van het huis op de Breestraat, hetgeen zeker 

eerst na Maart 1658 plaats had*), betrokken zij een nieuwe vvoning, *) en regelden zij 

gelijk zoo aanstonds zal blijken hunne onderlinge verhouding. 

TiTUS had weldra zijn achttiende jaar bereikt, en Rembrandt stelde in hem aj 
het vertrouwen, dat men in meerdeijarige personen te stellen pleegt. Als bewijs hiervoor 
strekt een volmacht door hem aan zijn zoon gegeven op den 7 October 1659*), om 
namens hem te verschijnen voor Commissarissen van de kleine zaken. Welke zaak daar 
toen weer aanhangig was weten we niet. Voor 't oogenblik is het ons genoeg te weten, 
dat Rembrandt hem zijne belangen toevertrouwde. Het kan ons dan ook niet verwon- 
deren als we uit de hier aanstonds volgende acte bemerken, dat TiTUS reeds in 1658, 
waarschijnlijk terstond na de verhuizing, met volkomen toestemming zijns vaders eigen 
zaken ging drijven, en zich associeerde met niemand anders dan HENDRICKIE Stoffels. 
Er is niets wat schooner licht werpt op de zij het ook niet door de wet gesanctio- 
neerde verhouding tusschen den meester en de moeder van zijne CORNELIA, dan deze 
vennootschap. Zij bewijst, dat niet alleen de buitenwereld HENDRICKIE als Rembrandts 
wettige gade beschouwde, maar dat REMBRANDTS eigen, tot de jaren des onderscheids ge- 
komen zoon deze verhouding billijkte en de vrouw, die feitelijk zijne tweede moeder was 
geworden, achting en liefde toedroeg, alsof zij zijns vaders gade geweest ware. En hoe 



' 



1) Ransdorp in 't sticht van Munster 1607. , ? ^ r, ^ * /./^ü . 't /^ '*^* ' . : — '^'^ 

>) Prot. Not N. LiSTiNGH. 

') Vgl. MOLL. De DesoU Boedelskatner te Amsterdam. Bijlagen. 

4) Waar deze gelegen was is nog niet uitgemaakt, in -1661 woonde het drietal over 't doolho op de Rozengracht, 
in 1664 Rembrandt naar 't schijnt op de Lauriergracht. (Vgl. Oud-HoUand II. 92, 94, 99.) en sedert 1665 weder op 
de Rozengracht. 

5) Prot. Not. N. LiSTiNGH. 

18* 




100 REMBRAND T. 

kon dat ook anders? Wat de Heer Vosmaer heeft aangetoond moest ook TiTüS weten. 
De omstandigheden alleen maakten een huwelijk onmogfelijk! . 

Beide vennooten hadden één doel voor oogen : den meester vrij te maken van geldelijken 
zorg en van de beslommering van dagvaardingen en processen. Hoe zij dit aanlegden leert 
men uit de volgende acte, die de meening bevestigt, reeds in Oud-HoUand uitgesproken^ 
dat de crediteuren de afdoening van Rembrandts zaken ter Desolate Boedelskamer hebben 
tegengehouden en geen accoord met den cessionant hebben goedgekeurd, om hem voort- 
durend in insolventie te kunnen houden *). Rembrandt^ heeft al te wreedaardig moeten 
ondervindeïi, hoe noodlottig het is machtige, onbarmhartige en wraakzuchtige Heeren tot 
vijanden te hebben. Zulk een weinig grootmoedige, wij zouden haast zeggen onwalkrdige 
behandeling van een groot maar door 't ongeluk vervolgd man, noopte hen, die 't wel 
met hem meenden, tot de maatregelen in deze acte geboekt. 

Den 15 December 1660 compareerden TiTUS [van Rhijn], geassisteerd met 
Rembrandt van Rhijn, sijn [vader ter] eenre, en Hendrickje Stoffels, 
meerderjarigh, voor soo veel [noodig met] haer gecooren vooght ten desen ge- 
assisteerd ter andere sijde, en verclaerden overeengecomen ende verdraghen te 
sijn over seeckere compaignie en handel van schilderijen, papiere kunst, kooper- 
en houtsnede, item drucken van deselve, rariteyten en alle ap- en dependentien 
van dien, als sijlieden met malcanderen voor langer als twee jaren hebben aen- 
gevangen en vervolgens noch wilden continueeren tot soo lange toe alsdevoorsz. 
Rembrandt van Rhijn int leven sal wesen, en noch ses jaren daer naer, en 
dat op de volgende conditien: 

Eerstelijck dat de huyshoudingh, die tsedert aengegaen heeft de voorn. 
TiTUS VAN Rhijn en Hendrickje Stoffels halff en halff, en oock door hen- 
lieden in dier voegen is gekocht en bevestight den huysraet, inboedel, schilde- 
rijen, kunst, rariteyten, gereetschap metten aencleven van dien, en oock betaelt 
de huyshuyre beneffens andere lasten, dat sijlieden sulcx nae desen oock sooda- 
nigh noch sullen houden en continueren. Grelijck mede partijen voorn: ingheleyt 
hebbende in dese compaignie tgene yder was possiderende, als bys[onder]lijck de 
voorsz. TiTUS VAN Rhijn, wat hij van pillegaven, potpenningen, eygen winsten 
en anders noch hadde behouden, dat sijlieden tselve niet alleen soodanich daer [in] 
sullen laten blijven, maer yder noch gehouden wesen tgene hij meerder conse- 
queert oock daertoe te employeren. 

Ende sal wegens deselve compaignie en handeling^e yder genieten de helft 
van de winsten en dragen de helfte vant verlies daerop sullende vallen, en 
malcanderen deswegen in alles moeten getrouw^ sijn, en soo veel yder mogelijck 
is het proffyt van de compaignie besoi^en en bevorderen. 

Doch overmids henlieden ten hoogsten noodich ware, dat sij mochten in 

1) Oud-HoUand II bL 94. 



R E M B R A N D T. 101 

deselve handelinge en aencleven van dien werden geassisteert en geholpen, oock 
daertoe niemandt bequamer conde sijn als de voorsz. Rembrandt VAN Rhijn, 
soo waren sijlieden met deselve overeengecomen, dat hij bij haerlieden soude 
inwoonen, de kost en dranck hebben, en vrij van de huyshouding en huyr sijn, 
mids dat hij soo veel mogelijck partijen in alles vorderlijck is en het proftijt 
van de compaignie soeckt, gelijck hij oock hiermede aenneemt en belooft. 

Behoudelijck nochtans dat de voorsz. Rembrandt van Rhijn [int] minste 
geen part [hebben sal in dese] handeling, noch hem oock niet aengaet [het] huys- 
raet, inboedel, kunst, rariteyten, gereetschap metter aencleven van dien, en wat 
teenigh[en dagen tot haeren] huyse soude mogen werden gevonden, waerop' de 
voorsz. partijen behouden haerlieden volcomen recht en g[erechticheyt] jegens 
alle degene, die wegen de voorz. Rembrandt van Rhijn eenige actio off pre- 
tensie souden mogen maecken; waerom hij oock voor soo veel noodich mog^ 
wesen, wat hij noch bevonden mochte werden te hebben off naemaels [te] ge- 
krijgen en daerin te brengen bij desen aen de ge[melte] partijen Contrahenten 
cedeert en transporteert, nu [voor] als dan en dan voor alsnu, sonder int minste 
eenigh recht, actie off pretensie daerop te hebben [noch te] reserveren onder 
eenigh pretext. 

En naerdemael de voorsz. REMBRANDT van Rhijn [eenighen] tijt geleden 
cessie heeft gedaen, waeromme hij alles overg[egeven heeft] en nooden hadde te 
werden gesustenteert, soo bekent hij deswegen ontfanghen te hebben van de 
gemelte partijen contrahenten, namelijck van TiTUS VAN Rhijn de sonmie van 
negenhondert vijftigh en van Hendrickje Stoffels achthondert gulden, beyde 
tot sijne nootwendicheyt en alimentatie [te] gebruycken, die hij belooft respective 
aen deselve te sullen [restitueren] soo haest hij wederom door schilderen yets 
mocht comen over te winnen, en tot verseeckertheyt van die [voorsz.] beyde 
sommen, soo heeft de voorn. Rembrandt van Rhijn aen de voorsz. TiTUS van 
Rhijn en Hendrickje Stoffels, present en accepteerende, getransporteeit, ge- 
cedeert en opgedragen [alle] soodanighe schilderijen, en provenuen van dien als 
hij tharen huyse [sal] comen te schilderen en ooit bevonden sullen worden, 
omme die daervoor als eygen te behouden en haer achterwesen daeruyt te con- 
sequeren, tot dat sij ten volle sullen wesen betaelt en voldaen, sonder dat hij, 
Rembrandt van Rhijn, daer eenighe actie recht off eygendom van behoudt 
ofte reserveert onder eenigh pretext. 

Voorts hebben de voorsz partijen contrahenten geaccordeert en verdragen, 
dat d'een sonder d'ander niet en sal vermogen yets int bysonder te gaen ver- 
copen, verduysteren off vervreemden van de Compaignie, en off sulcx gebeurde, 
soo sal degene die sulcx bevonden wert te hebben gedaen verbeuren aen [den 
ander] de somme van vijftich gulden, 'twelck sal gevonden e[n betaelt] werden 



102 R E M B R A N D T. 

door Rembrandt van R[hijn, uyt de] penninghen, die yder van hem moet 
hebben, ende dat geschiedende, dat de gebreeckige soo veel minder en d'ander 
soo veel meer van hem sal compctere en dat telkens als tselve mach werden 
bevonden. 

Beloovende de voorsz drye Comparanten (TiTUS met synen vader geassi- 
teert) haer soo veel yder aengaet prompt nae desen te sullen reguleren en mal^- 
canderen alles onverbreeckelijck te prestéren sonder eenighe contraventie, onder 
verband van elcx persoon en goederen, ten bedwangh van alle rechten en rechteren. 
Ter goeder trouwe en versochte acte. 

Dat aldus passeerde binnen deser voorsz «stadt. Actum ter presentie van JACOB 
Leeuw en Frederick Helderbergh, als getuygen, en hebben de comparanten 
beneffens deselve en mij Notaris de minute onderteekent. ') 



(w. get) TiTUS VAN Rhijn. 

Dit teken | ' gesteld by 

Hendrickie I Stoffels. 
Rembrandt van Rhijn. 
J. Leeuw. 
Frederik Helderbergh. 

N. LiSTINGH, Not*. 

De onderlinge verhouding van ons drietal is zoo helder en duidelijk mogelijk. 
Voortaan zou Rembrandt slechts de vennootschap als zijn werkgever te beschouwen 
hebben, overigens had hij voor niets te zorgen. De kunstenaar kon thans leven voor 
zijn kunst Was hij nu slechts rustig het penseel blijven voeren, maar telkens had hij 
wederom geld noodig om — gelijk in 1660 van VAN LUDICK y,printen en plaetiens" — 
allerlei kunst te koopen, waarschijnlijk om het magazijn der vennootschap daarmede te 
voorzien. Inmiddels liet ook TiTUS geen pogingen onbeproefd om de nieuwe zaak te 
doen bloeien. HOUBRAKEN verhaalt ons, hoe REMBRANDT door zijn zoon de verschillend 
staten van zijn etswerk liet „uitventen** en hij zegt het zóó, dat men er duidelijk een 
verwijt tegen den meester in leest. Thans wordt het eerst duidelijk waarom TiTüS dat 
deed; zijn eigen belang en dat van zijn zaak brachten het mede. Toch geven Hou- 
BRAKENS woorden ons iets te denken. Zou Rembrandt zich met den inkoop, TiTUS zich 
met den verkoop hebben belast? En welke rol zou nu aan Hendrickie toebedeeld ge- 
weest zijn ? Aan een dadelijk optreden in dien kunsthandel kan wel niet worden gedacht, 
maar zou 't niet genoeg geweest zijn, dat zij hare spaarpenningen in de vennootschap 
had ingebracht.^ 

Met welke uitkomst de vennootschap v/erkte bleef ons onbekend. Laat ons hopen 



*) Prot. Not N. LiSTINGH. 



R E M B R A N D Tn 103 

dat het niet geheel zonder de begeerde vruchten was. En dit zou ons inderdaad niet al 

te zeer verwonderen, omdat we in Hendrickies testament over 't voortzetten der zaak 

na haren dood gesproken vinden. 

In Augustus 1661 gevoelde Hendrickie zich voorzeker zóó ziek, dat zij, ofschoon 

*t op een Zondag was, de Notaris ontbood, om hem haar uitersten wil kenbaar te maken . 
De volgende acte was daarvan het gevolg: 
In den name Godes, Amen. 

Bij den inhoude deses openb. Instruments van Testament sij kennelijck een 
yder dient behoort, dat in den jare duysent seshondert éénentsestigh, op Sondagh, 

wesende den Sevenden dagh der maent Augusti des naermiddaghs omtrent 

ure voor mij NICOLAES LiSTiNGH, openb. Notaris binnen Amsterdam, en de 
getuygen nagenoempt persoonlyck gccom pareert en verschenen is Hendrickje 
Stoffels, woonende op de Roosegraft overt nieuwe Doolhoff hier ter stede, 
my Notario bekent, hoewel sieckelyck van lichame, nochtans gaende en staende, 
haer verstandt, memorie en uytspraecke wel hebbende en gebruyckende soo 
't bleeck, dewelcke willende de onvoorsienige en onvermijdelijcke uyre des 
doots voorcomen int disponeren haerder goederen, heeft door mij Notaris gedaen 
beschrijven haer Testament in manieren naervolgende: Te weten dat sij nae 
christelijcke recommandatie van ziele en lichaem, alsmede revocatie van alle 
voorgaende laetste willen en dispositien, bij desen tot haer effgename heeft gein- 
stitueert, genomiueert en verclaert haer kindt CORNELIA VAN Rhijn, en dat in 
alle de goederen, roerende en onroerende actiën, crediten en gerechtigheden, die 
sij eenighsins metter doot ontruymen sal, onder deze expresse conditie, dat bij 
overlijden van tselve kindt sonder lijffsgeboorte int leven naertelaten, des 
Testatrices goederen door haer kindt geërft, sullen moeten comen, erven en devo- 
veeren int geheel sonder eenighe afftreck op TiTUS VAN Rhijn, desselfs halve 
broeder, die sij Testatrice daerinne substitueert sonder dat haer kindt contrarie 
sal mogen disponeren onder den levenden nochte ter saecke des doots, in 
eenighe maniere. Ende heeft sij Testatrice gestelt tot Vooght over haer voorsz 
Kindt desselfs Vader Rembrandt van Rhijn, die sij vriendelijck daertoe bidt 
en soodanighe macht geeft als eenigsins is vereyscht, selffs oock omme de 
goederen, roerende en onroerende uyt eygcner macht Ie vercopen, veralineren, 
oock penninghen uyttesetten op hypotheecken, obligatien off andersins soo hij 
't best oordeelt, sonder ergens in te mogen werden gemolesteert, gecontradiceert 
ofte verhindert, nochte oock dat hij aen iemandt voor des kinds mondigheyt 
sal behoeven te doen eenighe i^eckeningh, bewys, reliqua, noch openinge 
in eeniger manieren, nochte oock dat hij in schade, verliesen, off banckeroeten 
sal gehouden off daervan aenspraëckelijck wesen, met oock vermogen omme 
by indispositie, afflijvigheyt off ongelegentheyt een ander in de plaetse te stellen 



104 REMBRAND T. 

die soodanighe macht sal hebben als sij Testatrice hem hierbij heeft verleent, 

en bat buyten het oppergesach en bewindt van de Ed. Heeren Weesm"*" 

voogdije off administratien als alle weescameren, vrien- 
den [die zij Testatrice secludeert] bij desen. Willende oock sij Testatrice 

dat soodanighe Compaignie als [zij met] de voorn. TiTUS VAN Rhijn, volgens 

.contract bij mij Notaris gepasseert den 15 December [1660, heeft opgericht] 
noch sal werden door de voorsz. Rembrandt VAN Rhijn [gecontinueerd] soo 

. lange het hem geraden dunkt dit alles in cas haer voorsz. dochtertie 

naer haer quame te overlijden, en off het gebeurde, dat hetselve voor haer Tes- 
tatrice ^overleedt, en sij daernae sonder andere naersaet quame te sterven, soo 
heeft sij oock tot hare universele erffgename geinstitueerd, gestelt en verclaert 
de voorn. TiTUS VAN Rhijn in alles wat sij als vooren eenigsins sal naerlaten. 
Seyde sij Testatrice noch te willen en te [begeeren] in soo verre de goederen 
int een off ander geval comen op den voorsz. TiTüS van Rhijn, [dat deselfs] 
vader sal trecken de vruchten en bladen tot [sijne] alimentatie sijn leven lang, 
geduyrende voor en in plaetse van 't gene [hij] op des kinds naerlatenschap 
mochte pretenderen, [sonder] dat deselve vruchten door yemandt ter [werelt] 

mogen werden aengesproocken, geexecuteert ofte voor eenighe schulden 

off laste van deselve, [gemaekt] ofte noch te maecken, maer dat die alleen 
[sullen strecken] tot sijn onderhout en alimentatie, sulcx dat hij [deselve] niet en sal 

mogen daertoe employeren noch off verbinden onder eenigh pretext. Alle 

tgene voorsz. is verclaerde sij Testatrice te wesen haeren laetste wille, uyt hare eigene 
beweginge selffs begeert en alsoo geordineert, die sij wilde [dat men] sal valide- 
ren als Testament ofte soo niet als Codicille, gifte onder de levenden, ter saecke des 
doots, ofte andersins, soot best bestaen kan, alwaere dsCt alle de toecomende nae 
rechte gerequireert hierin niet en waren geobserveert, oock metten gift etc ende 
versocht op dato voor* dit alsoo te annoteren en te leveren [instru]ment van Testa- 
mente in forma. 

Dat aldus passeerde binnen deser stadt Amsterdam ter presentie van 
Christiaen Düsart en Constantijn Everts, als getuygen, en hebben beneffens 
de Testatrice en mij Notaris [dese acte] mede onderteekent. 



(w. g.) Dit teken | gesteld door 

de Testatrice | Hendrickie [Stoffels] 
Christiaen Düsart. 
• C. Everts. 



') N. LiSTiNGH. pak 1660/1661. 



R E M B R A N D T. 105 

Dit testament, evenals dat van Saskia, bewijst weder, dat Rembrandts naaste 

verwanten, die het best over den mensch konden oordeelen, nooit hebben geschroomd 

hem hun volle vertrouwen te schenken. Het is de laatste van allerbevoegdste zijde 

uitgegane weerspraak van de kwade geruchten over den meester verbreid. 

\ Maar tevens blijkt uit dit testament niet onduidelijk, dat REMBRANDTS crediteuren 

I hem geen oogenblik rust hadden willen laten indien hij in staat ware geweest, om hen zij 

' H ook voor een klein deel te vergoeden, wat zij aan hem te kort kwamen. 

De testatrice is er immers op uit, om in 't licht te stellen, dat de meester geen 
eigen middelen had en dat hetgeen zij hem toelegde, alleen moest dienen tot voorziening 
in het noodzakelijkste levensonderhoud. 

Nu wij kritisch de verschillende documenten, die betrekking hebben op REMBRANDTS 
finantieele moeielijkheden en op zijne verhouding tot zijn naaste verwanten hebben be- 
schouwd, loopen wij niet langer gevaar den meester uit een minder gunstig oogpunt te 
beoordeelen. Alles wijst er thans op dat zijn verminderde welvaart het gevolg was van 
een samenloop van ongelukkige omstandigheden. Blijven wij deswege den toovenaar met 
licht en bruin beklagen, het is ons goed te erkennen dat zijn huiselijk leven gelukkig 
was, en er liefde woonde in het eenvoudige huis op de Rozengracht. 

Reeds zagen wij dat in 't laatst van Augustus 1661 Hendrickie nog in leven 
was, en aan de waarneming harer belangen dacht. 

Vóór het jaar 1664 aanbrak schijnt zij overleden te zijn. Bij REMBRANDTS dood 
was zij. reeds ter ziele. Zij is echter tusschen de jaren 1661 en 1670 niet in de Oude-, 
Nieuwe- of Zuiderkerk, noch op het Leidsche- of Klarthuizers-kerkhof begraven ; evenmin 
in de Westerkerk tusschen 1664 en 1670. Vermoedelijk is zij dus vóór 1664 in de 
I Westerkerk bijgezet. Ongelukkigerwijs zijn de begraafboeken van vóór 1664, die dit 

zouden kunnen uitmaken, niet meer aanwezig. In den verkoop van het graf in de 
Oude-kerk (27 October 1662) vinden wij misschien eene nadere aanwijzing. Er zal 
voorzeker eene aanleiding hebben bestaan, waarom Rembrandt aan 't verkoopen van dat 
graf heeft gedacht, en 't zou niet onnatuurlijk zijn indien deze in Hendrickies over- 
lijden gevonden werd. 

Ongetwijfeld werd de vennootschap door TiTUS en CORNELIA, toen nog onder 
voogdij, voortgezet en zelfs, hoezeer wellicht tegen wil en dank van TiTlA's voogden, na 
het overlijden van TiTus. Toen Rembrandt den laatsten adem had uitgeblazen was 
de vennootschap nog niet ontbonden. 

Na zijn dood deden, voor zoover tot dusverre blijkt, de crediteuren geen pogingen 
om hun schade te dekken. Hun was zijne verhouding wellicht niet onbekend. Anders 
was het met Fran^OIS van Bijler, den pas benoemden voogd over TiTUS nagelaten 
dochtertje. Hij schijnt er aan te hebben getwijfeld of Rembrandt zonder eenige goederen 
natelaten overleden was. Het is de moeite waard dit optemerken, omdat daaruit 
duidelijk blijkt, dat 's meesters levenswijze nooit den schijn gaf van armoede. Hij 

14 



106 R E M B R A N D T. 

wilde zelfs tegen den wil van Rembrandt's achtergebleven huisgenoote, zijn dochter Cornelia 
tot de inventarisatie overgaan en deed haar dit bij deurwaarders-exploit aanzeggen, waar- 
op de voogden aanstonds antwoordden door te kennen te geven, dat het verloren moeite zoude 
zijn, omdat er niets of bijna niets te inventariseeren zou vallen. Maar we hebben 
juist gezien dat er reeds een inventaris bestond een paar dagen na 's meesters dood opge- 
maakt, eene schijnbare tegenstrijdigheid, die echter wordt weggenomen door er aan te 
herinneren, dat die geïnventariseerde inboedel, voor de helft aan TiTUS en voor de andere 
helft aan Hendrickie toebehoorde, terwijl Rembrandt er slechts het gebruik van 
behouden had. Na het eindigen van dit gebruik moest de boedel notarieel worden be- 
schreven, om tusschen de minderjarige erfgenamen van de beide gerechtigden te kunnen 
verdeeld worden. 

De acte door Cornelia's voogden aan van Bijler beteekend luidde als volgt: 

Op huyden den 9 December 1669 hebbe ick JanQuirijnsz Spithoff, open- 
baer Notaris etc. mij met en beneffens de naerbeschreven getuygen vervoegt ten 
woonhuyse en bij den persoon van &. Fran<;oys van Bijlert, en denselven 
uyt den name en van wegen Abraham Francen (Fransz) en Christiaen du 
Sart, als voogheden over Cornelia van Rijn, nagelaten dochtertje van Hendrickje 
Stoffels, geprocreeert bij Rembrant van Rijn, geinsinueert en voorgelesen 
tgene volgt: 

Alsoo gij geinsinueerde in qualite als by d'H*». Weesm" deser stede gestelde 
voogd over het nagelaten Kint van TiTUS VAN Rhijn, sonder uytdruckinge van 
verder qualiteyt, d'Insinuanten by acte van den deurwaerder GouT hebt doen 
dachvaerden, omme op Woensdagh aencomende den 11* deser in't sterfhuysvan 
Rembrant van Rijn de goederen aldaer berustende, te sien inventariseren, 

Soo doen d'Insinuanten in qualite voorsz U g'Insinueerde aenseggen, dat 
terselver sterfhuyse geen andere goederen sijn, als de welcke volgens het opge- 
rechte Contract van Compagnie sijn raekende het naegelaten dochterken van 
TiTUS VAN Rhijn en de voorn, nagelaten dochter van Hendrickje Stoffels 
en in geenen deelen de voorn, Rembrant van Rhijn, als alleenlijck sijne 
cleederen van linnen, en wollen en 't schildergereetschap, derhalven d'Insinuanten 
niet sullen toestaen eenige verdere Inventarisatie te laten geschieden als nopende 
geseyde clederen en gereetschap, protesterende in cas yets ter contrarie soude 
mogen geschieden van nulliteyt derselver, en voorts van alle costen, schaden en 
interessen daerdoor te lijden. Allen 't welck de geinsinueerde voorgelesen sijnde 
gaff ten antwoort: dat hij verlangde copie. ') 

Men moge over de maatregelen door Rembrandts verwanten, voorzeker in over- 



*) Prot. Not. J. Q. Spithoff. 



REMBRAND T. 107 

leg met den Notaris Spithoff genomen, oordeelen hoe men wil, de goede bedoeling er 
in valt niet te miskennen. Dit hebben zij stellig uitgewerkt, dat de meester de kwellingen 
van de armoede nooit heeft gekend. Rechtens moge hem niets hebben toebehoord van 
hetgeen hem in huis en in werkplaats omringde, de onbaatzuchtige liefde der zijnen 
heeft dat alles ter zijner beschikking gesteld en den zwaar beproefden kunstenaar zeker 
nooit doen gevoelen, hoe de verhouding eigenlijk was. Niemand zal het buitendien tegen- 
spreken, dat Rembrandts bekende werkzaamheid hem recht gaf op de plaats, die men 
hem in het huis op de Rozengracht had ingeruimd Waar de welwillendheid van Rembrandts 
verwanten tegen 's meesters talenten wordt, in den weegschaal gelegd daar slaat de evenaar 
immers naar de laatste zijde over.' 



DE AMSTERDAMSCHE SCHUTTERS-STUKKEN IN EN BUITEN 
HET NIEUWE RIJKSMUSEUM. 

DOOR 

D. C. MEIJER Jr. 



I. 

OOR bijna anderhalf jaar geleden stonden wij aan de groeve van 
A. D. DE Vries Az,, den onvennoeiden kampvcchter voor het ware en 
het schoone, den wetenschappelijken kunstvriend, wien de leugen, onder 
welken vorm en met welk doel ook, een gruwel was. Zijn onom- 
koopbare ijver stempelde hem, niet minder dan zijn stalen geheugen 
en zijn scherpe opmerkingsgave, tot een kunst-historicus van den 
eersten rang. Waar die buitengewone gaven werden aangewend met de rustelooze werk- 
zaamheid en het taaie geduld, hem bovendien eigen, waar relatiên van allerlei aard en 
de invloed, die een beminnelijke persoonlijkheid onwillekeurig uitoefent, den zoon van 
een van Amsterdams aanzienlijkste kunstlievende familiën gemakkelijk over allerlei 
kleine moeielijkheden deden zegepralen, die anderen vaak den weg versperren, daar mocht 
men terecht van hem iets groots verwachten, op het gebied door aanleg en neiging hem 
tot arbeidsveld aangewezen. Maar helaas! het is hem niet gegeven geweest de vruchten 
van zijn arbeid te genieten. — De kunstenaar, die de ingevingen van zijn genie jn een 
©ogenblik op 't papier ofop 't paneel uitstort, kan in den loop van een drie-en-dertig jarig ieven 
genoeg hebben gedaan voor de ontwikkeling der menschheid en voor eigen onsterfelijken 



DE AMSTERDAMSCHE SCHUTTERS-STUKKEN ENZ, 109 

roem — de geduldige geleerde, die het zich tot taak heeft gesteld bouwstoffen op te 
zoeken en te rangschikken, laat, als zijn levensdraad zoo vroeg wordt afgesneden, vaak 
geen voltooiden arbeid na, die zijn nagedachtenis eert. 

En vooral was dit het geval met Adriaan de Vries, wiens buitengewone nauw- 
gezetheid hem niet veroorloofde de resultaten van zijn studiën openbaar te maken, vóór 
hij de zekerheid had, dat er omtrent zijn onderwerp niets meer na te sporen of te ont- 
dekken viel. 

Onder het vele dat hij zich tot levenstaak had gesteld en dat hij niet mocht 
volbrengen, bekleedt eene eerste plaats: de schifting der Amsterdamsche schutters-stukken. 
De vurige liefde die .hij zijn geboortestad toedroeg zou dien arbeid reeds voor hem een 
aanlokkelijke gemaakt hebben, indien niet de hooge waarde welke die stukken voor kunst 
en kunstgeschiedenis hebben, zijn geestdrift evenzeer had opgewekt, als de schandelijke 
verwaarloozing van en de hopelooze verwarring in die verzameling zijn medelijden en 
verontwaardiging. Met moed en lust toog hij aan den arbeid, toen de Historische Ten- 
toonstelling van Amsterdam in 1876 de hoop gaf dat een tijdperk van algemeene waar- 
deering van de kunstschatten van de stad zou aanbreken. De tijdelijke tentoonstelling 
van het Amsterdamsch Museum, als afdeeling van het Koninklijk Oudheidk. Genoot- 
schap het volgende jaar in het Oude Mannenhuis gehouden, was van die opwekking een 
eerste uitvloeisel. Bij het samenstellen van den Catalogus van dat Museum (een arbeid, 
waaraan zich voor mij de aangenaamste herinneringen van inspannend doch genoegelijk 
samenwerken met Adr. pE Vries verbinden) koesterden wij nog de hoop een chronolo- 
gische lijst van alle Schuttersstukken te zullen kunnen samenstellen. Met andere illusiën, 
waarvan het voorbericht van dien Catalogus getuigt, ging die hoop in rook op. Al ons 
navorschen bracht ons tot geen ander resultaat dan tot dit: dat wat wij ons voorstelden 
onmogelijk was, zoolang niet alle stukken bij elkander in één galerij vereenigd waren, 
waar men ze kon bestudeeren en vergelijken. Wij moesten het opgeven. 

De Schutjersstukken, die in 't Amsterdamsch Museum waren geweest, werden in- 
middels weder opgeborgen bij hun lotgenooten „in gangen, in portalen, op bovenkamers 
en op zolders van het Stadhuis" maar, gedurende den wanhopigen strijd over de stads- 
schilderijen, die Adr. de Vries nu aanbond tegen slendergeest en onverschilligheid, 
verloor hij de zaak van 't Catalogiseeren niet uit het oog, en werd daarbij op nieuw ge- 
prikkeld, door het verschijnen in 1879, van den nieuwen Catalogus onder den titel van 
Historische beschrijving der Schilderijen van het Stadhuis^ door den archivaris P. SCHEL- 
TEMA, v/elk werkje in het oog van DE Vries vrij wel het model was van een Catalogfus 
zoo als hij niet moet zijn. Zelf iets geheel anders en beters te geven bleef natuurlijk 
het doel van zijn streven. Voorloopig echter bestond daartoe geen mogelijkheid. 

Een nieuwe aanmoediging echter deed zich op door het vinden van het Handschrift 
van Gerard Schaep, waarin, onder meer belangrijke aanteekeningen betrekkelijk de 
schutterij, eene merkwaardige lijst voorkwam van de schilderijen in 1653 op de drie 



110 DE AMSTERDAMSCHE SCHUTTERS-STUKKEN ENZ. 

Amsterdamsche doelens aanwezig. De Hr. Ger. A. Heineken, die de beteekenis van 
het Handschrift voor de Amsterdamsche historie had ingezien, had het reeds eenigentijd 
in zijn bezit toen hij het aan DE VRIES vertoonde. Met dezelfde belangeloosheid waar- 
mede hij het later aan het Stads-Archief zou afstaan, gaf hij het aan de Vries mede 
om het te bewerken. Hoogst gelukkig spoedde deze zich naar huis met zijn kost- 
baren schat, waarop hij zooveel prijs stelde, dat hij de geheele lijst van 7 fo. bladzijden, 
vóór zij naar 't Archief verhuisde, zorgvuldig calqueerde. Met zekere jaloezie of achter- 
houdendheid (gevolg van bittere ervaringen met hen die den, van nature argeloozen en 
openhartigen, jonkman de resultaten zijner navorschingen soms wisten te ontlokken, om 
er zelven mede te pronken) die DE VRIES in 't laatst van zijn leven eigen was, liet hij 
zich over den inhoud van het manuscript en het nut, dat hij er van trekken kon, slechts 
uit in algemeene bewoordingen, die de verwachting hooger stemden dan de uitkomst zal 
kunnen bevredigen. De lijst van SCHAEP, die de nieuwsgierigheid van zoovele belangstel- 
lenden heeft opgewekt, is thans gedrukt (in 't zevende deel van Aentstels Oudheid 
door nu wijlen P. SCHELTEMA, Archivaris van Amsterdam, bij TEN BRINK en DE VRIES, 
1885) en ieder kan nu oordeelen hoeveel of hoe weinig de kunstgeschiedenis bij de ont- 
dekking van dit Handschrift heeft gewonnen. Aan opsommingen als: ,,Een stuck boven 
de Deur," — ,,ttem voor de schoorsteen" — .„Ibid. noch een oud stuk" heeft men zeker niet veel ! 
Toch bevat de lijst zooveel aanwijzingen van jaartallen en van namen van schilders en 
voorgestelde personen^ dat men oppervlakkig zou meenen, wanneer men de schilderijen 
vóór zich heeft, gemakkelijk een aan alle eischen voldoenden Catalogus te kunnen vervaardigen. 
Niets is echter minder waar: daar van de meeste stukken elk herkennings-teeken ont'- 
breekt. Op enkele uitzonderingen na, zijn de gelaatstrekken der kapiteins en luitenants, 
die ScHAEP noemt, ons niet bewaard gebleven, en de jaartallen en monog^mmen, die hij 
op de schilderijen vond, verdwenen. Zoo doet men bijvoorbeeld, bij het lezen van : ^Cap*'. 
Arent ten Grootenhüys, Luyt: Nanning Florisz Cloeck. geschildert bij Frans 
Barentsz, A*. 161 8", de aangename ontdekking, dat er onder de Amsterdamsche schut- 
tersstukken, een schilderij met een bepaald jaartal te vinden is, van een tot heden on- 
bekenden meester. Maar als men dan voor een half dozijn schilderijen staat, die alle 
in 1618 kunnen geschilderd zijn en waarvan van geen enkel te bewijzen is, dat dit het 
stuk van Barentsz niet is, dan komt men tot het martelende bewustzijn, dat men 
toch geen voldoende gegevens heeft, om het stuk dat men zoekt te kunnen aanwijzen. 

De gedachte is mij niet vreemd dat het stuiten op deee moeielijkheid evenzeer 
aanleiding is* geweest, dat DE Vries zoo lang op de openbaarmaking van zijne resultaten 
liet wachten, als zijne nasporingen in binnen- en buitenland, over de geschiedenis van het 
voornaamste Amsterdamsche Schuttersstuk : dat van Rembrandt. 

Hoe het zij, hij werd ons ontrukt, vóór dat wij iets van zijne hand over de onthul- 
lingen, door het vinden van 't handschrift van ScHAEP tot stand gebracht, hadden mogen lezen, 
en bij de verdeeling van zijn letterkundige nalatenschap werd door zijne bloedverwanten 



DE AMSTERDAMSCHE SCHUTTERS-STUKKEN ENZ. 111 

aan mij de eervolle taak toebetrouwd om zijne nagelaten aanteekeningen over de Schuttersstuk- 
ken tot een geheel te brengen, en voor de pers te bewerken. Die taak werd door mij 
met de meeste ingenomenheid aanvaard; want geen onderwerp, onder de vele, die DE Vries 
bezig was te bestudeeren, kon mij meer belang inboezemen, dan dat, waarin ik zoovele 
uren met hem had gewerkt en waarover wij zoo dikwijls van gedachten hadden gewisseld. 
De uitvoering dier taak zou echter op geheel andere wijze aan hare belangrijkheid 
hebben beantwoord, indien een zoo onvoorzien sterfgeval als dat van mijn diepbetreurden 
vriend, er niet uit den aard der zaak de noodige voorbereiding ten eenenmale aan had 
doen ontbreken. Ware DE VRIES een grijsaard geweest op den rand des grafs, ik zou 
hem niet alléén hebben laten werken, zonder mij op de hoogte te houden; maar ook hij 
zou allicht allerlei opmerkingen hebben ten papiere gebracht, die hij thans alleen in zijn 
hoofd bewaarde en die met hem ten grave zijn gedaald. Want hoewel DE Vries bekend 
stond om de vele aanteekeningen die hij maakte, had hij* dit toch met ieder ander gemeen, 
dat hij alleen opschreef wat hij gevaar kon loopen te vergeten, en niet ieder oogenblik 
weder kon gaan zien. Vandaar zal menigeen allicht in deze bladzijden dit en dat ver- 
geefs zoeken, wat hij meende dat DE Vries wist — en wat ik ook volstrekt niet beweer 
dat hij niet geweten heeft, maar wat ik niet kan geven, omdat hij het mij bij zijn leven 
niet heeft medegedeeld, en ik het na zijn dood niet heb gevonden, ondanks de nauwge- 
gezetheid, waarmede de Heeren DE ROEVER en Gebhard mij elk stukske papier deden 
toekomen, dat op het onderwerp betrekking kon hebben. 

Ondanks de teleurstellingen, die alzoo mijn deel werden, en waarin ik thans mijn 
lezers moet doen deelen, is er genoeg overgebleven dat groot belang zal inboezemen aan 
alle vrienden der HoUandsche schilderkunst, en dat waardig is om, in het Tijdschrift dat 
de overledene heeft opgericht, het grootsche feit te vieren, dat hij niet heeft mogen 
beleven: de opening van het groote Museum, bestemd om der vaderlandsche kunst een 
waardige herberg aan te bieden. 

In dit Museum is, terwijl ik deze regelen schrijf, voorloopig nog maar een deel 
aanwezig der kunstschatten, waarvoor de aandacht mijner lezers word gevraagd. Ik zal daar- 
om de vrijheid nemen om vooreerst alleen de stukken te behandelen, die men de eer der 
overbrenging naar het nieuwe Museum heeft waardig gekeurd, en wel in dit eerste artikel 
die welke in de eerezalen gehangen zijn. Ik hoop dat, wanneer ik over de andere zal 
schrijven, de gelegenheid aan ieder zal aangeboden zijn om allen te zien. 

De schutters-stukken die reeds vroeger in het Trippenhuis openbaar tentoongesteld 
waren: dat van RembRANDT, de Schuttersmaaltijd van v. D. Helst en het zoogenaamdt 
Schuttersvreugdefeest van Flinck, tot later bewarende, keer ik allereerst tot de lijst van 
SCHAEP terug om de aandacht te vestigen op een naam, die daarin dikwijls worde 
genoemd en die^ tot nog toe weinig bekend, al prijkt hij niet in gulden letteren op de 
muren van het Museum, bestemd is om door de hoedanigheid zijner werken juist in dat 
Museum een Europeesche vermaardheid te verkrijgen — de naam van: 



112 DE AMSTERDAMSCHE SCHUTTERS-STUKKEN ENZ. 

CLAES ELIAS. 

't Was of DE Vries er een voorgevoel van had, dat hij, zij 't ook eerst na zijn 
dood, eenmaal dien voortreffelijken kunstenaar de eereplaats zou verzekeren, die hem toe- 
komt, want hij heeft zich steeds de meeste moeite gegeven om iets van hem te ontdekken. 
Zijn aandacht werd het eerst op hem gevestigd, door zijn vroeger half verbrande en daarna 
zeer overschilderde anatomische les van FoNTEYN, in de verzameling der stukken van het 
Chirurgijnsgild ^), en door de letters N. E. P. die hij op een, aan Santvoort toegeschreven, regen- 
tenstuk uit het Spinhuis vond, dat wij, met hetoverschoone regentessenstuk van SANTVOORT *), 
van de Historische Tentoonstelling in het Amsterdamsch Museum van 1877 hadden mogen 
behouden. Uit N. E. P. (welke letters DE Vries ook aantrof op een portret van Tulp 
in de verzameling van den Heer Six)liet zich gemakkelijk „NiCOLAAS EliaS Pinxit" 
lezen; maar of DE VRIES thans^ nu wij Elias beter kunnen leeren kennen, het regenten- 
stuk nóg aan hem zou toeschrijven, is iets wat ik niet zou durven beslissen, zoolang 
het nog niet weder voor den dag is gekomen, maar in zijn gevangenis op 't Werkhuis 
vertoeven blijft. 

Er moest echter ook nog een Elias onder de Schuttersstukken zijn; immers zijn naam 
stond als schilder van No. 83 (thans No. 129) vermeld in de Aanwijzing der stads- 
schilderijen van ScHELTEMA, (1864). En, wat meer zeide, ook de Historische Beschrijf 
ving van de Schilderijen van het Stadhuis door Jan V. Dijk (1758), op welks boekske 
wij nog meermalen zullen moeten terugkomen, vermeldde onder No. 103, op blz. 138 een 
stuk van „N. Elias'' „geschildert 1639." Op dit stuk waren volgens v. DijK, de namen der 
voorgestelde personen vermeld, „op een Briefje als tussen de Lyst en 't Schildery ingestoken'*. 
V. Dijk deelde zelfs die namen mede : „D. E. Capitein Dirk Tyenbürg, Pieter Adriaansên 
Raap, Lieutenant . . . ." enz. Maar een stuk met een dergelijk briefje was onder de 
gansche verzameling ten stadhuize niet te vinden. En wat de schilderij No. 83 betrof, waarbij 
de Stads-Archivaris den naam van Elias had laten drukken — hoe donker het ook was 
in den „gang bij het kadaster", waar dit stuk geborgen was'), een enkele blik was 
voldoende om te zien dat dit geen schilderij was van het jaar 1639. Hoe was de heer 
ScHELTEMA er dan toe gekomen het voor 't door VAN DijK vermelde stuk van Elias 
te houden.^ Langs den weg eener zeer eenvoudige methode. V. Dijk deelt namelijk bij 
de meeste stukken het aantal mede der voorgestelde personen. Zoo hier: 23. Men telle 
dus maar het cijfer der schutters en men is gereed. De heer SCHELTEMA zocht onderde 
„vijftien stuks oude schilderijen, waarvan een gemaakt 1588 en een dito 1623", die in de 
oude ^^Beschrijving der Schilderijen^^ in 1841 ter Stads-Drukkerij verschenen, gemakshalve 
zoo te zamen waren beschreven, het stuk uit waarop 23 personen stonden en catalo- 
giseerde dit als de N. Elias. Cest simple comme mentirl Wie A. D. DE Vries gekend 

*) Til ANUS Beschrijving cUr schilderijen van 't Chirurgijnsgild No. 3. 
• S) Zie mijn Wandelingen door de zalen der Hist Tent, Amst 1876 blz. 88. 

•) Later werd, bij een verbouwing van 't Stadhuis, dit stuk (waarop bij de nieuwe nummering in rood het cijfer 139 
geplaatst is tijdelijk geborgen in de Academie van beeldende kunsten waar het tot heden gebleven is. 



DE AMSTERDAMSCHE SCHUTTERS-STUKKEN ENZ. 113 

hebben kunnen nag^n hoe hij hierover uitvoer, en gloeiende van verontwaardiging was 
de brie^ waarin. hij den armen Scheltema sommeerde om de ware Elias te voorschijn 
te brengen, die er toch geweest was. Maar de Hr. Scheltema wist nu eenmaal niet 
waar hij was en kon dus geen andere voldoening geven dan, in den tweeden druk van zijn 
Aanwijzing (in 1879 onder den titel van Hist Beschrijving verschenen) den naam van 
EL.IAS bij de schilderij 83 (toen 129 geworden) weg te laten. 

Gelukkig hadden wij een betere aanwijzing. De luitenant PiETER Raep — de 
tresorier, die „uit medelijden hier** het Raepen hofje bouwde — was een populaire figuur 
gebleven onder de hofjeslievende Amsterdammers, en had het hieraan, misschien meer 
dan aan andere groote verdiensten te danken, dat zijn pdVtret in de vorige eeuw 
door HoüBRAKEN in *t koper werd gebracht, en wel naar het Schuttersstuk waarop hij 
voorkomt Op Houbrakens gravure leest men: N. Elias PINXIT. Men vindt dit portret 
terug op het stuk No. 122 (vroeger 41), tot voor kort geleden hangende op 't Bureau van 
den Hoofdcommies van financiën ten Stadhuize. HoüBRAKEN vermeldt ook nog dat het stuk 
waarnaar hij de gravure gaf, op het (toenmalig) stadhuis hing bij „Schepenen extra- 
ordinaris/' hetwelk sluit met VAN DiJKS opgave. Er is dus geen twijfel aan dat de 
schilderij, waarop Raep voorkomt, de Elias is, die VAN DijK vermeldt, hoewel er nu 
(en dit is de reden dat het zooveel jaren onbekend bleef) geen 23, maar nog slechts 
een twaalftal beelden op staan. Dit behoeft niemand te verwonderen; het is niet het 
eenige der Amsterdamsche Schuttersstukken dat vermipkt is. Een gedeelte van de 
schilderij had waarschijnlijk zooveel geleden dat men het afgesneden heeft, en onge- 
lukkig was het juist dat gedeelte, waarop het briefje voorkwam, dat de namen der 
personen ,(en waarschijnlijk ook de handteekening van Elias) bevatte. Bij ScHAEP 
staat het aldus beschreven (Cloveniers-doelen No. 9) y,In 't voorhuys" (boven de trap) 
^IRCK Theüling Cap°: en Adriaen Pietersz. Raep. Lüt: gedaen A*» 1639 bij 
Claes Elias," Jaartal en schildersnaam komen dus overeen met wat in den tijd van 
VAN Dijk en HoüBRAKEN nog op *t schilderij te zien was. Met den voornaam van 
Raep begaat Schaep echter eene vergissing, die ons leert dat ook zijn manuscript met 
omzichtigheid moet gebruikt worden; want dat hij en niet VAN DijK zich vergast, getuigt 
de lijst van schutter- officieren, die Schaep op een andere plaats geeft, en waaruit blijkt dat 
Pieter Adrz. Raep, en niet zijn vader Adriaen Pieterz., luitenant was, en wel in Wijk 
20 (later werd hij in die wijk zelfs kapitein), eerst onder kapitein PlETER BAS, sints 1632 
onder kapitein DiRCK Theülincx. Met laatstgenoemden naam beging omgekeerd VAN Dijk 
eene vergissing; want hij las voor TheüUNCX, TyenbüRG en Wagenaar schreef hem na 
De andere stukken, die Schaep vermeldt als werk van Claes Elias zijn: 
(Voetboogsdoelen No. 2) Captn. Jacob Rogh en Ant. de Lange, luitenant, Ao. 1645. 
( ld. „12) Captn. Mathijs Willems Raephorst en Luit Hendric 

LoüRisz, Ao 

( ld. . „ 13) Cap. Jacob Backer en Jacob Rogh, luitenant, Ao. 16. . 

15 



114 DE AMSTERDAMSCHE SCHUTTERS-STUKKEN ENZ. 

Laatstgemeld stuk is dikwijls door DE VRIES bewonderd, maar zonder te weten 
dat het van Elias was. Dit stuk is namelijk de prachtig geschilderde maaltijd (oud 
nummer 64, nieuw nummer 75) die, uit de kamer van den Hoofdcommies voor publieke 
werken, naar het nieuwe Museum is overgebracht en thans terecht een plaats in „'t heilige 
der heiligen", in de Rembrandtzaal, gekregen heeft (links boven de THOMAS DE Keyser). 
Toen dit schilderij in 1877 in 't Amsterdamsch Museum aanwezig was, (No. 235) werden 
wij aangenaam verrast door in den hoofdpersoon, met het servet in de hand, het portret terug 
te vinden van Burgemeester Backer, dat door zijn afstammeling, Jhr. Mr. C. H. Backer, 
op de Hist. Tentoonstelling van 1876 was geëxposeerd (No. 331)*). Wij konden dus aan 
dit stuk den naam geven van de maaltijd van Backer, maar kenden nog geen schilden 
De mededeeling van SCHAEP stelt dezen thans buiten twijfel vast, want een ander schut- 
tersstuk, waarbij hij Backers naam opgeeft, staat er op zijn lijst niet. Het jaartal is nu 
ook bij benadering vast te stellen. Backer kreeg in 1627 ROCH tot luitenant (in Wijk 9) 
en zij bleven bijeen, stellig tot 1630*), hoogstwaarschijnlijk tot Feb. 1632, toen Backer 
burgemeester werd en dus volgens 't gebruik zijn waardigheid als schutter-officier neder- 
legde'). RoCH volgde hem als kapitein op, en 't is niet onwaarschijnlijk, dat op dit 
doek een afscheidsmaal vereeuwigd is, dat de kapitein aan zijn voornaamste schutters, in 
den Voetboogsdoelen, waaronder wijk 9 behoorde, aanbood. In elk geval is de schilderij 
niet ouder dan 1627 en niet of weinig jonger dan 1632. . 

In de Hist. Beschrijving van SCHELTEMA staat zij op naam vanÏAULUS MoREELSE. 
De reden hiervan is dat SCHELTEMA 'het hield voor het stuk met 24 schutters, dat met het 
eerst beschrevene, bij Schepenen extra-ordinaris hing, en waarvan v. DijK zegt, dat hij er naam, 
jaartal noch merk op gevonden had, maar dat het naar zijn gedachte van PAULUS 
MoREELSE was. Van Dijk schreef namelijk nog al veel wat hij niet thuis wist te brengen^ 
en wat hij mooi vond, als het uit het eerste derde deel der 17e eeuw kon zijn, aan 
MOREELSE toe; maar uit hetgeen hij er bij voegt blijkt dat hij toch met den tijd, waarin 
't geschilderd zou zijn, niet recht weg wist. Wagenaar, die anders VAN DijK trouw 
naschrijft, was voorzichtiger en zegt {Amsterdam II blz. 21): „Men weet niet door wie het 
geschilderd is." Dat overigens SCHELTEMA in zijn No. 75, onzen maaltijd, de schilderij bij 
Schepenen extra-ordinaris, de No. 104 van v. DijK zag, is waarschijnlijk juist. 

Ik verzoek thans de aandacht te vestigen op den luitenant JACOB RoCH, die naast 
den kapitein aan den welvoorzienen disch zit. Want, nadat hij, zelf kapitein geworden, 
achtereenvolgens Egbert Boom, Dirk de Graeff en Roelof Bicker tot luitenant 
had gehad, kreeg hij als zoodanig naast zich den wijnkooper Anthony DE LANGE, den 



1) Er zijn meer voorbeelden dat copien van portretten uit schuttersstukken werden gemaakt, om in huis op te 
hangen. Bij den Heer Hooft van Vreeland is nog een portret van burgemeester Boom, dat een verkleinde copie is 
van diens portret op 't Schuttersstuk No. 125 (nieuwe Museum, eerezaal, links). 

2) De namen der S9hutter officieren in 't jaar 1631 ontbreken. 

') Hij bleef Burgemeester tot 1635 en stierf op bijna een en zeventigjarigen leeftijd in 1643, ongehuwd. 



DE AMSTERDAMSCHE SCHUTTERS-STUKKEN ENZ. 115 

schoonzoon van den grijzen burgemeester Harmen Gijsbertsz van de Poll, dien Vondel 
zijn prachtigen ilerzang op de inwijding der Doorluchtige School toezong. Met dezen 
nieuwen luitenant liet ROCH zich andermaal door Elias portretteeren en wel, zoo als 
ScHAEP vermeldt, in het jaar 1645. Om het meesterstuk, waaraan toen het aanzijn werd 
gegeven, terug te vinden moeten wij ons dus de figuur van Jacob Roch goed in 't 
geheugen prenten, hetwelk dank zijn korte ineengedrongen gestalte en zijne niet alle- 
daagrsche physionomie niet moeielijk is. 

Wij moeten daarom terug treden in het tweede compartiment van de eerezaal, 
waar wij hem, ietwat vergrijsd, tusschen zijn schutters zien doorloopen, op het voor- 
treffelijk geschilderde No. 7 (oud No. 23). Het hing vroeger in de duisternis op de 
Besogfne-kamer ter Stadhuize en de naam van den maker was verloren gegaan. Dat 
wij er dien van Elias op mogen plaatsen, is niet alleen te danken aan 't herkennen van 
onzen vriend RoCH. Er is nog een reden, waarom ik dit stuk bepaald aan Elias kan 
toeschrijven. De schutters waren namelijk ingedeeld naar de wijken, waarin zij woonachtig 
waren, en als een bepaald gebouw op een schutterstuk zichtbaar is, zoo als hier de 
Oudekerkstoren, dan mag men wel aannemen, dat men het vendel voor zich heeft van 
de wijk omtrent dat gebouw gelegen. En wanneer nu dat vendel een schilder van rang 
in zijn gelederen had, ligt het voor de hand dat het portretteeren van de compagnie aan 
hem werd opgedragen. De woonplaats van den schilder is dus bij de schutters-stukken 
gansch niet onverschillig voor 't bepalen van den maker. Welnu: „Elyas de schilder" 
woonde op de „frouweelen burgwal" (in de 17e eeuw werd de geheele Oostzijde van de 
O. Z. Voorburgwal zoo genoemd) toen in 1636 een kind van hem begraven werd in de 
Oude Kerk, waar hij ook 27 Dec. 1626 een zoontje had laten doopen (de naam van de 
moeder was LiEVijNTjE BoirwENS). Hij woonde reeds bij de Oude Kerk toen hij in 1625 
eenige aankoopen deed in den boedel van CORNELIS VAN DER VoORT, en toen hij 24 Maart 
162 1 op 30-jarigen leeftijd in ondertrouw trad. Het huis stond op den hoek van de 
Minnebroers-, (thans Oudekennis)steeg. Later lieeft Elias een huis bezeten op de 
Breestraat over de St. Antonysluis. Dit huis was met een gemeene muur belend (aan 
de Zuid-Oostzijde) aan het huis van Rembrandt (Register kwijtscheldingen A A 195^ 
8 Jan. 1653). 

Mr. N. DE Roever, die mij al deze mededeelingen gafuitaanteekeningen op 't Archief, 
vond daar ook den naam van den vader van onzen schilder namelijk Elias Claesz 
Pieckenoy, van Antwerpen, wapensnijder, die in 1586 te Amsterdam ondertrouwde met 
Heyltje 's Jonge. Een andere zoon van dezen Antwerpenaar: Elias Eliasz., goudsmid 
heeft den toenaam van Pieckenoy behouden, zooals blijkt uit zijn huwelijksvoorwaarde 
met WiLLEMTjE Jans, (1622) waarbij zijn broeder, de schilder, en zijn vader als getuigen 
assisteerden. In 1646 was Nic. Elias, de schilder, nog in leven, blijkens een acte die 
DE Vries daarvan vond, doch in 1656 was Levine Boüwens weduwe. 

De schutterswijk van Elias was de negende, die van het Damrak tot de Geldersche 

15* 



116 DE AMSTERDAMSCHE SCHUTTERS-STUKKEN ENZ. 

kade en van de HeintjehoeksteegtothetOudekerks-Kerkhofliep. ROCH woonde nog in 1650, 
op de Geldersche Kade bij de Stormsteeg*). 

Een ander stuk dat door opvatting en schildermanier onmiskenbaar van dezelfde 
hand is, en waarop de Jan Roodenpoortstoren de rol vervult van de Oudekerkstoren op 
het laatst beschrevene, is nog niet op 't Museum, maar hangt in de Raadzaal op 't Stadhuis 
aan 't hooger eindie met het nummer 4 (oud 33). Ik aarzel niet om dit ook aan Elias 
toe te schrijven, en welke compagnie het voorstelt leert ons de Jan Roodenpoortstoren, 
die tot klokketoren diende aan Wijk 4. 

T>éiix was, sints 1628, Jan Claesz. Vlooswijck Kapitein tot minstens 1647, ^n 
Gerrit Hudde luitenant, tot minstens 1636. In het best mogelijke gezelschap (vlak naast de 
„Nachtwacht") hing, in de groote zaal van den Kloveniersdoelen,'het stuk waarin zij zich 
lieten uitschilderen, met den vaandrig, de beide sergeants en dertien schutters. Vlooswijcks 
portret kwam op die zaal nog eens voor, namelijk in het door GOVERT Flinck geschil- 
derde Schoorsteenstuk, dat de portretten der vier Overheden geeft. Dit stuk (No. 31, oud 18) 
hangt thans in 't derde compartiment van de eerezaal rechts, waar men allicht den kapitein 
van het stuk met den Jan Roodenpoortstoren zal herkennen, terwijl men vergeefs onder 
de vier Heeren zou zoeken naar den kapitein, die zittende is voorgesteld op het andere 
groote stuk in de Raadzaal (No. 8, vroeger 34). Toch vinden wij in den Catalogus van 
't Stadhuis (de Historische Beschrijving van D'. SCHELTEMA) die No. 8 beschreven als de 
Compagnie van VLOOSWIJCK, en de No. 4 als die van CORN. DE Graeff, dot)r Adr. Backer. 
Gelukkig echter zijn de fijn besneden trekken van CORN. DE Graeff, door HOUBRAKENS 
gravure, naar het in de familie bewaard gebleven portret*), en door het marmer-medaillon 
van QuELLYN, in de verzameling van het Oudheidkundig Genootschap '), genoeg bekend 
om hem spoedig door ieder te doen herkennen in den zittenden kapitein-op No, 8, waarop 
dan ook het jaartal 1642 te lezen staat, dat SCHAEP als dat van de Compagnie van de 
Graeff opgeeft. Dat dit stuk, waarop wij later terugkomen, in de Beschrijving van 
ScHELTEMA voor de Compagnie van Vlooswijck doorgaat, is gegrond op een naambord, 
dat er vroeger onder geplaatst was, evenals een dergelijk onder het andere stuk van de Raad- 
zaal hing. Losse naamborden zijn echter lastige artikelen in schoonmaak- en verhuistijd, waarin 
allicht de hoofdrol wordt gespeeld door lieden, die het tamelijk onverschillig is, of de voorge- 
stelde schutters Jot decompagnie van DE GRAEFFoftot die van VLOOSWIJCK behoord hebben. 
Ik voor mij houd mij ten minste liever aan de authentieke portretten, dan aan de overlevering 
der thans niet meer aanwezige naamborden en wil verder het oordeel der kunstkenners afwach- 
ten, welk der beide stukken in de raadzaal aan Elias toe te schrijven is en welk aan Backer. 

ï) Voor de kennis van de verdeeling der stad in 54 (Ao. 1650) later (Ao. 1672) 60 wijken zijn voldoende gegevens. 
Van de oudere verdeeling in 20 wijken, die van 1622 tot 1650 van kracht was, heb ik in het Handschrift van Schjlep 
een gedrukt lijstje van 1647 ingeplakt gevonden en dit met het cohier van de 2oo« penning van 1631 gecontroleerd. Ofl5- 
cieele opgave aangaande deze indeeling heb ik op 't Archief niet kunnen vinden. 

2) Thans, als ik mij niet bedrieg, bij den Heer de Graeff v. Polsbroek te 's Hage. 

3) Dit medaillon is thans ook in 't nieuwe Museum aanwezig op de bovenzaal, die aan de Rembrandtxaal grensl, 
naast de deur van het kleine kamertje. 



DE AMSTERDAMSCHE SCHUTTERS-STUKKEN ENZ. 117 

De omstandigheid dat het naambord van het stuk van DE Graeff 23 namen telt, 
terwijl het naambord Vlooswijck er maar 18 heeft, is een bewijs te meer dat de No. 8, 
waarop veel meer figuren staan dan op No. 4, de compagnie van DE Graeff voorstelt. 
Reeds tijdens het opmaken der Beschrijving van 1841 waren de naamborden verwisseld, 
want men leest daar : ^Een kapitaal schuttersstuk met 22 beelden onder kapitein Cornelis 
DE Graeff door Adriaen Backer. Een dito dito met 27 Beelden onder kapitein Jan 
Vlooswijk mede (sici!) door JACOB Bakker". Scheltema heeft, toen hij dit naschreef, 
van de 22 beelden 23 gemaakt, omdat het anders in het geheel niet uitkwam. Men kan 
natuurlijk alle figuren* waarvan men ook maar een arm of een voet ziet, medetellen, maar 
23 p&rtretten^ zooals het naambord eischt, staan wel op de No. 8, maar niet op de No. 4. 

De toeschrijvingen van alle deze stukkert aan leden der familie Backer vindt zijn 
oorsprong in het boekske van VAN Dijk. Het is opmerkelijk dat van Dijk de beide stukken 
van ROCH en Vlooswijck ook aan een en denzelfden maker toeschrijft, hoewel niet aan 
Elias, maar aan Jacob Backer. Op het laatste stuk kan hij stellig den naam niet 
gelezen hebben, daar die reeds ten tijde van Schaep niet meer leesbaar was, en het eerste 
wordt door Schaep met zekerheid aan Elias toegeschreven. Jaartallen noemt VAN Dijk niet. 
De Compagnie van DE GRAEFF schrijft hij aan Adr. Backer toe ') en stemt hierin overeen 
met Schaep. Althans tot op zekere hoogte. Doch dit is thans niet aan de orde. 

Hiermede hebben wij echter nog niet het stuk gevonden dat ScHAEP ons ook als 
een stuk van Elias bekend 'maakt: het vendel van Raephorst, waarvan hij geen jaartal 
aangeeft, maar dat, blijkens de namen der officieren in deze wijk (de vijfde), moet geschil- 
derd zijn tusschen 1625 en 1638*). Wij houden, wanneer wij de van ouds bekende en 
de nu gevonden stukken uitmonsteren, er niet veel meer over die uit dezen tijd kunnen 
zijn en aan Elias zouden kunnen worden toegeschreven, en op geen van die allen kan ik 
met zekerheid het portret van Hendrik Loürisz., den boekverkooper van 't Water, aan- 
wijzen, die •op 't Schilderij in de Raadzaal, met zijn calotje op 't hoofd, naast CORNELIS 
DE Graeff zit, en die op 't gezochte stuk als luitenant Raephorst moet bijstaan. 

De N*. 70 komt zeer in aanmerking doch, daar dit wel de jongste van alle onbe- 
kenden is, meen ik hierin het stuk van Backer te moeten zien, dat, volgens de lijst van 
Schaep (Klov. Doelen N*. 14) van A^ 1638 moet zijn, want de Elias die wij zoeken kan 
van 1638, maar kan ook van 1625 zijn. Ook was de laatste een schoorsteenstuk, en daarvoor 
is de N**. 70 wel wat groot Beter komt daarvoor met de maat uit, het deerlijk venvaarloosde 
stuk N*. 130, thans nog op de schrijf-kamers hangende. Hierop ziet men ook een gebouw 
afgebeeld, iets wat, zooals wij gezien hebben, ook op andere stukken van Elias voor- 



1) In geen geval dezelfde als de bekende schilder van Regentenstukken uit de tweede helft der zeventiende eeuw. 

*) In het eerstgenoemde jaar is Raephorst kapitein geworden en in 't laatste is hij overleden. Hij was schoonzoon 
Tan den Schutterij-Kolonel en burgemeester Gerrit Jacob Witsz. Zijn eenige dochter Margaretha (bij Aagje Gerrits 
WiTsEN) huwde in tweeden echt den admiraal Cornelis Tromp. (Haar eerste man was Jan van Helmont, die in 1657 
schepen werd.) 



118 DE AMSTERDAMSCHE SCHUTTERS-STUKKEN ENZ. 

komt. Maar dit gebouw, hetzij het de Noorderkerk of een der poorten moet voorstellen, 
'twelk niet duidelijk meer is, is niet toepasselijk op de wijk van RaephorsT, die langs 
den IJkant, van de Nieuwenbrug tot de Haarlemmersluis, liep. 

De bij-een behoorende stukken, die vroeger op de kamer van den Commissaris des 
Konings hingen en waarvan thans het eene (N**. 127) op 't Museum is gearriveerd 
(in de kleine zaal N**. 226) en het andere aan Prof. WijNVELD ter restauratie is 
toevertrouwd, zijn van 1623 en dus te oud. Hetzelfde is het geval met de N*. TJ. Dit 
stuk bevindt zich in de eerezaal (vierde compartiment links). In de Histor. Beschr. wordt 
het aanMOREELSE toegeschreven, omdat er 21 beelden op staan, hetwelk het cijfer is van 
de N^ 116 van v. Dijk. Deze geeft hiervan het jaartal 1603 op* Indien dit juist is zouden 
wij hier een tweede portret van den tresorier Raep hebben (Lijst van SCHAEP, Hand- 
boogsdoelen N\ 19). Er zijn verscheidene prachtige koppen op dit stuk, maar andere 
dunken mij voor MOREELSE wel wat zwak. Hoe het zij, van Elias is dit stuk (waarom- 
trent het mij spijt geen zekerheid van herkomst te kunnen geven) stellig niet, en ik houd 
ten slotte niets anders voor hem over, dan de thans nog op 't archief hangende N*. 132 
(oud N*. 95) met de, geen enkele aanwijzing gevenden, naam Jan CüYPER op een blad 
papier, dat een der schutters in de hand houdt Maar ook op dit stuk zoek ik te vergeefe 
naar Hendrik Loürisz, en- het rijnwijnglas, waaruit de schutters elkander toedrïnken, staat 
op een andere bekerschroef, dan die volgens de schilderij N*. 75 op den Voetboogdoelen in 
gebruik was. Ook schijnt mij het costuum eer van vóór 1625, dan van nd dat jaar 
te zijn. 

Het is ook mogelijk dat het schuttersstuk van Raephorst niet meer aan- 
wezig is. Van Dijk beschrijft (N*. 114, blz. 143) vrij uitvoerig een stuk, dat in zijn tijd 
op *t toenmalige Stadhuis hing „boven den ingang na de kamer van de Diemermeer" en 
waarop niet minder dan vijf en dertig schutters afgebeeld waren, zoodat, indien de beelden 
levensgroot waren, het een stuk van geweldige afmetingen moet geweest zijn. Dit stuk 
is spoorloos verdwenen. Er is geen enkel meer met een zoo groot aantal personen. Het 
was volgens VAN Dijk geschilderd door „Alion." Die naam verschilt niet veel met 
Elias. Mogelijk is dit het vendel van Raephorst geweest. 

Thans neem ik afscheid van Elias met de opmerking, dat ik mij voor niets het- 
geen ik aangaande zijne stukken heb gezegd, achter de verantwoordelijkheid van wijlen 
A. D. DE Vries wil verschuilen. Ik twijfel geen oogenblik of hij zou bij voortgezette 
studie en vergelijking tot dezelfde resultaten zijn gekomen als ik, maar uit zijn aanteeke- 
ningen is mij niets daarvan gebleken. 

Hoe kwam v. DiJK aan zijn Alion? Waarschijnlijk door te denken aan den door 
hem op een andere plaats genoemde A. LlON, die mij aanleiding geeft om de aandacht 
in te roepen voor een tweeden weinig bekenden Amsterdamschen schilder: 

JACOB LYON. 



DE AMSTERDAMSCHE SCHUTTERS-STUKKEN ENZ. 119 

Alles wat de kunstgeschiedenis van dezen schilder wist te zeggen berustte op de 
twee stukken ten Stadhuize, die op naam van A, LiON staan, N. 70 (voorheen 36) en 
N. 71 (voorheen N. 37), en daar op het eerste (thans in het vierde kabinet van de Eere- 
zaal van 't Museum, rechts) geen naam staat, en op het laatste (thans in 't tweede ka- 
binet aan dezelfde zijde) zeer duidelijk geschilderd is: A. Lont, terwijl beide stukken 
onmogelijk van dezelfde hand kunnen zijn, ben ik wel eens niet vreemd geweest aan het 
denkbeeld dat er nooit een kunstenaar van dien naam had bestaan, en alles berustte 
op een dwaling van v. DiJK. Later meende ik een spoor van Lyon ontdekt te hebben 
in een merkwaardige lijst van schilders, die voorkomt in het zakboekje van den Amster- 
damschen stads-docter jAN SvsMüS, hetwelk in de bibliotheek VAN DER WILLIGE was en 
dat de H'. Pappelendam later zoo vriendelijk was mij ter inzage te geven. In dat hand- 
schrift komt namelijk voor : "Francois Stellaerd van Lion, dog Hollander, conterfeiter 
in Landschappen etc, vixit 1604." Misschien was dit de vader van Jacob Lyon. De 
Ujst van ScHAEP overtuigft ons dat de laatste werkelijk bestaan heeft en de kennis van zijn 
voornaam dank ik aan de welwillendheid van den Hr. Abr. Bredius, die mij een 
paar aanteekeningen mededeelde, waaruit blijkt dat in 1641 te Amsterdam een schilder 
leefde "out omtrent 54 jaren", die zijn naam zoo teekende en die gehuwd was met 
Magdalena van Ebelen. Ook de Hr. de Roever vond den naam van Jacob Lion, 
schilder, een paar maal in 't Archief van de Weeskamer (1621 als woonachtig in de 
Wolvestraat, 1625 in de Reestraat ^). 

Dat hij een schuttersstuk gemaakt heeft voor den Voetboogsdoelen blijkt uit de lijst 
Jjl^an ScHAEP (N. 11), als mede dat Capitein jACOB Pietersz. Hooghkamer ^) 
en Luitenant PlETER Jacobz. VAN Rhijn, alzoo (gelijk mij van elders is gebleken) 
officieren van Wijk 10, 

De vraag welk stuk het bedoelde is, is niet moeielijk te beantwoorden, daar het 
door v. Dijk uitvoerig wordt beschreven (blz. 25): "geschildert van A. LlON 1628 met 
negentien schutters, dit is reets van een geheel andere Schildertrant" (als het vooraf be- 
schrevene van CORN. Ketel) „verre van de vorige onderscheiden, men kan alhier Capitein, 
^Luitenant^ Vaandrich en Adelborsten, van de gemeene onderschyden, staande allen tot 
„de knieje toe in de volle Wapenrusting, met de hoeden op 't hooft maar geene naam 
„bekent, het is zeer uitvoerig Geschildert, de inlegging de yzere Harnasse, als met Zilver 
^ingelegde lofwerken, en derzelver arseringen is hier zo net en zuiver aangetoont dat 
„men zich verwonderen moet, hoe een Man, die een zo vlugtig Penceel gevoert heeft, 
y^et gedult heeft kunnen hebbe om de Arseringen in die als ingegraveerde schaduwing 



1) Misschien vinden wij onzen schilder ook tenig in Jacobus Lion die met zijn vrouw Sara Pieters 8 Feb. 1643 
een kind liet doopen, dat den naam van Aerjaen ontving, en 4 Dec. 1644 een dochtertje, geheeten Gerbrechie. Bij de 
eerste stond Susanna Li ons als getuige. 

-) Hij werd in 1618, bij de verandering van de vroedschap door Prins Maurits, Schepen en Raad. De naam «jner 
amilie leeft nog in den naam van een gang op de Oudezijds Achterburgwal voor de Stoofbrug, waar het jaartal 1632 
boven de poort staat. 



120 DE AMSTERDAMSCHE SCHUTTERS-STUKKEN. ENZ, 

„zo net uit te voeren; éen loop van een Snaphaan is met geel koper lofwerk, en Parle- 
„moere plaatjes, zo verwonderlijk natuurlijk Geschilderd dat het de Natuur evenaart, dit 
„Stuk is ook in de houding, veel krijgskundiger geordineert dan een van de vorige. 
„In het verschiet ziet men 't Schilderij N*. 3 als aan de muur opgehangen." 

Dit No. 3 is de schilderij van DiRK Barendtsz, met de spreuk „ /» vino verüas.'* 
Het is alzoo buiten kwestie dat V. DijK hier de schilderij beschrijft bij de stad genum- 
merd 71, en daar blijkbaar in zijn tijd teekening en jaartal er nog op te zien waren, is 
dit het stuk door Schaep bedoeld. Het bordje waarop wij nu lezen: A. Lont 1620, is 
dus bepaald foutief overschilderd. Het laatste cijfer van 't jaartal 7al onduidelijk geweest 
zijn, zoomede de voornaam. LvON teekende met een korte J met een dwarsstreepje er 
door; als hij dit op zijn schilderijen ook deed en de J. aan de L. koppelde kon dit licht 
voor A.L. worden aangezien. Wat het jaartal betreft, in 1620 was HooghkAMER nog 
geen kapitein en, daar op den Voetboogsdoelen de namen der schilders van de stukken 
uit dien tijd alle aan SCHAEP bekend waren, kan dddr geen tweede stuk va,n Lyon zijn 
geweest, terwijl de oude schilderij aan de muur bewijst, dat het ook niet van een anderen 
Doelen kan zijn. 

Maar ook de vraag of diir nog een tweede schuttersstuk van Lyon was, dat bewaard 
gebleven is, durf ik veilig ontkennend te beantwoorden. Zijn schildermanier zoo uitvoerig, 
zoo vlak en zoo koel vindt men nergens terug, in 't minst ook niet op het stuk, dat in 
de Beschrijving van 1879 mede op naam van A. LlON is gebracht; de No. 70 (thans in 
het achterste compartiment van de rechterzijde van de Eerezaal). De oudere Beschrijving 
van 1841 voegt aan de toeschrijving zelfs nog een jaartal (1628) toe (en geeft ditzelfi4p 
jaartal aan het stuk van de Compagnie van Hooghkamer, zoodat dit toen nog niet met 
het jaartal 1620 prijkte). Wanneer wij voor 1628 mogen lezen 1638, dan is de schilderij 
No. 70, die ten onrechte op LlONS naam is gebracht, waarschijnlijk van Backer en stelt 
de Compagnie van Schepen (Hendr Dirksz) Spiegel voor (Lijst van Schaep, Kloveniers- 
doelen No. 14.) Is 1628 echter juist, dan zou het de Compagnie van Raephorst door 
Elias zijn. Maar ik hecht aan de mededeelingen van At Beschrijving wzxi 1 841 zeer weinig. 

LASTMAN en VAN NIEULANDT. 

Zie hier twee schildersnamen, die men in den catalogfus van 't nieuwe Museum als- 
nog vergeefs zoekt, daar noch in het Trippenhuis, noch in het Museum v. d. Hoop 
werken van hen aanwezig waren. Zullen die namen thans in 't nieuwe Museum prijken, 

m 

sints de lijst van ScHAEP ons heeft geleerd dat het schuttersstuk, dat den tocht van 
Capitein BoOM en zijne gezellen naar Zwol herinnert (de No. 125 van de nieuwe num- 
mering, thans in de Eerezaal van 't Museum, vierde compartiment ter linkerzijde) is 
„begonnen door Lasman en vermits sijn doot voorts afgeschildert door NüLANT".^ Reeds 
Hofdijk deelde dit mede in zijn Geschiedenis der Schutterij (1874), waarvoor hij ook het 



DE AMSTERDAMSCHE SCHUTTERS-STUKKEN ENZ. 121 

handschrift van SCHAEP heeft geraadpleegd, doch zonder er veel uit mede te deelen, hetwelk 
dan ook in het kader van zijn werk minder noodig was. 

De bizonderheid aangaande dit stuk had echter zijn aandacht getrokken en hij 
voegt er zelfs bij dat het duidelijk te zien was, wat van den eenen en wat van den anderen 
schilder is. Ik moet echter hierin mijn minderheid erkennen, ik zie (of ik zou het in de 
grootbladerige struik met het gebroken kapiteel, op den voorgrond rechts, moeten zoeken) 
in de schilderij, noch in opvatting der figuren, noch in behandeling van 't landschap, zoo min 
in teekening als in coloriet, iets wat bepaald herinnert aan PlETER LASTMAN, den leermeester 
van Rembrandt, die maar zoo kort bij hem vertoefde, maar zoo goed begreep wat hij 
wilde en het zoo schoon verwezenlijkte, en die zoo dikwijls in kleinigheden toonde dat 
de herinnering aan Lastmans werk nooit bij hem is uitgewischt. 

De Hr. Scheltema heeft, in zijn nooten gp de lijst van Scn AEF (Aemsiels OudAeid 
Dl. VII blz. 140), op het jaartal gewezen van Lastmans overlijden, 1649, terwijl de schil- 
derij volgens ScHAEP van 1623 is. Het jaartal 1649 is echter niet juist; maar PlETER 
Lastman heeft toch te lang geleefd na den datum van de schilderij, dan dat het niet te 
dwaas zou zijn om aan te nemen, dat zij zoolang onvoltooid zou zijn gebleven. Men zou 
dus alligt tot de veronderstelling komen, dat in de aanteekening van SCHAEP een onjuistheid 
school, wat bij hem, die, zooals wij later zien zullen, V. D. Valckert Vlack en v. D. VoORT 
v. D. Hoog noemt, nu juist zulk een groot wonder niet zou zijn. Ik waag echter (onder uit- 
drukkelijke reserve dat niets hiervan ten laste van A. D. de Vries komt), nog eene hypothese : 

ScHAEP noemt geen voornaam en wij behoeven daarom de Heeren Hofdijk en 
Scheltema niet na te volgen door hier juist aan Pieter Lastman te denken. Er is 
wel geen andere schilder van dien naam bekend, inaar Pieter Lastman had een zoon 
NicOLAAS, die de titelprent voor VAN Mander, benevens eenige prenten naar zijn vader en 
naar PiNAS in 't koper sneed en van wien wij verder niet veel meer vernemen. Is er iets 
onwaarschijnlijks in dat aan dezen LASTMAN, die misschien (zijn leeftijd brengt het wel 
mede) aan den uittocht der schutters zelf deelgenomen had, het maken dezer schilderij 
was opgedragen, en dat zijn vroegen dood aan NiEUWLANDT de taak heeft overgelaten 
van het te voltooien.!^ Het is werkelijk den Heer DE ROEVER gebleken, dat Claes 
Pietersz Lastman op den 6 Mei 1625 is begraven. Niet na een lang ziekbed, want 
19 April 1625 komt hij nog als kooper in een auctie voor. 

Wat Adriaan van Nieuwlandt betreft, zijn uitvoerige, goedgeteekende, kleur- 
rijke schilderij van den Dam, met den Leprozen-optocht op Koppermaandag, die thans nog 
op 't Stadhuis berust, geeft geen reden tot twijfel of hij de hand kan hebben gehad in 
het Schuttersstuk waarvan wij spreken, en dat door zijn kleurenpracht, door het groote 
effect zonder effectbejag *), door de goede plaats die het vroeger op de rariteiten-kamer van 

1) Bijna alle Schutters-stukken, hebben iels gedwongens door het aan den dag komen van de moeite die de schilder 
skh gegeven heeft, om de menigte figuren tot een meer of min gelukkig saamgevoegden groep te verbinden. In dit. stuk 
vjn de portretten eenvoudig naast elkander geplaatst, waardoor juist het natuurlijke in de houding van elk der beelden 
op och zelf is bewaard gebleven. 

16 



122 DE AMSTERDAMSCHE SCHUTTERS-STUKKEN ENZ. 

't Archief had, en door de omstandigheid, dat het een der weinige schutters-stukken is die 
een historisch feit voorstellen, een der meest bekende is geworden. 

Overigens behoeft men ook bij den naam van NiEüWLAND niet alleen aan Adriaan 
te denken. Uit de aanteekeningen, die DE VRIES uit de trouw- en doopboeken puttci 
blijkt dat er nog een ander schilder van dien naam in zijn tijd te Amsterdam woonde, namelijk 
Jacob van Nieuwlandt, in de Pylsteeg, die in 1616, op 23 jarigen leeftijd, met Maria 
VAN Ray trouwde. Hij was waarschijnlijk een bloedverwant van Adriaan, want deze 
stond als getuige bij den doop van een zijner kinderen (Pieter geb. 1628)*). Diezelfde 
dienst werd in de Nieuwe Kerk aan Adriaan van Nieulandt bewezen in 1618 door 
ISAAC VAN Coningsloo en in 1620 door Margrieta Bartolotti. Ik geef deze namen 
daar zij (de eerste tot een kunstenaarsfamilie behoorende en de tweede aan een van 
Amsterdams aanzienlijkste geslachten herinnerende) eene kleine aanwijzing geven omtrent 
de goede relaties van den schilder. 

PIETER CODDE. 

Daar het reeds, zoowel door Hofdijk als door Scheltema, is medegedeeld, be- 
hoef ik het hier alleen aan te stippen, dat de „magere Compagnie", waarvoor zeker al menig 
bewonderaar van Frans Hals hoofdschuddend is blijven staan „A*. 1637 bij Francois 
Hals begonnen en bij CODDE voorts opgemaeckt" is. Deed de aanleg aan Frans Hals 
denken, de afwerking geeft geen enkele reden om aan ScHAEPS mededeeling te twijfelen, 
dat zij van een andere hand is. — Over Codde en zijn geslacht is onlangs in dit Tijd- 
schrift, door M'. C. M. DOZY uitvoerig gehandeld. (IP. Jaarg. blz. 34 en v. v.). Is hem 
langen tijd de eer te beurt gevallen van Burgemeesters-kamer te versieren, thans hangt 
hij in 't Museum aan Rembrandts rechterhand! ,, ^ / . 

De schilderij stelt eenige schutters voor uit Wijk^^j^ De kapitein is Reynier Reael, 
de luitenant Cornelis Michielsz of Michiel Cornelisz *) Blaü. Dat de vaandrig niet 
Frans Hals zei ven voorstelt, wist men reeds lang; dat hij zooals de heer Hofdijk zegt 
kan heeten Pieter Egbertsz Vinck is juist; hij kan echter evengoed anders heeten. 

Oorspronkelijk hing de schilderij op de „nieuwe Sael" van den Voetboogsdoelen, 
tegenover den schoorsteen. 

Aangaande de stukken der meer bekende meesters : Rembrandt en VAN der Helst, 
Govert Flinck en Thomas de Keyser, hoop ik in een volgende aflevering nog eenige 
kleine bizonderheden mede te deelen. 



^) Er was ook in dat gulden tijdperk nog een schilder Jacob Prz. Nieuwvblt, wonende in de Gasthuissteeg. 
Verwarring met den naam Nieuland is niet mogelijk, want hij trouwde, tijdens het huwelijk van Jacob NiExn^ANDT, (in 
Z636) met Jannetje Hendriks, van Wijk bij Duurstede. 

*) Betrekkelijk den voornaam spreekt Schaep op twee verschillende plaatsen van zijn handschrift zicluelven tegen. 



ANNA ROEMERS. 

LOSSE AANTEEKENINGEN. 

DOOR 
J. H. W. UNGER. 



ET is een eigenaardig verschijnsel, hoe in de laatste dertig jaren de 
lust tot het bestudeeren van onze klassieke letterkunde is toege- 
nomen. Werden vroeger de werken van Vondel, Hooft, 
Antonides, Brandt, soms ook van Huygens slechts geprezen en 
gelezen als modellen voor stijl, thans worden zij meer uit een histo- 
risch of aesthetisch oogpunt beschouwd. Wij stellen ons niet meer te- 
vreden met de werken van een schrijver voor ons te hebben, we willen 
thans ook zijn levensomstandigheden, liefst zoo nauwkeurig moge- 
lijk, kennen ; we wcnschen een blik te slaan in zijn huiselijke om- 
geving, in zijn eigen gemoed, terwijl wij niet verzuimen de verhouding tot zijn vrienden na te 
gaan. Juist daardoor leeren we tevens zijn werken beter kennen, begrijpen en waardeeren 
Ten gevolge daarvan voldoen ons de oude deftige uitgaven niet altijd meer en hebben we nu 
behoefte aan wetenschappelijk bewerkte herdrukken. Die behoefte is ten deele vervuld. 
De prachtui^ve van Vondel opende de reeks; Starter, Hooft en Anna Roemers 
volgden. Ook Dr. Samuel Coster is in een nieuw gewaad gestoken, Bredero wordt 
bewerkt en HuYGENS is misschien in 't verschiet Waarlijk met dergelijke resultaten 
vóór ons mogen wij dankbaar zijn, dat dit verschijnsel zich heeft voorgedaan en zich nog 
zelfs in sterkere mate voordoet dan vroeger, ofschoon we den kring van hen, die er wer- 
kelijk belang in stellen, wel wat grooter zouden wcnschen. 

Toch kunnen — ik heb reeds meermalen de gelegenheid gehad dit bij VONDEL aan 

16' 



124 ANNA ROEMERS. 

te toonen — in deze uitgaven, hoe zorgvuldig ook bewerkt,. door den later komenden onder- 
zoeker dikwijls vele verbeteringen aangebracht worden, terwijl het, door gebruik temaken 
van nieuwe hulpbronnen, mogelijk is, tot heden onbekende bijzonderheden op te sporen. 

Zoo ook met de dichteres, wier naam boven dit opstel geplaatst is. In 1877 
kwam op een auctie van handschriften, enz., nagelaten door L. J. A. SCHELTUS V-^ 
Kampferbeke plotseling een handschrift voor den dag, dat niet rfiinder dan 32 eigen- 
handig geschreven gedichten van Anna Roemers bevatte. Slechts vier van deze waren 
reeds bekend. Geen wonder dus dat, toen prof. N. Beets door den heer Mr. W. J. ROYAARDS 
VAN DER Ham, die het voor hoogen prijs op genoemde auctie gekocht had, in staat werd 
gesteld kennis te nemen van den inhoud van dit handschrift, hij zich opgewekt gevoelde 
om een uitgave te bezorgen van „Al de gedichten van Anna Roemers ViSSCHER, vroeger 
bekend en gedrukt of eerst onlangs in handschrift ontdekt, naar tijdsorde en in verband 
met hare levensbijzonderheden uitgegeven en toegelicht." 

In de beide groot-4** deelen werden opgenomen de vertolking in Nederduitsche verzen 
van de „0«/ Emblemes chrestiens** van GeoRGETTE de Montenay, in 1854 door den 
heer A. D. Schinkel in slechts 125 exemplaren voor zijn vrienden gedrukt; de 193 twee- 
regelige Rijmspreuken, met enkele bijschriften in proza en poëzie, naar de tweede uitgave 
van haars vaders Stnnepoppen ; vervolgens de gedichten, ongeveer 25 in getal, in 185 1 
door M. D. DE Bruyn uitgegeven en eindelijk de tot heden onbekende gedichten uit 
het Letterjuweel^ vermeerderd met nog een paar evenzeer onbekende versjes^ door 
prof. Beets onder de handschriften van Huygens gevonden. 

Toch kan deze verzameling nu reeds vermeerderd worden uit een bron, waaruit 
niet iedereen gelegenheid heeft te putten en die men voor een dergelijk onderwerp niet 
zoo dadelijk zou meenen te moeten gebruiken. Ik bedoel den buitengewonen schat 
handschriften van Nederlanders in het Britsch Museum. Toen mijn vriend DE Vries, . 
weinige maanden voor zijn dood, zoo gelukkig was enkele weken naar hartelust in die 
ontzaglijke verzamelingen te kunnen snuffelen, kwam hij terug met een schat van 
aanteekeningen en een menig^te afschriften van brieven of gedichten, die hij er gevonden 
had. Onder deze bevonden zich twee eigenhandig geschreven stukken van Anna Roemers, 
een gedicht en een brief, die beide tot heden onbekend waren gebleven. 

Het vers luidt aldus: 

JOUFF»» ANNA ROEMER VISSCHER 

AEN 

S* RICHARD VERSTEGEN, 

auteur van de Nederduytsche Epigrammen, 
gedruckt tot Mechelen by Heyndrick Jaey 1617. 

Den cock die schoon syn const verstaet 
Proeft dicwils noch, oft op de maet 

Is inde saus, sout; suier en soet. 

Dat hy daer spaersaem inne doet. 



s. 



l 



^ • 



^Cil 



0^ 



ANNA ROEMERS. 125^ 

Wt vreese, was daer in te veel 
Dan was de saus bedorven heel. 

Maer isser in te weynich, hy 

Can lichtelyck daer doen wat hy. 

De vaersen hebben geur en aert 
Daer suer en bitter wert gespaert. 

Maer niet vergeten, wat daer aflf 

Geeft smaeck, dat anders was te laff, 
*k Vertrouwe dat u cloeck verstant 
Ons niet wil stoppen inde hant 

Dit als een soete leckerny 

Maer wel als dranck en Artseny, 

De volledige titel van het hier bedoelde boek is: ..^Nederduytsche Epigrammen met 
gentichlycke Efüaphien. Deur R, V. Tot Mee helen ^ by Hendrick Jaey 1617. 

Het is mij echter niet mogen gelukken een exemplaar van dezen druk of van een 
der latere onder de oogen te krijgen. In het vervolg op de Nederduytsche epigrammen, 
te Brussel in 1624 bij Jan van Meerbeek verschenen, komt niets van of over Anna 
Roemers voor. Waarschijnlijk heeft zij RiCHARD VERSTEGEN te Antwerpen leeren 
kennen. Hij was te Londen geboren, waar zijn vader Theod. Rowland VERSTEGEN 
zich uit Gelderland teruggetrokken had en waar hij RiCHARD als kind van negen maanden 
achterliet. Zijne moeder hertrouwde en op zijn zestiende jaar werd hij gedwongen zijn 
vaders handwerk te aanvaarden. Later kwam hij toch tot studeeren. Toen hij zich 
wegens den Katholieken godsdienst, waaraan hij vurig gehecht was, uit Engeland moest 
verwijderen, vertoefde hij veelal te Antwerpen. Hij schreef behalve de genoemde Neder- 
duytsche Epigrammen nog eenige werken in het Latijn en in het Engelsch *). 

De inhoud van den brief is als volgft : 

Eerwaerde Hooch Geleerde Heere. 

lek heb (te Loven sijnde) dit bouck aengenomen te bestellen, dat ick oock 
seer garen deede om door die middel te sien en te kennen, wiens naam en 
geleertheyt al de weerelt bekent is. Doch de nijdige gelegentheyt heeft mij 
daerin niet willen dienen alsoo het geselschap daer ick me tuys quam^ over 
Amsterdam niet en ging. Nu ben ick beducht, dat dien het sendt en dien het 
ontfangt, my sullen beschuldigen van Achteloosheyt. Eylievel beschuldigt 
liever de coorts, die my (wel tegen mijn danck) een maent langer te Antwerpen 



1) JOCHER, Allgem. Gd. Lexicon. Ldpxig 1751 IV coL 1548. 



126 ANNA ROEMERS. 

heeft gehouden als ick meende te blijven. De Heere Gevertius heeft my oock 
belast U. E. en den seer geleerden Heere BarlaeüS te groeten. De groe- 
tenissen comen oock wat laet Dan het is noch beter spade, als nimmermeer. 
Hiermede, seer Geleerde Heere syt hertelyck gegroet 

Van UE. dienstbereyde Vrindinne 
Desen 30 September uyt Alckmaer. Anna Roemers. 

Het adres luidde : 

Erentfeste discreete 

Hooch-Geleerde Heere^ mijn Heere 

GEKARDE VOSSIUS') 

Professor in de Hooge School 

woont in de Blyenhoeck tot 

Port Amsterdam, 

Het cachet, waarmede de brief verzegeld was, vertoont een staf, een degen en 
een scepter gekruisd en omgeven door een kroon, zooals we dit afgebeeld vinden op het 
zevende prentje van het tweede schock van haars vaders Sinnepoppen ; waarover hieronder meer. 

Daar deze geestige brief geen aanwijzing van een jaartal draagt, is het noodig, 
er even bij stil te staan om te trachten op te sporen, wanneer Anna Roemers hem ge- 
schreven heeft. Zij spreekt van haar verblijf te Leuven; niets zou dus eenvoudiger 
zijn, dan in de nieuwe uitgave op te zoeken, wanneer zij aldaar geweest is. Een 
bepaald antwoord is echter niet zoo gemakkelijk te vinden. Er blijkt wel uit haar 



1) Als een bewijs van den rijkdom van het Britsch Museum aan HoUandsche handschriften, gelde het volgende over 
Vossius. De Vries vermeldt in c^n aanteekeningen een brief van Johannes Vossius aan zijn ouders van i6 April 1655, 
▼an Welhelm Nooms uit Amsterdam aan DiON. Vossius te Leyden van 21 Oct. 1630, van N. van Reigersbbrg aan 
de weduwe van Vossius (13 Nov. 1650), van C. Rütgersiüs (i Oct. 1637) en W. Teelinck (1615) aan Vossius; brieven 
van Jan Dein Vos aan Gerard Vossius zijn neef, van DiOnys Voisius aan zijn moeder met dit adres: „Aen Jnffiroaw 
Elisabeth du Jon, huysvrouwe van mijn Heer Gerardus Vossius, professor, woonende op Stecnschuyr in Francfbort tot 
Leyden", verder nog een brief van Jan Huyben Vos uit Ruremondt aan zijn neet Gerard Vos (1604), twee brieven van 
Vossius aan zijn nichte van de Smytse en nog vele andere. 

Een zeer karakteristiek briefje aan Gerardus Vossius, toen Rector in de Latijnsche school te Dordrecht, kan ik 
niet nalaten hier af te drukken. 

Loff godt in Rotterdam den 23 Agusti ano 1607 

Beminde soon Gerardus Vbstius ick hebbe U. E. schrivens van den 19 Agusti op den 22 desers'avons 
ontfangen waerwt ick verstae dat U. E. brudegom sijt, U. E. veel gelueclix wenschendc ende U. E. secrbedan- 
ckende dat U. E. ons op U E. feest bent noodende, maer alsoe myn man te Delft is op het sinnodus daer hy 
moghelick noch al een dach twee ofte drie bliven sal ende wy daer te vooren niet van geweeten en hebben om 
ons daer wat na te regeleren soo bedanck ick U. E seer voor myn parsooens oock mede voor myn nian«i*. 

UE. moeder 
ANNEKEN FRANSE VANDER HORST 

Den eersamen endesetr discreten 

GERARDUS VOSSIUS 

wonende inde Nieustraet tot 

Dordrecht» 



ANNA ROEMERS. 127 

gedichten, dat zij van 1640 tot 1646 verscheidene malen in de Zuidelijke Neder- 
landen geweest is; maar alle, of bijna alle hebben betrekking op een verblijf te 
Antwerpen. Grelukkig is er een gedicht, dat ons hier een uitnemende vingerwijzing geeft; 
het is dat aan Erycius PuteanüS, „Linguae Latinae Professor" aan de Universiteit te 
Leuven^). Aan hem was Anna Roemers door Barlaeus (dd. 4 April 1 642) en Huygens 
aanbevolen. Den 14 September 1642 zendt Puteanus aan Barlaeus een brief, waarin 
hij uitweidt over den aangenamen indruk, dien zij tijdens haar verblijf te Leuven gemaakt 
heeft. Er zal dus wel geen twijfel meer behoeven te zijn : de brief van Anna Roemers is 
in 1642 geschreven. Zij was een maand lang te Antwerpen door koorts verhinderd verder te 
reizen, van daar dat haar brief eerst van den 30*" September is en die van PUTEANUS 
reeds van den I4*". 

Doch er is meer. Een paar jaren geleden kwam ik in het bezit van een klein lang- 
werpig boekske in 12®, dat tot titel voerde: Othonis Vaeni Emblemata aliquot Selectiora 
Amatoriay Amsterodami^ Apud Guilj : Janssonium, A' 16 18." Het bevat, behalve een 
allerliefst titelprentje, 70 emblema's. Wie de graveur van deze prentjes was, kon mijn 
vriend DE VRIES mij niet met zekerheid zeggen. 

Het boekje bevat eerst een opdracht in het Latijn aan „GuiLiELMO Bavaro, Domino 
de Holinchovem Equiti Aurato'*, geteekend „Antwerpiae," dus waarschijnlijk van de hand van 
Otho Vaenius zelven; verder een epigramma van HuGO DE Groot op dit boekje, en 
Latijnsche lofgedichten van Dan. HeinsiüS, Max. Vrientius en Ph. Rubenius. Dan volgen 
twee gedichten, het een in *t Fransch, het andere de vertaling ervan in onze moedertaal, getiteld 
Cupidon d la Jeunesse en Cupido tot de Jeught, met een Sonnet in beide talen en daarna 
de 70 Emblemata amatoria met Latijnsche, Nederlandsche en Fransche bijschriften. Het 
laatste gedeelte van het boekje dra*gft den titel: ^^Sommighe Epühalamien^ Elegien en 
Sonnetten^'* en begint met een y^Klinck-dicht^ aende kijckers\ door G. A. Bredero, 
een gedichtje, dat tot heden niet herdrukt is. Op de volgende bladzijden treffen wij een 
Bruylojtdicht aan van P. C. H(OOFT), dat in zijn Gedichten (Ed, Leenderts) op bl. 
80 van het eerste deel gevonden wordt als gemaakt „ten huwelijcke van Adriapn 
Woüterszoon Verhee, en Katharine Gerrits Kop", getrouwd den 20 Juni 1618. Daar- 
op volgen een Sonnet en een Elegie, beide in 't Fransch, een ongeteekend Sonnet van 
Hooft, te vinden bij LEENDERTS I. bl. 59 met het jaartal 1606, een Fransch Sonnet en 
een Bruiloftdicht van P. C. H(ooft) „op *t huwelijck van Cornelis Plemp en Geertrui 
DOBBES", den 3 Juli 1610; eindelijk nog een Fransch Sonnet en een jB/éjfi^ in dezelfde taal. 

Het boekje ontleent zijn belangrijkheid voor ons op dit oogenblik niet aan de 
gedichten van GrotiüS of Heinsius, van HoOFT of Bredero, maar aan de 70 bijschriften 
bij de prentjes. Tegenover elke gravure zijn drie gedichten afgedrukt, een Latijnsch, een 



1) Anna Roemess. AlU éU.gedUhteiu II bl. 263. 



128 ANNA ROEMERS. 

Hollandsch en een Fransch. Het zijn vertalingen van elkaar. Moeilijk is het echter te 

zeggen, welke het oorspronkelijke is; ik zou vermoeden dat eerst het Latijnsche gedicht 

geschreven was, hetgeen toen in het Fransch vertaald en daarna weer in het Nederlandsch 

overgezet werd. Het laatste gedicht eindigt ^^Genoegh meer dan te veel, is vry van schand' en 

rouwe." Het gecursiveerde gedeelte bracht mij onmiddellijk de spreuk van ANNA Roemers : 

Genoegh is meer in de gedachte *) of zooals Westerbaen in zijn Ockenburgh schreef: 

Hoor wat de spreuke seyt van 't oudste ROEMERS kind: 
Genoegh is meer als veeL 

Nu is het waar, dat zoowel het I^atijnsche (lam satis, et plusquam satis est, satis 
usque probatum est) als het Fransqhe gedicht (Assez est plus que trop) dezelfde woorden 
bevatten, maar bij het HoUandsche hebben wij, volgens zeventiende-eeuwsche ge- 
woonte, blijkens de cursiveering van die woorden te doen met een toespeling op de 
zinspreuk van den dichter. Bovendien komt het mij hoogst waarschijnlijk voor in de 
vertaalster van deze bijschriften Anna Roemers te zien. Zij had smaak in zulk werk; de 
overzetting van de Cent Emblemes chrestiens van Georgette DE MONTENAY en de bijschriften 
bij Roemer Visscher's Sinnepoppen bewijzen dit. Ook het gezelschap van HoOFT en 
Bredero versterken mij in de meening, dat we hier werkelijk te doen hebben met tot 
heden onbekende gedichten van Anna Roemers. Daar het boekje zelf misschien een 
unicum is — te vergeefs heb ik sedert lang getracht een tweede exemplaar ter 
inzage te krijgen, daar het mijne defect*) is — acht ik het hier de beste plaats om 
deze gedichten ') af te drukken en daardoor het oordeel van anderen er over in te 
roepen, 

1 Liefde is eewigh. 

Van d* ouden door de slangh of trou-ringh sonder ende 
Wert d' eewigheit verstaen, die nimmermeer vergeet: 
Oprechte Liefde vast in eewigheyt bestaet, 
Die niet en wert beweeght door voorspoet noch ellende. 

2 V Bestaet al door Liefde, 

Cupido's hemels loop, de zee, en 'taerdtrijck mede 
In harmonie houdt, en hecht met sclnchten goedt: 
*t Waer al maer zonder hem een chaos heel verwoedt, 
Den hemel hoogh' en d'aerd' hy onderhoudt in vrede. 



1) Dat zij deze spreuk voerde, kan blijken uit het bovengemelde cachet. In de Sinnenpoppen is bij dat prentje, 
waarop dezelfde voorstelling als op dit cachet is afbeeld, het opschrift Genoegh is meer te vinden, terwijl in het bijschrift 
sinnebeeld en spreuk nader verklaard worden. 

«) Aan mijn exemplaar ontbreken de bijschriften No. 3, 4, 16, 18, 21, 22, 23, 24, 31, 33, 38, 43, 66, 67, 68 en 69. 

s) Ter vergelijking van de teksten schrijf ik, zoo voor de hand weg, het volgende gedicht af: 

II. PedeUnHm. Petü è petit. 

Pbopert. Ac veluti primo tauros detrectat aratra, Au premier Ie Taureau Ie joug du dur servage 

Post venit assueto moUis ad arva jugo: Secoue, mals enfin au chignon il Ie prend, 

Sic primo juvenes trepidant in amore feroces, Encor' qu'au premier coup tout homme ne se rend, 

Post domiti, mites aequa et iniqua ferunt A la fin par Amour est fleschi son courage. 



ANNA ROEMERS. 129 

5 Alles ghevieen. 

Fortuyn twee Heven schenct, zo wel aen d*een als d'ander, 
Maer een gelijcken dranck, geluck of tegenspoet, 
Het gheen dat d'eene lijdt oock d'ander lyden moet, 
Ghelieven hebben 'tal ghemeynsaem met malcander. 

6 d" Eene handt wascht d andere. 

Dat d' een den anderen helpt, is weert te zijn gepresen, 
Dees' creup'le liefd' den wech zeyt aen dees' liefde blint, 
Dees' blinde draeght op hem dees creuple wei-bemint, 
d* Een lief van d'ander moet 't gebreck behulpigh wezen. 

7 Niet belet my. 

Cupido den Termijn alleen maer can verstoten, 
Die elck een moet ontsien, selfs Jupiters ghewelt 
En can hem niet voorby, Cupidons cracht hem velt, 
De Liefd' alleen is vry, en in gheen wet ghesloten. 

8 Liefde verwinnet al. 

Tot Phoebus trotsigh zeyt Cupido, met een schichte 
Hem schietende : Al hebt ghy Python t' onderbracht, 
Zoo veel de dieren min als Goden zijn gheacht, 
Veracht by myne macht te licht is van ghewichte. 

9 Niet teghen Liefde, 

Glieen yser ofte stael de Liefd' en 'can beletten 
Te schieten 't gheen hy wil, geen helm of schilt en baet 
' Den trotsen oorloghs-man, dat hy zijn cracht ontgaet 
Al wat op aerden leeft, dwinght Liefde met zijn wetten. 

10 Die veel bestaet^ hem veel ontgaet, 

Hy die twee hasen jaeght vanght selden een v^ beyden, 
De ghene die ghelijck twee dochters oock bemint,' 
Hem sitten meest in d'asch tusschen twee stoelen vint. 
De liefd' en recht niet uyt, wanneer hy is ghescheyden. 

1 1 Allenxkens, 

Den stier en wil in 't eerst het jock gheensins ghedoghen, 
Maer met der tijdt hy hem daer in ghewennen laet; 
Een jonghman fier van moedt in 't eerst wel wederstaet, 
Maer werdt na Liefdes wil ten laetsten wel gheboghen. 

12 U Ts te spade. 

Vergeefs ghy minnaer vlucht in 't bosch verr' van de lieden, 
Ghy zijt niet wel bedacht, want niemant u en jaeght, 
't Geen ghy 't ontloopen meent, ghy zelve met u draeght, 
Niemant en kan zich self tot gheender tijdt ontvlieden. 

13 Liefd' is onmatigh. 

Cupido, maet en toom vertreedt met liehte sinnen, 
Gheen maet is in de Liefd', gheen breydel en belet 
Cupido in zijn vlucht, voor hem en is gheen wet. 
In alle dingh is maet, maer gheensins in 't beminnen. 

17 



130 ANNA ROEMERS. 

14 Liefde deughts oor saki. 

De daden hoogh vermaert der aldervroomste mannen^ 

En waren noyt gheschiet, dan door te zijn ghewont 

Van liefdes schichten snel, in hunder herten gront. 

Daer 't wit des deughts men raeckt, heeft Liefd* den boogh gespannen. 

15 V Beginnen valt swaer. 

De vrees van achter treckt den xninnaer in 't aencomen 
Of als hy eerst sal gaen, om aen zijn lief zijn smert' 
En Liefd' te maken kondt, of openen zijn hert. 
De schaemt en vreese doet d'oprechte minnaer schromen, 

17 Als goudt tn '/ vier. 

Gelijck men door het vier en op den toetsteen claerlijck 
Een gouden penningh proeft, of die is valsch of goedt, 
Zo werdt de Liefd** besocht door noodt of teghenspoedt, 
De nood maect van de Liefd' de waerheyt openbaerlick. 

19 Oprecht 

De Liefd' in al zijn doen en kan hem gheensins vejmsen, 
Zijn hart leyt op zijn tongh, onsichtlick hy noyt gingh, 
Als Gyges, die zulcks deed' door kracht van zynen ringh, 
• De LieM' ei^ laet niet toe te decken de ghepeynsen. 

20 Met der tijdt. 

Door 't lecken geeft haer jongh zijn maeksel de be)rrinne 
Dat maer is een stuck vleesch in 't eerst met geen fatsoen. 
Door 't smeken vriendelick, door 't dienen, en 't weldoen 
De Liefde wert volmaeckt, hoe rou oock in 't beghinne. 

25 Gons te sterckt Liefde. 

\ Jonckwassende groen crujrt men dickmaels siet begieten 
Want het dan beter wast, en oock te meerder groeyt; 
Door der ghelieven gonst de Liefde meerder bloe)rt, 
En maeckt dat zy daer na der Liefden vrucht ghenieten. 

26 Door Liefde wel bespraeckt. 

De Liefd' vemuftigh, geeft den minnaer het wei-spreken: 
Wat woorden schoon gheciert, een minnaer niet versint, 
Om te verkryghen 't gheen' hy boven al bemint? 
Wien Liefde gunstigh is, en zal gheen spraeck ontbreken. 

27 Liefde leert alles. 

Cupido op de maet de minnaers wel leert singhen, 
En Hercules vermaert hy 't spinnen leeren kond, 
Van alle consten eel, Cupido d'oorsaeck vond. 
De Liefde maeckt den mensch bequaem t^ alle dinghen. 

28 • Oorsaeck doet stelen. 

Die honghert by de spijs' can qualick t'eten laten. 
Die by het water dorst, die wil daer drincken van: . 
Den minnaer by zijn Lief hem qualick wachten can 
Te blusschen zynen brandt van Liefde boven maten. 



ANNA ROEMERS. 181 



29 Al spelende. 

Van 't dertel Venus kindt seer zoet zo zijn de laghen, 
Al jockend' in den strick brenght hy ons onbedacnt, 
Gevangen werdt men meest, als men het minst verwacht, 
Met Liefde niet en speelt, wilt ghy zijn jock niet dragen. 

30 Liefde vindt middeL 

Ziet hoe Cupido vaert door baren, en door stromen, 
Zijn koker hem een schip, zijn boogh een riem verstrect. 
Zijn slueyerken een zeil: als Liefd* een minnaer weckt. 
Geen middel hem ontbreeckt om by zijn Lief te comen. 

32 Volherden verwint. 

De schilt-padt 't wedtspel wan, dat zy veel eer cloeckdadigh, 
Zou comen dan den haes' tot sek're plaets: met vlijt 
De schiltpadt altijdt gingh, den haes' hiel op somtijdt. 
Die jagher vanght het wilt, de welcke loopt ghestadigh. 

34 Het eynd* goedt al goedt. 

Een schip en recht niet u)rt langh van de zee ghedreven, 
• 't En zy 't de haven windt, die altijdt wert begheert, 
Vergheefs is 't langh ghevrijt, zoo men niet triompheert. 
En by zijn lief met vreught in rust hem mach begheven. 

35 Door quellinghe stercker. 

Geen boom staet vast gheplant, dan die van stercke winden 
Zeer dikmaels is bestormt: geen Liefd' is kloeck van moet. 
Dan die wel heeft ghedaen zijn proef door teghenspoet. 
Hoe vast de Liefde staet, men in den noodt zal vinden. 

36 "'t Beroeren véreenighi, 

't Ghestadigh roeren, doet het melck te samen loopen. 
En werden vast in een: des Liefd's bewegingh' doet 
Twee lieven werden een, van hart en van ghemoet. 
Dat eenmael Liefde voeght, zeer qualijck ist t' ontknopen. 

37 Jaghen voor '/ vanghen. 

Eer 't hert men vanghen can, de Liefde moet eerst jagen. 
Met honden van ghesmeeck* van eer' en dienst beleeft, 
Hoe 't meerder moeyten cost, hoe men 't veel liever heeft, 
In 't geen men lichtiick vanght, men lichtlick hééft mishagen. 

39 ^ Tn laeghen poel ist haest ghereghent. 

De keersse uytgheblust men wel opblaest somtyden, 
Zo noch het lemet vonckt: de Liefd* oock eens vergaen; 
Werdt door een middel cleyn wel weer gesteecken aen. 
Die blyven wil gherust moet Liefdes oorsaeck myden. 

40 Sonder rust. 

De vlam men niet en can ghevatten, noch ghestillen; 
Noch oock des minnaers gheest, noch zijn onrustich hert, 
't Welck altijdt hier of daer in 't wilt ghedreven werdt, 
Den minnaer duysentmael verandert in het willen. 



17* 



132 ANNA ROEMERS. 

41 De Liefde can niet verbeuren. 

De minnaer onbevreest den hooghsten eedt mach sweren, 
Door gheen besette straf zijn valscheyt loon verwacht. 
Want Venus ^en eedt met Jupiter belacht, 
Den mmnaer is veel eer als and're t' excuseren, 

42 Liefde moei blijcken. 

Niet wel men decken can Cupidoos vier van minnen, 
Het vmdt altijdt een gat, waer datmen 't stopt ot steeckt, 
Daer 't deur sijn stralen schiet: de macht elk meest ontbreect, 
Te schynen anders, dan het hert ghetuyght van binnen. 

44 Aïijn hert Cupidoos wii. 

Mijn borst eylaes is *t wit, daer in Cupido crachtich 
Ghestadelicken treft, gheen ander wit hy schiet, 
Seer selden houdt hy op, d»een scheut wacht d*ander niet. 
Zijn glory door dit feyt hout hy voor groot en machtich. 

45 Te vergheefs. 

Hier uyt den viersteen werdt vergeefs het vier geslaghen 
Want daer geen vonck en is: vergeefs men oock bemint 
Die sonder Liefdes vonck men onbeweeght bevint. 
Oock sonder wederlield' ist qualick Liefd' te draghen. 

46 Gheen vreught zonder pijne. 

De doornen meestendeel hen steecken, die somtyden 

De rooskens plucken gaen; der minnen zoete vreught 

Met pyne men gheniet, met smert en ongeneught. 

Een minnaer voor een vreught moet veel verdriet eerst lyden. 

47 Traegh int ver tree ken, 

Cupidoos comst is snel, en langhsaem is zijn scheyden, 
Een oorsaeck vint hy haest, die *t wcchgaen hem belet. 
Dat haest comt, haest vergaet, strijdt teghen Liefdes wet. 
Door vrees* van scheydens pijn Cupido zoect 't verbeyden. 

48 V Droomen verheught. 

De minnaers meestendeel hun droomen zelfs versieren, 
Jae meenen dat hun lief comt voor hun bedde staen, 
Casteden in de locht zy dickwils bouwen gaen. 
De Liefde droomen doet op veelderlèy manieren. 

49 Onuytblusschelick, 

Gheen water bluscht mijn brant, maer meerder doet ontsteken, 

Cupido met zijn vier het water vlammen doet; 

Hoe can ghenesen dan mijn dorstigh cranck ghemoedt, 

Als 't gheen dat helpen zou, verargert mijn ghebreken. 

50 Duyzent middelen. 

Het veil vint altijdt yetj daer 't aencleeft en mach rysen 
Den minnaer in al 't gheen dat zijn Lief zeyt of doet 
Licht oorzaeck vat, die hem toebrenght veel vruchten zoet. 
Den minnaer nutheyt schept op veel verscheyden wysen. 



ANNA ROEMERS. 183 

51 Toonen doet helpen. 

De gheen die is gewondt mach stoutlick zonder vrezen, 
Ontdecken wel zijn wond' den rechten medecijn; 
Toont aen u Lief u wond', wildy ghenesen zijn. 
De zieckt' te kennen, is 't beghin van het ghenesen. 

52 Die ff heboden dienst versmaety Wenster wel oniy alst is te loet. 

Het weygh'ren altemet de dochters staet zeer eerlick, 
Maer seecker al te veel, ick hier te prysen laet; 
Want die gheboden dienst en trouwicheyt versmaet, 
Is wel na diensst en trou, alst ist te spaey, begheerlick. 

53 Jae tot in den doodt, 

Doet vry u best' mijn Lief, met duyzent pynen lastich, 

Verbrant mijn in het vier van u verstoort ghemoet, 

Ick en begeer geen wraeck, maer neem' het al in 't goedt, m 

Want ware Liefd' alleen, blijft in den doodt stantvastich. 

54 Met gfudult, 

Den boom met d'eerste slach en valt niet in 't beghinnen, 
Maer in 't volherden wel door slaghen veelderley, 
't Ghestadigh druppen hooit een steen of herde key, 
Den minnaer met gedult 't hert van zijn lief moet winnen. 

55 Veel kissen doet ver lies en, 

Gelijcken een meysken jongh gaet plucken d'een na d'andren, 
Veel blomkens, en vergheet haest d'eerst' in het gemeen, 
Zo doet oock die aenvanght de vrientschap van elck een, 
Dickwijls de nieuwe Uefd' doet de oude gantsch verandren. 

56 Lachende doodt zy. 

Een Crocodil noch weent, gaend' eenen mensch verslinnen, 
Maer zy die mijn vernielt, belacht mijn pijn en doodt. 
De smert verdubbelt, wert belacht, zijnd' in den noot, 
Die 't pynighen verheught, is dubbel wreet van binnen. 

57 Haest ontsteken y haest vergaen. 

Het stroo men lichtelijck doet boven maten blaken, 
Dan zo haest het ontsteeckt, zo haest het oock vergaet; 
De liefd' die haest ontvonct, niet langh stantvastigh staet, 
't Onmatelick beghin duert niet van gheene zaecken. 

58 Gheveynstheyt Liefdes wijsheyt, 

U te bedrieghen lief, quam noyt in mijn ghepeynsen, 
Hoè wel ick ben vermomt, en zijt doch niet vervaert. 
't Is om de nyders wil en tonghen valsch van aert. 
Een minnaer wel bedacht moet voor de lieden veynsen. 

59 Eerst iiejhcky na pijnlick. 

Ghelijck de Sou verheught als hy eerst comt oprysen, 
En in des middaeghs brant zijn hett' ons van hem jaeght; 
De Liefd' oock me in 't eerst ons wonderlick behaeght, 
Maer in zijn meesten brandt wij hem niet zeer en prysen. 



ANNA ROEMERS. 

60 Bedwongken stcrchtr. 

Als eenigh dingb den loop des waters wil beletten, 
't Zal maken groot ghetier; daer 't anders vloeyde stil; 
Zoo de fortuyn of yct de Liefd' verhind'ren wil, 
Hy gaet met meer gewelts zijn «acht daer tegen setten. 

61 Aiajdt ffhtquelt. 

Een rainnaers hert altijdt werdt van zo veel gedachten 

Bevochten, als een roots van baren in de zee, 

Zeer zelden heeft het rust, of een volcomen vree, 

't Ghepeyns den minnaer quelt by dagen en by nachten. 

(>z Altijdt even schoon. 

^ Bemindt niet, zo men acht de schoone blomkens cierigh. 
Die zo langh zy zijn vcrsch, men maer in eeren houdt; 

• Is u Liefs jeught verflenst, is zy joi^h ofte oudt, 
Hoe 't zy, versmaetse niet, maer toont u even vierigh. 

63 Ten eynde toe. 

Een lonte tot het eyüd' verbrant van het beginnen: 
Wanneer Cupido eens het hert ontsteken heeft 
Van een oprecht ghelief, die duert zo lang hy leeft, 
Den minnaer tot der doot getrouw blijft in 't beminnen. 

64 LUfdés list boven al. 

Ziet hoe 'Argus wert door Liefdes list bedrc^hen. 
Zijn hondert ooghen doet hy slapen door zijn spel, 
Gheen dingh is zo bewaert of hy vercrijght het wei, 
Zijn list te boven gaet de wackerheyt der ooghen. 

65 Aüeen om 't jaghen. 

Het hert, 't welck heeft ghevaen Cupido hcht van zeden, 
Hy voorts niet meer en acht, maer spoort heel ongerust. 
Na 't gheen in 't wilde loopt : alleen uyt viyens lust, 
En niet om liefs gheniet, vrijt menigh jonghman heden. 

70 Te langh gheproeft. 

Te spade comt de proef van 'sminnaers liefd' en trouwe. 
Die niet dan door de doodt wert voor oprecht bekent, 
Van 't uyterste beproef zeer zorghlick is het end'. 
Ghenoegh meer dan te veel, is vry van scband' en rouwe. 



( Wordt vervolgd!) 



BIOGRAFISCHE AANTEEKENINGEN 

BETREFFENDE 

N 

VOORNAMELIJK AMSTERDAMSCHE SCHILDERS, PLAATSNIJDERS, ENZ. 

EN HUNNE VERWANTEN 

verzameld door 
♦ Mr. A. D. de vries Azn. 



BIOGRAFISCHE A ANTEEKENINGEN. 187 

Ondertr : 27 Oct 1649 Cornelis Cruywagen, van A., out 21 j. woon. bij de Harinck- 
packerstooren, geass. met sijn vader Hendrick Jansz. Kruywagen, en Grietjen Olphers, van Oostzaenen, 
out 21 jaer, enz. (Kerk. huw. procl.) 

Ondertr. 22 April 1625 Joost Kryne, schilder ^ op de Keyzergraft, ende Josijntgen Servaes, 
van Leyden, op de Konincxgraft. (Puiboek.) 

D. 

Gedoopt 16 Febr. 1625 Nieuwe Kerk. Barbeltje, dochter van JanAeijansz. Keyser, en Anna 
Gerrits; Cornelis van Dalen getuige. 

Gedoopt 28 Dec. 1638. Nieuwe Kerk. Cornelis, zoon van Cornelis van Dalen 
en Catrijn Jans; Lijntje Friesma getuige. 

Gedoopt 13 Nov. 1640. Nieuwe Kerk. Sara, dochter van Cornelis van Dalen en Catrina 
Jans; Lijntje Hectors getuige. 

1664 9*» September testeert voor Notaris Hellerus Cornelis van Dalen, plaetsnydevy 
wonende op de Princegracht inde Toren van Amersfoort O siekelyck van lichaem op een stoel 
zittende nochtans syn verstant, memorie ende spraeck ten vóUe gebruykende, enz.; hy revoceert alle 
vroegere beschikkingen en legateert: 

Aen Lavina Jans, syn testateurs overleden huysvrou zal', oudtste suster, de somme van seshondert 
carolus guldens ende daer en boven een süveren beker van haer vader za». gemaakt; aen Esther 
Jacobs van Hasbeeck, mede suster van syn Testateurs overleden huysvrouw z. de somma van 
duysent carolus guldens ende daerenboven de silvere beker, daer syn testateurs wapen op staet. 

Aen Geertruyd Jacobs, syn Testateurs dienstmaeght, de somme van vierhondert guld. ende 
daerboven syn beste bedde met de peluwe, 2 hooftkussens, 2 paer slopen, drie dekens, 2 paer 
slaeplakens, een paer gordynen, en het valletje (enz.) Hy stelt tot zynen algeheelen erfgenaam 
Abraham B (1) ot e 1 (i n g), plaatsnydery dewelcke by hem comparant (innewoont) en stelt 
tot executeuren Dirckvan Ryswyck, ende Gerrit Jansz Tiel, «7z/^j»i*^,syne goede bekenden, 
en bepaalt, dat deselve executeurs terstond t na syn testateurs (overlyden) uit syne eerste ende 
gereetste natelatene goederen een recognitie oft erkentenisse sullen trecken van yder veertich 
silvere Ducatons ende daerenboven deselve GArit Jansz Tiel een boeck synde de £abulen van 
Esopus hoogduits in quarto (enz.) 

Gedaen t Amst int bysyn van Adrian van Dalen ende Bemardus Laurens, Clerquen, als get. 

(Prot Not J. Hellerus p. 163 bL 25.) 

Begraven Nieuwe Zijds Kapel 7 April 1665 een man Cornelis van Dalen, comt 
van de Pnnsegraft over de Loierstraet van de Amersfordcr Tooren. / i5«' 

Op huyden 11 April 1665 comp. voor Jacobus Hellerus, notaris enz. Dirk van Amersfoort, 
•steencoper, wonende op de Elantsgracht deser stede, ende bekende mits desen ontfangen te hebben 
uyt handen van Abraham Blotelingh, Plaetsnijdery als erfgenaem van z5r. Corne- 
lis van Dalen, de somme van hondert vijf en twintich guldens over een half Jaer 
huyshuyr verschonende Mayavondt deses jaers XVI vijf en zestich van 't huys op de Princegracht, 
daer de toren van Amersvoort uythanght, daer de overleden van Dalen in gestorven is, be- 
danckende denselven Blotelingh voor goede voldoeninge en betalinge, bekennende mede met 
de voorsz. Blotelingh veraccordeert ende verdragen te zijn, dewijl de voorsz. van Dalen 
aen 't voorsz huys noch een jaer hure hadde, dat hn compt denselven Blotelingh, van 
deselve hure ontslaet ende 't selve huys van Mayavondt 1665 weder aen hem neemt, belovende 
denselven Blotelingh in 't minste niet te moeyen, waervoor hij bekende van denselven 
Bloteline ontfangen te hebben de somme van seven en veertich guld. (enz.) hiervan acte gedaen 
t' Amst in het bijzijn van Dirk van Rijswijcken Gerrit Jansz Tiel, als getuygen. 

(Prot Not J. Hellerus, p. 163, bl. 485.) 

Op huyden den 27 Aprills (1665) comp. voor mij Tacobus Hellerus, not te Amst D i r c k 
van Ryswijck, Goudsmtt, wonende in de Beerestraet, deser stede, mij not. bekent. • . . bekende 
mitsdesen ontÊmgen te hebben uyt handen van Abraham Bloteling, PUutsnijdery ses en twintig 



1) Tijdens de uitgifte van de Standbeelden van Perrier, woonde hij elders. Gedrackt T' Amsterdam voor Cornelis 
van Dalen, vooraan op de Lauriersgracht, in de Blauwe Druiff. Zonder Jaartal. Gegraveerd volgens het opschrift op den 
titel door Cornelis van Dalen, den ouden en den jongen, (v. d. K.) 

18 



138 



BIOGRAFISCHE A ANTEEKENINGEN. 



sil veren Ducatons hem heden in prt mijns notaris aengetelt, maeckende met de veertien Ducatons 
die hij compnt aen Cornelis van Dalen zalr. deuchdelijck schuldich, is veertich ducatons, 
ende dat in volle betalinge soodanige veertich ducatons als comparant bij testamente van den 
voorsz Cornelis van Dalen zalr. gepasseert op den 9e Sept. Ao. 1664 voor mij not. ende getuigen 
gelegateert ende besproken heeft, bedanckende derhalve denselven Blotelingh enz. 

get: Derk van Ryeswijck. 
(Prot. Not, J. Hellenis pak 163.) 

Inventaris van de goederen metten doodt ontruymt ende nagelaten by Cornelis van 
Dalen, in syn leven plaetsnyder^ gewoondt hebbende ende overleden op de Princegracht deser 
Stede, beschreven ten versoecke ende op t aengeven van Sr. Abraham Blotelingh, pUutsnyder^ 
wonende ten huyse van den overleden, ten overstaen van S". Dirck vanRijswijck, ende Gerrit 
Jansz van Tiel, als executeurs van ae uyterste wille van de voorsz. Cornelis van Dalen, 
door my Jacobus Hellerus Not». Publ. 



In de beste Kamer, 

62 Meest oude Rijxdaelders enz. (verder een 
groote hoeveelheid van allerlei gouden en zilveren 
geldstukken,) 

Een goed voorziene inboedel waaronder: 

Een eecke pars (drukpers)? met een cleyn tafel- 
tje, met een cleyn blau tafelcleetje. 
Een schilderye van een wintertje. 
Een dito van een bancketje. 
Een dito van een landtschap. 
Een dito van een koken. 
Een schilderye synde een ruïne. 
Een d». synde een boereschuyt. 
Een d®. synde een stilleven. 
Noch 3 cleyne schUderytjens, 
Ses beelden en 2 tronyën van pleyster. 

4 Porceleyne dubbele boterschotels. 

5 D«. enckelde boterschotels. 

5 Porceleyne kopjens en 2 mantjens. 

4 Groene stoelkussens. 4. 
2 Silvere bekers, en een cleyn ijsbekertjen. 
Benevens veel zilverwerk. 

Eene goude wapenringh met 2 (of 8) halve 
macntjens. 

Voorts een aantal gouden en zilveren dames sieraden. 
Een testament met silver beslach, en süvercn 
sloten. 

Een zilver gesneden plaatje, gedaan bij den overleden. 

Int sy kamertje, 

10 Stucks cleyne slechte schilderijtjens. 
2 Witte kannetjens met silvere leden. 
Een staent geschildert tresoortje, enz: enz; 

In f voorhuys, 

5 tekeningen met lystcn. 
Een kaert. 

2 Conterfeytsels. 

Een schilderij synde een ruïne. 

4 Cleyne schilderijen. 

Een bloempotje van parlemoen). enz: enz: 

In de gangh, 

12 Tinne te^ooren. 

8 Dito schotels. 

Een kopere aker, enz: enz: 



In de koocken. 

Een kopere «vijsel en stamper. 
Een dito keetel, enz: enz: 

Op de piaets, 

20 Stux slecht aardewerk, en eenige potten, enz: 
enz: 

op 7 hangkamertfe. 

Een bed en peluw enz: enz: 

Op 7 comptüir» 

3 stoelen en 3 kussens. 
2 Koffers met printen, 
Eenige piaetsnyders gereedschap. 
Een spiegeL 

op de voorkamer, 

* 62 Boeken in folio, 

56 Boeken in quarto, 

iio Boeken in octavo. 

Noch eenige kleynder boekjes, een coffer met 
printen, 

2 Schilderijen en een kaart. 

Een stoel en 2 driestallen. 

Copere platen. 

De natuur na Rubens, 

De Venus na Flinck, 

Het moortje na Flinck, 

De 4 Kerkevaers na Rubens, 

Een herderin na Castelijn% 

De platen van de Antiquen, 

De vier deelen van de dag. 

De vier elementen. 

De vier elementen na Diepenbeek, 

De 4 deelen van de wereld. 

De 4 jaergetyden. 

De 4 elementen na Willem Barentsz. (sic;) 

op de achterkamer, 

r 

Ontrent 100 boeken in octavo en kleyner. 

6 Kunstboecken. ^ 

Een eecke tafel. 

12 kunst soo boeken als kassen enz: enz: 

Een driestal en een slonsje. 



1) Zal door v. Ryswyck rijn. 

9) De vijf hiergenoemde platen werden in tweeden staat voorzien van het adres van Abr. Blooteling. (v. D. K.) 



BIOGRAFISCHE A ANTEEKENINGEN. 139 

Aldus gedaen en geinventarisetrd t' Amsterdam huyden den 2 April A®. 1665 in 't bijzijn van 
Adriaen van Dalen en, Bemard Laurentsz. als getuygen. (Prot Not. I. Hellerus pak 163.) 

Petrus Sciverius Cornelio van Dalen^) suo SD. Heri ad te grandes satis literas dedi, mi 
Comeli, nunc iterum ad te scribo : et cur non qnia bellissiroa occasio est ? Defert ad me suas et 
amicis sul suavissimi Foresti literas Dominus Heynsius, iis ut comités meas addam rogat, 
quamquam rogandus non eram, a tali nempe qui iure suo iubere potest Caeterum Literas meas 
Antwerpiae misi ad P. Heribertum a Roswey: iis annexae erant ad clarissimum Lipsium: cui 
cui dis tu quaedam Martialis mei loca examinanda proposui. Oro te ad hoc a viro summo res« 
ponsum extor.... quod si statim ad me miseris aut ipse (quod velim) detuleris, multum me 
beabis Item si carmen in Pennam Argenteam D. Virgini Hallensi . . eodem viro superiore anno 
cansecratum diligenter descripseris aut si excusum est, exemplaria aliquot tecum attiüeris. Apud 
nos integnun non est Certè exemplar quod ego amici cujusdam opera descriptum habeo, conti- 
net tantum xvii versus quos cum D. Baudio nuper ostenderem» dixit se multo plures legisse. 
QuenlV^ominem quae causa est, mi Corneli, quod ne salute quidem impartias? conscientiam tuam, 
interrogo, hoccine decebat? Negare non potes, graviter peccasti, sed colpam agnoscas simul et 
emendes. Vale. Domini Legati de queis scribebam, abierunt die Sabbathi proximo uti as....eravit 
michi D. Baudius, (in margine staat non ita est ut audio.) Ivit una M. noster. minus namque splen- 
didum videbatur Amplissimi Oldenbameveldij filios in tam illustri pompa si paedagogo conspici. 
Iterum vale. Scripsi summa cum festinatione Ipsis Nonis Maii, ciDiDC.ni. 

Begraven 6 Oct. 1657. Nieuwe Zijds Kapel een joncman Paulus van Dalen, schilder, 
comt uit de eerste Lauriersdwarsstraet ten huyse van Jan Melchersz. f 10:1$ 

Testament van Jan Dammeron, schilder, (Prot. Not. v. Tol p. 21 D. 3, pag. 13^®.) 

GEBOORTE KRANS, 

Voor F. D(ancx). 

Anno 1655 ^^^ sesten May. 

Wanneer de blonde Son de Twelingh komt bewoone, 
Soo is het, vrint, de tyt dat wy u hooft bekroone 

Met groene Lauwerier op dese sesten dagh 

Van May, wanneer u oogh het werels oogh eerst sagh. 
Dees kroon die komt u toe, al zijt gy jongn van jaaren, 
Om dat u vlugh penseel ten Hemel schijnt te vaaren 

Wanneer gy Pallas by de neege Muzen maalt, 

Of daar Apollo treurt, ja selfs sijn son niet straalt, 
Omdat de Donderslagh sijn Soon het leve korte, 
Die met het los gespan en koets ter neder storte: 

Oft daar gy met de kunst vemoeght d'aanschouwers oogh, 

Daar Febus met zijn koets doorrijst des Hemels boogh, 
En d'Elementen »ijn vergadert met malkand*ren 
Om groote Moeder met Vulkaan en veele andVe, 

Als Tetis, Galate en God Neptuun, verselt 

Met Tritons, wiens geblaas, de komst haars Heere melt, 
Dus maackt men daatlick plaats om deese Godt te hooren, 
Die siet de zee het Landt, het Landt de zee bekooren 

En schencken ellick aar haar vrughten en gewas; 

Hier stut myn pen haar loop, vermits mijn tijt te ras 
Verby geloopen is; dus wil ick nu besluyten, 
Met wensschmgh van veel heil, en sluyten onheil buiten, 

En dat Godts heyl'ge hant sijn zeege op en went. 

En geeft u 't Hemels rijck wanneer u leven ENT, 

Gatharina Questiers. 

Op bl. 44 van ('t eerste deel van de koddige Olipodrigo 1655) op de Universiteits bibL Amst. 

Een tweede gedicht van Cath. Questiers Op de verjaren van F, Z>, f1664?) Lauwerstrytp. 58. 
Een derde Aan myn Vrint F. D, den 6 Mey Anno 1662 Jarigh Lauwerstryt p. 145. 



1) Ver mcede ijk was deze Corn. van Dalen de graveur niet. 

18^ 



140 BIOGRAFISCHE A ANTEEKENINGEN. 

Ondertr: 24 Juni 1656. Carel van Ladosse en Re3%ierigh Dancx, van A., oud 20 j. woon. 
in Schoutensteeghie, geass. met Susanna Meurs, haer moeder. (Kerk. huw. piocl.) 

27 Mei 1632. Gerrit Dassonville, schilder^ oud 25 jaren en Mr. DircK Venne Cool, 
chirurgijn, insgelyx oud 2$ jaren, beyden wonen aldemaest het huys van den req. in desen staende 
inde S'. Lucyensteegh" (in acte van 28 Mey 1632 staat er by, tegenover 't Weeshuijs) leggen 
verklaringe af, ten versoeke van Gysbert van Manen, glasemaker. 

(Prot. Not. v. Nieuland p. 199.) 

Ondertr: 23 Febr. 1674. Gerrit d'Assonville, van A., schilder ^ wed. vanjacomyna 
van Avont, woont op de Kaisersgragt, en Jannetje Jans, van A., wedu van Jan Arentsz. Kemp, 
woont als voren. 

Hij heeft den 21 February 1674 de weeskamer voldaan. 

Ondertr : 2 September 1673. Coenraet Decker, van A : plaatsnijder y out 23 jaar, 
woont inde Laurierdwarsstraat, geass. met Barber Mommers, syn moeder, en Aechje Jans, van A., 
out 22 jaar, woont op de Brouwersgragt, geass. met Catrina Troncquois, haar moeder. 

Deeze persoonen syn den eersten October 1673 tot Slooterdyck getrouwt, teste d*. Engelbertus 
Sloot predicant aldaar. (Kerk. huw. prooi.) 



yjp^Sk, 0/rW^^ 



21 Febr. 1676 comp. Joannes Rammereyn, Boeckdrukker, wonende in s'Gaavenhage t e. en 
S'. Koenraet Dekker, Mr. plaatsnydery t* a. zij zijn overeengekomen „dat hy Koenraat 
Dekker aanneemt voor en ten behoeve van S. Rammeryn te etzen en te snyden zoo als ver- 
eyscht werdt de kaart v. Delff, twee en twindgh ghezighte, mitsg. de profylen van Delff voorsz, en 
Delftshaven yder byzonder, benevens de wapenen der Eed. Groot Achtb. heeren Burgenn. en 
Hoofts^hout der stadt Delfft voomt met .de cieraden, de beestens inde weyde, scheepkens en 
eenighe personen, en twee compartementen, tot d'aanwyzingh der straten oft voetmaat, in het 
plano van de voorsz. stadt Delft, welck planum ghemaakt wert bij S'. Kip oft een ander, alles 
tot ghenoeghen van den heer Burgenn». Bleyswyck en S». V e r k o 1 j e r (sic) Tykkenaar van 
voorsz. kaart volghens de verbeterde proeven. Voor welck twee en twintigh ghezighten de voorsz. 
Rammereyn de voorsz. S. Dekker belooft te betalen vyffhondert acht en twintigh guldens, 
namentl. voor yder ghezight vier en twintigh guldens, dogh voor de profijlen v. Delft en Delfts- 
haven de waapenen en cieraden twee hondert dertigh gulden, zynde te samen seeven hondert 
acht en vyftigh gulden, en dat in manier navolgende te weeten, op en neevens d'eerste leverantie 
van zes ghezighten twee hondert vyfigh g^den, op en nevens de leverantie van de profylen v. 
Delft, Delflfshaven en de wapenen ghelycke twee honderd vyftigh gulden, en de resterende twee 
hondert acht en vyftich guldens ses oft uyterL aght weecken nade leverantie van het restant van 
tvoorsz. werck. Eyndel. is nogh bedonghen, dat S. Decker de voorsz. kaart, wanneer daarvan 
aghthondert exemplaren van ghedruckt zyn, weeder eens zal overloopen, opdat derzelve zoo bruyn 
drukt als voorheen. 

Tot nakomingh enz. *) (Prot Not. J. d'Amour p. 142.) 

19 Febr. 1676. S'. Ooenraet Decker, plaatsnydery verclaarende zich voor Jan Rammeryn, 
tegenwoordich in de boeye deser stede, als borg te stellen voor / 125. — die deze aan Samuel 
Imbrechts moest betalen. (Prot. Not. P. Schrick, p. 9Ö N«. 266.) 

öedoopt Oude Kerk. 19 Juni 1605. Saertje dochter van Ysack Decker s, schilder ^ en 
Madleentjen Kuers; Sara Deckers getuige. 

Uyt crachte van de acte van Servaes Jansz.... Dienaer tot Dordrecht, syn Gerrit van 
Diepenbeeck Gysbertsz., gUisschryvery van s'Hertogenbosch, ende Susanna Noorcy Jansd'., 
van Antwerpen, hare drie sondachsche uytroepinge in de kerck ingewiilight 22 Marty 1592. 

(Extra-ord. huw. procl.) 

Item opten xx Januari 1555 ontfange dat graffghelt van Jan Dircksz., schilder y de 9 
Maert hyer begrave. (In de Oude Kerk.) 

^) Deze 32 gedchten komen voor in Bleyswycks beschrijving van Delft. 



BIOGRAFISCHE AANTEEKE NINGEN 141 

Ondertr: 24 Aug. 1668. Lambert Doomer, van A., schilder , oud 45 jaar, geass. met 
syn moeder Baertie Martens, inde Hartestraet, en Mettie Harmens, van Aerahem, wed. van Jan 
Block, woont op de Braak. 

Deze personen syn den 9 7*** 1668 tot Buycsloot inden echt bevesticht, teste Vredenbnrg 
seoi aldaer. 

Ondertr: 19 Aug. 1651. Hendrick Jacobs s. Dubbels, van A., schilder ^ out 30 j., 
geass. met zyn vaeder Jacob Dubbels, woon. in de Haerlemmerstraet, en Jannetie Comelis Cluoht, 
van A., out 32 j., geass met Jannetie Tomas van Neck, woon op de Buitenemster. 

Deze personen sijn getrout den 10 Sept. 1651 tot Bodegraven, teste Joh: Vergeer pred'. aldaar. 

Zij ondert. Janneken Comelys Kluft. 
(Kerk. huw. procl.) 

Ondertr: 21 April. 1656. Hendrick Dubbels, van A., jr^;A^, wed', van Jannetje 
Com:, woon. opde Haerlemerstraet, en Annetje de Haes, van de Wyck, wed. van Jacob Abrahamse, 
woon. op de Nieuwendyck. (Kerk. huw. procl.) 

Begraven 9 Juni 1676 in de Noorder Kerk. Henricus Dubbels*) op Raapenburgh, 

Zuidervak N". 64. 

E. 

Ondertr: 20 Januari 1661. Pieter Daniels z. van Ede, van A., schilder ^ out 26 j.-, 
geass met syn moeder Tryntje Fietste, won. in de Goutsbloemstr. en Elisabeth Conincx, out 26 j., 
geass. met haer moeder Dirckje Craclitinghs, wt. op de bloemgraft. (Kerk. huw. procl.) 

Ondertn 4 Febr. 1633 . Jan Pietersz. van den Eeckhout, gouismii^ wed', van Grietie Claes 
Leijdeckers, woon. inde Calverstraet, en Comelia Dedels, van Delft, out 38 jaer, vert: acte van 
vaders consent, woon als vooren, hy geass. met Comelis Claesz, Leydecker, zyn swaeger. 

(Kerk, huw. procl.) 

Op 14 Aug. 1651 testeert Martyn de Bie, van LiUo in Brabant, getuigen waren Jan vanden 
Eeckhout, en Gerbrand vanden Eeckhout. (Prot. Not. Sal. v. Nieuwland p. 198.) 

Begraven in de Oudezijds Kapel 8 Nov. 1652. Jan Pietersz. van den Eyckhout, vande 
Kalverstraet. 8:0:0. 

Begraven aldaar 18 Nov, 1660. Comelia Dedel wed», van wylen Jan Pietersz. v.d. Eeckhout 
ind Kalverstraet, in 't Wapen van Delfit 8 . 

Begraven aldaar 29 Sept. 1674. Gerbrant van den Eeckhout*), op de Nieuwe 
Heeregraft bij de Vyselstraet graf N*. 198. 8-- 

Begraven aldaar 8 Jan. 1660. Nicolaas van den Eeckhoudt, zoon van z*. Jan Pietersz. van 
den Eecidhout, uyt de Kalverstraet, Int wapen van Delft, N<>, 197, 8- - 

Begraven aldaar 31 Oct. 1669. Jan van Eeckhout, wijnkooper, op de Kleeveniersburghwa 1 
N^ 198. 8-- 

Begraven aldaar 19 Sept. 1678. Ida van den Eeckhout, in de Kalverstr. hoeck Gaperstraat 
N^. 198, 5 kinders. 8-- 

Begraven aldaar 6 Sept. 1701. Margareta van den Eeckhout, huysvrou Pieter van de Poel, 
opde Heeregraft tegenover de Drie Koninghstraat, 2 kinderen, graf N*. 197. 8- - 

Begr. m de Nieuwe Kerk 21 Sept. 1705. Hendrick E l a n d, //a^/f«y/^r, op de Roose- 
graft aen de Z. Z. ƒ 15,^ 

O Of deze de schilder is, is onzeker. 

Gerbr. V. D. Eeckhout schreef rich ook wel G. du Chbsne op een suite met ornamenten door Mosyn gegraveerd. 

Van eene iEeckhout zag ik in het Ethnographisch Museum te Koppenhagen eem'ge goed geschilderde levensgroote 

afbeeldingen ten voeten uit van brasilische mannen en vrouwen, gemerkt ^Eeckhout fc.inbrasil 1641 en ook 1643. (v d. K.) 



142 BtOGRAFISCHE AANTEEKENINGEN. 

Ondertr: 24 Marty 1621. Nicolaes Eliag, oud 30 j., schilder y geass. met Elias Claesz. 
sijn vader, won. op de hoeck vande Minnebroersteegh, en Levina Bouwens, oud 21 jaren, gheen 
ouders hebbende, geass. mit Judith Ernst, hare petemoeye, wonen, op de N. Zyds Voorb. wal. 



/%»^rif<^C>i ry3Jt4i Oir^ 



(Kerk. huw. procl.) 
De volgende kinderen alle gedoopt in de Nieuwe Kerk. 

23 Juni 1622. Sara; Magdalena Bouwens, getuige. 

29 Aug. 1623. Sara; Elias Claesz. getuige. 

6 April 1625. Elisabeth; Jacob Elyassz., Heiltjen Lourens, getuigen. 

7 Dec. 1631. Magdalena; Samuel de Gardyn en Susanna de Gardyn getuigen. 
2 Febr. 1633. Nicolaas; Daniel de Gardyn, ludiek Arents, getuigen. 

29 Maart 1639. Elias; Tobias de Coningh getuige. 

Op huyden den 21 Oct. 1656 compareerde voor my Henricus C. Torquinfus, openbaar notaris 
.... Levina Bouwens Wed«. van Wylen Claes Eliassen, schilder y.. out omtrent 57 jaren 
dewelcke ter versoecke . . . van Lucretia Bosmans, huysvrol^r van Johannes Hobbe, getuygt ... dat 
nu omtrent de thien jaeren geleden zy comparant nevens haer man sal'. als Peter heeft gestaen, 
en ten doop gehoude des requiranten dochterken, genaemt Anna Hobbe, en dat haer noch seer 
wel kennelyck is, dat haer comparante man sal'. als tot een pillegift voor het voorn, kint aende 
requirante heeft gegeven seecker schilderye, zynde een groenmerckt, wesende hetzelve stuck, dat 
noch ten huise van de req. is. (Prot. Not Torquinius A. 13.) 

Ondertr: 21 Jan. 1622. Elias Eliass, goutsmit, oud 22 j., geass. met Elias Claesz. syn vader 
won. inde Minnebroersteegh, ende Willemtje Jans oud 28 j., geass. met haer moeder Floryntje 
Geumes, won. op 't Rusland. (Kerk. huw. procL) 

Ondertr: 12 Maart 1660. Ottmar Ellinger, van Coppenhagen, Contrefijter^ out 26 j„ 
de vader in Noorwegen, geass: met Melchior Sijlert (of Hylert) syn swager, woont op 'tGrim- 
nessersluys, en Teuntje van Walscappel '), van Dordrecht, out 27 j., geass met Agniesje van Cappel 
woont op 't N. Eylant. (Kerk, huw. prod.) 

In een acte van 29 Juli 1669 komt voor Joannes Engel, schilder ^ oudt omtr. 50 jaren, 
wonende inde Calverstraet op de Ossesluis. (Prot. Not. J. Hellerus p. 175 bl. 160.) 

Begr: Leidsche Kerkhof 5 Sept. 1678. Johannes Engelen, schilder ^ op het Spuy 
by d. Ossesluys. 

Ondertr: 11 Sept: 1683. Joannes Engel, van A., schilder ^ oud 22 jaren, inde Kalver- 
straet, ouders dood, geassistr. met Pieter Gets, en Marieke Harmens de Vries, van Esens, wedu: 
Joannes Engelproch, w. als vooren. (Puiboek.) 

Ondertr: 20 April 1668. Jacob Esselens, van A., schilder ^ oud 40 j., hy moeders 
consent goed ingebracht, woont inde Blomstraet, en Janneken Jans, van A., oud 28 j., geass. met 
haer moeder, Geertie Lamberts, woont opde Blomgraft. (Kerk. huw. procl.) 

Begraven Westerkerk, 25 Maart 1669. Kynt van Yacob Esselens, op de Prinsen- 
graft inde Sydewormen, by de Rosegraft ƒ 10. 

Ondertr: 10 Aug. 1656. Isaack Esselens, van A., syreder, out 30 j., geass. met Pieter 
Esselens, syn vader, woonde inde Bloemstraet, en Peronne des Ruelles van A., out 23 j., woont op de 
N. Z. Achterburghwal, geass. met Jaques de la Haye, haer oom en vooght (Kerk. huw. procl.) 

1) Wellicht zuster van den beroemden bloem- en vnichtenschllder WalscapeUe. 



BIOGIWIFISCHE A ANTEEKENINGEN. 143 

Ondertr: 24 Juni 1667. Abraham Esselens, van A., maeckelaer, wed', van Maria Jans, 
wooDt op de BrcMprersgracht, en Jannetie Dirx de Vries, van A., oud 2$ j., geass. met haer vader 
Dirc Jacobse de vries, woont als voren. (Kerk. huw. procl.) 

Ondertr: 16 Juny 1684. Cornelis vanEverdingen, van Maerlem, schilder^ oud 38 
jaaren, in de Calverstraet, geass: met zyn moed'. Jannetie Brouwers, en Margrieta Vis, van Enck- 
huysz, wed. Isbrandt Botterkooper, woont tot Enckhuysz. 

6 April 1604. Jan van E verdingen, van Uytrecht, wed,, van bloe. . , ., wonende tot 

Egmond op de hoeve t. e. ende Jacomyne Vermaren, van Antwerpen. (Kerk. huw. procl.) 

Ondertr: 17 Oct. 1665. Jan Evertsz., van A., schilder^ wed', van Saertie Dircx, 
woont in St. Joris steegh, en Jannetie Pieters van der Dussen, van Heusden, out 25 jaer, ouders 
doet, geass. met haer moetjen Lijsbet Claes, woont inde Harinckpackerij. 

Hy heeft de weeskamer voldaen. 

Comp. Claes Cornelisz. scheepstimmerman, woonende op den Hoeff by den Uythoom t. e. 
ende Artus van der Eyclc, schilder^ t. a. verclaerend de voorn. Claes Cornelisz. aan de 

voorsz. Artus van der Eyck, sijne swager, overgedaen te hebben de coop van sodanige 

huys en erve staende en gelegen binnen dese stede aende Noortsyda vande Bagyne steech. 27 
Mei 1647. (Prot. Not. Sal. v. Nieuland p. 195 bl. 147.) 

F. 

Ondertr: 28 Juni 168 1. Willem Ferguson, fijnsckildery out 48 jaren, inde Batavier - 
straat, geass. met Rynier Drieland, en Sara van Someren, van Stockholm, out 33 jaren, op Uylenburgh , 
ouders doot,, geass. met Aaghie Jans. 

Begraven Walenkerk i Juli 1709. Daniel de la Feuille, Boekverkooper {en etsir) 
over *de Beurssluys het tweede huys van de Hermite-steeg, laet onmondige nae. Leyt in T.N*. 3 
h. g. 15.— 

Begraven Oude Luthersche Kerk 7 Jan. 1684. Beeletje Otten wed*, van Hans Filipsz. 
schilder^ in de Kalver-straet tussen de Ossesluys en de Heylige Wegh graf N«. 265. 

Ondertr: 29 Febr. 1664. Laurens Floor, van Fredericstad, schilder^ oud 30 j. woont 
op de Seedyc, en Sara van Ceulen enz. ♦ (Kerk. huw. prod.) 

Ondertr: 6 Dec: 1670. Albert Frans z., van A:, schilder^ out 24 jaar, geass. met 
Annetje Alberts, sjm moeder, in de Boomstraat, en Grietje Pieters, van Dort, out 22 jaar, ouders 
doot, geass. met Com: Pietersz., haer broeder, inde Lelydwarstraat. 

Ondertr: 22 Apr, 1606. Laurens Frans z., schilder^ oud 21 jaren, won. op de nieuwe 
Ossemerkt, geass. met Frans Cornelisz., zijn vader, t. e., ende Janneken Claeys, van Antwerpen, 
oud 22 j., won. als vooren, geas. mit Nicolas de Marsenne (?) haer vader t. a. 

(Kerk. huw. procl.) 

Ondertr: 2 April 1649. Johannes Fris, van A., schilder^ geass. met syn vaeder 
(ïerrit Fris, woon, inde Oudel^lystraet, en Jannetie Enten, van A., out 25 j. woon. op dcEgelen- 
tiersgr., geen ouders hebbende. (Kerk. huw. procl.) 

G. 

Ondertr. 18 May i6i8. Guilliam de Gardin, j^^T^i^fr, oud 22 jaren, geass. met Neeltjen 
Jaspers, syn moeder, won. in de Lynbaensteegh, en Jannetgen Ysbrands, van Leyden, oud 21 jare, 
geass. met Lysbeth Jans, hare moeder, won: aen de Ossesluys. (Kerk. huw. procl.) 

Ondertr. 3 Nov. 1639. Guilliaem de Gardyn, van A., Schilder^ wed« van Jannetie 
Ysbrants, woon. op Heeredwarsgracht, en Annetie Vermouw, van A., wed« van Baerent Poelman, 
won. inde Corte Uylenb. steech. (Kerk. huw. procl.) 



\ 



144 BIOGRAFISCHE A ANTEEKENINGEN. 

Gedoopt 21 May 1668. Sytje Brentcker? Jonge d^ suster van Klaas Brentcker, voorgestelt 
door onsen broeder S ij men de Geest. (Doopb. DQ|||psgez. gem.) 

In Cupido's lusthof, Muller Coll. v. d. Brugghe N^. 1807, zijn de prenten van Geilkercken 

Ondcrtr: 28 April 1607 Hessel Gerritsz. i) van Alcmaer, out 26 jaeren, wonen, op het 
water t. e. en Geertje Gysbertsd«f,, mede van Alcmaer, out 25 jaren, wonen, op Ulenborch t, a. z. 

(Puiboek.) 

10 May 1607. Aeltjen dochter van Hessel Gerritsz. /iiï^/wy^^, en Geertjen Gysbeitsd'. 
bracht het self, Aertjen Jansd'. was getuyge. 

22 May 1608. Gerrit zoon van Hessel Gerrits, plaetnydcr^ en Geertjen Gysbertsd'; 
Gerrit Jand^ getuige. 

20 Augustus 1609. Gerrit zoon van Hessel Gerrits, plaeisnyder^ en Grietje Gjrsbersd»; 
Mary Komelisdr getuige. 

20 Maart 1611. Jan zoon van Hessel Gerrits, plaetsnyder^ en Geertje G)rsbersd'. Maiy 
Komelisd'. en Neel Komelisd', getuige. 

30 Sept. i6t2. Aeltje d'. van Wessel Gerrits, plaeisnydcr^ t is Hessel Gerritsz., 
Giert Gysbertsd,.; Annetjen AUertsd'. getuige. 

17 April 1614. Gysbert zoon van Hessel ^tirit^z. plaetsnyder^ en Geertje Gysbersdv, 
Marij Komelis en Neeltjen Komelisd'. getuigen. 

I Jimi 1617. Comelis zoon van Hessel Gerritsz. plaetsnyder, en Geertje Ghysbers; 
Marytgen Comelisd'. getuige. 

21 Febr: 1619. Tiyntje dochter van Hessel Gerritsz. pkuisnyder, en Guertjen 
Ghysbers; Neeltje Comelis getuige. 

Deze kinderen zijn alle gedoopt in de Oude Kerk. 

Begraven in de Nieuwe Kerk. van Hessel Gerrets, opt Water, een kint onder den 
arm 21 September 1607. 

Begraven Van Hessel Gertsen, by die Oude Bruch, een kint onder den arrem den 
8 (Augustus) 1609. 

Begraven Van Hessel Gerritsen, by die Lienbaens Bruch een kintien onder den arrem 
3 Oct. 1614. 

Ondertr : 30 Aug. 1624. Hessel Gerrits, van Alcmaer, wed', van Geertie Gysberts, 

won. op de N. Z. Voorburgwall, en Aaffgie Willems, van wed«. van Dirck Ketersz. Voskuyl, 

verclarende Vé j^^r weduwe geweest te hebben, geass*. met Baartje? Willems, won. inde Oude 
Hoochstraet. (Kerk. huw. prod.) 

Begraven Nieuwe Kerk. Hessel Gerritsz. inde Doelestraet, den 4 Sept (1632) ƒ8. 

Hessel Gerrits gaf uit eene Beschryvinghe van den Samoyden Landt in Tartarije Anno 
1612. Hij onderteekende de voorrede Hessel Gerritsz. van A s s u m , Liefhebber der Geographie. 

II Febr. 1592. Compareerde voor mij Notario en de naergenoemde getuygen Anna de Gheyn, 
geassisteerd met Jaq. de Gheyn, haren broeder en gecoren vooght in desen, en maect machtig 
Sebastiaen de procureur te Utrecht. (Prot Not S. Henrix p. 190.) 



1) Hessel Gerryts eertyts een dienaer van Willem Janssen (deze was boeckvercooper, Mathematicus en Eerts- 
cloots-beschryver binnen Amsterdam), is mede een Mathematicus ende Caertmaecker binnen Amsterdam — 

Dit leest men in de voor-reden van Het Gulden Zeeghel des grooten Zeevaerts — deur Jan Henriqk Jarichs van 
der Ley — Leeuwarden 1615 — 40 oblong — 

Hessel Gerritsz. Boeckvercooper op t Water in de Pascaert Anno 1612. (op een by hem uitgegeven kaart). (V. D. K.) 



BIOGRAFISCHE A ANTEEKE NINGEN. 145 

Wyt crachte van de acte notariael geteeckent bij de Wees van dato den laetsten Marty 1595 syn 
geboden ingewillicht van der puye deser stede aen Jaques de Geyn, woonende inde molensteech, en 
Eva Stalparts vandeWyele, won. inde Hage pres. Jan de Vrye Egbertsz. enz. den i«»aprilis 

1595. (Extra ord. register v. huw. saecken.) 

• 
Comp. voor my Nots. d*eersame Mr. Adriaen van den Bosch, Chirurgyn, inwoonder de^er stede als 

man en voocht van Joffr. Anna de Gain ende heeft gemachtich gemaeckt Sr. Jaques de 

Gain, zjn swager, omme uyttenname van hem constituant te manen, eysschen en innen van een 
Albrecht Fock, in den Hage, sekere somme van hondert acht carolus gul : de voorn, constituants huysvrouw 
competerende enz. (het slot ontbreekt maar 't blijkt dat de acte van April 1 594 is.) (Prot. Not. S. Henrix p. 190.) 

8"^ Adrian Gole, Ebéniste, et sa familie en tout quatre personnes. 

Sr. J e a n G o 1 e fils du susnommé et Graveur ae tailles douces ^) une personne. 

(Dénombrement de tous les protestants Réfugiés de France ét Amsterdam 
depuis Tan 1681, aan Burgem. aangeboden 24 Maart 1684.) 

2 Nov. 1697. Begraven Walenkerk. Adriaan Gole, op de Leydsestraat tussen de Prinse- 
graft en d'eerste Leydse dwarsstraat, Leyt inde nieuwe Waendeling tegen de muer aen in Lr O. N^. 8. 

5 Nov. 1710. Begraven Walenkerk. Marguerita Geerbrant, wed« wijle Adriaan Gole, Moeder 
van Jacob Gole, Schoonmoeder van Daniel Marot, op de Leydsestraat tussen de Princegrt. en 
i*^« Leydse dwarsstraat, Leyt nieuwe wandeling in L^. N. N^ 2. h. g. 15. — 

29 Jan. 1724. Begraven Walenkerk. Jacob Gole, op de Leidse straat bij de Prinssegragt 
L'. F. No. 4 in een huurgraf, laet een onmondig kind na. 15. — 

Mej. Alida Gooi Afgebeelt sittende in 't midden der Bosschaadjen, haar schaapje een 
bloemkrans vlechtende vergeselschapt van liaar twee broeders de heeren Theodorus e» Matheus 
Gooi. (J. Blasius, Geslachtb. der Goden 166* bU 179.) 

23 Dec. 1589. Pieter Goos, v. Antwerpen, diamantsnyder, wed', van Magriete vandeKeere, 
wonend op de Zeedyck int Gallioen t. e. en Catalyne van Somerghem, van Bruessele. 

Den negenden Augusti 1614 zijn op de acte van Johannes Bogaerd, pred*. te Haerlem, gebo- 
den ingewilliget aen Abraham G o o Sy plaetsnijder ^ won. op de Nieuwendijk *), ende Stijntjen 
Tonisd'., van Haerlem en aldaer wonachtig. Puiboek. 

Gedoopt II April 1621. Abraham, zoon van Abraham Goos en Stijntje Teunis; 
Trijntje Teunis getuige. 

Gedoopt 13 Juni 1623 Nieuwe Kerk. Cathalyna, dochter van Abraham Goos en 
Styntje Teunis; Grietje Goos getuige. 

29 April 1643. Pieter Goos, van A., out 27 jaer, geen ouders hebbende, won. in de 
Reestraet, geass. met Anthonis Goos, syn broeder, en Susanna de Reygher, van A., out 30 jaer 
geen ouders hebbende, geass, met Cornelia de Reyger, haer suster op de Rozegracht. 

(Keric. huw. procl.) 

29 Jan. 1649. Pieter Goos, van A., Plaetsnyder^ wed' van Susanna de Reyger, woon. 
in de Haerlemmerstraet, en Geertruyt van RuyfF, van A., out 22 jaer, geen ouders hebbende geass . 
met haer suster Maria van RuyfF, w on. als voren. (Kerk. huw. proc.) 



^) Kramm zegt dat Gole Jacob heette en haalt als bewijs aan zijn portret door hemzelven naar v. d. Plaes waar- 
onder Jacobus Gole staat. Is de afgebeelde persoon echter zeker de Graveur? 

Immerzeel noemt hem Tan en laat hem in 1660 te Amsterdam geboren worden en op 77 jarigen ouderdom steWen. 

V, d. Eynden en v. d. W. noemden hem ook op grond v. h. portret Jacobus, laten hem omtrent 1660 te Amst. 
geboren worden en bij de 70 jaren oud worden. Waarschynlyk echter is dit niet juist, daar na 1700 geen graveerwerk 
^n Gole bekend is. 

2) In 1615 "» ^t Kalverstraet in 7 vergulde Caertboeck i Jan. i6i6 noemt hij wijlen Judocus Hondius 
myn Cousjm en Eerste Leermeester. 

19 



146 BIOGRAFISCHE A ANTEEK EN INGEN. 

Bij P ie ter Goos, Plaetsnijder^ op 't Water, in De Vergulde Zeespiegel A^ 1656. Dit adres 
staet op de pascaarte van de Noortzee, in de De Lichtende Colomme ofie Zeespiegel, inhoudende 
eene Beschrijvinge der Seekusten van de Oostersche, Noordsche en Westersche schip- vaert. 

Gedoopt 24 Juni 1646. Laurens, zoon van Abraham Goos en Aeltje van der Ciees ; Grietje 
Goos, getuige. 

Gedoopt 23 Juni 1652 Noorderkerk. Pieter, zoon als boven; Jan Dyngemans Keyser en 
Anneken van Sytteren getuigen. 

Gedoopt 8 Mei 1672 Elandskerk. Adam, zoon van Antonie Goos en Maria Weydemans; 
Pieter Goos en Margrieta Goos, getuigen. 

Begraven 31 May 1691. Waienkerk. Jacob de Gorter, /f/kf^^/A/<fr, inde oude Bantemer- 
straet', leyt \j R. No. 4 in de nieuwe wandeling, laet i onm. kindt, huerg(raf). / 15.— 

28 September 1651. Anthoni Grebber, van Haerlem, schilder^ out 29 Jaer, een moeder 
hebben woon tot Leyden, en Grietie Pieters van Troijen, van A,out 22 Jaer, woon. inde Calverstraet, 
geass*. met haer vaeder P'. Hendrixsz van Troyen. (Puiboek.) 

Ondert. 19 Juny 1682. Michiel vander Gugt, van Antwerpen, //df^/ffr^V^r, oud 
22 jaren, op de Rosegraft, gèass met moeders consent, en Maria van Hogenbergh, van Aarschot 
Wed«. Jasper Keppes, als voren. (Puiboek.) 

Ondertr. 25 April 1687 , Pieter Stevens van Gunst, van A., plaetsnyder^ oud 28 jaren op 
de N. Z. Voorb. wal, ouders doot, geass: met Phili;) Wessels, eii Leonora Baarselmans, van s Graven- 
hage, oud 25 jaren, in de Janstraat, ouders doot, geass: met Hester de Vries. (Kerk. huw. proc.) 

Begraven Zuiderkerk den 28 Sept. 1657. Kint van Pieter van Gunst. Letter K.... 5:7. 

Gehuwd 24 Maart 16 16. Nicolaes de Ghijselaer, schilder ^\ jongman van Leyden 
vergezelschapt met Ysaack Fransz. v. den Berch, zijn zwager, met Cornelia van Rijbeeck, Jonge 
dochter, van Uytrecht, wonende aldaar, die zelffs niet is gecompareert, dan is hen attestatie ge- 
geven, om de geboden tot Uytrecht te doen gaen. 

Aant. nit het Archief van Leiden (?) 

Ondertr. 24 Maart 1635. Cornelis Gysels, van A., woon, op de N. Z. Achterburgwal, 
waepensieensnyder^ en Petronella van Bonckhout, van Noortwyck, en woon. aldaer. 

Begraven 3 Dec. 1667 Nieuwe zyds Klapel. Een Man Cornelis Gijsels, comt uit de 
Kalverstraet by de H. Wegh in de verf ketel. 15 — 4. 

Begraven 9 April 1660 Oude Kerk. Fran^ois Gysels, comt vande Bloemgracht 8.— 

Ondertr: 5 Febr. 1661. Frangois Gijsels, van A., verfvercoper, out 22 j. en Emmerentia. 
Blockert' 

H. 

Album van Johannes Hackaert van 1653, voor / 7. — aan Brondgeest verkocht in de 
auctie 30 Maart 1841 Huis met de hoofden. 

Op prentjes van Joh. Meyer von Zurich fedt staat loh. Hackert: von Amsterdam, 
(te München). 

10 April 1726, Johannes Hackaert, Jongman, ten huyse van Dirk Heekes op de Heeregragt 
bij de Heysteeg. L». P. N®. 2. Nieuwe wand. huurgr. Waienkerk. / 15. — 



1) Het eenige mij bekende schilderij van dezen meester zag ik in 1864 als schoorsteenstuk in een huis op de Otxde 
Gracht te Utrecht, nu behoorende tot de gebouwen voor 's Rijks Munt. 

Het stelt voor Mordachai, door Haman te paard rondgeleid wordende op de binnenplaats van een paleis — vooral 
de gebouwen waren goed, in een manier van v. Deelen geschilderd. — De beeldjes goed geteekend en geestig getoetst — 
het was beteekend ND GISELAER F. (v. D. K.) 



BIOGRAFISCHE A ANT EEKENl NGEN 147 

Ondertr. 22 April 1634. Willem van Haecht, van Middelborgh, woon. tot Middel- 
borgh, wed», van Maycke Jacobs, en Anneken Nesen, van Hamborgh, out 27 j. (Kerk. huw. proc.) 

Gedoopt 27 Febr. 1622. Nieuwe Kerk. Mariijntje, dochter van Aerjan Haelwech en 
Hester Cousiers; Maijke Ridders getuige. 

Ondertr. 11 April 1687. Christiaen van Hagei^i^), van Bremen, p/a^/sni/der, wed'. 
Maria van Koosen, op de Elantsgracht, en Geertruyt van Sooligen, van Utrecht, oud 28 jaeren, als 
voren, geass. met haer vad'. Harmen van Sooligen. (Kerk. huw. procl.) 

Begraven 12 Jan. 1679 Nieuwe Kerk. Kint van Arnoldus van Halen en Geertruy 
Nobelingh zalr. in de Nes. 

Ondertr: 10 Febr. 1679 Aernoldus van Haaien van A., confiturier, wed. Geertruyd 
Nobelingh, in de Nes, en Maria Rooleeuw. 

Begraven 29 Mei 1680 Nieuwe Kerk, kint van Aernoldus van Haelen en Maria Roo- 
Leeuw, uyt de Nes. 

Gedoopt 21 Febr. 1700, Arnoldus van Haaien, get. Margreta Roleeuw, de Huis- 
vrouw, Jan Lcers, de oom. (Doopboek Doopsgez. gemeente.) 

Begraven bij avond 22 Juli 1732 in de Oude Kerk. Arnoud van Halen, van de 
Keysersgragt bij de Utrechtsestraat. (Graf Z. Z. No. 367). 

Ondertr : 6 May 1690. Thomas Halleman, van Rotterdam, fijmchüder^ oud 25 jaren, 
op den Binnenamstel, geass. met moeders consent, en Willemijntje van den Boonhoff, van A., oud 
26 jaren, als vooren, geass. met haer vadr. Willem Claes van den BoonhofF. (Kerk. huw. procl.) . 

De schilderij van F. Hals voorstellende Piro de man met de haring en een eenhoorn tot 
wapen, gemerkt Anno 16 16 aet 73, nu in Engeland, kwam voor de Gat. van Tol, Leiden 15 Juli 
1772. 

Het werd aangekocht door Delfos voor / 15. — 

Gedoopt I Mei 1663 Nieuwe Kerk. Re)^ier, zoon van Reynier Hals, en Lysbet 
Pieters Groen; Albartus Retier; Ariaantje Hals getuige. 

Gedoopt 17 Oct. 1668, Doopb. Nieuwe Kerk. Pieter, zoon van Reynier Hals, en 
Lysbeth Groen; Teunis Pietersz. Maria Groen getuigen. 

Gedoopt 18 Febr. 167 1 Nieuwe Kerk. Martinus, zoon van Anthony Hal^, en van Tryntje 
Salomons; Reynier Hals, Lysbet Groen getuigen. 

Ondertr: 13 Febr. 1593. Caerl Hals Fransz., van Antwerpen, passementwercker, out omtr. 
24 jaren, won. by Jan Roopoortstooren in de Nieustraet, vertoon, acte onder de handt van Johan- 
nes Damius inhoudende vaders consent t. e. ende Marytgen Jansd'., wed*, van Jan Gerritsz., 
mandenmaker, verclarende een halfjaar wed*, geweest te hebben. 

Ondertr: 25 Oct. 1635. Mathys Comelissen Hals, van Antwerpen, vergulder, geen ouders 
hebbende, synde geass. met dt. Eleasar, Swalmius dienaer der Godd. woorts deser Stede, en Maria 
de Bary, van A., out 26 jaer, woon. als vooren, geass. met haer vaeder Pieter de Bary en 
Sara de Maarees, haer moeder. (Kerk. huw. procl.) 

Testament van Mathys Comelisz Hals en Maria de Bary. 28 Aug. 1655. 

(Not. L. Lamberti, p. 124 bl. 532.) 

Begr. 4 Nov. 1661. Oude Kerk. Maria de Bary, huysvrouw van Mathys Hals, comt u}'t de 
Pijlsteegh. 



1) Zijn portret door hem zei ven in zw. kunst Chr: Hagens fecit.. Hij graveerde voor Scheits Büdcr-Bibel. 

19* 



148 BIOGRAFISCHE AAN TEEK ENINGEN. 

Begr. 30 Nov. 1661. Oude Kerk. Matthys Halls, comt uyt de Pijlsteeg. 

Begr. 15 Dec. 1661. Oude Kerk. Sara Hals, comt uyt de Pijlsteegh. 

Ondertr: 6 Juli 1668. Pieter Hals, van A., 'wijnverlater, ouders doot, geass. met sijn oom 
Hend de Kempenaer, woont op de N. Z. Achterburgwal, en Anna de Faloise, van A., oud 20 j. 
geass. met haer vader Louis de Faloise, woont op St. Jorispleyn. 

Ondertr: 9 Dec. 1689. Martinus Hals, van A., oud 22 jaren, inde Batevierstraat, geass. met 
sijn vader Anthoni Hals, en Saertie Junius, van A., out 26 jaar, woont als voorn, ouders doot, 
geass. met met haar suster Maria Junius. (Kerk huw. procl.) 

Ondertr: 22 Sept. 1624. Hans Philips z. Hanneman, van Rohberswerck, xr^i/^fer, 
op de Coningsgraft, ende Hilletge Otten, van der Lipstadt, wed*, van Jan Andriesz, inde Cromme- 
elleboochsteeg. (Puib.) 

Ondertr: 21 Nov. 1654. Arent Hansen, van A., sc/ii/der^ out 21 jaer, en Judick 
Jochemse enz. (Kerk. huw. proc.) 

Ondertr: 4 December 1682. Jacobus Harwyn, van A., plaatsnyder^ oud 22 jaren 
inde N : burgsteeg, ouders doot, geass : met Jacobus Rob5m, en Henrietta de Kemp van A., oud 
26 jaren, op Zingel, geass: met haar mooder Eva .... (niet ingevuld.) 

Hij teekent: Jacobus Harrewijn. 

Ondertr: 2 Sept. 1672? Pieter Hartsen, van Noortstranl,j"^^^<?r, out 42 jaren, ouders doot, 
geass. met Coenradus Ardiiae, in de Lelystraet, en Maria Kuysers, uit den Haeg, out 25 j., ouders 
doot, geass. met Martyntje Suertse, als vooren. Hij teekent: Pieter Harsen. 

Ondertr: 24 Oct. 1670. Alexander Havelaar, van 's Gravenhage, schilder^ oud 28 
j. ouders dood, geass. met (niet ingevuld) woont op de Gelderse Kay, en Maria Gerrits de Man, van 
s' Gravenhage, oud 25 j. enz. 

Ondertr: 7 Juli 1635 Abraham van de Heek e, i) van Antwerpen, j^^-^r, vertoon, 
acte van vaders consent, woon. in de Heerestraet, geass. met Christoffel van Sichem, en 
Catharina Lunden, geass. met Baerent Lunden, haer vaeder en Catharina Lunden, haer moeder, 
woon inde Calverstraet. 

Dese personen sijn getrouwt den 29 Juli 1635 tot Sloterdijck door Mathias Meursius pred 
aldaer. (Kerk. huw. procl.) 

Ondertr: 16 Nov. 1623 Pouwels van Hecke, van Geulen, out 31 j. geen ouders hebbende, 
geass. met Guilliaam die ... . sijn oom; won. (8 annis) in de Warmoesstraat, en Marya Allerts 
(Symon Allertsdr.) (Kerk. huw. procl.) 

Ondertr. 27 Sept. 1670 Jan van Hecke, van A., coopman, out 22 jaar, geass. met Daniël 
van Hecke, sijn vader, op d'Antonisbreestraat, en Sara Bouwman, van A., out 23 jaar, geass. met 
Claas Barents Bouwman, op 't N. Eylant. 

Ondertr: 18 April 1643 Lambert Gerrit Hedsing, van Voorst, schilder^ enz. 

(Kerk. huw. procl.) 

Ondertr: 17 April 1676 Guiliam de Heer, van A., wijnverlater, out 21 jaar, op d'Oudesijts 
Agterburgwal, ouders doot, geass. met Johannes Bogaert, sijn oom en voogt, en Teuntje Konincx, 
van A., out 19 jaar, woont inde Halvemaansteegh, geass. met Jannetje Listingh, haer moeder. 



1) Ben schilderij van hem voorstellende een geleerde in zijn studeervertrek, gemerkt AB van der Heck 1653, werd 
16 Mei 1877 voor /soo bij Pappelendam en Schouten verkocht. Een.' ander schilderij was in 't bedt der Familie 
Bieren s de Haan. 



BIOGRAFISCHE A ANTEEKENINGEN. 149 

Ondertr: 4 Dec. 1636. Poulus Hennekin, van A., schilder y^) out 25 Jaer, geen 
ouders hebbende, geass. met zyn voocht Abraham de Goijer, won. op de Keysersgracht, en Cor- 
nelia de Swart, van A., out 24 j., geen ouders hebben., geass. met hae meue Teuntien de Swart. 

Hij teekent*: Paul Hennekyn. 
(Kerk huw. proc.) 

18 September 1637. Is begraven het kint van Paulus Hennekien onder den arm 
in de Calverstraet. 

Gedoopt 19 Oct 1642. Ester, dochter van Paulus H e n n e k y n, en Comelia Swart ; 
Jan de Keyser getuige. 

28 Sept. — 14 Oct. 1623. De Famielje van Francois Hennequin en hij zelf ligt begraven 
in de Walen Kerk. 

M'. Heyndrick de Duytsche schilder^ an *t Ouwezyskerckhoft een kint onder den arm 
begraven opte xvi Dach van May ad (1559) in de Oude Kerk. 

M'. Heynd. de Duytsche schilder y een kint onder den arm begr. opte xvii (Junius 
1559) in de Oude Kerk. 

Comp : Dirck Henrix, schilder, wonen, tot Naples in Italien, en Jacob Henrixz. drooch- 
scheerder, borger deser stede, gebroeders, voor haer selven en mede als erfgenaemen van Gysbert 
Henrix, haren broeder, overleden wesende, en hebben bekent getransporteert en opgedragen te 
hebben Pieter Coenesz., alsulken rentebrieven van acht carolus guld .... houdende op Hans 
Pietersz. Baerstroo als hem comp. toecomt van haer vader en moeders erff enz. In presentie van 
Cent Cornelis Metselaer enz. 26 Oct. 1596. (Prot. Not S. Henrix p. 190.) 

3 Nov. 1596. Jacob Heinricx verklaart by een volgende acte aan S'. Dirck Heyndricx, 
syn broeder wonende tot Neapoli in Italien 114 Car. guld. en 

4 Nov. verklaart hij nog 174 Car. aan Dirck schuldig te zgn. 

22 Aug. 1665. Hendric Hendricx, van A., schilder, oud 25 j., geass met Barent 
Janse, syn neef, ouders doot, woont inde Brouwersstraet, en Aeltie Jans, van A., oud 22 j. enz. 

(Kerk. huw. procl.) 

Gedoopt 2^ Mey 161 5 Nieuwe Kerk. Magnus*) zoon van Hendrick Jansz., en Aeltje 
Marcx; Jannetje Jans getuige. 

Begraven Oude Kerk. 7 Januari 1571. Van Thonis Hendricx, schilder, een kint 
onder den arm. 

Ondertr: 22 Dec. 1663 Frederic Hesselse, van Utrecht, caer taf setter, oud 19 jare, 
geass. met sijn vader Hessel Sijbrantse, en Annetie Dircx, enz. (Kerk. huw. procl.) 

Ondertr. 28 Mei 1661 Jan van der Heyde, van Gorcum, schilder, out 24? jaar, geass. 
met sijn moeder Neeltje Jans Munster, woont Heeregracht, en Sara ter Hiel, van Utrecht, out 
30 j., ouders doot, geass. met haer broeder Samuel ter Hiel, woont op de Lauriergracht. 

(Puiboek.) 

Begraven 31 Mei 1680. N. Z. Kapel. Een man Jan van der H e y d e, komt vande 
Nieuwezijds Voorburgwal bij de Stillsteeg. 

Begraven 14 Jan. 1675. Oudezijds Kapel, 't Kint van Nicolaes van der Heyden, van de 
Reguliersgraft inde landmeeter. graf No. 68. 

Ondertr : 16 April 1678 Jan Jansz van der Heyde, van A., schilder, wedr. 
Vrouwtje Jurriaenz, op de Elantsgragt, en Saartje Jans, van A., wed. Marten Jansz, op de Rosegragt. 



1) In het bezit der familie B e e s te Amsterdam is een portret van dezen Schilder. 

2) Is hij de beroemde boekbinder? Deze verklaarde echter in 1646 35 j. oud te zijn. 



150 BIOGRAFISCHE A ANTEEKENINGEN. 

Ondertr : 9 Dec. 1 656. Dirck Dirckse Heyn, wt Brasiel, schilder^ out' 20 j., geass. 
met Elsje Thomas, syn moeder, woon. op de Princegraft, en Lysbeth Jacobs enz. 

(Kerk. huw. procl.) 

Ondertr : 27 Juni 1620. Paulus van Hillegaard, oud 24 jaren, geass. met Franchois van 
Hillegaerdt, zijn vad*^, won. op de Rosegraflft, schilder^ en Anneken Homis, van Antwerpen, oud 
27 j«, geass. met Susanne Sohier, haer moeder, wonende in de houttuynen opde binnen-Aemstel, 
vertoonende een brieff van de vaders door de dochters hand geschr. die Jacques Spieringh veix:laerde 
wel te kennen en syne eygen te syn. (Zy ondert: Pauwels van Hillegaert, anna Hoomis. 

(Kerk. huw. proc.) 

Gedoopt 3 Oct. 1621. Frans, zoon van Poulis van Hillegerten Anne Hoffinans; 
Jacob Hofmans, Lyn Jans getuigen. 

Gedoopt 31 Maart 1643 Paulus, zoon van Fransoys van Hillegaerdt en Susanna Homis; 
Anna Homis getuige. n 

Gedoopt 21 April 1623. Nieuwe kerk Jacob, zoon van Paulus van Hillegaert 
en Anna Hommers; en Jannetje Spierings getuige. 

Gedoopt 8 September 1624 Jacques, zoon van Paulus van Hillegaert en Annetje 
Homers; AeQe Jeroens getuige. 

Begr. 21 Januari 1658 N. Z. Kapel, een man Paulus van Hillegaert, schilder ^ comt 
van over de ossemarkt op het endt van 't regulierspad, nalatende 2 kinder, met consent van burgem. 

Begr. 2 Jul. 1660, N. Z. Kapel een man Francois van HuUegaert, comt van het regulierspat 
over die ossemarkt, nalatend 7 kinder. 

Ondertr: 6 Oct. 1651. Paulus van Hillegaert, van A., schilder^ out 20 jaer, woon. 
op de Egelentiersgracht, geass. met syn moeder Anna Homes, en Comelia de Vlieger, van Rot- 
terdam, woon aen Smal-Weesp, geass. met Symon de Vlieger, haer vaeder. (Kerk. huw. pr.) 

Gedoopt 14 Sept 1655. Comelis zoon van Paulus van Hillegaert en Comelis 
de Vlieger; Magdalena van Bronkhorst getuige. 

Gedoopt 28 Nov. 1656 Nieuwe Kerk. Susanna dochtervan Paulus van Hillegaert 
en Comelia de Vlieger; Elisabeth de Wilde getuige. 

Cornelia de Vlieger, wed. en Boedelhoudster van Paulus van Hillegaert, in syn 
leven Schilder y won. op 't Regulierspadt buyten de Regulierspoort, 28 April 1660. 
2 Kinderen: Anna H. 6 jaar. Susanna H. 3 jaar. 

(Prot. Not. F. Wtenbogaert p. 94 bl. 55. 58.) 

Ondertr: 16 Mey 1654. Pieter van HuUegaert, van Antwerpen, wedr van Saertje Hack- 
steen, woon. buyten cie Heyligeweghspoort, en Baertje Pellegroros, van Gorcum, wed*, van Barent 
Harmense, woon. by de Heyligewegspoort enz. • (Kerk. huw. pr.) 

Ondertr: 29 Sept. 1663. Pieter Pietersz. HuUegaert, van A., out 22 j., goutslagersgesel, 
geass. met sijn vader Pieter van HuUegaert, won. by de Heyligwegspoort, en Elsje Barents van A., 
out 23 j. ouders doot, geass. met Aefge Barents haer suster. (Kerk. huw. proc.) 

Begraven 15 Augusti 1672 N. Z. Kapel. Pieter HuUegaert, komt van de Leydsestraet by 
het plein. 

Ondertr: 9 April 1604, Davidt van Mansdale, van Antwerpen, hoedenstoffeerder oudt 33 jaar, 
won. op den Dam enz. t. e. ende Janneken van HuUegaert Willemsd'., van Mechelen, oudt 26 jaer, 
won. terzelve plaetse, geass. met GuUlame van HuUegaert, haer vader t. a. z. 

(Kerk. huw. procl.) 



BIOGRAFISCHE A ANTEEKENINGEN. 151 

Ondertr. 19 Aug. 1661. Aarnout te Himpel, van A., schilder^ out 27 jaar, woont 
inde Halsteegh, en Aaltje Alberts Holl, van Harderwyck, en daer wonende. 

7 April 1663. Pieter, ter Himpel de Tonghe, out omtr. 27 jaer, en anderen, hebben te versoecke 
van d'Eersame P(ieter) ter Himpel d*ouae verclaert dat zij getuyghen op Dingsdach laestleden ten 
huyse van Gerrit en Abraham Roeters, staende inde Warmoestr. alhier daer Rees uythanght, (alwaar 

verscheyden lidmaten der Vlaemsche Mennonieten ontboden waren) hebben hooren lezen 

zeker geschrift behelsende een veranderingh in de regeeringh der kerckelijke goederen. (Nog 

over deze zaak acte van 20 April 1663) (Prot. Not. Abbas.) 

Begr. 3 Juni 1706 N. Z. Kapel, een man Pieter ter Himpel, compt vande prinsegraft bij de 
binnen amstel over 't weesper-veer. 

Begr: 18 Aug. 1698 N. Z. Kapel een jonghman, Willem ter Himpel, soon van wijlen Dirck 
ter Himpel, compt vande princegraft bij de binnen-amstel, in Haarlem. 

Begr. 22 Juni 1701 N. Z. Kapel, een jonghman Dirk te Himpel, soon van wijlen Dirk te 
Himpel, compt van de prinsegraft bij de binnen-amstel, in Haarlem. 

Op huyden den 25«» October anno 1668 compareerden voor mij Fran^ois Meerhout, openbaer 
Notaris en tot Amsterdam resideerende, ten presentie van de meergenoemden getuygen Saertgen 
Valentijn, meerderjarighe dochter t. e. ende Meyndert Hobbema, tegenwoordich bruydegom 
ende in ondertrou zijnde met Eeltje Pieters, van gelijcke meerderjarige dochter, beide dienende ende 
woonende ten huyse van den heer burgermeester Lambertus Reynst, ter andere zijde, verclaerden 
de voorn, comparanten, dat sij bij den voorn, heer burgermeester Reynst soo veele gunste en 
faveur hebben verwurven, dat sijne Ed» die goedicheyt omtrent de eerste comparante en dea 
tweede comparants bruyt heeft believen te employeren, om *t haerden bede en versoecke den 
tweeden comparant te begiftigen en benefiteeren met het wijnroyersampt binnen dese stadt, wes- 
aengaende de voorn, comparanten onderlinge in alle vruntschap en ter goeder trouwe in deser 
voegen met malcanderen sijn verdragen, overeen gecomen en geaccordeert, dat de tweede comparant 
uyt de winsten, voordeden ende profflten-, die hij met het gemelte ampt sal coomen te verdienen 
en conquesteeren, jaarlijcx sijn leven langh geduyrende ende hij 't gemelte ampt sal bedienen, aen 
de eerste comparante, sal laeten toecomen, voldoen ende betaele de somme van tweehondert gulden 
[eerst had er gestaan hondert en vijftich gulden], waertoe de tweede comparant hem wel expresselijck 
mits desen verbint en verobligeert, en dat alle halve jaeren de gerechte helfte van dien, precis 
sonder delay off uytstel, gelgck ook de eerste comparante haer met het geaccordeerde sal vergenoegen 
en te vreden houden, sonder iets meerder te vorderen off pretenderen, doch evenverre de eerste 
comparante off oock bij trouwen haer man met eenich ampt off benefitie wierde begunsticht off 
gegratificeert, in aoodanigen cas sal de uytkeringe der bovengemelte twee hondert gulden jaerlijcx 
t'eenemael cesseeren. Voor allen 't welcke en tot de precise naercominge van alle 't geene voorsz 
is, verbinden de voorn, comparanten haere respectieve personen en goederen, hebbende ende vercrij- 
gende, die stellende ten bedwangh als naer rechten. Aldus gedaen en gepasseert binnen den 
voorsz. stede Amsterdam ten huyse mijns notaris ter presentie van Jan Jaaster en Jacobus Lansman, 
mijn clercquen, als get. hiertoe versocht. (Prot. Not. Francois Meerhout p. 123, bl. 165.) 

Bij deze acte behoort de navolgende : 

14 Nov, 1668 comp. Sara Valentijns, bejaarde dochter, mitsgaders Jan Raaffsen en Elsgen 
Stevens sijn huysvrouw. . , . verclarende, dat den heere Mr. Lambertus Reynst, regerende burgemeester 
deser stede, ten wiens huyse de voorn. Sara Valentijn als dienstmaeght woont, ende voorn. Elsje i 
Stevtns als minne gedient en'gewoont heeft, 't haerder beyde beede ende instantelijck vers«ecken, 
die goedicheyt hadde gelieven te employeren en sich te laet permoveeren, om den voorn. Jan 
Raaf^n te begiftigen ende begunstigen met het veer schipper schap van dese stadt op Buycksloot^ 
niits conditie, dat sij comparanten onder malcander daerover inder billickheyt souden verstaen, 
waeromme dan de voorn, comparanten deswegen in dese voege met malcanderen sijn geaccordeert, 
dat Jan Raaffsen uyt de winsten, profijten en verdiensten, die hij als schipper op gemelte veer sal 
comen te winnen, verdienen en profiteren alle jaren sal betalen aen de voorn. Sara Valentijns 
ƒ200 enz. (Prot. Not. F. Meerhout p. 123 bl. 171.) 

Ondertr. 24 Aug. 1630. Joris Hoef f nagel, van Weenen in Oostenrijk, out 31 j., geen 
ouders hebbende, geass. met Jaques Hoeffnaegel, zijn neve, woon. tot Hamborgh, verdarende 
met eede een vrije persoon te sijn, en Johanna Brugge, van Hamborgh, out 27 j. woon. op de 
N. Z. Voorburgwal. (Kerk. huw. proc.) 



152 BIOGRAFISCHE A A NTEEK ENINGE xN. 

Ondertr. 13 April 1602. Valerius van d er Hoeven, van Aniwcrptn^ schilder, ou6t 
omtr. 30 jaeren, wonende (2J ann.) inde pylsteech, verclaerende geen ouders te hebben, geass.met 
Felix van der Hoeven en Cateleyne vander Hoeven, zijn broeder en zuster, t e, ende Sophia 
Raesvelt etc. (Kerk. huw. proc) 

Ondertr. 12 Oct. 1619. Valerius van der Hoeven, van Antwerpen, schilder^ wed*, 
van Sophia Raesveld, wonen in de Bloemstraet, ende Baeyken Hendrix, van Antwerpen, oud 36 j. 
geen ouders hebbende, won. op de Wannoesgracht (Kerk. huw. proc.) 

Ondertr. 18 Mey i64iJacob Hogers s, van Deventer, schilder, won. op de Nieuwendijck 
vaders consent, en Sara Abrahams, van Haerlem, out 23 j. i) (Kerk, huw. procl.) 

Begr. 2 Dec. 1658. Nieuwe kerk. Cornelis van Holsteyn, opde Rosegraft. 

Twee stuks Paris en Aenone, en een Nymf die door een sater aan en boom gebonden 
word, uitvoerig en konstig op yvoor in miniatuur geschilderd door P. Holstein in zware 
vergulde gebeeldhouwde lijstjes en glas. (Cat. v. Buren 1808 p. 606.) 

Gedoopt 27 Oct. 16 16 Nieuwe Kerk. Jacob, zoon van Jelisde Hondecoeteren 
Mayke Gijsels. 

Gedoopt 21 Dec. 1621. Esra, kind van Jelis de Hondecoeter en Maria Gijsberts; 
Gerrit Thielmans getuige. 

I Marty 1628 huwelycx voorw. Gilles de Hondecoetre, schilder, wed', van 
Maritjen Ghysbertsd'., toecom. Bruydegom, en Anneken Spierpigs, geass. met Jaques Spiering, 
boormaecker, haer vaeder. 

Getuigen waren Eleasar Swahnius, dienaer des Godd. woort, en Gerret Thielmansz. 

(Prot. Not. J. Meerhout.) 

Ondertr: 2 Maert 1628. Jelis de Hondecoeter, van Antwerpen, schilder, wed,. 

van May ken Ghysbrechs, won. omde hoeck van de oude Glashuysbrugh, en Annetie Spierinx, 

van A., out 20 j., geass. met Jaques Spieringhs en Margriet Hendrix, haer ouders, won. op de 
Keysersgr. (Kerk. huw. procl.) 

Begraven 18 Mei 1633 Nieuwe Kerk, van Gelis Hondecoeter, op de Singel, een 
kint op een baer. 

Ondertr: 4 Maart 1634. Abraham de Hondenkouter, van Uytrecht, out 24 j. chiruigyn, 
geass. met Jelis de Hondecouter, syn vaeder, woon. opt Ruslandt, ende Rycke Jans, van A. 
out 17 jaer enz. (Kerk. huw. prod.) 

Ondertr: 9 Febr. 1663. Melchior de Hondecoeter, van Uytreght, *Sr^^4?r, out 
27 jaar, ouders doot, geass. met Maria de Hondecoeter, syn suster, woont inden Haagh, en Susanna 
Tradel, van A: out 30 jaer, ouders doot, geass: met Jeremias Tradel, haer broeder, woont op de 
Lauriergr. 

(Kerk. huw. procl.) 

Begraven 15 Dec. 1668 Westerkerk, een kint van Melchert Hondekoeter, opde 
Lauryrgraft aende Bangraft (graf No. 303.) 

14 Aug. 1672. Melchior de Hondekoeter, getuige by doop in Amstelkerk van 
een dochter van Jean Tradel en Elisabeth Delbo. 

Ondertr. 25 Febr. 1683. Willem Spiering, van A., gonamer, oud 27 jaren, op de Leliegragt, 



^\ In het puiboek, waar den 11 Mei deze ondertrouw werd ingeschreven doch doorgehaald leest men nog dat de 
schilder 27 jaren oud was en dat zijne moeder Stijn Hogers heette. 



BIOGRAFISCHE A ANTEEKENINGEN. 153 

geass. met zijn moeder Geertruijd van Eik, en Isabella de Hondekoeter, van A., oud 17 jaren, op 
op de Prinsegragt, geass. met haar vader Melchior de Hondecoeter. 

Begraven 7 April 1695. Westerk. Melchior de Hondecoeter, in de Warmoesstraat 
bij de Papenbrugsteeg (graf No. 303 middelperk) bij avent ; mondige kinderen. 

Ondertr: 8 Oct. 1633. Nicolaes de Hondecoeter, van DelfFt, schilder^ out 24jaer, 
geen ouders hebbende, woon. inde Pr. Jacobstraet, geass. met Adriaen van Dintum, en Sara 
Coenraets, out 20 j., won. inde Pieter Jacobdwarsstraet, geass. met Jacob Coenraets, haer vader, 
en Annetie Andries, haer moeder. (Kerk. huw. procl.) 

Gedoopt 14 Sept. 1638. Nieuwe kerk. Jacob, zoon van Niclaes Hondekoter en Saeltje 
Jacobs; Annetje Andnfes getuige. 

Ondertr. 28 Maart 1658. Gillis de Hondecoeter, van A., out 23 j., chirurgijn, geass. met 
sijn vader Abraham de Hondecoeter, woont op de Oude Schans, en Geeitje Claes Fruidt enz. 

(Kerk. huw. procl.) 

Ondertr. 3 Febr. 1674. Johannes Hondecoeter, van A., oudt ^^ jare, france kramer, bij de 
Varckesluys, geass. met sijn vader Mr. Abraham Hondecoeter, ende Maria de Gijn, van A., oudt 
32 jaren, inde Berghstraet, ouders doot, geass. met haer moettie van Oort. 

Gedoopt 22 April 1625. Nieuwe kerk. David, zoon van Jodocus Hondius en Anna 
Staffinakers; Davit StafFmakers getuige. 

Gedoopt 8 Sept. 1626. Jodocus, zoon van Henrick Hondius en Janneken Hondius; 
Hans Verspreet getuige. 

De teekening voor de gravure van Hondius voorstellende de St. Vitusdans (één geheel) berust 
in de Albertina te Weenen. 

Begraven 14 Maert 1673. N. Z. Kapel Catharina Hondius, compt u)rt de Hartestraet voor aen 
kompt in het graf van Henderick Hondius. ƒ 8. 

Begraven 1 1 Sept. 1673, ^^"^ ï^^° Johannes Hondius, kompt uyt de Hartestraet bij de Heeregraft, 
kompt int graft van Henderick Hondius. 

Begraven 23 Febr. 1704. een man Lucas Hondius, in syn leeven heere van Oostweert, compt van 
de Kijzersgraft over 't Schouburg by de Huydestraat, compt int graft van Hendrick Hondius. / 8. 

Begraven 17 Dec 1703. een jonge doghter PetroneUa Catharina Hondius, outste doghter van 
Lucas Hondius, compt vande Kysersgr^t over de schoubiurgh, compt int graft van Hendrick Hondius. 

f 8. 

Begaven 18 Dec. 1703 een kint op een baar langh over de 4 voet, ComeUs Hondius, compt 
van de Kijzersgraft over de schouburgh, compt int graft van Hendrick Hondius. ƒ8. 

Ondertr: i Mey 1673. Romeyn de Hoog e, van A., etser ^ out 27 ja.ar, geass. met sijn 
moeder Susanna Gerarts, op de Reguliersgragt, en Maria Lansman, van Edam, out 23 jaar, geass. 
met Anna Writs, haer moeder, op de Kaisersgragt. 

Gedoopt 14 Sept.* 1642. Sara, dochter van Rome)m de Hoge en Susanna Geerts; Pieter de 
Hoge, getuige. 

20 Maert 1675 comp. Michiel Ratten en bekende schuldich te sijn aen Sr. Romeyn de 
Hooghe, konstvercooper i) /200. Hendrick Duyf bleef borg. ' 

(Prot. Not. P. Schrick p. 96, No. 143.) 

1) Is Sweers met R. de Hooge geassocieerd geweest, of is de H. slechts in het huis van Sw. gaan wonen? Men 
veigelijke de volgende adressen: 

1673, H. Swecrts, boekverkooper in de Wackeren Hondt. Zie Muller No. 3388. 
1675. Witten wonder Spiegel bij Romein de Roo ge in d^ Kalverstraet. Muller No. 2390. 
1678. Romein de Hooghe, uitgever in de Walckerm Hondt. Zie Muller No. 2638. 
1688. H. Sweerts bij de Appelmarkt 

20 



154 BIOGRAFISCHE AANT EEKEN INGEN. 

Gedoopt 7 Sept. 1638 Nieuwe Kerk. Romeyn, zoon van Paul de Hoge en HelenaleMaire; 
Romeyn de Hoge getuige. 

Ondertr: 27 Oct. 1645. Romyn de Hooghe, van Londen, out 40 j., en Levina van HaUe- 
wijn enz: (Kerk. huw. proc) 

6 Juni 1657 Comp. voor my P. v. T. Jan en Pieter de Hoge, burgers en Inwoonders alhyer 
gebroeders, daer moeder aff was Sara Steven zal, ende in dier q*. Erfgenaeme ex Testamento van 
Louise du Trock, haere bestemoeder... en verclaeren.. machtigt gemaeckt te hebben Romeyn 
en Louis de Hooge haere medc-gebroeders en mede erfgenaemen" om van den Executeur de erfenis 
te aanvaarden. (Prot. Not v. Toll. p. 21. p. 9.) 

1669 28 Sept. Testament van Rome)m de Hooghe en Livina v.Halé\v)m, echtelieden, won. op 
de Fluwele burghwal. 

Kinderen Josina, Johannes en Romyn. (Pro,t. Not. Brouwer p. 57 bl. 316.) 

Begraven Westerkerk 15 Nov. 1669. Romeyn de Hooghe, op de Fluweele burgwael over 
de Banck van leeningh, laet na 4 kynder. (graf 88 Zuidzyde.) 

Gedoopt II Mey 1642 Nieuwe Kerk. Romeyn, zoon van Jan de Hooge, en Anna v. d. 
Does; Romeyn de Hoge getuige. 

Ondertr: 11 Oct: 1675 M'. Romain de Hooge, van Amst; oudt 35 jaeren, ouders doot, inde 
Swanenburgherstraet, ende Susanna van Crackouw, wed. Willem van Assendelft, van Rotterd., 
ende daer woonende. (Puib.) 

Begraven Westerkerk 26 September 1673. Ida de Hooghe, laetste weduwe van Gerret Biel, 
op de Oude Schans bij de Dijkstraet. 

Begraven Westerkerk 27 Juli 1674. Paul de Hooghe, voor aan in de Swanenburgherstraet. 

Begraven Westerkerk 2 Oct. 17 10. Romeyn de Hooghe, advocaat, op de Regoliersgracht 
tusschen de Keysersgracht en de Amstelkerk, zonder kinderen. 

Begraven 18 Oct. 1719. N. Z. Kapel. Een man Arnoldus Houbraken, ') compt van 
de Prinsegraft tusschen de Leydse Kruysstraat en Spiegelgraft. / 15—. — 

Omstreeks 1409 woonde Claes Houbraken te Lexmond; hem werden door de partij der 
Arkelschen koeyen en schapen genomen. (Oorkonden Hist. Genoots. Utrecht 1855 bl. 354.) 

Ondertr. 18 April 1658 Bartholomeus Houbraken, van Dordrecht, out 27 jaren, laken wercker, 
ouders doot, geass. Tieleman Tielen, woonde op de Blomgraft, en Marritje Everts van Loveningh. 
Hij ondertr. voor de 2 mael 15 Nov. 1659 met Claesje Comelis. (Puiboek.) 

Ondertr: 19 Juni 1665. Joost Hobraeck, van Dordrecht, coomdrager, wedr van Jannetje Jans 
woont ind Vinckestraet, en Cornelia Reijers, van A., oud 38 j., geass. met haer zuster StijntieReijers 
woont op Zingel. (Kerk. huw. procl.) 



1) In Ang. 1878 zag ik bij Mullier 5 tedceningen met O. I. inktvoor het bijwerk van de portretten van Houbraken 
bekend onder den naam van Birch-heads. Zij waren geteekend door H. Gravelot, wiens naam met de bijvoeging ^inv, et 
deUn'\ op elk voorkwam. Aan de achteraijde droegen deze teekeningen de sporen van overbrenging op de koperen plaat 
zoodat de voorstelling op de gravure andersom is als op de teekeningen. Het waren teekeningen voor het bijwerk van: 

Eduard Seymour hertog van Somersei, Verh. No. 14. 

Francais Russel ivoeedt earl v. Bedford Verh. No. 19. 

Francot: Wabingham, Verh. No. 21. *) 

Walier RaUgh Verh. No. aj. 

William Russel hertog v. Bedfort, Verh. No. 57. 
in het oningevulde medaljon stond met potlood: 

„Als 't niet te veel moeyte is had ik liever 't ovaal wat kleynder gelijk met potlood aangewezen heb." 

*) Op de teekening stond op het lint van het schilderij Quorum hac alio Proper antibus(?) A. D. de Vries Az. 



BIOGRAFISCHE A A NTEEKENI NG EN. 155 

# 

Ondertr, lo April 1666 Maximiliaen Houbraken, van Dordrecht, wollewever, oud 28 j., ouders 
doot, geass. met Ariaen Moerland, woont op de Rosegracht, ende Meyntje Heeren, van A., oud 30 
j., geass. met haer moeder Hilletie Heeren, woont ind Elantstraet. (Kerk. huw. procl.) 

Cxedoopt 20 Nov. 1672 Doopsgez. gem. Geertruy Houbraken voorgestelt door haer vader 
Joost Houbraken en Jacob Jansz. 

Gedoopt 29 Nov. 1676 Doopsgez. gem. Annetje Houbraken, get. de vader Joost Houbraken 
en de suster Geertruid Houbraken. 

Gedoopt 5 Sept. 1706. Doopsgez.' gem. Neeltje Loosjes, get. Geertruid Houbraken en Baartje 
van Sardam. 

Ondertr. 16 JuJi 1611. Joachim van Houckgeest, uyt den Hage, wonen, in den 
Hage, ende Machteltje Staets, out ^4 jaeren, won, inde Koningsstraet, enz. (Kerk. huw. procl.) 

Jan Hulswit, overleden te Nieuwer- Amstel, i) 8 Augustus 1822, des avonds ten 8 ure, 
oud 56 jaren, van beroep kunstschilder y geboren te Amsterdam, weduwnaar van Geertruy Mattheus, 
wonende te Amsterdam, op de Prinsengracht over de Noorderstraat. Genoemd overlijden is den 
10 Augustus 1822 ingeschreven op de verklaring van Hendrik Riegen bekende, van den overledene, 
oud 48 jaren, wonende te Amsterdam, wijk 57, schilder, en vdn Daniel Jacobus Kerkhof, wonende 
te Amsterdam, Hartenstraat, zonder beroep 26 j. bekende van de overledene. De ouders van de 
overledene staan in de acte niet vermeld. 

Ondertr: 30 May 1682. Casper van Huysüm, van Leeuwarden, schilder, out 34 
jaren, opde Spiegelgracht, ouders doot, geass. met Jan Gerrets, en Comelia van Deelen, van 
Leiden, out 24 jaren, op de Antoniebreestr. onders doot, geass. met Elsie Jans. 

Ondertr: 27 Juni 1681. Justus van Huysz., van A., schilder, out 22 Jaar, op Boom- 
sloot, ouders doot, geass: met zyn broed'. Casper van Huysz., en Margrietje Schouten, van A., 
out 20 jaar, in de S*. Annestraat, geass. met .... moeder siek. 

(Hy teekent: Justus van Huisem.) 

Ondertr: 1 Sept 1690. Justus van Huysum, van A., konstschilder wed'. Margrieta 
Rus, in de Amstel kercxstraat, en Elisabeth Sanderis, van Abcoude, oud 27 Jaren, Inde Lucyen- 
steeg, geass. met Cristina Hulstman, de vad'. tot Roosendael. (Kerk. huw. proc.) 

Begraven: 2 Nov. 1607 N. Z. Kapel, een jonghmaa- J u s t u s van Huysum de jonge, 
konstschilder, compt uyt het huys van Gerrit Spiuyt inde Noorderstraet by de Vyzelgraft. /15 



I en J. 



Gedoopt II Jan. 1609. Oude Kerk. Adriaen, zoon van Komelis Intesz, varentman, en 
Giertje Reiners dr.;Pieter Intesz, getuige. 

Gedoopt 12 Maert 16 19, door den koster van de Oude kerk in de Nieuwe kerk Machtelt, 
dochter van Pieter Intesz, en Jannetje Jans, Hilgont Martensz; Griet Jacobs, getuigen. 

Gedoopt loNov. 1622 Oude Kerk. Machiel, zoon van Pieter Intessen, h(uis)-timmerman,^) 
en Jannetje Jans; Neeltje Comelis getuige. 

Gedoopt 17 Febr. 1622 Oude Kerk. AeQen, dochter van Mr. Gerrit Intjes Sar. en Aeltjen 
Jansdr. ; Trijn en Lijsbet Jans getuigen. 



*) Gewoonlijk wordt J. H. gezegd gestorven te zijn te Amsterdam, hij woonde wel aldaar (anders ware zijn dood« 
acte niet te Amsterdam ingeschreven) maar was zeker toevallig te Nieuwer-Amstel. 
*) Hij was architect van 't Burgerweeshuis. 

20 • 



156 BIOGRAFISCHE AANTEEKE NINGEN. 

17 April i6^6 Comp. Claes Jansz ... en Jeuriaen Jaspers .. en hebben ten versoecke van Sr. 
Salomon Italia^), Coopman binnen deser stede ... verclaert ... dat., omtrent tweemaen- 
den geleden . . in seeckere gangh op Uylenburgh naest de vergulde valck , . . seeckere portugiese 
vrouws persoon, van wien de reqt. inde voorsz. gangh een camer gebuurt heeft waerinne hy tegen- 
woordigh woonachtych is, van hem req^ een godspenningh heeft gevraagd. 

(Prot. Not. Sal. v. Nieuwland, pak 191.) 

Gedoopt 16 Juni 1639 Oude Kerk. Jan, zoon van Abraham J Sicobsz,^' plaeUnydery 
Dirckje Jans; Jacob Coenraets en Tryntjen Jans getuigen. 

Begraven 30 April 1624 Nieuwe Kerk, een bejaerde persoon Aeltjen Jacobs huysvrouw van 
Jacob Jacobs z., fynschilder^ in de Roosestraet. 

Ondertr. 20 April 1650. Ysaac Jacobss, van Hoorn, schilder^ wed* van Machtelt Jans, woon. 
op de princegracht, en Metje Pieters Nieuwstadt, 

Ondertr. 14 April 1674. Jan Jacob sz, van A;, schilder, out 22 jaar woont in de Zant- 
straat, geass. met Barber Tomas, syn moeder, en Sara Francken enz. 

Rapiamus 1606. Betaalt Claes Jansz, glasemaker , de somme van vijfF ende veertich 
gulden daer mede de heeren burgem. vereert hebben de kercke vant Oosteynde van Vlielant nae 
luyt enz. in dato de XXIII marty XVI* ses. / 45 — o — o — - 

Gedoopt 16 April 1582. Oude kerk. Claes, zoon van Dyrrick Janssen, schylder^ de 
moeder Elsgen Claes. 

18 Aug. 1624. Egbert Jansz. Chirurgin, in de Vogelsteegh, ende Maritje Jaspers in de 
Vogeldwarsstraet. — Is hij de graveur? 

Ondertr. 26 April 1603 Govaert Jansz, schilder, oudt 25 jaren, won. in de Warmoes? 
strate, geass. met Jan Gerrits, sijn vader, en Grietgen Willems, oudt 21 j., won. op 't Lastagie. 

(Kerk, huw. procl.) 

Gedoopt 31 Juli 1605 Oude Kerk, Hans, zoon van Jan Jansz., graveerder^, en Lysbet 
Jorisdr.; Neel Heinriksdr., getuige. 

Zes stuks leven van Jacob in ornamenten begin 17e eeuw zijn gemerkt: Hans Jansz in. 
Zij zijn later gebruikt geworden in J. P. Schabalje, Lutsthof des gemoeds, in 8*. 

Ondertr. 12 April 1663. Johannes Jansz., van Hamburg, ^.f^////<?r, wedn. van Hoormtje 
Jans, woont inde Tuynstraet, en Rensje Adams, van A: oud 23 j., geass. met haer moeder Aeltje 
Jans, woont als voren. Hij de Weescamer, voldaen den 13 Mei 1663. 

14 Juni 1672. Inventaris van de inboedel van Pieter Jansz, in sijn leven glas schrijver, 
ten versoecke van de meerderjarige dochter Geertje Pieters. 
Een schilderij synde een batailje. 
Een doncker lantschap. 
Een Landschap van de overledene. 
Een Bergje vande zelve. 

(Prot. Not. H. Brouwer p. 140.) 

Ondertr: 14 JuK 1668. Reynier Jans e, van s' Gravenhage, schilder, oud 44 j., ouders 
doot, geass. met Niclaes Herstal, woont op de Elantsgracht, en Maria Pieters, van Uytrecht, oud 
40 j., geass. met haer suster Lysbeth Pieters, woont uts. 



1) Hij heeft enkele portretten gegraveeerd o. a. een portret van Menasseh-bcn-Israfil . 

-) Was hij de plaatdrukker bij wien in 't begin der XVIIe «euw de plattegrond van Amsterdam door Corn. 
ANTHONisz. te koop was? 



BIOGRAFISCHE A ANTEEKENINGEN. 157 

S». Carel du Sjardyft (zuidelijk sj), woonende binnen deser stede, [machtigt] Jufï». 

Susanna van Roy, syne huysvrouw, .... omme .... van Boeijens tot Brussel 

alle soodanige gelden ende penningen als hem comparant van deselve Boyens deughdelyck zyn 
competerende te ontvangen. Aldus gepasseert 25 September 1655. ^ 

Hij teekent: Carel du Jardin, 
(Prot Not. Sal. y. Nieulant pak 2o7.) 

Wellidit geeft de volgende acte het huwelijk op van de ouders van Karel du Jardyn. 

Ondertr: 14 Febr. 1626. Chaarle du Gardyn, van Middelborgh, smeersmelter, out 27 jaer, 
geen ouders hebbende, geass. met zyn swager Jacob de Nys, woon. op t Rockin, en Cathalyn 
Borchout enz. (Puiboek.) 

Ondertr. 20 April 1669 Dirk Jurriaensz, van Ditmarsen, schilder^ out 23 j., ouders 
doet, geass. met Pieter Aerse, in de Tuynstraet, en Geertie Gerrits enz. 

L. 

Ondertr. 18 Oct. 1640. Willem van der Laach, van Haerlem,^^/f«y//<?r, out 26 jaar, 
geen ouders hebbende, geass. met Trojanus de Magister, zijn voocht, won. opt Rockin, en Lysbeth 
Comelis Hasecam, van A, out 25 jaar, geen ouders hebben, won. opde Keysergracht, geass. met 
Trijntie Claes, op de Doelen. (Puiboek.) 

Ondertr. 20 Juli 1668. Willem van de Laegh,i) van Haerlem, maeckelaer, wed« van 
Eiisabeth Hasecamp, woont opd Cleveniersburgwal, en Caihrina de Leeuw enz. 

Ondertr. 12 Juli 1686. Jan Gerard Lairesse, van Luyk, fijnschilder^ oud 35 jaaren, 
op de N. Prinsegracht, ouders doot, geassisteert met zijn behoutsuster Mariana Gooswijn, en Amon 
Le Maile, van Paris, oud 22 jaaren, woont als voorn, geass. met haar vader Etjen Le Maile. 

Walenkerk. Acte verleent den 3 Aug. 1686. (Kerk. huw. proc.) 

Baerent Lampen betaelt sestien gul. vertien sts. voor vier afbeeldingen vant Innemen 
vand Casteelen van Amboine en Tidor, gelegen in Oost Indien, daer mede hij de Heeren vereert heeft. 

(Rapiamus 1606.) ƒ 16 — 14. 

Ondertr. 20 Mey 1650. JanPietersz. Lastman, van A, schilder ^ out 21 j., won. inde 
Haerlemmerstraet, geass. met zijn bestevaeder Comelis Jansz Lastman, geen vader hebbende, 
en Anna Coenraets Poock, van A, out 24. j. enz. (Kerk. huw. proc.) 

Gedoopt 23 Juni 1652. Noorderkerk. Comelis zoon van Jan Pietersz Lastman 
en Annetién Pouck; Femmetien Tijsschen en Trintien Comelis getuigen. 

Jan Pietersz Lastman, cruydenier, out oihtr. 41 j. woon, in de Princestraet (Acte 1669.) 

Begraven 2 Nov. 1684. Nieuwe Kerk. Jacob de Later man van op 't Rusl'. 

Ondertr. 28 Nov. 1626. Abraham van Latom, van Middelborgh, borduurwerker^ 
wed», van Clara Cappelmans, won. inde Beursstraet, en Barbeltje Hutsebout, van Gent, wed* van 
Jacob Nachtegael, tot Middelborgh. (Extra-ord. huw. int. Reg.) 

Ondertr. 21 Dec. 1658. Abraham Laurentz, van A., schilder^ out 22 j., geass. met 
Hilletje Jans, syn moeder, won. opde Haerlemerstr., en Josijntje Jans, van Leyden, out 20 j., geass. 
met haer moeder Anna Jans, op de Baengraft. (Kerk. huw. procl.) 

Gedoopt 30 May 1624. Nieuwe Kerk. Martha, dochter van Luickas Laurensz. schilder^ 
en Debora FHps; Martha du Gardijn en Marya Lomamber getuigen. 



W. V. d. L a e g h schijnt later naar Kopenhagen vertrokken te zijn. In het prentkabinet aldaar zag ik van hem 
de portretten van yohan Caspar de Cibinon, Colonel et Gubern. Bergensis en yzxi Ab. Hier, Bueck, hof predikant te Kopenhagen^ 
beide portretten zijn gemerkt; W. van der Laegh, sculps Kopenhaven 1674. (v. d. K.) 



158 BIOGRAFISCHE A ANTEEKENINGEN. 

Ondertr. i Juni 1663. Hendrick Leeman, van A., schilder^ out 25 jaar, geass. met 
sijn moeder Susanna Hendricks, woont inde Petaniedwarstr., en Catharina Versteegen, van A. 
out 23 jaer, geass. met haer moeder Anneken Raes, woont inde Huydenstraet. 

(Kerk. huw. proc) 

Ondertr. 30 April 1611. Adam van Leest, van Antwerpen, Kaertemaker^ out 30 jaren 
won. bij Jan Roodenpoort, geass. met Tanneken Krekels, zijn moeder, en Tryn KomeHs dr., oud 
18 jaren, won. op de Warmoesgraft, geass. met Tryntje Willems d». haer moeder. 

(Kerk. huw. proc.) 

28 Nov, 1614. Trijn Cornelisd'. wed. Adam van Leest, kaertenmaker^ bewijst haar kind Anna, 
9 j. (dood in 16 19) vaders erf/ 200 Jacob van Leest en Tanneke grootouders, Jacques van Leest 
de jonge, oom, Claertje van Leest vrouw van Jan Thonisz, moei. (Weesb; 16 bl. 223'*.) 

Gedoopt 23 Sept 1635. Oude Kerk. Mayken, dochter van Abraham van Leest en Janneken 
Koolhaes ;Jaques van Leest, Susanne Boddens, Aeijaentjen van Leest getuigen. 

Abraham van Leest j oud 62 jaer, aldus in acte van 23 Jan. 1665. 

(Prot. Not. V. Tol. p. 23 A. bl. 17.) 

Ondertr. 3 Jan. 1607. Antoni vaji Leest, van Antwerpen, won. te Dordrecht, wed' van 
Manken Luybrechts, t. e. en Agneete Dierix, v. Antw., wed* van Hans de Vett, verclarende omtr. 
18 j. wed* geweest te zijn, won. op de O. Z. Voorburghwal. (Kerk. huw. procl.) 

Den 1 1 October 1642 wordt poorter van Amsterdam Carel van Leest, van Dordrecht 
schilder* 

Gedoopt 23 Nov. 1621. Kathelijn, dochter van Jaques van Leest en Catelyna Lefebure; 
Bastiaen Berrewouts getuige. 

Ondertr: 16 Juni 1629. Jaques van Leest, van A., caertemaker ^ wed' v. Catalina 
Lefevres, en Heyndricje van Leest. (Kerk. huw. proc.) 

Jacques van Leest de jonge, 16 j., zoon v. Jacques v. L. de Oude, kaeriemaker, en van 
Catharina Léfebre, test. 12 Maart 1631 Not. P. Karelsz. Zijn br. en zusters waren Anneke, Raphel, 
Adam, Kathalynte, Johannes. 

Johannes van Leest, kaertenmaker y en zijne vrouw Catharina Boeckaert Abrahamsd'. 
Jacques van Leest, zijn vader, genoemd 1648. 

Pieter van Gesel en Anna v. Leest d'. v. Jacques v, L. d' O u d e, genoemd 1650. 

Begraven Nieuwe Kerk 3 Nov. 1636. Huybert van Leest, S* Jansstraat 

Ondertr: 22 May 1622. Jacques Lemmers, van Antwerpen, j^^A^^r, ende Aeltgen 
Wouters, van Hamburgh, weduwe van Philips Reynders, wonende achter opde Anthonismerct. 

(Puiboek.) 

Ondertr: 29 Maert 1640. Adriaen Lenaertsz. van Amst, out 39 j., schilder^ won. 
op de O. Z. Achterb. wal, geass. met Lenaert Adriaensz, eu Lysbeth Verminnen, v. Dordt. 

(Kerk. huw. proc.) 

Van 1640 tot 1644 was Adriaen Lenaert s, schilder^ huurder van een huis van het 
S* Pieters-Gasthuis. 

Ondertr: 6 Nov. 1593. Hans Lenaerts, van Coellen, oudt XXHI jaren, wonende inde Nes 
geass. met Lenaert Lenaerts, sijn vader, en Caerl Lenaerts sijn oom, en Maritgen Cocks, oudt XXIII 
jaren, won. in de Halsteech, geass. mét Heinrich Cock, haer vader, en Niesgen Cock, haer moeder. 

Begr. 12 Mei 1613. Nieuwe Kerk. Van Hans Lenartsz, achter de brouwerij vant Claverblat, een 
kint onder den arm. 4-- 



BIOGRAFISCHE AANTE EKEN IN GEN. 159 

Ondertr : 26 Maert 1677. Johannes Leupenius, van A., lantmeier^ 1) out 30 jaren 
op de Princegraft, geass. met syn moeder, en Maria Minuyt, van A., out 22 jaren, op de Fluweele 
Burgwal, geass. met haer vaeder. Dese personen sijn den 19 April 1677 tot Sloten gctrouwt. 

(Kerk. huw. procl.) 

J. Leupenius, geadm. lantmeter^ legt getuigenis af bevattende een onware betichting van een 
dienstmaeght. Hij was getuige bij een acte van 31 Juny 1669 voor not. Jac Snel p. 231, over dezelfde 
zaak. Ook Lodewijck van Ludiek 22 Juni 1669 een zelfde acte. 

De Purmer is gemeeten A** 1622 door Mr. Lucas lansz Zinck, Landtneter^ enopniews 
oversien verbeetert en in 't licht gebragt A® 1683 door loannes Leupenius, Landmeter, Van 
boven rechts houden twee melkboerinnen een cartouche vast waarin de afbeelding van de in de 
Purmer gevangen meervrouw. Deze kaart niet door Leupenius zelf geetst maar door een ander 
gegraveerd. Evenmin het cartouche. 

Cat. de Ridder No 581 kwam een staat voor vóór de woorden: 't Huys te Weeresteyn 
aen de Vecht, op verschillende plaatsen minder bewerkt. 

Begraven 24 Dec. 1693, O. Z, Kapel. Johannis Leupenius, op 't rockin, in 12 uren. 
Graf No. 142. / 8 — 

Begraven 21 Jan. 1670. O. Z. Elapel. Petrus' Leupenius, No. 142. /* 8 — 

Begraven 28 Dec. 1701 O. Z. Kapel. Sara Leupenius, wed* Hendrick Doncker, in de Nieuwe 
Brughsteegh N^ 142. 8-- 

Henderick Doncker in de Nieuwenbrughsteegh was 2 Juni 1699 aldaar begraven. 

Bij den heer Meyer berust een op perkament geteekend portret, kniestuk rechts, links een 
pilaar, rechts een landschap. Geteekend J. Leupenius iecit 1670. 

Ondertr: 8 Sept. 1635. Jan de Leeuw, van Franeker, out 41 jaer, schilder^ in de Harte- 
straet enz. en Lysbet de Willem, van Hamborgh. 

Ondertr: 26 April 1653. Johannes Lingelbach, van Francfort am Meyn, schilder^ 
won. op de Roosegracht, out 29 jaer, een vader sieck hebbende, en Tietje Hendrix Poussi, van 
A, woon inde Corsiesteech, geass. met haar moeder HiUetie Baerents, hy vertoont acte van consent 
vande vader. 2). (Kerk. huw. procl.) 

Op huyden seventhiende April XVIo negen en vijftich compareerde voor my Joannes d'Amour 
Openb. Not. etc. S' Jacob van Driel, dewelche aennam ende beloofde S' Joannes Lingelbach 

te indemneren wegens sodanige borchtocht van vyfhondert gis. capitael met de interesse 

van dien, als hij ten behoeve van Sr. Jan Duyts voor Henric Bussi verleden heeft gehat, mitsgaders 
wegens een andere borghtoght van drie hondert gis. capitael met den interesse die den voorn. 
Lingelbach insgelyx voor de voorn Busi te behoeve van Sr. Gouthoven heeft verleden enz. enz. 

De nevenstaande borghtoght is op de naestlaetste Marty i66oop 'tbegerenvanSrJ ohan nes 
Lingelbach geroyeert, alsoo d'effecten van dien genoten hadde. 

(Prot. Not. d'Amour pak No. 142.) 

10 Nov. 1663 testeeren mutueel Joannes Lingelbach, konstryck schildert ende d'eerbare Tietje 
Busi, echteluyden, wonende in de Reestraet. (Prot. Not Hellerus p. 157.) 

Begr: 25 Jan 1664. AVesterkerk. Angenieta Lingelbach, op de Roosegracht. / 15 - - 

Begr: 2 Febr. 1664. Westerkerk. Frederick Lingelbach, op de Roosegracht / '5- " 



1) Dit is dezelfde als Rembrandts leerling, zie een kaart in 't Prentenkab. Amst. gem. J. Leupenius fedl 1676. Drie van 
zijn etsen (Cat. de Ridder) zijn van 1668, 1669 en 1671. Zijn etsen herinneren niet aan Kembrandt, zij doen nu eens aan j 

Romeijn de Hooghe (Goudeste3m), dan weder aan Roghman (o. a. Weerestein) of zelfs aan Jan van de Velde (Loenersloot) denken \ 

1) Y>eLe acte wordt hier nogmaals gedrukt omdat Havard, die haar hel eerst afdrukte, er verschillende fouten in 
maakte, b. v. 6 April, vader noch hebbende, Trutje Pouw. 



't 



160 BIOGRAFISCHE A A NTEEKENINGEN. 

Begr: 5 April 1670. Leidsche Kerkhof. Sofhya Lingelbach, buyten de Leytze poort, int 
Regeliershof. 

Begr: 15 Nov. 1675. Oude Luth. Kerk. Vader Davidt Linghelbach, graf No. 34. 

Ondertr. 5 Aug. 1756, Delft en Waele Kerk. Jean Étienne Liotard, van Citoyen 
in Geneve, gereformeert, in de Cal verstraat, ouders doot, gcass. met zyn neef dominé Jean Louis 
Maizonet, en Maria Fargues, van Amsterdam, gerefcrmeert, oud 27 jaar, op de Raamgr. geass. 
met haer vader Jean Fargues. Acte verleent den 22 Aug. 1756 om in de Walen Kerk alhier te 
trouwen. . (Kerk. huw. procl.) 

Gedoopt 21 October 1607. Oude Kerk. Bartolomeus zoon van Gilliam van Lochom 
en Anneken van Hoven; Henrick Verstraten, Fransijntjen van Lochom getuigen. 

Begr. 17 Nov. 1626 Nieuwe Kerk. Van Bartolomeus van Lochem, inde Halsteech, 
een Idndt onder den arm. f 4 

Gedoopt 2 Jan : 1628, Bartolomeus, zoon van Bartolomeus van Lochem en 
Margrita Floris; Machiel Jansz getuige. 

Ondertr: 22 Juli 1595. Heinrick Verstraten, van Doesborgh, en Grietjen van Lochom, van 
Antwerpen, oudt 26 j. won. in de Doelenstr., geass. met Barthoiomeus van Lochem, haer vader. 

Ondertr: 3 Juli 1604. Guillame van Lochum, van Antwerpen, kleermaker, oudt 21 j. en 
Anneken van Hoof. (Kerk. huw. procL) 

Op den eersten dach van May 1599 compareerde Assuerus Jansz: van Lende rs e el, 
van Antwerpen, PlaetsnijcUr^ out XXVfj jaren, woonende (4 annis) inde nieuwe Hoochstrate, vertoon, 
synes vaders en der dochters vaders consent, blijkens acte onder de handt van Ike? Leerdam secret der 
stede Leeuwarden, ende versocht syne drie sondaegscheuytroepingemit Agnietgen van Gelder Jansd', 
van Uytrecht en aldaer woonachtig, tot dien verte onende acte als voren enz. 

Franceis van Beusecem, kunstvercopery binnen deser stede als man en vooght van 

Susanna de Bruyn, dochter van Nicolaes de Bruynen wijlen Susanna van Londerseel, die 
een dochter was van Hans van Londerseel sal', in dier qualite voor hun selven en hen sterck 
maekende en de rato caverende voor de kinderen van wijlen Hans van Londerseel en de kinderen 
van wijlen Assuerus van Londerseel, te samen descendenten en erfgenamen van de l?oven- 
genoemde Hans van Londerseel, sijn comparants beste vader sal»., ende verclaerde .... volmachtig 

te maeken den Wei-Geleerde Heer Franciscus vanden Ende, omme tot Antwerpen en elders 

.... ten protocoUe nae te sien en wettelyck te consequeeren soodanige huysen en erven gestaen en 
gelegen over het Tapierspant tot Antwerpen, mitsgaders soodanige landerijen en andere vaste goederen 
als de voorsz Hans van Londerseel in sijn leven gehad en metter doot naegelaten heeft enz. Aldus 
gepasseert 21 May 1649. (Prot. Not S. v. Nieulandt p. 196 bl. 162.) 

Ondertr. 9junii62i. Dirk Evertsz. Lon s, oud 22 j., /^^r^/w^'/iJfr, won. op de Princegraft 
geass. met Evert Claesz, zijn vader, ende Maritje Pieters, oud 18 j., wier vader sijn consent 
aen den coster heeft verclaert, won. als vooren, geass. met Annetjen Henrix, hare moeder, de 
vader compareerde noch zelfs. (Kerk. huw. proc) 

Ondertr. 10 Febr. 1657. Andries de Lorme^), van Eplissijn bij Doomick, Diamantsnijder, 
wed', van Francyntje Rogier, won. in de Lourierstr., en Madaleen Madalet, van Gere, wed: van 
Jan Luycasz, woont als voorn. (Kerk. huw. proc) 

Ondertr. 21 Febr. 1693. Chris tof fel Lubienietzki, van Statijn, BijnschUder^ oud 
33 jaaren, op de Blomgracht, geass* met sijn Moeder Zophia Bnszyski, en Helena van de Rijp, 
van A., oud 34 Jaaren, op de Lelygracht, geass*. met haar vader, Volkert van Rijp. 

Gedoopt 19 Sept. 1694 door D®. Brandt in huys, Wümina, Craamdogtertie van Christoffel 
de Lubienisky en Heléna van de Rijp. (Doopb. Rem. Gem.) 



1) Wellicht is hij de schilder, wiens werken zeer schaars djn en wiens voornaam nog niet vaststaat 



ANNA ROEMERS. 

LOSSE AANTEEKENINGEN. 



DOOR 

J. H. W. UNGER. 

{SUi). 



EEREN we echter tot ANNA ROEMERS zelve terug. Haar huwelijk met 
DOMINICUS Boot van Wesel is tot heden eenigszins een raadsel ge- 
bleven, zelfs voor Dr, N. BeETS. Wel had deze geleerde er op gewezen, 
hoe een schepen-kcnnis, afgebeeld in Roemer Visscher's Sinne-pofpen 
Tweede Schock N. 46, tot opschrift droeg: „Wy DOMYNICUS Boot, 
Ballieu ende DyckgraaT', terwijl onderaan het zegel van de Zijpe hing, 
maar zijn gevolgtrekkingen konden niet verder gaan dan het onderstellen van een vriend- 
schapsband tusschen de families VisSCHER en BoOT. Ik ben in staat een heel klein tipje van 
den sluier, die over haar huwelijk hangt, te. kunnen oplichten door een officieel stuk uit de 
aanteekeningen van DE Vries. In een acte, gepasseerd den 3 Februari 1594 te Amster- 
dam, voor den Notaris S. Henrix, „op derselver stadhuys ter plaetse, genoemt de ge- 
schilderde camer" worden als gemeene ingelanden ende ïngeerfden van de Zijpe genoemd 
Adriaen du Gardin, Jan Claes Croock, goutsmit. Roemer Visscher en AssuERUS 
Hemelkens, goutsmit. Zie daar dan de oorsprong of ten minste de aanleiding van 
hunne kennismaking gevonden. De oude BoOT was Baljuw en Dijkgraaf in denzelfden 
polder, waarvan RoEMER Visscher ingeerfde of ingeland was. Misschien bracht deze 
]aatste wel eens een gedeelte van den zomer aldaar door. Opmerkelijk is het Jan Claes 
Croock ook vermeld te vinden. Deze was verwant aan de familie Visscher^); waarscliijn- 
lijk was Roemer Visscher door die betrekking in het bezit van dat land gekomen. 
Ook over het huwelijk ben ik in staat eeii tot heden onbekend document bij te 
brengen; het zijn de huwelijksche voorwaarden gepasseerd voor den Notaris S. Henkix, 

>) Oad-HoUand I bl. 343. 



162 ANNA ROEMERS. 

„van d'Eersame DOMINICUS VAN Wesel, Jongman, toecomende bruydegom, verselschapt 
met de heer Jacob BiCKER JACOBSZ, Rekenmeester deser stede, ter eenre ende d'eerbare 
Juffr. Anna Roemers, Jonge dochter, toecomende Bruydt, geassisteert met Sr. Pieter 
VisSCHER haren broeder, Sr. NlCOLAES VAN Buyl, haren swager, ende d'eersame Sr. 
CORNELIS VAN Campen, haren cosyn, ter andere zijde." De voornaamste bepaling was, 
dat „by overlyden van een der canthoralen, den boedel als zynde gemeen, in de helft gedeeld 
zal werden; zoowel alles wat ingebracht als wat aangewonnen wordt, alleen de clederen, 
wapenen, cleynodiën en ringen zullen gaan naar de zyde van waar zij gekomen zijn." De 
acte werd op den 14 Januari 1624 „ten huyse vande voornoemde Joffr. Anna VisschER" 
door allen geteekend. 

Anders was dit geweest bij het huwelijk van TesSELSCHADE *) in het vorige jaar. 
In de acte, gepasseerd voor den notaris S. Henrix, bevattende de huwelijksche voor- 
waarden van „Allert Jansz. Crombalch, Jongman, toecomende bruydegom, verselschapt 
met d'eersame DiRCK jANSZ QuiNTiNGH, zyn swager en de heer Jacob Backer, reken- 
meester deser stede, syn cosyn ter eenre ende d'eerbare Tesselscha Roemers, jonge 
dochter, toecomende bruydt, geassisteert met d'eersame NlCOLAES VAN BUYL, haren swager 
en d'eersame CORNELIS VAN Campen, haren cosyn ter andere sijde" werd bepaald, dat 
ieders aanbreng bij twee eensluidende notulen, door hen apart gemaakt en onderteekend, 
beschreven zou worden; dat de aangebrachte en aangewonnen goederen zouden gaan naar 
de zijde van waar zij gekomen zijn en dat, als Crombalch vóór Tesselschade kwam 
te overlijden zonder kinderen de „doarie" (weduwe) zou genieten, „tot een benefitie des 
huwelyks uyt de gereetste goederen van Crombalch de somme van vier duysent Carolus 
guldens." Deze acte werd opgemaakt, den 29 October 1623 y,ten huyse van de voorszegde 
Tesselschae Roemers, staende op de Geldersche kade." Ofschoon niet genoemd, teekent 
ook Pieter Roemers Visscher. 

De acte van huwelijksche voorwaarden van Anna Roemers helpt ons, al evenmin 
als het puiboek, om haar juisten leeftijd te weten te komen. In den eersten jaargang van 
dit tijdschrift heeft Mr. de Roever de stelling verdedigd, dat zij niet in 1584, maar in 
1583* geboren was. Dat betoog is van verschillende zijden aangevallen, waarbij onder 



i) Van Tesselschade kwam mij eenigen tijd geleden ook een brief in handen, die, ofschoon hij reeds door Dr. 
T. VAN Vloten in het Vierde deel der Brieven van Hooft bl. 245 afgedrukt is, verdient hier op nieuw gegeven te worden, 
en omdat de tekst daar zeer veel te wenschen overlaat, èn omdat hij daar niet volledig is afgedrukt. De brief luidt als volgt: 

Mijn Heer C. Bareleus. 
lek heb u brief met zyn ingewant ontfangen, en siet daer haepert noch wat aen, ick soud' bet soo niet 
konen schryven ten waer ick de Chimère van Horatius wouw verbeelden met langer beenen als het behoorde. 
Ick kan oock niet schryven als met een vingerhoet aeh royn vinger wa(n)t se rondom gesworen heeft en nu 
is het vel soo dun dat ick de kanticheyt van de pen niet en lyden kan. Gelieft UE. het boeck wederom, 
sal het senden ofif het sal noch al wat moeten lyen eer ick sal konen mjne oude fatsoen maecken. Dos 
heb ick het verandert indien ghy het goet vindt. Ick bedancke UE. voor de voor Jaers vruchten, heb die 
met myn dochter gegeeten, die UE. ne\ens haer moeder doet groeten. 

TESSEL-SCHADE. 

Deze brief werd in 1852 op de auctie J. Schouten voor 45 gld. verkocht aan Jhr. Beeldsnijder van Voshol 
in wiens coUeciie, op het Rijksarchief, hij thans te vinden is. 

Men vergelijke dezen tekst eens met dien bij van Vloten om een goed denkbeeld te ki ijgen van de nauwkeungbeid 
waarmede genoemde geleerde dergelijke stukken uitgaf. 



ANNA ROEMERS. 168 

anderen aangevoerd werd, dat BRANDT in zijn uitgave der Poëzy van VONDEL onder het 
gedicht ,.op de geboorte van onse Hollantse Sappho ANNA ROEMERS" schreef: ^^Zy was 
gebaren MDLXXXIVr 

Bij een onderzoek ïn de papieren van HUYGENS, in de Koninklijke Akademie van 
Wetenschappen te Amsterdam, vonden wij, DE Vries en ik, een stukje handschrift van 
den volgenden inhoud: 

ViVlTE FELICES 

QviBvs EST fortvna peracta jam sva: 
nos nostra e terris in fata vocamvr, 

Anna 

ROMERI F. ViSSCHER 

Sexagenaria ETQ. EXCVRRIT 

Amstelodami 

Vrbi patriae 

Perpetvam felicitatem 

cygnaeo cantv 

apprecabatur. 

postrid. cal. febr. 

DIE SOLENNI 
CID IDC XLIII. 

Blijkens den vorm van dit handschrift meenden we, dat het gediend heeft voor 
opschrift op een beker of een penning of iets dergelijks, en als HUYGENS goed ingelicht 
was, waaraan niet getwijfeld behoeft te worden, dan zou Anna Roemers op den 2 
Febr. 1643 een zestigjarige geweest zijn. Daaruit volgt dus, dat zij in 1583 geboren is; 
wat kan hier echter „die solennis" beteekenen ? Zou hiermede den Zondag bedoeld zijn 
die, zooals mij bij nader onderzoek gebleken is, in 1643 juist op 2 Februari viel of zou 
het misschien haar geboortedag zijn *)? 

Ten slotte nog iets over de VAN Campens. In de Dietsche Warande heeft de 
heer Alberdingk Thijm een zeer fragmentarische genealogie gegeven van dit geslacht, 
later aangevuld en verbeterd in het tweede deel zijner Verspreide Verhalen] ook hier 
bleven nog vele gapingen over^ waarvan enkele door mijn vriend DE ROEVER aangevuld 
werden in zijn „Een Verjaard verjaarfeest" *). Uit notarieele bescheiden en andere aan- 
teekeningen van DE Vries is het mij mogelijk ook daarvoor een steentje aan te brengen. 

Den 19 Maart 1607 maakte CORNELIS VAN Campen, coopman, de cosijn van Anna 
Tesselsciiade en oomzegger van den ouden RoEMER, bij testament voor den notaris 
S. Henrix gepasseerd, aan Jacob, „syn natuurlycke sone, geproceert by Sytge GERRlTSdr" 
boven de lijfrenten, die hij voor hem gekocht had, de somme van zesduisent Carolus 
guldens. Verder wordt nog genoemd Catharina Quekels, „zyn testateurs huysvrouwe". 



1) Hier zij nog medegedeeld, dat in den catalogus van de auctie A. van der Linde onder No. 2587 een Album 
amicoram van Jerome de Backere 1605 — 1653 voorkwam met autographen van Barlaeüs, Heinsius, R. Visscher 
Anna Roemers en Tesselschade. Tot heden is het mij niel gelukt dit Album op te sporen. 

a) Oud'Holland, 1 bl. 238. 

21* 



164 ANNA ROEMERS. 

terwijl nog bepaald werd dat, als testateur geen echte kinderen nalaat, 20,000 carolus 
guldens aan den genoemden Jacob zouden worden uitbetaald en aan de dan in het leven 
zijnde kinderen van PlETER VAN Campen, sijn broeder en Aeltgen VAN Campen, sijn 
suster, elk lOOO carolus guldens. Dit testament werd echter den 30 April 161 5 geannuleerd. 

Den 5 Februari 1636 maakte CORNELIS VAN Campen, nu „siecklijck" zijnde, op- 
nieuw zijn testament. Dit is vooral een belangrijk stuk om de familie-verhoudingen te 
leeren kennen. In hoofdzaak bevat het de volgende bepalingen: 

„Aen de vier naergelaten kinderen van MARIA LOOTS, die een naergelaten dochter 
was van Aefgen van Campen, sijn comparants suster, getrouwdt geweest synde met 
DiRCK BooRTEN, advocaat, als naemelijck Geertruyt, Aefgen, Maria en Margaretha 
BOORTENS, elck een lyfrente van 200 gld. en elck een rentebrief van 400 gld. ; 

aen Margariete Loots syn nichte. een lijfrentebrief van 200 gld. en een somme 
van 8600 gld. 

aen de drye kinderen van NiCOLAES VAN Campen, syn cosyn als WiLLEM, Otgen, 
ende jAN VAN Campen, elck een lijfrente van 50 gld; vervolgens komen de 
Wallinckhuysens (.?) aan de beurt. 

aen de drye kinderen van GeertrüYT Roemers, sijn nichte, daer vader af is 
NiCOLAES VAN BUYL, substituyt- schout, als: WiLLEM VAN BuYL een lijfrente van 50 gld. 
Lysbeth van BüYL een gelijke lijfrente en ROEMER VAN BuYL een van 100 gld Uit 
deze laatste lijfrente moest aan PlETER ViSSCHER, sijn oom, jaerlcyx 50 gld. uitbetaald worden. 

Item legateert ende geeft mitsdesen noch aen de twee kinderen van Anna 
Roemers, syn nichte, daer vader aff is DoMiNiCüS van Wesel, als : Roemer en Jan 
VAN Wesel, elx een rentebrief van vyftich gulden. 

Noch aen Maria Crombalch, de dochter van Tesselscha Roemers zijn nichte 
gelijcke lijfrente van 50 gld. Ook de kinderen van Jan Loots en Jannitgen Baltes 
worden „uyt goede affectie" bedacht. Zijn zoon jACOB VAN Campen werd zijn erfgenaam, 
terwijl Reyer Loots, Nicolaes van Campen, Jacob van Campen Pietersz, syne neven, 
niet vergeten werden. 

Ofschoon de meeste dezer personen in het geheel geen beroemdheden geweest 
zijn, meende ik toch bij deze documenten even te moeten stilstaan, omdat zij een 
zeer gewenschte bijdrage zijn voor de kennis van de aanverwante familiën ViSSCHER 
en VAN Campen. Hetzelfde geldt voor de hier achter volgende geslachtslijsten. Telkens 
komt men in de brieven van HooFT of in andere gelijktijdige geschriften, namen tegen 
van nichten of neven van Anna en Tï:sselschade, die men niet juist weet thuis te 
brengen en daar er tot heden van beide geslachten slechts bijzonder fragmentarische 
genealogiën bestaan, acht ik het een genoegen den belangstellenden lezer in deze uit 
officieele gegevens tezamengestelde geslachtslijsten de gelegenheid te verschaffen op vele 
vragen een antwoord te kunnen vinden. 

Rotterdam, Mei 1885. 



on 



,H O* 



C/\ 



M 

M tO 



r^ c oü BH 

M 2 



o 
9; 



> P 

w > " O :^ 

»< o D > 
50 






pj *r ta ,^ tu ^ 



»9 0!) Z 
S M ^ ta J!* 

s< 3- W 



tn 



n o 5 na 






E'S»" I-g 3 

o Sz <^ 5 2 




pa c 
Z 



> 
o 



OfQ 

er 




o* 



M PJ y 

og g 



rt 3 * 






f" 5 2 

z 3 w 

C c z 

ï« w ?> 



en 



p: 

H 
ff 

•< 
H 



- S« rt» o -« 



• Ui 



On S. 
00 •** 



-^ ^ « Ou <L i-i >• 
» « 2. rt p* t/ S 









• 


w 








< 


c 








2:0 








O" 


ff 








"1 


H 








H 


PJ 








On Z 








Oi 


Vi 








• 








B 




fn 









< 
> 




o* 

• 




P) 


3. 


z 


M 

On 




» 
tn 





2: 






H 
PJ 


3 


w 

G 









• 


:? 


■ 




PI 

Z 


C/3 


r 
> 


Ui 






H 


z 


s 






< 





c 






PI 


• 


P3 






Z 




r 




<— 1 




orq 




ö 


> 




ro 










M 


O* 




PJ 





ON 


• 




w 


n 




H 


W 


■* 


e 


^ 


ON 


c 


Oq w 


O* 

■ 






ff 


• 


► 







PI 




z 


M 


a 


Z 

CA 


M 

S' 

• 




o\ 0. 




in 





ia 

• 





> 

P3 

's: 



> 
ff 



?g' 



o 

ff 
H 
PI 
Z 
CA 



► 
ff 
o 

PI 




ïi O 

On i. •— ' .^ 
^5 < "^ '^ ff 

C^« ov^ n;5 









>< S' o- Sn ^ » 

ö o r" eg 



ON v'=^ 

« CD 

• 

P. 

O* 



9 
p. 

H ^ 



Oj 



)0 

NO 






> 
PJ 

PJ z 

tn P. 

ö > 

?* K 

PI 

z 



o 
w 

C/) 

r 

> 
o 

H 

C/) 

r 

en 
H 

ö 

<: 

> 
z 

o 

> 

w 
Z 

C/5 



BIJLAGE C 



BEWIJSPLAATSEN VOOR DE GESLACHTSLIJSTEN. i). 



I. Reg. van kerk. huw. procl. 29 Maji 1609. Claes van Buyl, oud 24 jaren, 
wonende opt Water, geassisteert met Elbert Symonsz Jonckheyn, zyn zwager, en 
Truyken Roemer Visschersdr., oud 21 jaren, wonende op de Engelse kay, geassis- 
teert met Aefgen Jans, hare moeder, zynde gehouden des vaders consent voor de eerste 
proclamatie te doen blyken. 

In margine staat: 

S. Roemer Visscher heeft aen my secretaris syn consent verclaert. 

Claes van Buyl was de zoon van Willem van Buyl, burger van 
Nijmegen, die den 21 December 1578, 32 jaar oud zijnde, ondertrouwde met Trijn Claes 
Gerritsdr., (geass., met hare moeder Griet Jansdr.) Den 16 Augustus 1591 liet een 
Willem van Buyl „inde vier heemskinderen" in de Nieuwe Kerk een „kindt onder den 
arm*' begraven; misschien zijn dit dezelfde personen. 

Dat Claes de zoon van Willem van Buyl en Trijntje Claes was, blijkt uit een 
acte, gepasseerd den 8 Juni 1607 voor den notaris Gijsberti, waarbij de kinderen van 
Willem van Buyl en Trijntje Claes, beide dood, machtiging geven om over te dragen aan 
hun neef Arent Kelfken, burger te Nijmegen, een huis in de groote straet te Nijmegen, 
genaamd Bourbon. Die kinderen waren: Lysbeth, getrouwd met Elbert Simonszjonkheyn, 
Grietje, getrouwd met Jan van Veelen, Arent en Claes. Bovendien blijkt uit deze acte 
nog, dat zij ook renten in 't land van Luik en Maastricht hadden te ontvangen. 

IL Begr. boek Nieuwe Kerk 20 April 1611. Claes van Buel een kint onder 
den arm i — 9 

IIL Begr. boek Nieuwe Kerk 19 April 1613. Claes van Buyl in de 
brouwery vant Duyfgen, een kint onder den arm 4. — 



I) Daar eenige van deze officieele gegevens reeds elders o. a. ook in Oud-Holland gedrukt zijn, acht ik het niet 
noodig ze hier nogmaals in extenso te geven. 



168 BIJLAGE. 

IV. Doopboek Oude kerk 6 Juni 1614. Klaes van Buyl, Truytgen 
Roemers Visschers, (getuigen:) Arent van Buy 1, Tes sel s ch a Roe mers 
Visschers Willem. 

V. Doopboek Oude kerk 14 Februari 1619. Claes Willemsz van Buyl 
Truitgen Roemers (getuigen:) Pieter Visscher, Tryntje Quekels. . .Aefgen. 

VL Doopboek Oude kerk 26 Sept 162 1. Claes van Buyl, Truytgen 
Roemers (getuige :)JanTeller Roemer. 

VII. Doopboek Oude kerk 1 1 Nov. 1 627. Claes van Buil, Truitgen 
Roemers (getuigen:) Arent van Buil, Grietjen van Buil . . . Aefjen. 

Begrafenisboek Nieuwe kerk 22 Nov. 1627. Claes van Buyl een kindt onder 
den arm 4. — 

VIII. Reg. kerk. huw. procl. 2 April 1637. Willem van Buyl, van Amster- 
dam, syreder, out 23 jaer, geass. met syn vader Claes van Buyl, supstituyt, woonende 
op de Coninxgracht enCatharina Vlasvadt van Amsterdam, out 23 jaer, geass» 
met haer vader Pieter Jansz Vlasvadt, woonende op de Keysersgracht. 

IX. Reg. kerk. huw. procl. 8 Juli 1649. Willem van Buyl van Amsterdam 
supstituyt-schout, wed' van Catharijna Vlasvadt, woont op de Kolck en 
Geertruyt Arens, wed' van Jan HuybersCodde, woont op de Oude Schans. 

X. Doopboek Oude kerk 3 Nov. 1639. Willem van Buyl ende Catryna 
Vlasvat, (getuigen:) D'officier Claes van Buyl, D'ofificier Pieter Jansz Vlasvat 
enImmetjeVlasvat Roemer. 

XI. Doopboek Oude kerk 5 Sept. 1641. Willem van Buyl, Catarina 
Vlasvat, (getuigen :) D'ofificier Pieter Vlasvat, Immetgen Vlasvat met 
JuerjaenVoskuyl Willem. 

XII. Reg. kerk. huw. procl. 5 Sept. 1664. Barent Boelen s van Amsterdam, 
silversmit, wed' van Marriken Meynders, woont by de Reesluys met Catharina 
van Buyl, van Amsterdam, oud 21 jaer, geass. met haer vader, de substituyt-schout 
Willem van Buyl, woont op de Oude Schans. 

XIII. Puiboek 9 Augustus 1641. Jurriaen Voscuyl, van Campen, out24Jaren^ 
geassisteert met Dr. Everardus Voscuyl, zijn vader, wonende op de Coningsgraft en 
Elisabeth van Buil van Amsterdam, out 24 jaren, geassisteert met haer vader Claes 
van Buyl, substituyt deser stede en Truyke Visschers, hare moeder, wonende als voren. 

XIV — XVI. Doopboek der Remonstranten. 21 Oct 1652 Ge er t r uy t, 't kint 
van Jurriaen VoskuylenLysbet Buyl. 

28 Nov. 1655 heeft Ds. Walchardus in huys gedoopt: Claes, kraemsoontje van 
Jurriaen Voscuyl en Elisabeth van Buyl. 

31 Dec. 1657. Lysbeth, 't kint van Jurriaen Voskuyl en Lysbeth 
van Buyl. 

XVII. Mr. J. van Lennep geeft in de Nalezingen op zijn 6* deel van Vondel eenige 



BIJLAGE. 169 

aanteekeningen over de Roemer Visschers, in het bezit van G. van Leeuwen te Alkmaar. 
Hij deelt daarin mede dat Tesselschade „den 25 Martii 1596" geboren zou zijn. Inde 
Nieuwe algem, vaderlandsche Letteroefeningen van 1827 II bl. 657 geeft de heer G. van 
Leeuwen diezelfde aanteekeningen uit en hier is de datum „21 Martii 1594". Dat dit 
laatste het goede jaar is, kan hieruit blijken : Roemer Visscher geeft aan zijn 
jongstgeboren dochter den naam van Tesselschade, opdat zij hem, door haar naam 
zou herinneren aan den hevigen storm, die in het najaar van 1593 een geheele handels- 
vloot bij Tessel vernield en hem gewis groote schade berokkend had. De opgaaf 
bij V. Lennep moet dus foutief zijn, daar het niet aan te nemen is dat Roemer Visscher 
drie jaren later nog zoo onder den indruk van dien storm verkeerde. De heer Alberdingk 
Thijm geeft in zijn geslachtsHjst {Verspr, verhalen II bl. 104) als geboortedag den 25 
Juli 159S op! 

XVIII. Grafboek Oude kerk 24 Juni 1609. Tesselscha Roemer Visschers, 
wed. van Allart Crombalch, comt van de Colck Is 2 uyren beluyt met de groote 
clock * /20. 

XIX. Reg. kerk. huw. procL 17 Oct. 1602. Cornelis van Kampen 
Jacobsz, oudt 38 jaren, wonende op de Nieuwendijck, geass. met Roemer Visscher, 
zyn oom ende Catharina Quekels, Cornelisdr., oudt 24 jaren, wonende inde 
Warmoesstrate, geass. met Machtelt Pieters hare moeder. 

XX. Puiboek 2 Februari 1623. Jacob van Campen Cornelisz., out 25jaren, 
geassisteert met Nicolaes vap Campen, zijn neeve, woonende in de Warmoesstraat en 
Geertruyd Cornelis, out 20 jaren, geassisteert met Cornelis Jansz Delft, haervader 
wonende op de Verwersgracht. De vader Cornelis van Campen heeft zijn consent 
verclaert, 

XXI. Acte van den notaris Sal. van Nieulandt 20 Oct. 1650. 

Compareerden Hans Rogiersz, out omtrent 5.s jaren en heeft ten versoecke 

van Sr. Jacob van der Does, nomine uxoris, voor hem selven en vervangende 

d'andere en mede-erfgenamen van wylen Mr. Dirck Boorten, advocaet... 

ende verclaert. . . . hoe waer is, dat hy deposant al van 1609. . . . bewoont heeft 

het huys, daer de vergulde vogelstruys tegen de gevel, staende inde St. Jacobs- 

straet [voor 1 5 jaar geleden was verhuurder wylen Cornelis van Campen, 

wiens suster Anna van Campen salr. int achterhuys woonde.] 

XXIL Reg. kerk. huw. procl. 4 Nov. 1594. Pieter van Campen Jacobsz 

oudt 26 jaren, wonende op de Nieuwendijck, geass. met Willem van Campen, sijn 

oom en Cornelis van Campen, sijn broeder, wiens moeder aen den Hr. Herman 

Gijsbert syn (1. haer) consent verclaert heeft, versoeckende sijne drie sondachsche uyt- 

roepinghe van de puye met Gerritgen Claesdr. 

XXIII. Puiboek 23 Aug. 1597. Jan Reyers Loots, oudt 22 jaeren, woonende op 
de Oudezijds Kplck, geassisteert met Claes Maertsz, syn vader ter eenre ende Aefjacobs 

22 



170 B IJ L A G E. 

van Campen, oudt 26 jaren, wonende op de Nieuwendijck, geassisteert met Geerce 
Pietersdr. hare moeder. 

XXIV. Begr. bock Nieuwe kerk '6 April 1638. Claes van Campen In 
St. Luciensteegh , . . .' 8.— 

XXV. Doopboek Oude kerk. 17 Maert 1619 Claes van Campen, Annetjc 
C o rn e I i s, (getuigen :)Jan Loots, Catryn Quekels . . . , Gerrit 

XXVI— XXVII. Begrafenisboek Nieuwe kerk. 23 Nov. 1624. Claes van Campen 
in de Sinte Lucyensteegh een kint onder den arm 4,— 

3 Febr. 1629. Claes van Campen in St. Lesye steech een kint onder 
den arm 4 — 

Uit het begrafenisboek der Oude kerk. i Octobris 1569- Hillegont Pieter 
Roemerszoon Dochter by Sinte Pieter Kerrickhof 4-7 

26 Maert 1612. Pieter Roemerssoon op het hoecgen van het damandelen- 
steech • 8.— 

Uit het begrafenisboek der Nieuwe kerk 26 November 1588. Pieter 
Roemersoon es begraven 4-7-0 

9 November 1598. Abram Roemers es begraven 4-7-0 

23 Juni 1617. Tesseltgen Claes opt Wtrechtseveer in de Geelvinck. 



DRIE AMSTERDAMSCHE SCHILDERS. 

(PIETER ISAAKSZ, ABRAHAM VINCK, CORNELIS VAN DER VOORT.) 



DOOK 
Mr. N. de roever. 



IET talrijk zijn de berichten over de kunstenaars, die in de welva- 
rende Amstelstad bloeiden, nadat de pen was nedergelegd, waarmede 
CaREL van MaNDER de schilders van zijn tijd en eenige oudere 
had beschreven en de namen genoemd van enkele jongere, die voor 
de toekomst iets deden verwachten. Er moet alzoo gewoekerd 
worden met het weinige wat er te boek werd gesteld door schrijvers 
en dichters, die de eerste decenniën van dit gulden tijdvak bevolkten. 
Men duide het mij daarom niet euvel, dat ik hier nogmaals de vers- 
r^els afdruk, die reeds gemeen goed der kunst-historici werden sedert DE Vries ze plaatste 
aan het hoofd van zijn belangrijk opstel over den Amsterdamschen schilder DiRCK 
Barendsz '), Terwijl DE VRIES het oordeel van den tijdgenoot slechts aanvoerde als een 
bevnjs voor den goeden naam van zijnen, overigens in de kunstwereld niet vergeten held, 
wensch ik ze hier te herhalen, om een hulde te vragen van het nageslacht voor eenige kunstenaars 
wier roem met de jaren, de eeuwen mag ik zeggen, wegstierf, zoodat men hunne namen thans 

1) In C. Ed. Tavrel's de Chriitilijki humt deel XXIV. 

De Fraiuche vertaling der loo aanstonds noginaaU af te divkken roeien taat iets te wenichen ovet. 



172 DRIE AMSTERDAMSCHE SCHILDERS. 

nauwelijks in de handboeken vermeld vind, gelijk men hunne werken slechts bij uitzon- 
dering in openbare of bizondere verzamelingen aantreft. 

Deze minder fraaie dan voor de kunstgeschiedenis belangrijke versregelen, gelijk 
DE Vries ze zeer eigenaardig stempelde, danken wij aan de ruim vloeiende dichtader 
van den Ridder TliEODORE RODENBüRGH, wien in het Brederode-Album van Oud-Holland 
door mijn vriend ÜNGEk recht is wedervaren. Zij dateeren uit 1618 en luiden: 

Ghy Amsterdamme doet Apelles fame buyghen, 

't Moet zwichten voor U al 't geen was in voor'ghe tijdt, 

Want Gy de Paragonne van de wereldt zijt. 

Veel eerder zoud* mijn tonghe azems galmt ghebreken, 

Eer ik Uw* lof volkomen uyt zoud' kunnen spreken. 

Italien Ghij trotst', al wat zy hadd' of heeft 

In Amstelse tryumph nu wezentlijcke leeft; 

Roemt van uw Langhe Pier, roemt van uw waerde Ketel, 

Uw DiERYCK Barents lof, men achtent noyt vermetel 

Dat Ghij Uw heldensfaem op Uw baeckxtoppe viert, 

En Uw verleden tijdt met gloryen latiriert. 

En die Ghij hebt als noch, Pinas, Uw Lasmans wercken. 

Uw PiETER YsACX, die U roofden Denemercken, 

Tengnagel, Badens, Vinck verderen 't Amstelandt. 

Uw Poelenburg, Nieuland, Moeyert en van Nant, 

Uw Zav'ry, Vinckedoons, Uw waerden van der Voorden. 

't Levanten ghy verciert door Uw konst'rijcke Noorden I 

RODENBURGH moge zich hier door zijn voorliefde voor zijn „konstrycke" geboorte- 
stad hebben laten vervoeren tot een stelling, die hij moeielijk had kunnen bewijzen, dat 
Holland namelijk voor de zeventiende eeuw stond te worden wat Italië tot dusver voor 
de kunst was geweest, hij moge de in- en uithedhsche Amsterdamsche meesters, wier 
lof toen in ieders mond was, op één lijn gesteld hebben met de groote zonen van St. Lucas, 
die onder den warmen Italiaanschen hemel de kunst oefenden, wij duiden hem deze al 
te vurige dichterlijke vlucht niet euvel, juist omdat hij ons de namen opgeeft dier cele- 
briteiten, die een afzonderlijke bespreking wel niet onwaardig zullen zijn. 

Voor ditmaal koos ik een drietal schilders, die, ofschoon zeker niet ten onrechte, 
in den roem der Amstelstad ingelijfd, binnen hare muren niet het eerste levenslicht aan- 
schouwden: PlETER ISAAKSZ, ABRAHAM ViNCK en CORNELIS VAN DER VOORT. Dit hadden 

deze kunstenaars gemeen met de beide VAN NiEUWLANDT's, Adriaen en JACOB, met 
Fran(;ois Badens, Roeland Savry en David Vinckboons, die de Zuidelijke Neder- 
landen ontweken en hier voor goed een woonplaats vonden, en met andere der genoemde 
meesters, die, ofschoon van Noord-Nederlandschen stamme gesproten, daarom nog juist 



DRIE AMSTERDAMSCHE SCHILDERS. 173 

geen stadgenooten waren van den echten Amsterdammer, die de versregels dichtte, iets 
waarop Lange Pier en Dirk Barendsz, Tengnagel en Moyaert zich zeker wèl 
konden beroemen. 

Hierin ligt dan ook niet de reden, dat ikjuist dit drietal het eerst ter bewerking koos, 
wèl in het gelukkige toeval, dat mij over hen meer gegevens in handen gaf dan over de 
anderen, die 'k mij voornam later in dit tijdschrift te bespreken. 

4 

PIETER ISAAKSZ. 



Deze meester is in ons land minder bekend dan in Denemarken, en dit is niet te 
verwonderen omdat de schilderachtige kust van de Sond hem zag geboren worden en 
sterven. Toch zou een meer dan twintigjarige werkzaamheid in ons vaderland en een 
door langbekende overlevering of pas ontdekte bronnen bewezen invloed op de vorming 
van jongere kunstbroeders hem het recht hebben moeten verzekeren op een eervoller ver- 
melding door onze nieuwere kunstbiografen. 

En hoe gemakkelijk hebben zij er zich afgemaakt! 

Reeds van Mander deelde mede, dat hij te Helsevör (Elseneur) aan de Sond in 
1569 geboren werd en dat zijn vader, die ISAAC PlETERSZ heette en Margarktha, een 
dochter van Valerius van Deelen, gehuwd had, van Haarlem herkomstig was. Kramm 
vestigde de aandacht op den nauwen graad van bloedverwantschap tusschen hem en den 
bekenden geschiedschrijver PONTANUS, en daarmede wisten we, dat zijn vader de niet onbe- 
lang^jke betrekking van agent der Staten-Generaal bekleedde, zoodat hij, wijl deze 
behalve voor zijn eigen zaken ook Reipublicae causa afwezig was, niettemin als ge- 
boren Hollander mag worden aangemerkt. Wij wisten verder, dat hij een leerling was 
van Ketel en van Hans van Aken, dat hij daarna te Amsterdam werkzaam was en dat 
hij AlDRIAEN van Nieuwland telde onder zijn leerlingen, wier namental wij kortelings 
in dit tijdschrift uitbreidden*). Wat er van hem geworden was, we wisten het niet... 
totdat RODENBURGHS boven aangehaalde versregelen het ons meldden. Sedert vernamen 
wij nog van den Heer P. A. Leupe, dat hij, kamerschilder van den koning van Denemarken 
geworden, in 1618 te Kopenhaven verblijf hield*). Laat ons thans zien of wij deze ver- 
spreide berichten kunnen aanvullen en afronden. 

In de eerste plaatst doet zich de vraag voor wanneer het ouderlijk gezin in Holland 
terug, en Pieter, de oudste zoon ongetwijfeld, bij Ketel op den winkel kwam. Het 
schijnt moeielijk dit met zekerheid te bepalen. Wellicht kan het hieruit worden opgemaakt 



1) Oud-Holland III bl. 46. 

Archief voor Neder l, Kunstyesehiedenis II bl. 135, 147. 



174 DRIE AMSTERDAMSCHE SCHILDERS. 

dat zijn broeder de Geldersche en Deensche geschiedschrijver Professor JOHANNES ISACIUS 
PONTANUS, wiens naam door zijn boek over Amsterdam ook aan onze stadsgeschiedenis 
verbonden is, in de voorrede van zijne y^eschrijvingJi^ verklaart, dat hij van zijn vroege 
jeugd af hier ter stede was opgevoed, terwijl hij in 1593 te Leiden promoveerde. Maar 
in 1593 was onze PlETER reeds bijna meerderjarig en we mogen dus aannemen, dat wd 
eèn acht- of tiental jaren vroeger zijn leerjaren in zijn eigenlijke vaderland aanvingen. 
Omstreeks 1587 was hij te München bij HANS VAN AKEN, den geadelden hofschilder van 
Keizer RUDOLF II, aan het werk, die zoozeer met hem was ingenomen, dat hij hem in 
lateren tijd zijn portret schonk. Hier bleef hij wellicht een paar jaren, zoodat wij mogen 
aannemen, dat hij omstreeks 1590, toen zijn broeder voor *t eerst aan de Leidsche Academie 
werd ingeschreven, in Holland was teruggekeerd. 

In 1593 vinden wij onzen PlETER met zijn ouders hier ter stede gevestigd. Het 
was een gewichtig jaar voor die ouders, want terwijl in het voorjaar de tweede zoon 
promoveerde, trad in 't najaar de oudste in den echt. 

Wij lezen althans in *t kerkelijk huwelijks-inteeken-register de volgende acte op den 
datum van 20 November 1593. 

Peeter Isaacsz, out 25 jaren woon(ende) inde O. Z. Houttuynen, geassisteerd) 
met ISAAC PlETERSZ, syn vader, t, e. 

en 

SuSANNA Craeyborn WlLLEMS(Dr.), van Antwerpen, woon(ende) in de Nieu- 
stadt by Corsgenspoort, geas(sisteerd) met Susanne Craiborn, haer moeyken, enz. 

's Bruigoms handteekening: 




overtuigt ons, door vergelijking met de handteekening op de rekening en verantwoording 
van de voogdij door hem over den jongen VAN CONINXLOO gevoerd *), dat wij hier inder- 
daad met onzen kunstenaar te doen hebben. 

Uit dit huwelijk werden behalve een zoon ISAACK, die onder den naam ISAACK 
ISAACKSZ zich als schilder in de kunstgeschiedenis een naam heeft gemaakt, vier dochters 
geboren, waarvan Heyltge of Helena den 20 Augustus 1 596, Margaretha den 7 Juli 
1602 en Anna Maria den 26 October 1603 in de Oude Kerk gedoopt werden *)• 

Dat deze doopplechtigheden alle in de Oude Kerk plaats hadden bewijst ons, dat 
hij, evenals bij zijn huwelijk, nog aan de Oude Zijde woonde. Waar zijn woning gelegen 
was kan ik niet opgeven, wel kan ik zeggen wat er op zijn uithangbord geschilderd stond. 



1) Oud-Holland III bl. 40. 

1) Deze dochters benevens hunne ruster Cathalijna hebben zich „PifcTERs" genoemd, hetgeen naar wg ragen 
hun broeder Isaack niet deed. Anna Maria werd de huisvrouw van Thomas van Wely. 



DREE AMSTERDAMSCHE SCHILDERS. 175 

Dit uithangbord bevatte waarschijnlijk een herinnering aan zijne geboorteplaats, 
alwaar door de Deensche koningen van ouds de drukkende Sond-tol van de doorvarende 
vreemde schepen werd geheven. Dd^r, op het smalste punt van de Sond, werd de stroom 
beheerscht door het sterke, uit zware steenblokken opgetrokken kasteel Kronborg of Kro- 
nenburch, dat in effigie het uithangbord van onzen kunstenaar versierde. In 1598 althans 
wordt hij opgegeven in Cronenborgh hier ter stede woonachtig te zijn. Het is niet onmo- 
gelijk, dat dit hetzelfde huis was, dat zijne ouders bewoond hadden. Reeds twee jaren vroeger 
was aan zijn vader weder de plaats van Commissaris van Ho. Mo. in de Sond opgedragen 
geworden, en 't schijnt dat deze haar niet heeft verlaten vóór de dood hem in September of 
October 161 5 opriep. 

PIETERS talenten kwamen hoofdzakelijk aan den dag in portret-, beeld- of historie- 
stukken. Kramm noemt enkele werken van hem op, o. a. dat hij het portret van de 
Weduwe van Prins WiLLEM I heeft gemaakt, maar wat hij niet wist is, dat deze kunstenaar 
het corporaalschap van kapitein GiLLES JANSZ Valckenier, waarbij PiETER Bas luitenant 
was, in 1599 op het doek bracht*). Dit schilderij berustte nog in 't midden der zeven- 
tiende eeuw op den Voetboogsdoelen. )Vijl de lezers van dit tijdschrift van de hand des 
Heeren D. C. Meijer Jr. het vervolg van zijne uitnemende studie over de Amsterdamsche 
Schuttersstukken te verwachten hebben, waarin hij ongetwijfeld ook het hier bedoelde stuk 
bespreken zal, kan ik mij hier ontslagen rekenen van de taak om dit onderwerp aan te roeren. 

Het was in dezen tijd, dat Amsterdam telkens te eng werd voor zijne steeds was- 
sende, steeds in welvaart toenemende bevolking. De eene uitleg volgde op den anderen, en 
aan de oostzijde had de stad tegen den aanvang der XVIP eeuw door het roijen van 
Rapenburg, Marken, Uilenburg en al hetgeen zich verder bewesten den binnen de vesten 
getrokken St. Anthonisdijk uitstrekte, het punt bereikt, waarop het langer dan een halve 
eeuw zou blijven staan. Langzamerhand sloeg de Stads-regeering de verschillende perken^ 
die vergraven, met wegen doorsneden en afgepaald waren, ten verkoop aan. In de laatste 
dagen van 1603 kwamen eenige erven buiten de oude houten St. Anthonispoort, aan 
gene zijde van de sluis, aan de beurt en het was PlETER ISAACKSZ, die voor 1425 gl. het 
erf No. 4, gelegen op den Noorderhoek van de Jodenbreestraat (toen St. Anthonisdijk- 
straat genoemd) en Zwanenburgwal, aankocht '). Het was gewoonte, dat ieder, die niet tot 
de „Heeren^ behoorde, aan 't bekken borgen stelde voor de voldoening der koopsom. 
PlETER ISAACSZ bracht bij deze gelegenheid twee borgen mede tegen welke de gecom- 
mitteerden tot de veiling wel geen bezwaren zullen hebben gehad, den Stadsbouwmeester 
Hendrick de Keyzer en diens broeder Aert, een zeer welgesteld schrijnwerker, kisten- 
maker en houtkooper. Wij weten dat CoRNELis Ketel en Hendrik de Keyzer vrienden 



1) Dit meldt ons Gbrard Schabp Pibtersz in zijn onlangs gepubliceerde aanteekeningen betreffende de Schilderijen, 
die in 1653 op de drie Doelens aanwezig waren. {Amstels Oudheid VII bl. 135.) 
^) Register der Erven van stadswege verkocht. No. 1600/07 ^l- 264va. 



176 DRIE AMSTERDAMSCHE SCHILDERS. 

waren, al was ook Hendrik slechts vier jaren ouder dan KETELS leerling, voor wien wij 
hem hier als borg zagen optreden. 

Is die vriendschapsband aanleiding geweest, dat zich bij HENDRIK DE Keyzer in 
de leer begaf de later zoo bekende Deensche bouwmeester HANS Steenwinkel de Jonge, 
(geb. 1587), wiens ontwerp voor de schoone gallerij op het Deensche Koningsslot Fre- 
deriksborg het fraaie aan DE Keyzer gewijde boek van S. DE Bray „Arckttectura 
ModerncC* versiert? Het is uit de werken van Deensche kunsthistorici bekend, dat ver- 
schillende jonge Deensche kunstenaars zich omstreeks 1611 te Amsterdam onder PIETERS 
leiding hadden gesteld *). De mogelijkheid is niet uitgesloten, dat PlETER eenige jaren 
vroeger den jongen STEENWINKEL — van wiens hand ook enkele portretten bekend 
zijn — bij DE Keyzer op de werkplaats bestelde. En zou nu omgekeerd HENDRIKS 
zoon, Thomas de Keyzer, wiens leermeesters volkomen onbekend zijn, niet bij zijns 
vaders vriend het eerste onderricht genoten hebben? 

Maar laten wij het gebied der vermoedens verlaten om weder vasten grond onder 
den voet te zoeken. 

Op het door hem gekochte erf liet PiETER ISAACKSZ, n-.isschien wel door DE Keyzer 
een huis bouwen. Hij had het bedrag van de koopsom niet aanstonds voldaan, maar 
er den 23 Juli 1604 een rentebrief van 89 gl. ten behoeve van de stad voor gepas- 
seerd. *) Reeds had hij den 31 Juli 1602 geld opgenomen van HENDRIK HUDDE'). Het 
schijnt alzoo, dat hij nog niet in de gelegenheid was geweest om met zijn kunst veel 
kapitaal te maken, en toch zijn er bewijzen te over, zoowel uit den mond van zijn vriend 
en tijdgenoot Carel VAN Mander *) als uit de feiten, die langzamerhand uit de archieven 
aan het licht komen, dat zijn werk zeer werd gewaardeerd. Als zoodanig vermeld ik hier 
de volgende post voorkomende in het Rapiamus voor de Thesauriers-rekening van het 
jaar 1606 •). 

„Pieter Ysacx, schilder, betaelt de somme van drie hondert gl. over 'tschil- 
„deren deser stede clavecimbel, na luydt ordonn. en quit. in dato den eersten 
„Aprilis XVI* ses. 
en weinige dagen later werd aan deze zeker aanmerkelijke som blijkbaar nog een ^ver- 
eeringhe", gelijk toenmaals algemeen gebruikelijk was, toegevoegd. De post die daarop 
betrekking heeft leert ons tevens, dat Carel VAN Mander voor een groot of voor een 
klein gedeelte PIETERS medewerker aan dit kunstwerk was geweest. 



i) Volgens Philip Weilbach Dansk Komtiurlexikon {Kjöbenhavn 1878) waren toen o. a. b§ hem SÓREN KjAER 
(Severinus Paludahus) en Jacob Lauritzen. 

s) Stadsrentebrieven 1602-13 bl. 79. 

t) Dit stond geboekt in het Register der Rentebrieven No. ai W. 222-223. Dit deel is echter verloren, en 't bkek 
mij van elders. De rentebrief werd eerst in x6i8 afgelost. 

<) Dat VAN Mander in Pieters huis geen onbekende was blijkt duidelijk uit het Groot Sckildtrsèotk. Het Clave- 
cimbel bewijst dat zij soms samen gewerkt hebben. 

^) Bladx. 227T0 en blz. 170. De laatste post had aanvulli ng uit de Thesauriers-Rekening noodig. Het Rapiamos 
was het kladboek voor de officiöele telken jare goedgekeurde Stads- of Thesaoriers-rekening. 



DRIE AMSTERDAMSCHi: SCHILDERS. 177 

„Betaelt ande huysvrouwe van PlETER YSACX, schilder, en Caerel VAN DER 
„Mander de somma van twee rosenobels, haerluyden by den heren Burge- 
„meesteren toegevonden om redenen haer daertoe moverende nae luyt ordonn. 
„in dato den 7 Aprilis XVP ses gl. 16:14: — 

Dit clavecimbel deed bij allerlei feestelijke gelegenheden dienst, nu eens om de 
vier jaarlijksche maaltijden der regeering of zulke feestmalen op te luisteren, die de stad aan 
vorstelijke of andere voorname personen aanbood^ waarbij dan Mr. SWEELINCKS spel 
geaccompagneerd werd door de viool van een blinden leerling of van den zwager van 
Willem Jansz (Sweelincks collega uit de Nieuwe Kerk), dan weder om onder de 
vierschaar van 't stadhuis opgesteld de stadsspeellieden te begeleiden. 

Dit clavecimbel, dat de eer had door den „Fenix-vader, die den Aemstel toezong 
met hemelsche orgeltonen", gelijk VONDEL, „den Amsterdamschen Orfeus," gelijk VAN 
Mander zeide, bespeeld te worden, was ongetwijfeld een prachtstuk. Ik heb voor der- 
gelijke muziekinstrumenten nooit hooger prijs dan 120 gl. genoteerd gevonden, maar dit 
stuk heeft bepaald veel meer gekost, anders zou men niet meer dan 300 gl. voor de 
versiering daarvan besteed hebben. De geschiedenis van dit merkwaardige instrument 
kunnen wij voor 't oogenblik laten rusten. 

Het komt mij voor, dat Burgemeesteren aan niemand beter dan aan den meester 
van Adriaen van Nieu wland en Hendrik Averkamp dit werk hadden kunnen opdragen . 
De verschillende compartimenten leenden zich uitstekend tot velerlei bosch- en bergtafe- 
reeltjes, rijk gestoffeerd met beelden aan de gewijde geschiedenis of de fabelleer ontleend 
of genomen uit den eigen tijd der kunstenaars *). Zoo aanstonds zagen wij, dat PlETER 
vertrouwd was met het schilderen van portretten en levensgroote figuren, hier hebben wij 
gelegenheid de erkenning te vinden van zijn talent voor het gestoffeerde tafereel. En nu 
kan het ons ook niet verwonderen wanneer wij de bewijzen vinden, dat onze meester 
soms met PAULUS Vredeman de Vries heeft samengewerkt. Ik vond althans een schilderij 
vermeld, voorstellende de geschiedenis van f, de Ccninginne //l?j/^r", dat in 1621 desom van 
86 gl. opbracht Al de architectuur daarin was ongetwijfeld door den laatsten meester 
gepenseeld. 

Het jaar 1606 was voor Pieter nog in een ander opzicht merkwaardig; den 6den Mei 
teekende zijn broeder Johannes, de toenmaals 34jarige Harderwijker medicinae professor, 
ten huwelijk aan, en PlETER stond hem daarbij ter zijde, verklarende „versekert te wesen en 
r)Vast te staen voor des vaders consent". De bruid was Anna, de 20jarige te Antwerpen 
geboren dochter van Philips van der Heede en Tanneke Swerius, en te Amsterdam 
op de O. Z. Voorburgwal woonachtig^. Na de ontvangen belooning van 300 gl. mocht 



') Op 's Rijks Museum berust een schilderij van Meulenaer, dat oorspronkelijk een stuk van zulk een beschil- 
derd clavechnbel is. 

9) Kerkelijk huwelijks'inteeken-register. In den regel wordt zij van der Herden genoemd, en gemeld dat bet 
kuwelijk e Harderwijk plaats had. 

23 



178 DRIE AMSTERDAMSCHE SCHILDERS. 

PlETER lustig bruiloft houden. Tech is de vraag gerechtvaardigd of het hem in be 
Nederlanden, in weerwil van de hooge achting waarin hij bij zijn tijdgenooten stond, wel 
bizonder voordeelig ging. Nog in Maart 1607 bevond hij zich hier te lande *) maar het 
schijnt, dat gunstige aanbiedingen van den kunstlievenden Deenschen koning Christiaan IV 
hem nog in dit jaar deden besluiten naar zijn geboorteland terug te keeren, waar hij zich 
bij tusschenpoozen te Elseneur ophield. In 1607 ^^ ^^08 was hij telkens aan 't werk 
voor zijn koninklijken beschermheer *). Of het leven in het Noorden hem echter minder 
beviel, dan wel of de koning hem, gelijk eenige jaren later, tijdelijk uit zijn rijk verbande, 
weten we niet, zeker is het, dat hij in April 16 10 weder hier te lande optrad •) en weldra 
de leiding had van de opvoeding van eenige jonge Deensche kunstenaars. 

In het Amsterdamsche Cranenburch zullen deze jongelieden zich zeker op hun gemak 
hebben gevoeld. Veel minder toch dan zijn broeder had Pieter zich aan de onhollandsche 
invloeden van zijn kinderjaren kunnen onttrekken. Als kunstenaar moge hij met de toen- 
malige hollamfeche school zijn medegegaan, hij was geen hoUander geworden in zijn hart. 
Daartoe behoeft men slechts zijn schrift en zijn spelling te zien, die beide sterk Deensch 
gekleurd zijn. 

Zijn beide bekende Deensche leerlingen schijnen het niet ver in de kunst- 
wereld te hebben gebracht. Anders was het met eenige van de Hollanders, die in 1607 
bij hem in de leer gingen*). Van jAN Claesz en van JOB (Jacob?) PoüWELSZ moge 
men weinig of niets hebben vernomen •), van HUYG PlETERSZ kan ik in eene bijlage iets 
naders mededeelen, terwijl ik Fran<;ois Venant later behandelen zal. 

Onder die leerlingen mag ook zijn zoon ISAAC ISAACSZ gerekend worden, wiens 
levensbericht van een bekwamer hand dan de mijne mag worden tegemoet gezien. 

Weinig is ons tot dusverre van zijn tweede verblijf in Amsterdam bekend geworden*). 
Lang heeft het dan ook eigenlijk niet geduurd, want weldra verplaatste hij zijn zetel weder 
naar *t Noorden. Het is niet onwaarschijnlijk, dat reeds in 1614 zijn vader ziekelijk 
begon te worden en PiETER zich naar Denemarken wilde begeven in de hoop van hem 
optevolgen, indien hij kwam te sterven. Den 24 Juli van dat jaar legde hij althans de 
voogdij over den jongen Coninxloo neder en vertrok. Werkelijk kwam het Commissaris- 
schap in 't volgend jaar te vaceeren door het tusschen 9 September en 30 October plaats 
gehad hebbend overlijden van den ouden heer^). Aanstonds richtte ónze schilder zich 



Vt Zie Oud'Holland III bl. 46. 

5) Weilbach. Danske KonstneriexikoTiy in voce. Verscheidene stukken worden daar opgenoemd. 

s) Zie Oud-Hoiland III bl. 40. Noot i. Vaste data van lijn verblijf hier te lande rijn 25 Aug. x6io, 18 Oct. 
161 X, Juli en October 1612, z8 April 1614. 

<) Zie Oud-Holland III bl. 46. 

•) Ik teekende aan, dat Jacob (Job?) PAULufe in Maart 1644 nog in leven was. Ik ken in dien tijd wel drie 
schilders van den naam Jan Claesz. 

•) In Augustus i6i2 kocht hij verschillende schilderijen in de auctie van 't kabinet der Erven Rauwart. 

7) Dit en hetgeen verder op P. I.»8 commissarisschap betrekking heeft werd mij verschaft door Mr. A. H.H. 
\AN DER RuRCH, ambtenaar aan 't Rijks- Archief te 's Gravenhage. 



DRIE AMSTERDAMSCHE SCHILDERS. 179 

nu tot de Generale Staten met het verzoek, om in zijns vaders plaats en op het zelfde 
fj-actement van 800 gl. te worden aangesteld. Maar Ho. Mo. besloten niet terstond 
op het rekest. Wat mocht daarvan de oorzaak zijn ? Er was in Denemarken iets met 
den candidaat gebeurd, dat tot voorzichtigheid moest aansporen om 's lands belangen 
toe te vertrouwen aan iemand, van wien men niet wist of hij soms in volslagen ongenade 
bij den koning was gevallen. Den 30 Mei 1616 toch was onze meester, waarschijnlijk 
wegens een politiek misdrijf veroordeeld geworden, om voor drie jaren het Koningrijk te 
verlaten en zich te begeven naar ons Vaderland, zich voegende bij welke partij het hem 
zou lusten, mits schijn en bescheid van zijn gedrag terugbrengende*). Het schijnt echter, 
dat deze zonderlinge boetedoening niet langer dan anderhalf jaar duurde. Wellicht was 't 
door de voorspraak van Ho. Mo. dat hij weder in genade bij den Koning werd aan- 
genomen. Had dit niet plaats gehad, dan ware zijne benoeming door de Staten in dato 
28 Juni 161 7 voorzeker niet gevolgd, en dan zou hij weinige maanden later zich niet hier 
te lande hebben ingelaten met het koopen van allerlei schilderijen zich beroepende op zijn 
titel van kamerschilder van den Koning'). 

PlETER ging nu wederom naar Denemarken terug, wellicht liet hij zijne familie hier 
achter, zeker is het dat hij zijn huis op de hoek van de Breestraaat niet verkocht. Afwis- 
selend hield hij nu verblijf op zijn post te Elseneur of te Kopenhaven, en voerde voor den 
kunstlieve|iden monarch nog menig schilderstuk uit. Blijkbaar stond hij aan 't Hof goed 
aangeschreven, want hij schilderde Christiaan IV eens in kniestuk en eens met Koningin 
Anna Catharine levensgroot ten voeten uit. Al dat goede vertrouwen heeft hij evenwel 
beschaamd en zijn koninklijken beschermheer behendig beetgenomen. Lange jaren na zijn 
dood kwam aan 't licht, dat hij om een jaargeld van 400 Rijksdaalders aan GüSTAAF 
Adolf den dienst van spion bewees aan het Deensche hof 

Een van de weinige Nederlandsche schilders, die een politieke rol heeft gespeeld, 
liet daarmede een zeer verdachten naam achter. 

Den 14 September 1625 is hij — gelijk zijn schoonzoon Jan Ettersen aan de 
Staten schreef — te Elseneur in den Heere gerust*). Negen weken daarna volgde zijne 
vrouw hem in 't graf. 

Een jaar later lieten de erfgenamen publieke veiling houden van al de schilderijen, 
beeldhouw- en boetseerwerken („rondwerck") door hun vader en schoonvader nagelaten, 
voor een huis op de Breestraat tegenover de Hoogstraat, waar zij toenmaals waarschijnlijk 
gevestigd waren. 

Die veiling had plaats 22 September 1626.. 

Uit het proces-verbaal der veiling neem ik het merkwaardigste over*). Bij de 



1) Weilbach. 1.1. 

*) Archief voor Neder l. Kunstgtsch, II bl. 135. 

12 Kov. 1625 werd Carl van Cracau tot sijn opvolger als commissaris in de Sond door Ho. Mo. benoemd. 

Erfhuisen van de Weeskamer No. 8 in fine. 

28» 



180 DRIE AMSTERDAMSCHE SCHILDERS. 

meeste schilderijen, die ten getale !van iio waren, staat de naam des makers niet vermeld. 
Zij brachten zelden meer dan lO gl. op waaruit men mag afleiden, dat het niet dan 
middelmatige kunstwerken waren. Voornamelijk waren het „tronietgens/* „historiestucx- 
kens'*, benevens enkele landschappen en stillevens. Zelfs de portretten van Prins Maurits 
en Prins Hendrik, hoe algemeen gewild ook, golden nauwelijks 3^ en 6\gl, Ze werden 
door Joh. Pontanus en door MARGRIET, de dochter, gekocht, terwijl een achttiental 
keizerstronito op doek slechts 29^ en op paneel slechts 50 gulden konden opbrengen. 

Een conterfeytsel naer den Koninck van Denemarcken 29 : 

Een conterfeytsel in een rondeken nae de eerste Biscop van Antwerpen. 

{Adr, van Nicuwland) 6 : 5 

Een conterfeytsel van Spinola (Jan Gatrtsen Bogaert^ op de Gelder sche Kay *) 6:5 

Een landschap met een koetswagen 30 : — 

Een landschapjen met een brand daerin van Momper 20 : 15 

Ben groot stuck van de Koninck van Denemarckens speelhuys ende landschap 27: — 

Twee hoofden van Seneca en Nero van Jacques de Geyn 17 : 10 

Een stuk nae Tietsjaen van de onthooffdinghe Johannes 37 • 10 

Een groot stuck van den Koninck van Denemarckens speelhuys 30 ; — 

Een mntertgen van de Stom 30 : — 

Twee ossenhoofden (Mattheus van Hoven^ schüdery in de Koestraat) 3: — 

terwijl de volgende stukken onder den hamer gebracht werden, die door den overleden 
meester zelven geschilderd waren : 

Een paert 14 : — 

Twee schetsgens van wit en zwart 10 : 10 

Een karsnachtgen 3 : 10 

Een gedootverflft stuckgen 4-15 

Twee tronien 4:10 

Een gedootverfft stuckgen 5:5 

Een stuckgen met rood en wit 3 • 15 

Twee paarden 2 : 6 

Twee kinderen 30 : — 

Verschuilende nummers werden door de dochters aangekocht. Ja, nagenoeg al de 
schilderijen, die op den naam van Pieter Isaacksz stonden, gingen weder aan haar over. 

Het rondwerk, waaronder men beeldhouw- en boetseerwerk te verstaan heeft, bracht 
evenzeer weinig geld op : 



1) Ik moet hier weder aan een schrijfTout van den klerk denken. In een schilde rsboedel mag men aannemen dat 
een schilder kunst koopt. Nu ken ik een Abian Gortson Bomgakt, omstreeks 1587 te Bergen in Noorwgcn geboren, 
maar sedert rijn zesde levensjaar hier ter stede gevestigd, die den 29 Januari 161 5 met de ^'ier jaren oudere Geertje Piktkrs 
ler ondertrouw ging. Toen woonde hij op de O. Z. Achlerburgwal. (Puiboek). 



DRIE AMSTERDAMSCHE SCHILDERS. 181 

Vier stuck rontwerck {Wouter Dircksz^ beeldhouwer op de Keyzersgraft) — : 15 

Twee tronien en een root satertgen {G er rit Lambertsz, beeldsnyder op de Brestraei) i : 2 

Een mannetje — : iS 

Een voet en een hoofgen i : 4 

Twee springende paertgens 3 : i4: 

Tweed keysershoofden — : 6 

Een kintgen van was i:ii 

Vijf kindertgens 2 : 2 

Een copere kindeken 6 : 3 

Een wassen zittend vrouwtgen 29 : — 

benevens nog eenige stukken rond werck i : — 

De geheele opbrengst bedroeg slechts gl. 643 : 18 : — Dit geringe cijfer zal wel 
hier aan toeteschrijven zijn, dat PlETER hier ter stede slechts een gering deel van zijn 
kunstwerken achter gelaten had. Buitendien brachten zijn kinderen zeker niet alles in veiling 

Terwijl PiETER ISAACSZ aan het hof van den deenschen koning verkeerde had 
hij — en het pleit misschien niet voor zijn voornemen om immer in 't Noorden te blij- 
ven — hier ter stede een zaakwaarnemer, Jacob Jansz genaamd, die door zijn erven 
op den I October 1626 bif acte voor den notaris Lamberti verleden werd gedechargeerd *) 
Hieruit bemerken wij thans, dat zes kinderen, uit zijn huwelijk geboren, op dat oogenblik 
nog in leven waren. Heyltje of Helena gehuwd met Jan Ettersz of Ottersz, die 
in Denemarken schijnt gewoond te hebben, Isaack, de schilder, Susanna, vrouw van 
Pelgrim de Bosch, Anna Maria, Margriet en Catiiarina, toen nog ongehuwd, maar- 
wat de beide laatste aangfaat op den 18 Juni 1631 naar 't schijnt met CORNELIS JACOBSZ 
en JocHEM VAN Dien ') in den echt verbonden. Dat Anna Maria kort daarna aan 
VAN Wely hare hand reikte, zagen wij reeds. In laatstgenoemd jaar hielden de kinderen 
eene scheiding en verdeeling, en 't was naar aanleiding van eenige in 't gemeen gehouden 
goederen, dat zich een proces ontspon, dat tot in 1646 werd voortgezet '). 

Het is zonderling, dat PlETER ISAACKSz' werken hier te lande in geen bekende 
verzameling' worden aangetroffen. Hij heeft toch lange jaren hier gewerkt en zond, gelijk 
mij meermalen bleek, niet zelden uit Denemarken schilderijen over om te verkoopen. 
Het eenige schilderij dat hier hoogstwaarschijnlijk nog aanwezig is, is het besproken 
schutterstuk. Laat ons hoopen, dat dit onder de vele doeken van onbekende meesters, 
die hetAmsterdamsche Raadhuis aan 't Rijks Museum heeft afgestaan, zal aangewezen worden. 

Deensche kunstkritici van onzen tijd denken niet even gunstig over onzen meester 
als zijn tijdgenooten deden, tot wier tolk ongetwijfeld de ridder RODENBURCH zich heeft 



1) De mededeeling hiervan dank ik aan den Heer Bredius. 

*) Ar ckitf voor Neder L kumt geschiedenis II bl. 147. Cornelis Jacobsz wordt daar van de MjLkCKEN genoemd. Is 
wellicht van Denemarken? 
a) ld. 



1Ö2 DRIE AMSTERDAMSCHE SCHILDERS. 

gemaakt Zij erkennen hem als een vlijtig, maar geenszins voortreffelijk kunstenaar, die 
ofschoon hij het talent bezat, om zijn groote schilderijen schoon te groeperen en met 
decoratieve kunstvaardigheid optemaken, achterstond bij zijn vriend VAN Mander en zelfe 
bij zijn eigen zoon ISAACK. 

Het schijnt in deze woorden opgesloten, dat PlETER een goed teekenaar was. 
Daarvoor had men in 't begin der zeventiende eeuw meer oog dan de impressionisten- 
school van 't laatst der negentiende. 






ABRAHAM VINCK. 



Indien het mogelijk is naar gravures te oordeelen over geschilderde conterfeytsels, 
wanneer de koperplaten onder de handen eens meesters als W. Delff vandaan komen, 
dan leveren twee schoone gravures: een portret van den Walschen predikant JOHANNES 
HOCHEDAEUS en een van Wernerus HelmichiüS, het bewijs, dat A. ViNCK, die des 
graveurs voorbeelden penseelde, zijn roem bij den tijdgenoot geenszins onverdiend verwierf. 

Om den persoon van dezen schilder heerschte echter tot dusver een geheimzinnig 
duister. Ter nauwernood kende men zijn voornaam, zijn verblijfplaats, tijd en duur van 
zijn werkzaamheid en men heeft hem niet zelden verward met een anderen naamgenoot, 
die Joost heette. 

RODENBüRGH bracht ons het eerst eenigzins over hem terecht. 

Deze Abraham Vinck is alzoo als portretschilder niet onbekend *), maar onze 
kennis strekt zich niet verder uit. Wij zullen thans zien, dat hij niet alleen het conter- 
feyten bij de hand had, maar zich ook vooral op het copiéeren van beroemde meesters 
van zijn tijd toelegde. Uit vele verkoopstaten trok ik de slotsom, dat de oorspronkelijke 
stukken soms slechts het dubbel opbrachten van hetgeen goede copiën konden gelden, en 
dat deze vrij grif van de hand gingen. 

Van Mander verhaalt, dat op *t laatst van de zestiende eeuw de historieschilders 
zich bij gebrek van bestellingen op *t confërfeyten gingen, toeleggen, en dat ze daarmede 
hier te lande, waar men voor portretstukken immer veel smaak had, zeer goed in hun 
onderhoud konden voorzien. Dit is evenals alles wat VAN MANDER ons mededeelt ook 
geheel in overeenstemming met de waarheid. Bijna alle groote schilders uit VAN MandeRS 
tijd kennen wij hoofdzakelijk als portretschilders en hunne betaalsheeren vinden we in 
alle, zelfs in de geringste standen der maatschappij. De conterfeytsels b.v. vandenwaag- 



ï) In 't Archief voor Neder L Kunstgesch, II bl. 149 wordt een derde portret van hem vermeld, <lat van Andrkas 
Baciierus fDE Backer), lijfmedicus van Phiups, hertog van Brunswijk. Deze Andries Backer was in 1617 eigenair van 
een huis alhier op de Westzijde van de Keizersgracht. 



DRIE AMSTERDAMSCHE SCHILDERS 183 

drager en zijn vrouw versierden den wand van het onaanzienlijke huisvertrek, en 't is 
geenszins ongewoon, om in een kelderwoning van dien tijd de bewijzen te vinden van het 
genoegen dat men er in had, om — gelijk een oud liedje zingt — y,zich zelf te zien op 
het doek geteykent'* 

De vraag mocht alzoo groot, nog grooter blijkt het aanbod te zijn geweest De 
reactie van den toestand, dien van Mander ons schetst, bleef niet uit, de portretschilders 
namen ander werk ter hand. Vele gingen om den broode aan 't copi^eren. 

Waar zijn al die duizende portretten gebleven van dat voorgeslacht uit die halve 
eeuw om 1600, die den roem van onze conterfeyters van dien tijd zouden hebben gevestigd 
tegelijk dat ze de bewijzen zouden hebben geleverd voor hunne groote werkkracht? Ieder 
weet hoe 't met familieportretten gaat; ze worden in den regel slecht onderhouden, weg- 
gedaan als de aangezichten of de kleeding niet naar den zin van latere bezitters zijn, 
verkocht als men toch niet meer weet wien de schilderij voorstelt. 

En de copièn? Hadden ze geen waarde, dan behoeven we er ons verder niet om 
te bekreunen; waren ze goed, welnu, ten allen tijde hebben sommige kunsthandelaars er 
weg op geweten om dergelijke kunstwerken brieven van legitimatie te verleenen. 

Van onzen ViNCK schijnt thans weinig meer te vinden te zijn, en zeker is dat te betreuren. 

Abraham Vinck was, gelijk ik reeds zeide, geen geboren Amsterdanimer. Hij zag 
te Hamburg het levenslicht, maar dat wil nog niet zeggen, dat hij niet van Amsterdamsch 
bloed was. Men vindt op 't laatst der zestiende eeuw personen van dien naam hier 
gevestigd o, a. een lid van een lagere regeeringsbank, een artilleriemeester, een procureur, 
personen dus van een zekere qualiteit wier broeders en neven allicht handelszaken in 
naburige ot ver verwijderde landen dreven, die zij daar wellicht begonnen waren, om de 
Spaansche tirannie in 't vaderland te ontgaan. 

Omstreeks dezen tijd juist moet Abraham geboren zijn. Zijn vader heette WiLLEM 
Vinck. Van zijn jeugd is ons evenmin iets bekend als van zijn leermeesters in de kunst. 
Bijna zouden wij geneigd zijn te gelooven, dat hij Italië bezocht heeft, maar *t is en blijft 
een gissing. Wanneer hij zich te Amsterdam vestigde is nog niet uitgemaakt Het eerste 
bewijs van zijne aanwezigheid hier ter stede, dat ik kan aanvoeren, ligt in de omstan- 
digheid, dat hij den 30 Mei 161 o in de Oude Kerk een zoon liet doopen met den naam 
Abraham, waarbij Anna de Morimont als getuige optrad. Dit kind was echter het 
jongste van een drietal op 's mans overlijden in leven. Hij had een dochter, die omstreeks 
1620 reeds op huwbaren leeftijd was, zoodat wij veilig mogen aannemen, dat hij in de 
eerste jaren der zeventiende eeuw gehuwd was. Zijne vrouw was een geboren Napoli- 
taansche, wier voornaam slechts iets uitheemsch verried. Zij was genkamd Victoria 
Obbekens, Obekinck, Obis — de spelling van dien naam loopt nog al uit een — en 
een dochter van zekeren Albert Obekinck, of zoo men hem noemen wil, dien men wel 
een geboren Nederlander mag rekenen, indien hij zijn naam inderdaad schreef gelijk ik 
het hier deed. Dat Vinck in weerwil van zijn Italiaansche vrouw, in weerwil van de 



184 DRIE AMSTERDAMSCHE SCHILDERS. 

voorliefde waarmede hij een rozenkrans en een St. Andries schilderde, niet tot de Roomsch 
Katholieke kerk behoorde, bewijst zijn gang naar de Oude Kerk, om zijn zoon ten doop 
te brengen. 

ViNCK was. ongetwijfeld een kunstenaar wien het in de wereld tameUjk goed ging. 
Als na zijn dood zijn inboedel zal verkocht worden, zal het blijken, dat deze daarvan 
de duidelijke sporen droeg. Maar ook zal men er uit zien, dat het hem als een echte 
kunstenaarsnatuur aangenaam was, om zich in zijn huis met eenige weelde in te richten 
en zijn vertrekken te sieren met kunstwerken van geen twijfelachtig gehalte. 

Slechts een paar vrienden van onzen schilder kunnen we noemen. Daar is zelfs 
reden om te vermoeden, dat hunne schilderwijze met die van ViNCK overeenkwam. Immers 
toen ViNCK overleden was, noodigde de weduwe Adriaen van NieüWLAND uit, om >der 
groote stucken schildery, en Jacob Lion, om een paar onafgewerkte conterfeytsels op te maken*). 

Een ander bewijs voor zijn gegoedheid is zijn woonplaats. In 1619 woonde hij op 
den Fluweelenburgwal bij de Varkenssluis, die van ouds een der deftige grachten was, 
waar hij nog daarbij in de onmiddelijke nabijheid was van Claes Elias, VAN DER VoORT 
en enkele kunstenaars meer. 

Op den eersten Augustus van dat jaar (161 9) was ViNCK ziek, en „zwackelyk van 
lichaeme op een stoel sittende'* overdacht hij de „brooschheyd des menschelijken levens, 
de seeckerheyt des doots en de onseeckere uyre van dien". Toen ging hij met zijne 
vrouw te rade en zij besloten gemeenschappelijk hun testament te maken. De notaris 
PiETER RujTENS werd ontboden, eri toen deze den uitersten wil der testateurs had ver- 
nomen, liet hij zijn klerk op fraai perkament van zijne minute een afschrift maken, dat 
nog in de archieven der Weeskamer berust^). Daarin bespraken zij elkaar het vrucht- 
gebruik van eikaars nalatenschap en stelden hunne kinderen Margriete, Catharina en 
Abraham tot erfgenamen in, onder voorwaarde dat de langstlevende de meubelen, het 
huisraad, de „const van schilderyen", het zilverwerk en de juweelen zou behouden. Zijn 
ziekte belette hem niet zeer duidelijk zijn handteekening onder het stuk te zetten*): 



^^^/u^^yc\/^\\^ 




Korten tijd later bevestigde hij dit testament met den dood. 
De weduwe trad nu in het onverdeelde bezit van de bovengenoemde goederen. 
Weldra betrok zij eene andere woning op den Singel tusscben de Raam- en Kruis- 
of Schoorsteenvegersstegen, doch dicht bij de Raambnig gelegen. Nog waren er geen 



') Rekening van Simon Glauwk nagenocmd. Adriaen bracht daarvoor 215 g\., Jacob 50 gl, in rekening. 

2) Lade 301. 

'; De heer Brediüs verschafte mij dit fiicsjmile. 



DRIE AMSTERDAM5CHE SCHILDERS. 186 

twee jaren verloopen sedert zij met karen man getesteerd had, of zij werd zelve ziek en liet 
den notaris Willem ClüyT Irij zich komen, die toen het door zijn schoonen gevel bekende 
hodchuis van Kalverstraat en Dam bewoonde, en dicteerde toen nogmaals haren uitersten 
"wiL Nog denzelfden of den volgenden dag ging zij het eeuwige leven in, en vond den 
8 Juli 162 1 een rustplaats in de Nieuwe Zijds Kapel. 

Ten voordeele van de minderjarigen, de oudste dochter was toen reeds in 't huwelijk 
getreden, moyt de boedel te gelde worden gemaakt, en ten gevolge daarvan had zes 
i^eken later de vendutie plaats, waarvan het verbaal in de registers ter Weeskamer geboekt is. 

Op den 24 Augusti Anno 1621 zijn vercocht de naervolgende schilderijen, 

enz., achtergelaten by Abraham Vinck ende Victoria Vinck zijne 

huysvrouwe. 

Op den Dam in de Hammetgens. 

2 Koockens 3.17 

Een wintertgen en een somertgen. {Jacob Leofiy schilder ^ in de ,Wohenstraat).. 4. — 

Een boerenbancquet 3.1a 

Een Magdalena, drie vrouwen . / 7.10 

Een vande 7 barmherdgheden. {Lwis Lussé^ op de Leliegraf i in de witte engel) 10.-— 

Een speelhuys met een tujm. {Barend van Someren) 15.10 

Een bancquetgen lo. 5 

Een fruytagie 15. 5 

Een visdimarckt 25. 5 

Paulus gevanckenis. {Pieter v. Luffelen^ op de Zeedijk^ 16. — 

Een fruytagie 25. — 

Een stropinge van een boerenhuys 32. — 

Een poolsche jongen 24.10 

De Coninck David, {Simon Glaudi) . . • 10.10 

Een naeckte Venns 26. — 

Marten van Rossum < 22.— 

Een fhtytagie 21.10 

Een groote vismarckt, principaal van Vinck 80. — 

d'Engelsche groet c 38, — 

Een Venus met de goude \tgtn 27. — 

Een stucxke van Elias. {Valerius vander Hoeven^ schilder^ over Roetert Ernst) 11. — 

Een wintertge 5.10 

Een somertge 3; — 

Een bloempotgen 23. — 

Een somer ende een winter 48. — 

Een fruytmarckt 16.10 

Een deel printen van Goltzius. (Jan Bassi)\ 2.10 

benevens eenige andere voorwerpen van waarde. 

24 






186 DRIE AMSTERDANfSCHE SCHILDERS. 

Dat er evenwel meer schilderijen dan de hiergenoemde in den boedel waren blijkt, 
behalve uit hetgeen ik zoo aanstonds zal mededeelen^ uit de gebruikelijke nummering der 
aangeslagen kunst, die tot het cijfer 50 klimt, terwijl hier slechts ongeveer 30 verkocht 
werden, waarvan de opbrengst circa 580 gl. bedroeg. 

Vier dagen later had voor het sterfhuis op den Singel de veiling van den geheelen 
inboedel plaats. Daar werd voor meer dan 1560 gl. aan huisraad, kleederen, zilverwerk 
enz. verkocht en onder de koopers ontmoeten wij de namen van Verwer : (Abraham DE V. ?) 
Jacob Lion, die schildersramen en eenige fraaie kleedingstukken kocht; Barend van 
SOMEREN, die veel meubelen en huisraad aanschafte; en PlETER de Koning, de juwelier, 
die eenige kostbaarheden met klinkende munt betaalde. Het was een boedel die er gansch 
niet kwaad had uitgezien en 's meesters kleerkast was op eene onbekrompen zelfs op eene 
vrij weelderige wijze van allerlei klêeren voorzien geweest Hij had zich nu eens kunnen 
tooien met zijn ^laeckensche broeck met goude coorden" en met zijn ,/euillemorte sa- 
tynen wambas met graeuwe satynen mouwen", dan eens met zijn „zwarte satynen broeck 
met wit wambas," of met zijn „wit satyne broeck" waar het „zwart satyne wambas" bij 
hoorde doch ook het „groen satyne" bij gedragen kon worden, terwijl hij voor huiskleeding 
ongetwijfeld het „caffa rockgen," met de „wetfrschijne tabbaert" gebruikte. En als hij 
dan uitging meï: zijn „verguit rapier met fluwelen hencxel," op zijde en met zijn „ge- 
boorde leeren colder" terwijl zijn hoed met een „bant met gouden slooten en essentgens*' 
omwonden was en de „deamante ringen," met de „saffier- en gamaet ringen" aan 
zijn vingers schitterenden, dan kon men het hem aanzien, dat hij, zoo hij niet door ge- 
boorte een man was van goeden huize, wellicht onder den invloed van zijne te Napels 
geboren vrouw er op gesteld was, om er als een echte Cavaliero uit te zien. 

Tot de beste soort der door hem nagelaten schilderijen behoorden ongetwijfeld de 
schilderijen, die niet publiek werden verkocht, maar waarvoor SiMON Glaude of Glauwe, 
de man van de oudste dochter des huizes, die aanvankelijk goudsmid was, maar later een 
lettergieterij dreef, een betere plaatsing zocht. SiMON had aanstonds na zijn schoonmoeders 
dood de administratie op zich genomen, de kinderen in rouwkleeren gestoken en op school 
besteld, de doctoren, waaronder een itallaensche, die voor ^^jder visentatie een schellinck" 
kreeg, uitbetaald, en de overige leveranciers voldaan. Kort vóór de veiling liet hij 
buitendien de schilderijen goed schoonmaken en door Willem van den Bunder ver- 
scheidene lijsten op nieuw vergfulden. Eindelijk toog hij zelf met eenige van de voor- 
naamste stukken op reis, eerst naar Rotterdam, waar hij eenige stukken voor 146 en de 
copi^n, die ViNCK met voorliefde schilderde, voor 60 gl., benevens een „principaele stuck" 
van ViNCK, de belegering van Ostende voorstellende, voor 390 gl. verkocht. Vervolgens 
ging hij naar Antwerpen, sleet daar aan Rubens eenige schilderijen benevens een „pur- 
fierstenen taefel'' en bracht drie stucken te 's Hertogenbosch, die volgenderwijs beschreven 
zijn: een groot schilderij van een rozenkrans, geschat op 200 gl., een groote copie naar 
Snijders en een copie van een St. Andries, beide ook door ViNCK gedaan en ieder getaxeerd 



DRIE AMSTERDAMSCHE SCHILDERS. 187 

op 150 gl., terwijl hij een schilderij van Caravaggio, <5p 600 gl. geschat, naar Rome 
verzond. De taxatie dezer schilderijen was echter zeker een weinig overdreven, want in 
1645 waren ze nog onder berusting van den gewezen voogd, die ze toen, wijl beide zijne 
pupillen overleden waren, aan hunne erfgenamen afleverde *). 

SiMON Glauwe was echter een man, die zijn eigen belang niet uit het oog verloor. 
Veilig had hij de rekening van zijn reis- en verblijfkosten wat ruim kunnen schrijven, 
maar nu begon hij ook tegenwerpingen te maken, om datgene in den boedel terug te brengen, 
wat hij van zijn schoonouders had geleend. Dat schijnt Victoria Obekinck als een 
verstandige en voorzichtige moeder te hebben zien aankomen en willen verhoeden. Met 
haar man had zij een testament gemaakt waarbij de Weeskamer werd uitgesloten, bij het 
testament den 4 Juli 1621 verleden, slechts weinige uren vóór haar dood, toen zij „cranck te 
bedde lag" en de ziekentrooster reeds niet meer van hare sponde week, had zij de zorgen 
voor de belangen harer tv/ee onmondige kinderen den Weesmeesters opgedragen en bepaald, 
dat een som gelijkstaande met al hetgeen Glauwe en zijne vrouw ten huwelijk of als sub- 
sidie genoten hadden, hetwelk te samen „eene merckelijke somme van penningen" bedroeg 
door genoemde minderjarigen vooruit uit den boedel zou genomen worden, terwijl zij daarbij 
tevens verklaarde, dat hetgeen Glauwe van haar geleend had 1400 gl. beliep. 

Weesmeesteren trokken zich de belangen van de onmondigen aan en benoemden 
den 18 Maart 1622 COERT COPER tot voogd, die aanstonds geschillen met GLAUWE kreeg, 
welke twee jaren later door scheidslieden werden beslist '). 

Het liep met de kinderen van onzen kunstenaar verder niet voorspoedig af. 

Van de getrouwde dochter hoorden we niets meer. Toen de beide anderen stierven, — 
hetgeen vóór 1645 plaats had — was ook zij reeds overleden, want hunne nalatenschap 
werd toen uitgekeerd aan Mayken en PlETER ViNCK, hunne naaste betrekkingen, 
hoogstwaarschijnlijk hun neef en nicht en kinderen van Willem Daemsz Vinck, die in 
het geschil tusschen Glauwe en den voogd der kinderen een der scheidslieden was geweest. 



• * 



CORNELIS VAN DER VOORT. 



Deze kunstenaar behoorde weder tot een dier in de Zuidelijke Nederlanden geves- 
tigde familiên, die naar het Noorden trokken, om daar in vrijheid hun godsdienst te 
kunnen uitoefenen. 

De familie van der Voort, waartoe zijn vader behoorde, nam in haar vaderland 
geen eerste plaats in. Zij bracht, zoover wij kunnen nagaan, slechts eerlijke handwerks-^ 



I) Dit alle . bl^kt uit de rekening en verantwoording van Glauwe's voogdij en eenige andere stukken, berustende 
ér Weeskamer, Lade 301. 

*) Minuutregister van de Weeskamer. 

24* 



> 



188 DRI^ AMSTERDAMSCHE SCHILDERS. 

lieden en industriëelen voort3> onder welke, gelijk bekend is, de liefde voor die vrijheid 
het onverzettelijkst was. Verschillende groote familién mochten zich aan 't hof der 
Spaansche landvoogden van alle ketterij laten genezen en met yoordeelige ambten (rf fraaie 
titels begiftigen, niet alzoo de gezeten en de kleine burgerij. Met opoffering dikwijls van 
hun bestaan, met achterlating van hun vaste goederen weken zij uit, om in een der groote 
koopsteden van Holland een nieuw leven te beginnen en de kans der fortuin te beproeven. 

Gewis behoorden de van DER VOORTS tot de ijverigste hervormingsgezinde Éunilién 
Een aantal broeders, neven en nichten vertrokken nagenoeg tegelijkertijd uit hun vader- 
land, zoodat CORNELIS in lateren tijd veel van zijn eigen en aangehuwde verwanten hier 
gevestigd zag. Onder deze laatste noemen wij eenige leden van de familie Moerentorff 
uit welke een zoon zich door het drijven der beroemde Plantijnsche drukkerij te Ant- 
werpen wereldberoemdheid verworven had. 

PlETER VAN DER VooRT HANSzoon, een lakenbereider, die met Tanneke van de 
Venne gehuwd was, had, als men mag afgaan op de geboorteplaatsen zijner kinderen, 
waarschijnlijk om met zijn werk het dagelijksche brood te verdienen, vrij wat rondge- 
zworven eer hij zich te Antwerpen nederzette, In 1 567 werd een zoon PlETER te Brussel, 
in 1574 een zoon Hans te Turnhout en in 1576 onze CORNELIS te Antwerpen geboren, 
waar de ouders naar 't schijnt nog in 1582 zich verblijd zagen door de geboorte van een 
dochter Süsanna. 

Na de inneming van Antwerpen verliet de &milie de stad; waarheen zij zich aan- 
vankelijk begaf is niet te melden, eerst in 1 592 op den i April kocht hij het Amsterdamsche 
poorterrecht. Zijn voorbeeld vond 24 Februari van 't volgende jaar navolging bij zekeren 
Hans -van der Voort, die ongetwijfeld zijn broeder en lakenbereider was als hij. . Beide 
waren in dien tijd bewoners van de nieuwe stadswijk buiten Jan-Rodenpoort. PlETER 
woonde naast een toen zeker vrij bekend huis, waar de drie Hollanders uithingen. Uit 
dat huis werd hij den 27 Juni 1598 ter begrafenis naar de Nieuwe Zijds Kapel gedragen. 
Uit zijne deftige rustplaats blijkt, dat hij niet geheel misdeeld was van aardsche middelea 
Behalve den oudsten zoon Pieter, van beroep emmermaker (later ivooren kammenmaker) \ 
die reeds in December 1593 niet SüSANNA, een dochter van Philips Vingboons, van 
Mechelen, gehuwd was, liet hij vier minderjarige kindeten na, waarvan Hans,*) toen 24, 
en CORNELIS, toen 22 jaren, ter weeskamer compareerden, om hunne toestemming te geven, 



1) Wellicht deed hij ook aan de schilderkunst. Als getuige in een acte van 22 Januari 1598 vond ik PETER van 
DER Voort, schilder» vermeld. 

Bij zijn huwelijk woonde hij in de Nieuwe Hoogstraat, en daar woonde hij nog toen in \ laatst van Februari 1603 
zi}ne vrouw stierf. Toen woonden zijne twee zusters Maria en SüSanna bij hem in. - De eerste huwde April 1603 met 
CoRNELis VANDiN BooAiRDiN, de tweedc in Augustus 1601 met Phtlip Koeck. Er schijnt nog eene ongetwijfeld oudere 
zuster Lbbntjb te zijn geweest. 

«) Hans van der Voort was kleermaker en overleed in 1609 twee minderjarige kinderen achterlatende. Toen 
leefde nog een oom PAxn^us van der Voort. 



DRIE AMSTERDAMSCHE SCHILEWERS. 1» 

dat de weduwe het gebruik van den boedel zou behouden en er geen sdieiding en ver- 
deeUng zou behoeven plaats te hebben. 

CORNELIS stond, in weerwil dat hij nog niet meerderjarig was, reeds opzichzelven 
en woonde in de Heintjehoeksteeg. Zijn kunst zal hem daartoe in staat hebben gesteld. 
Op den 24«*«» October van dat jaar begaf hij zich in ondertouw met Trüytgen, de 
negentienjarige dochter van Willem Jansz, die het bode-ambt op Hamburg bediende en 
in de Niezel woonachtig was. Bij dien ondertrouw stond zijne moeder hem ter zijde. 
Het verdient vermelding, dat Commissarissen van huwelijksche zaken den bruidegom 
oplegden ook zijne geboden te Turnhout te laten gaan. Dit wijst er op, dat Cornelis 
minstens zes maanden te voren daar was woonachtig geweest. De gissing ligt voor de 
hand, dat hij daar waar zijn ouders ook voor een tijd hadden gewoond in de leer was 
geweest, zich aanvankelijk daar had gevestigd en bij gelegenheid van zijns vaders ziekte 
en kort daarop gevolgden dood, naar Amsterdam was overgekomen. 

Eenmaal in Amsterdam gevestigd heeft hij het niet meer verlaten. In 1601, 1605, 
1607 vinden wij de bewijzen, dat hij hier aanwezig was, en verder telkens met tusschen- 
poozen van korten of langeren tijd tot aan zijn dood toe. 

Reeds in 1601 ontdekken wij de sporen van zijne liefhebberij tot het aanleggen 
eener verzameling van kunstwerken. Uit den boedel van Rutger van Dorssen kocht 
hij toen „een bort (schilderij) met naeckt geschilderde kindertgens", en later zullen wij 
hem onder de koopers van kunst meermalen aantreffen. Zoo b.v. was hij bij de vendutie 
van den boedel van Gilles van Coninxloo een ijverig bieder, die zich hetgeeen hij 
begeerde niet zoo gemakkelijk voor den neus Het wegkoopen en stoute sommen betalen 
dorst Toen gaf hij voor een stuk van Crispijn van den Broeck 90 gl., voor een bort 
van de vier evangelisten 38 gl., voor een lantschap op doeck 27 gl. 10 st, voor een 
Jacob en Rebecca 25 gL. voor een schilderij van Leda 9 gl. 10 st, en dat was lang niet 
het eenige wat hij kocht; nog verschillende bortgens, teekeninghen en prenten, een paar 
schilderezels en kostbare verven gingen in zijn bezit over, en nog in 't zelfde jaar kocht 
hij voor 54 gl. een schilderij van een crucifix. Veilig mag men aannemen, dat het een 
schoone collectie was,* die hij gaandeweg bijeenbracht. Maar 't schijnt, dat hij een weinig 
te ver daarmede ging, zoodat hij in Maart 1607 er toe moest komen, om een obligatie 
aan te gaan ten behoeve van Jan Adriaensz Roest, die met een rentelast van 75 gl. 
's jaars op al zijne bezittingen drukte, en waarbij zijn schoonvader nog voor hem borg 
naoest staan onder verband van een hem toebehoorend huis op den noorderhoek van de 
Minderbroeders- of Oudekerks- (wij zeggen thans Oudekennis) steeg, *) waarin wij CORNEUS 
van der Voort weinige jaren later zelven zullen gevestigd vinden. 

Trüytgen Willems had hem intusschen drie kinderen geschonken, misschien 
meer, maar deze waren in 1607 al niet meer in leven. Pieter geboren omstreeks 1599^ 



') Rentebrieren No. 23 bL 211. Dit buis was toen belend aan Mr. Cobnbus Ketel. 



190 DRIE AMSTERDAMSCHE SCHILDERS. 

Clara, geboren omstreeks 1601, en Anna, geboren omstreeks 1605. In Februari 1607 
verkeerde zij wederom in de blijde verwachting, en onzeker van den goeden afloop besloten 
de echtgenooten een mutueel testament te maken, waartoe zij het ministerie van den in 
de Molensteeg wonenden notaris GijSBERTi inriepen. Deze passeerde den isden dier 
maand den uitersten wil, die niets vermeldenswaards bevat. Hij onderteekende dit stuk: 



Vw-vwOafi/r^^ö^v^Si^ Qf^^^^4'^ 



Tien dagen later hield BOUDEWIJNTJE jANSDr. het pasgeboren dochtertje van het 
echtpaar in de Oude Kerk ten doop, dat den naam ontving van de moeder. Deze schijnt 
weinige jaren later overleden te zijn. 

Laat ons bij de familie van deze eerste vrouw van den schilder even verwijlen. 

Truytgen had twee zusters, Giertje, die met Matheus Anthonisz Blaeu was 
gehuwd en zich later aan de kinderen uit CORNELIS* eerste huwelijk veel liet gelden 
liggen, en Grietje, die hare hand evenzeer aan een schilder had gereikt. De kunstenaar, 
die door dit huwelijk VAN DER Voorts zwager werd, was de landschapschilder Govert 
Jansz, van wien Rembrandt een landschap en een dorpje bezat. RembranDT waar- 
deerde dien meester even als zijn tijdgenooten. Het landschapje, dat wij nog bij zijn 
insolventie in 1656 in den boedel ontmoetten, had hij in 1637 voor 30 gl., in de auctie 
van NicOLAES Bas gekocht, terwijl Lucas Lucé in dezelfde auctie voor een ander stukje 
32 gl. betaalde. Wij zullen zoo aanstonds zien, dat er een twaalftal jaren vroeger drie 
zijner werken in het bezit van zijn zwager waren. GoVERT was als 2S-jarig jongman 
den 26 April 1603 met GRIETJE ondertrouwd. Hij woonde toen in de Warmoesstraat 
en werd geassisteerd met zijn vader Jan Gerritsz ^). 

Uit dit huwelijk werden drie kinderen geboren Trijntje, gedoopt 25 April 1604, 
Truytgen, geboren omstreeks 1609 en Jan, omstreeks 161 2, over welke kinderen inióig 
Mr. Jan Sybrandsz de Bonte tot voogd werd benoemd. Kort vóór dien tijd was 
Govert alzoo •overleden. Govert Jansz is zeker een merkwaardig kunstenaar geweest, 
die eene afzonderlijke studie allezins zou verdienen. 

Uit den boedel van zijn schoonvader had CoRNELls van der Voort het reeds 
vermelde huis op den hoek van de Oudezijds Voorburgwal en de Oudekerksteeg geMd, 
en nog een merkelijke som van penningen, te zamen tot een bedrag van ongeveer 6000 gl, 
waarvan hij de helft aan zijne vier kinderen „bewees." 

Voor het eerst vinden we hem als op dien burgwal woonachtig vermeld in 1610, 
toen hij op den 1 5 April zich van een getal van ongeveer dertig schilderstukken ontdeed *). 



1) Zie aanteckeningen van Mr. A. D. de Vries Az. Oud-HoUand III bl. 156. 
3) Erfhuizen van de Weeskamer. 



DRIE AMSTERDAMSCHE SCHILDERS. 191 

Van het meerendeel wordt noch de naam van den schilder, noch het onderwerp opgenoemd. 
Wij nemen uit de lijst daarom slechts de volgende over. 

Een wintertgen ƒ 8 

Een stuck van de verloren zoon 21 

Twaelf Keyzers T 49 

De vier getijden 's jaers 144 

De opbrengst van de rest was bijna even veel als van dit vijftiental zoodat wij 
mogen aannemen, dat hij de keur van zijne verzameling behield. 

Om welke reden hij deze stukken verkoopen liet is mij niet duidelijk. 

Het moet in dezen tijd geweest zijn, dat hij den jongen Bailly tot leerling had. 
PlETER LüYCX leerden wij reeds als zijn leerling kennen in 1607 *). Ik kan er nog een ander 
leerling bij vermelden. In 161 2 wordt DiRK Harmensz als bij hem woonachtig opge- 
geven. Van dit drietal heeft alleen Bailly zijn naam als kunstenaar bij het nageslacht 
kunnen handhaven. LUYCX schijnt het in de kunst niet ver te hebben gebracht *) en DlRK 
Harmensz haar te hebben vaarwel gezegd. Toen hij in Augustus 1640 overleed als een 
welhebbend „linnenpacker" liet hij zijne weduwe, Lyntje Spierinck, eene verzameling van 
schilderijen ten getale van 411, waarbij verscheiden van hem zelven, achter. 

Van der Voort had blijkbaar nooit gebrek aan werk, zoodat hij aan zijn voor- 
liefde voor het bezitten van schoone schilderijen den vrijen teugel kon vieren. Dat hij 
om zijn kunst zeer geacht was, blijkt ons reeds uit RODENBüRGHS dichtregelen, maar van 
andere zijde blijkt het hieruit, dat een schuttersvendel hem opdroeg het corporaalschap 
op doek te conterfeiten. Wij kunnen er helaas niet meer over oordeelen hoe hij zich van 
die taak kweet, omdat het stuk onder de velerlei overschildering niet meer herkenbaar 
is. Tengevolge van den aftrek, die zijn werk vond, was VAN DER VoORT weldra een 
gezeten burger, die het met zijn middelen kon overeenbrengen om 1600 gl. aan één persoon 
op rente uit te geven, en die niet verlegen was om 400 gl., die de erven van zijn schoon- 
vader hem niet zoo aanstonds konden uitbetalen. Zulke sommen hadden toen nog vrij 
wat meer te beteekenen dan tegenwoordig. 

Maar hoe gproot zijn liefde voor de kunst ook was, al hing zijn huis vol met de 
werken van de beste meesters, na den dood van zijn vrouw was het leeg om hem heen. 
Op den duur verdroot hem dit zoozeer, dat hij naar een nieuwe levensgezellin uitzag en 
het oog liet vallen op eene Dortsche schoone Cornelia Brouwer jANSdochter *) met 
welke hij den 13 April 1613 voor de roode deur in 't kerkmeesterskomptoir ging. Weldra 



1) Oud-Holland lU bl. 46 

s) In November 1652 verviel een armzalig boeltje, waarvan één schilderij en een schildere2el. op het beroep van den 
pas overleden eigenaar duidden, aan de Desolate Boedelskamer. Het was de nalatenschap van den schilder Lucx. Ik 
vermoed dat het onzen Pieter Luycx is. 

Vk zou mij al zeer moeten bedriegen indien deze dame niet een zuster was van Barend Jansz Brouwer en 
van Broer Jansz. den bekenden oudsten courantier. 



IW DRIE AMSTERDAMSCHE SCHILDERS. 

voerde Uj haar de echtelijke Woning op den hoek van de Oudekerksteeg binnen. Maar 
hetzij dat CORNELIA niet even veel gevoel voor kunst bezat als haar echtvriend, en van 
oordeel was, dat al die schatten aan den wand, met het oog op het al te spoedig vermeerderde 
gezin, meer vruchtdragend konden worden gemaakt, hetzij dat er wezenlijk in het huis 
aan velerlei zakqfi behoefte bestond behalve aan mooie schilderijen, VAN DER Voort 
besloot er een goed deel van te verkoopen. Niet minder dan 195 stuks zond hij naar 
„de vier Heemskinderen" op 't water en liet ze daar aan den meestbiedende veilen. 

Het proces-verbaal dezer auctie stelt ons in staat over de verzameling en over den 
smaak van onzen kunstenaar te oordeelen, ofschoon we niet eens alle stukken maar slechts 
een goede 70 iets nader dan met de woorden een „stuk schilderij*' vinden aangeduid. 
Tellen wij echter alle bij elkaar op, dan verkrijgen wij toch nog niet het cijfer 195, dat 
blijkens de nummering aanvankelijk ter veiling was aangebracht. 

De ontbrekende had hij waarschijnlijk uit de hand verkocht of teruggenomen. 

Den 7 Aprilis 1614 syn vercocht de schilderyen van CORNEUS 
VAN DER Voort, op 't water in de vier Heemakinderen *)• 

Een vanitas 

Een Democrites en Heraclitus / 14: — 

Een Maria Magdalena. (Pieier Lundens^ in de Coesiraai) 7 : 10 

Een vrouwentrony 4 : — 

Een lantdchap van Momper 

Twee ronde tronietgens. {Jacques de VilU^ tot Grebber^ antyck)^ 2 : — 

Een geboorte 3 : — 

Een coockenbort 37 • — 

Een lantschap 59 • "" 

Een bancquet van Dirck Barentsz 205 : — 

Een tronye 23 : — 

Een tronye 10 : — 

Een lantschap van Schele Neel 36 : — 

Een naeckt peisoontien 7 : 10 

Een kool van Jochem Beukelaer 7 : — 

Een Martha en Maria Magdalena {B, van Someren) 15 • -" 

Een boeren Drie Koningsavond 50 : — 

Een Judit. ? " : 10 

Een stuck van Momper i 14 : — 

Een ront tronietje. {Hans van Cleeff) 2 : 10 

Een stuck van Nieülant. {B, van Someren,) 7 • ^^ 

Een ovael van Nieülant 12: — 

Een rovery van H. Jordaens ^ 10 : 10 



1) Erfhuizen van de Weeskamer. 



DRIE AMSTERDANfSCHE SCHILDERS. 



198 



Een stuck van Nieulandt » 64 

Een tronie van Jan van Leyen van HsBBiSKSRCK 43 

Een lotery van *t Oudemannenhuys ') 13 

Een Mars en Venus 1 ao 

Een tempel. ( Willem van der Bunder, schilder.) 58 

Een lantschap van Momper 21 

Een lantschap van Momper 17 

Een bloempot 26 

Een aanbidding der Herders. [Abraham Verwer, schilder ^ Willem v. d. Bunder). 13 

Een stuck van Cornelis Claesz 15 

Een lantschap van Coninxloo 57 

Een stuk van F. Badens. {Adr. van Nieulanét) 45 

Een Johannes predicatie 7 

Een Mars en Venus 8 

Een liefde door Hans Jordaens 19 

Een kersnacht 8 

Een tijd 7 

Een ommegang 55 

Een stuck van Hans Jordaens 39 

Een idem 33 

Een landschap van Momper 18 

Een idem 17 

Een stuck van Schele Neel 26 

Een stuck van Dirck Barentsz 27 

Een lantschap van Huybrecht Thonis 43 

Een stuck van F. v. Valckenborch 29 

Een stuck van Chrispijn van den Broeck t) 80 

Een Amsterdam van Vroom {Willem v. d. Bunder) 9 

Een stuck van Vroom 11 

Een brand van Sodoma van Verstrot (?) 30 

Een Marienbeelt van de Jonge Francks 11 

Een fruytbort 7 

Twee tronien van de Jonge Nieulandt •) ; . . . 23 

Een koockens fruytbort 57 

Een boerekermis 24 

Een stuck van de Oude Breugel 50 



10 



xo 



10 
10 



10 

10 



1) Van Mandbk zegt, dat er in 't Comptoir van 't Oude Mannen Gasthuis een groot stuk van D. Vikgboons hing 
14 voet lang en 8 voet hoog. gemaakt in 1603, <^^^ ook deze loterij voorstelde. Waar is dit stuk gebleven? 

In de rariteitenkamer van 't archief van Amsterdam hangt een dergelijke loterij van 't Dolhuis van de hand van 

GiLLSS COIGNBT. 

*) Dit stuk had hem gelijk wij zagen 90 gL gekost. 
3) Voorzeker van Jacob van Nieuwland. 

25 



194 DRIE AMSTERDAMSCHE SCHILDERS. 

Een tempel 84 : — 

Een bancquet der goden 317 • — 

Een lantschap van Momper 37 ï — 

Een dito 47 • — 

Een paer scheepjens van Jordaens 13 • — 

Een lantschap van (Jovert Jansz 20 : — 

Een lantschap van Momper en Sebast. Francks 36 : 10 

Een geboorte 53 ' — 

Een stuck van Momper 38 : — 

Een bataillie van Carel van Mander 221 : — 

Een lantschap van Govert Jansz 16 : 10 

De opbrengst van 3457 gl. 10 st in die dagen pleit voor de degelijkheid der 
verzameling, de namen misschien nog beter in onze oogen. 

Reeds in Januari 16 14 had CORNELIA aan CORNELIS een dochter geschonken, die 
den i6den in de Oude Kerk gedoopt werd, maar den 8 Augustus van *t zelfde jaar in 
dezelfde kerk moest worden ter aarde besteld. Als een aardig staaltje van de wijze 
waarop dergelijke feiten door de bevoegde machten werden opgeteekend, schrijf ik de 
daarop betrekking hebbende post uit het begraaf boek letterlijk over. 

Den 8 (Aug)een kint van Krelis van der voor oover die Kerck 
brugh een scidder ƒ4. 

Na deze eersteling zouden nog verscheiden volgen. Jan, gedoopt i Maart 1615, 
maar kort vóór 23 Juni 1617 weder overleden, een tweede Jan, den 8 December 1619 
in de Nieuwe Kerk gedoopt, CORNELIA, gedoopt 26 Augfustus 162 1, en Dorothea, 
gedoopt 19 Januari 1623. 

Na 1617 is het gezin verhuisd naar den hoek van de S'. Anthonis^Breestraat vlak . 
over de Sluis. Ik heb nog niet ontdekt of dit het noorder of zuider hoekhuis was. 

Het was ook omstreeks dezen tijd, dat de verwanten van de eerste vrouw er blijk- 
baar óp aandrongen, dat de schilder ten behoeve zijner vóórkinderen ter weeskamer zou 
doen inschrijven hetgeen hen uit krachte van de erfenis van hunne moeder toekwam. 
Dit geschiedde den 15 November 1618. Hij verklaarde, onder goedkeuring der verwanten, 
dat zij te zamen recht hadden op 2600 gl. en op de helft van het huisraad, dat hij in zijn 
geheel op ongeveer 800 gl. geschat had. De beide schuldvorderingen, waarvan ik straks 
reeds sprak, droeg hij bij deze acte aan zijn kinderen op *). 

De oudste hnnner, PlETER VAN DER VoORT, was reeds sedert eenige jaren bij 
zijn vader op het atelier werkzaam. Weldra verliet hij de ouderlijke woning en ging 
op zich zelf wonen. Wat er over hem uit mijne aanteekeningen blijkt, geef ik hier- 
achter in een bijlage. 



i) Weesbock 17, bl, 276^, 



DRIE AMSTERDAMSCHE SCHILDERS 195 

Anna en Geertruyd, twee van Cornelis' dochters uit zijn eersten echt, waren in 
1629 gehuwd, respectievelijk met Cornelis Gerritsz en Jan Gerbrandsz. Van de andere 
kinderen heb ik verder niets te vertellen. 

In de verzameling geslachtslijsten, ten archieve bewaard, komt eene genealogie voor 
van eene familie VAN DER VoORT, waarin ook onze schilder een plaats inneemt en waarin 
hem twee dochters worden gegeven, waarvan der eene haar neef Carel VAN DER VoORT, 
der andere David Jacobsz de Wildt, de secretaris ter admiraliteit, tot echtgenoot gegeven 
is. Hier heeft echter eene verwarring plaats gehad tusschen den schilder en een gelijk- 
namigen bloedverwant, die in de Kalverstraat woonde *). Of daarin eene dergelijke ver- 
warring van Pieter, een broeder van CORNELIS, plaats had met een persoon, die ook 
PlETER VAN DER VoORT heette, durf ik nog niet met zekerheid beslissen. Zoo niet dan 
werd eene zijner dochters in 1625 de huisvrouw van den schilder PAULUS BUYS, die tot 
eene aanzienUjke familie behoorde. 

Over de vrienden en betrekkingen van CORNELIS VAN DER VoORT zijn wij zeer 
slecht ingelicht, doch het zegt reeds veel als wij kunnen aanvoeren, dat PlETER LASTMAN 
een vriend van den huize was. Toen VAN DER VoORTS vrouw eens bezwarende praatjes 
over een dienstmeisje had rondvertelt en de ouders van dat meisje het er niet bij wilden 
laten, legde juffrouw VAN der Voort eene verklaring af, waarbij Pieter Lastman als 
getuige stond*). 

In het Bredero-album van Oud-Holland gaf ik als jaar van den dood van VAN 
DER Voort 1625 op. Zijn overlijden had echter een paar maanden vroeger . plaats dan 
ik toen meende te mogen vaststellen. Op het einde van October 1624 blies CORNELIS 
op ongeveer 48-jarigen leeftijd den laatsten adem uit; hij werd den 2**' November 1624 
in de Zuiderkerk begraven. 

Hij liet zijne weduwe met een zwaar gezin van zeven minderjarige kinderen 
achter, waarvan de jongste het tweede jaar nog niet had bereikt Of PlETER, onder dit 
zevental begrepen was, weet ik niet Hij zou dan zeker de meerderjarigheid spoedig 
hebben bereikt. 

Het schijnt, dat de weduwe in vrij goeden doen bleef zitten. Den 27 October 
1626 had er eene scheiding tusschen de kinderen uit het eerste en uit het tweede huwe- 
lijk plaats. De acte kwam mij niet onder de oogen. Het is echter buiten kijf, dat er 
alleen dan eene scheiding wordt gemaakt, wanneer er wat te deelen valt. 

Vooraf was alles te gelde gemaakt, wat geacht kon worden eene waarde te ver- 
tegenwoordigen. Het in 't sterfhuis voorradige magazijn van schilderijen, zoowel degene 
die VAN DER Voort had gemaakt en aangelegd, als de stukken, die hij hetzij voor zijn 
genoegen bewaarde, hetzij om ze door zijne leerlingen te laten copieren in huis hield, 



1) Elr beeft nog een schilder Corkeus van der Voort bestaan. Men loopt echter weinig gevaar hem met onzen 
CORNEUS te verwarren, omdat hij eerst in 1648 in 't Delftsche gilde werd ingeschreven. Vgl. Archief voor Neder L Kunstgesch. D. I 
9) Prot. Not. Rosa o. a. acte van October 1623. 

25» 



196 DRIE AMSTERDAMSCHE SCHILDERS. 

werden onder den hamer gebracht, en daarbij natuurlijk verscheidene ateli«rstukken en 
copién door zijn vroegere en latere leerlingen vervaardigd. 

Het volgende proces-verbaal der gehouden veiling is ook d^rom merkwaardig, 
omdat het ons in kennis stelt met de meesters wier werken door VAN der Voorts leer- 
lingen bij voorkeur werden bestudeerd. 

Wij hebben hier de bewijzen in handen van van der VoÓRTS bewondering voor 
CORNELIS VAN HAARLEM van wiens ^Mopsu^' vijf, van wiens Y^Kruishechting^^ vier, en 
van wiens ^^oop van Johannes^^ twee copiön aanwezig waren. Maar VAN DER Voort 
had blijkbaar ook veel op met Lange Pier wiens y^Pinksiêrdag*' en metHoNTHORST 
wiens ^ Venus en Cupido** hij gaarne aan zijne leerlingen om na te schilderen gaf. Lastman 
en JORDAENS werden evenzeer op zijn atelier gecopi^erd. Voor de waardeering van de 
laatstgenoemde meesters door hunne tijdgenooteri is dit een belangrijk bewijs. 

Bij het nalezen van dezen prijs-catalogus zal men menigmaal stukken met dezelfde 
omschrijving vinden, dat ongetwijfeld weder copien van denzelfden aard als de bovenge- 
noemde zijn. Toch loopen er natuurlijk ook een aantal stukken onder, die van den 
meester zelven zijn. Naar sommige portretten bestond altijd vraag. Green goed Prins- 
man, die geen conterfeytsel van den ouden Prins, van Prins Mau rink, of van den bekenden 
troonsopvolger Prins Hendrik begeerde te bezitten. Andere vorsten waren ook zeer ge- 
wild en blijkbaar Coornhert ook. Ik ben er zeker van, dat ieder portretschilder van 
zoodanige stukken een kleine voorraad bij de hand had, die hij met behulp van zijn leer- 
lingen telkens aanvulde. En zoo zal 't ook zijn geweest met de y^lackertjes^^ (Heracliet) 
waarvan VAN DER VoORT een aantal had. Menigmaal had ik gelegenheid optemerken, 
dat y^Stisanna met de boeven** en ^^Loth met zijne dochter ^'^ bizonder populaire onderwer- 
pen waren. Hier is er echter maar een enkele aanwezig. 

Op den \i^^ May Anno 1625 zijn vercocht op de Breestraet aen de Sluys 
deze naervolgende schilderyen, achtergelaten by Mr. CORNELis VAN DER VoORT, 
in syn leven schilder. 

Een ontbijtgen /8: 5 

Een schael met druyven 7 : — 

Een turcksche Keyzer met zijn vrou 6 : 10 

Een conterfe3rtsel van Mauritius, prins van Orangien 9 : 

Een monnik met een bagijn 4 • '^ 

Een lantschapgen 6 : 5 

Twee stuckgens van de Onnozelhey* ende Voorzicbtigheyt {Dirk Harmensz 

in de St. Annedwarssiraai) 4:1* 

Een banquet 12 : — 

Een conterfeytsel van Prins Hendrick (de advocaat Cloeck *) 5 : — 

1) Dezd raadsman van Rembrandt schijnt alxoo een kunstverzamelaar te zijn geweest. In deze auctie kocht hij nog 
eenige andere kunstwerken. 



DRIE AMSTERDAMSCHE SCHILDERS. 197 

Drie tronicn van Godinnen 6 : — 

Een mopsosy copie nae Mr. Corneus 8 : — 

Een conterfeytsel van Prins Maurits {Pr. Belten^ noest de deur) s : — 

Een stuckgen van Maria met het kindeken en Joseph • . . 3 : 5 

Een Pares en Anona 10 : 10 

Een conterfeytsel van Keyzer Rodolphus 2 : 10 

Een stuckgen van naecte godinnen 19 : — 

Een geharnasde ridder met een naecte vrou 3 : 15 

Een hoerhuysgen 3 : 5 

Een lantschap (GuilUam BouwenSy in de St. Luciensteeg^ schilderij cooper >). 22 : 5 

Een stuckgen daer Christus aen *t cruys genagelt wert 11: 5 

Een stuckgen daer een naecte vrou geschildert wert 7 : 5 

Een Venus met Cupido 9 : 10 

Een koocken 10 : 15 

Een koocken 12:15 

Een landschap met water en huysen 20 : — 

Een lantschap 22 : 15 

Twee stucken van Petrus en Paulus 19 : 10 

Een koocken 9 : — 

Een bloempot 8 : 15 

Een stuck daer de justitie de onnozelheyt beschermt 21 : 10 

Een stuck van de Arck 31 : 10 

Een stuck van een naecte vrou, de ijdelheyt 7 : — 

Een conterfeytsel van Coomhart 4 : — 

Een ontbytgen {Corneüa BrcuwerSy de weduwe) 8 : 10 

Drie godinnen " 't stuck d 56 stuyvers 8:8 

Een stuck van t vroutgen dat de zoom van Christus rock raeckt 3: 12 

Een naeckte Venus {Dirk Harmensz) 2 : 10 

Een schael met druyven. 7:10 

Een lachertgen , 2 : — 

Een stuckgen daer d'éen de wereld belacht en d'ander beschreyt 9 • 15 

Een lachertgen 2 : 16 

Een ovael prins Maurits 10 : — 

Drie personnagien met een fackel 2 : 2 

Een paarts hooft met een jongen 2:11 

Een lantschapgen met eenige beesten 30 : — 

Een conterfeytsel van de Coninginne van Vranckiyck 3 : 5 

Een stuck van Susanna met de boeven 6: — 

Een conterfeytsel van de jonge koninck van Vranckrijck 19 : — 

Een conterfe3rtsel van de princes van Orangien 4 : — 



>) Hij kocht nog meer stukken. Wellicht was hij een familielid van Glaes Elus' huisvrouw. 



198 DRIE AMSTERDAMSCHE SCHILDERS. ^ 

Een Adam en Eva. . 3 : — 

Een boere vrijerijtgen 3:12 

Een copytien naer Lasman {Pieier Cod^ de swager van den subsHtuyt ffam). 18: 5 

Een koocken 18: — 

Een naeckt Venusgen 1:10 

Twee conterfe)rtsels van de Coning en de Coninginne van Eogelant .... 8 : 10 

Een bancquet van jonge luyden op de oude manier gecleet *) 21:5 

Een Judith méttet hooft van Oliphamus 14*- — 

Een stuckgen van Jesus met de doomde kroon 4: — 

Een cniyceficxgen 12: — 

Een lantschap {Dirk Harmensz) ï9» — 

Een coocken 5 : 10 

Een stuckgen van de Pinxterdach. 11:15 

Een stuckgen vande dopinge Johannis 26:15 

Een Mopsus van Mr. Corneus van Haerlem 46: — 

Een Mopsus copy naer Mr. Corneus van Haerlem 23:— 

Een trony van Lange Pier {Louis du Prée^ knecht daer ten kuyzé) 9 : — 

Drie tronyen van godinnen 7: — 

f 

Een trony • 2: — 

Een Judith met het hoofd van Holifemus 17 : — 

Een Agar ^ 7:5 

Een Venus en Cupido, copy naer Honthorst 9:15 

Een lantschap met wagens en huysen 16: 5 

Een lantschapgen •.•.., • 9:15 

Een stvick vande vasten avont en de vasten t^ens malcander toumoyende. • 23 : 5 

Een stuckgen van Lasman • 36:10 

Een stuckgen van naeckte godinnen met eenighe fru3rten 28: — 

Een stuckgen van bosgoden 30: — 

Een Charitas, deyn 7:15 

Twee tronien • . • 3 : 10 

Een St. Francisco {j)an Sichem) 4: 2 

Een landschapgen 13: — 

Een lantschapgen met een schou daerin 13: — 

Een tronie van Prins Mauritius 3: — 

Een lantschapgen met een coetswagen daerbi 11:10 

Een winterden 10:15 

Twee conterfeytsels , 4: 6 

Twee tronien 4: 2 

Twee tronien 5:10 

t) Als dit schilderij, gelijk ongetwijfeld de meeste der andere ,,banqaetstnckgeiis" van de hand van CORNBLis van 
DER Voort is, moet men met het costuum ter bepaling van den tijd der venraardigpig van schilderijen diensvolgens leer 
voorzichtig zijn. 



DRIE AMSTERDAMSCHE SCHILDERS. 



199 



De onderconinginne van Frankrijk 4 : — 

Twee tronien 4 : 6 

Een stuckgen van naeckte godinnen pluckende fhiyten 14: 15 

Een lachertgen i : 5 

Een groot lantschap op doeck met een bataillie daerin 28 : — 

Twee tronien in een stuckgen 4 : 5 

Een fruytagie met een aep , 3 : — 

Een Maria mettet kindeken en St. Jan ..... ^ 6 : 5 

Een coiirtisaen 2:10 

Een Andromeda, cle3ai 2 : 6 

Een lachertje 2 : 2 

Een dito 2 : — 

Een banquetgen 7 : 5 

Een naeckte Venus, cleyn * 1:13 

Een Marien beeltgen " i : 13 

Een naeckte Venus, cleyn 1*9 

Een courtisaen, zoo groot als 't leven ^ • 5 

Een bancquet 14: 5 

Een Venus en Cupido 4:10 

Een stuck van Action .., 11: 5 

Een conterfeytsel nae Prins Hendrick . . , 3 : 10 

Een conterfeytsel i:ii 

Een stuckgen van Abraham ^ • 5 

Een Petrus trony i : 16 

Een bancquet 11: — 

Twee tronien 3 : 6 

Een stuck van de Deluvie. {Dirk Harmensz) 12:5 

Een trony. {Hans vander Voort^ op de Nieuwendyck) 3-i5 

Een mopsus nae Mr. Cornelis van Haerlem. {Robbert de Baudoes) .... 10 : — 

Een lachertgen 5-15 

Een stuckgen van de voorzichtigheyt 3 : i 

Een stuckgen van Maria met het kindeken ende Joseph met St. Anna ... 6 : 10 

Een stuckgen van een Mars en Venus 6 : 10 

Een stuck daer de soldaten de boeren quellen 27 

Een stuckgen daer een naeckte vrou uytgeschildert wert 9 

Een stuck vande dopinge Johannis nae Mr. Cornelis van Haerlem .... 32 : 10 

Een stuck daer Christus aent Cniy s genagelt wert, van Mr. Cornelis van Haerlem 150 

Een copy naer hetselve 31 

Een wintertgen 62 

Een groot stuck van St. Stephanus . 31 

Een history daer Raechel haers vaeders goden versteect 34 

Een stuck vande Pincxterdach. {Robbert de Boudous) 21:10 




200 DRIE AMSTERDAMSCHE SCHILDERS. 

Een stuckgen daer d'een de werelt belacht ende d'ander beschrejrt {Rohbert 
de Boudous) 

Drie stucken van Poetery 

Een Agar , 

Een Mopsus, copy naer Mr. Corneus van Haerlbm 

Een dito 

Een stuck vande IJdelheyt 

Een Andromedaetgen 

Een vrouwentrony 

Een trony , 

Twee tronyen van de voorsichdgheyt ende onnoselhe3rt 

Een boeremaeltyt {Louis du Frée.) 

Een stuckgen van Maria, Joseph ent Kindeken 

Een stuckgen van Schobel 

Een stuckgen daer een naeckte viou uytgeschiidert wert 

Een Maria Magdalena , 

Een wintertgen 

Een conterfeytse] van Coorahart 

Een wintertgen 

Een stuckgen van Judith 

Een lantschapgen met geberchte 

Drie godinnen , 

Een stuck van Rebecca met de knecht van Abraham >) 

Een conterfeytsel : 

Een oude vrou met haer geit een jongman soeckende te becoren 

Een groot stuck van een Satyr met eenige boeren 

Een groot stuck van Belthasar. {Franqois van Huffelen^ schilder^ in de Barnde^ 
steeg in de RobytC) 

Een groot stuck van David en Abigael 

Een stuckgen van 't vroutjen dat de boort van Jezus rock raeckt 

Een stuckgen van Egiptes vlucht. {Dirk Harmensz) 

Een cleyn stuckgen van een naeckte Venus. {Idem) 

Een koocken 

Twaalf Princen van 't huys van Nassauwen 

Een cleyn Andromedaetgen 

Twee scheepsschilderytgens 

Een stuckgen van wit en swart. {Fr. v, Huffelen) 

Een stuckgen van wit en swart. {Claes E/ias, dij de KercksbrugK) 

Een stuckgen van Loth met syn dochters 

Een stuckgen van Joseph, Maria en't Kindeken 

Een trony , 



• • 



15 : 


— 


30 : 


— 


12: 


— 


17: 


10 


12: 


— 


12: 


10 


2: 


3 


I : 


10 


2: 


10 


17: 


13 


9- 


— 


6: 


— 


6: 


— 


8: 


— 


i: 


15 


8: 


— 


5- 


s 


12: 


5 


6: 





II : 





8: 


10 


3»: 


— 


2 : 


— 


9: 


10 


22: 


— 


30* 


15 


50: 


10 


6: 


— 


18: 


5 


14: 


— 


16: 


10 


66: 




9: 


— 


26: 


— 


5 = 


'10 


2: 


12 


10: 


' 5 


I : 


13 


2 : 


9 



1) Wellicht het stuk dat hij in de auctie Coninxloo voor 35 gl. gekocht had. 



DRIE AMSTERDAMSCHE SCHILDERS 



201 



Een trony van Prins Mauritius i 

Een stuckgen van Loth met syn dochters 5 

Een stuck van een fonteyn en een spelende vrou , , . . . 5 

Een stuckgen van de hemelvaert Christi. {Dirck Harmensz) 3 

Een liefifde van wit en zwart i 

Een trony — 

Hen vroustrony. {Pieter Cod) 2 

Een courtisaen. {Idem) i 

Een trony. {Dirk Harmensz) — 

Een naeckt man op doeck. {Idem) i 

Een Venus {Idem) 2 

Een vos — 

Een cleyn vroutgen i 

Een trony van Prins Mauritius 2 

Een cruycificx. {Francoys van Huffelen) 2 

Een conterfeytselgen van een vrou. {Dirk Harmensz) 3 

Een trony in een ront lysgen — 

Een rondetgen een scheepgen — 

Een conterfeytsel 2 

Een conterfeytsel van de Oude Prins 6 

Pen stuckgen van wit ende swart 2 

Twee kindertronien. {Dirk Harmensz) 2 

Een Mars met een Venus 8 

Een conterfeytsel naer Coomhart — 

Een Adam en Eva, cleyn , 2 

Een conterfeytsel van de Marquis van Bergen 9 

Een stuckgen van Steenwijck 14 

Een naeckte Venus met Cupido van Honthorst. {Robbert de Baudous) . . 34 

Een lachertgen, principael 6 

Een landschap van Covert Jansz 67 

Een oude Satier met andere personagien, copy naer Jordaens 60 

Een oude schilderij op doeck. {Francais van Huffelen) — 

Een trony — 

Een stuckgen wit en swart van Lazarus uit den grave verweet 12 

Een cleyn stuckgen van hel, duyvel en doot i 

Een schilderytgen van de Evangelist Johannes , — 

Een groot paneel daerop een Satyrstrony i 

Een paneel daerop een trony i 

Een trony op doeck , . . — 

Drie personagien d'een met een fackel • . . . 6 

Een evangelist Johannes i 

Een conterfeytsel van ^en kint i 

26 



I 

5 
10 

12 

ï5 

7 

13 

14 

13 

3 
12 

5 



10 
18 

10 

5 
8 

15 
18 

2 

S 
5 



10 
10 

ïS 
6 

18 

10 

10 

13 

7 
II 



202 DRIE AMSTERDAMSCHE SCHILDERS. 

Een groot stuck van Saul 21 : — 

Een stuck van den arck 40 : — 

Den stuckgen van den Pincxterdag van Lange Pier. {Fr, v. Buffelen) 28 : — 

Een stuck van de smits op doek (id>^ 2 :.— 

Een trony (wf.) -- : 11 

Een groot stuck op doeck (id^ 2:12 

Een oul perspectieffgen 2 : 11 

Een schilderijtge wit ende swart 2 : lo 

Een stuckgen van de zeven werken van barmhartighejrt int zwart 3: 5 

Den volgenden dag werden de prenten verkocht CORNELIS VAN DER VoORT had 
er een menigte, die ongetwijfeld tot het onderwijs der leerlingen dienden. Zij werden 
grootendeels bij pakken verkocht Daaruit brachten slechts enkele goede prijzen op: 

Drie historiën van Heemskerk i : 4 

Het vrouweleven van Albert Duyr, houtsnee '. i : i 

De passie van Goltsius • \ 

De passie van C. Vermander > 3:11 

De zeven planeten van C. Vermander ; 

't Vrouweleven van Sadelaer — : 10 

Ook kwamen er teekeningen onder den hamer, maar ook deze konden geenhooge 
prijzen bedingen. De geheele opbrengst bedroeg 2617 gl. 

Onder de koopers van prenten troffen we ook JERONIMUS SwEERTS aan, die toen ten 
huize van een barbier bij de Varkenssluis woonde en vermoedelijk de vrij wel onbekend 
gebleven schilder was, die den verzamelaar der „Koddige opschriften" JEROEN Jeroense 
tot zoon had '). Verder eenige leerlingen, op welke ik zoo aanstonds terug kom. 

We leeren Cornelis van dfr Voort uit dit proces-verbaal beter kennen dan we 
tot dusverre deden. Als portretschilder leidde ik hem bij den lezer in, doch hij was dat 
niet uitsluitend. Hij hefeft öok, naar het mij voorkomt, zich onledig gehouden met het 
schilderen van allegorische, mythologische en aan de gewijde geschiedenis ontleende voor- 
stellingen, die zonder twijfel een kennelijke voorliefde voor het naakt zullen hebben vertoond. 
Wie zich de moeite geeft de stukken eenigzins naar den aard der voorstelling te groepeeren, 
zal er te veel onder vinden van bijbelschen en mythologischen aard, dan dat men zou 
mogen aannemen, dat dit zonder eenige beteekenis is. Ook schijnt het dat hij soms 
banket- en stillevenstukken penseelde, waarvan zijn zoon reeds zijn hoofdwerk maakte. 

Eenige maanden later werd al wat er nog op het atelier „den winkel" aanwezig 

was mede te gelde gemaakt: de paneelen, de lijsten, de wrijfsteenen, de ezels, de ledepoppen 

en wat er nog van kunst was voor den dag gekomen, hetgeen samen nog 244 gl. opleverde. 

Het waren natuurlijk alle schilders of aankomende schilders die deze voorwerpen 

konden gebruiken. Ik was daarom eenigzins uitvoeriger in 't opgeven der namen van de koopers. 

ï) Vgl. Ovd'HoUand I bl. 151. 



DRIE AMSTERDAMSCHE SCHILDERS. 208 

Op den 20 August! 1625 zijn op 'thoeckgen vandeBreestraet vercocht 
dese navolgende goederen achtergelaten bij CORNELIS VAN DER VoORT. 

Een deel oude ramen en lijsten, {/acob Leon, in de Reestraat in den huize 

van Scherbier) ; 0:18 

Nog verschillende zulke koopen. {Hans van Outen, of Houten, een der koopers) 

Een deel penneel werck. {Louis du Pree, knecht in huys) i : i 

Twee Tronien en wat penneelwerk. {Lucas Luce, bij de Varkenssluts) 1^3 

Twee manstronien en penneelwerk 2:15 

Een deel vrouwen- en manstronien i : 4 

Een deel vrouwen tronien. {Dirk Pietersz, in de Kalverstrcut) 2 : 7 

Een deel verscheyden tronien 2 : 10 

Twee penneelen. {Philips VinckeboonSy op de hoeck van de Salamander steecK) 1:11 

Drie vrouwen tronien. {Pieter Lasman, over de Suyderkerck) 3 : 7 

Twee penneelen. {Pieter Pieter sz op V Ruslandi) 2:17 

Drie tronien. {Hans Cooplety op V hoeckgen van de Slyckstraei) 3 : 5 

Drie peneelen (Dirk Pieter sz Bonlepaert) 4 : i 

Een doek {Pieter Lasman) 1:11 

Een doek in een raem {Dirk Harmensz) 3 : 16 

Drie doecken in ramen {Pieter Lensman) 4 • 15 

Twee manstronien en een penneel 2 : 2 

Een doeck in een raem {Paulus van HüUgaert, op de Posegraf t) 3 : 2 

Drie tronien en een doeck i : 8 

Een eesel. {Pauwels van der Cley, swctger van Louis Elle) 0:13 

Een raem en een esel {id,) 0:12 

Een groote en een cleyne eesel. {Hans Coplet) i : 1 1 

Een houten leê-wyfF. {Pieter Pietersz, op V Ruslandi) 3:15 

Een dito {Jacob Leon) to : — 

Een houten leé-man. {Dirck Harmensz) 17 ; — 

Een deel pletten, verflde, een beeld op doeck i : — 

Een wrijfsteen met een loopei. {Hans van Houten) 18 : 5 

Een dito {Hans Lemeer, goüleermaker op U Polwerck) 20 : — 
Nog eenige dito 

Een gebroocken schilderij. {Pieter Pietersz) 3 : 5 

Een schilderij van de drie Coningen van Lange Pier. {Claes Elias^ by 

d'Oude Kerck) 777T . 20 : — 

Een mannetje, een voet, een hooft van pleyster. 

Verschillende koopen van een deel gebroocken stucken schilderij. 

Verschillende vergulde lijsten. 

Vier stoelen en twee driestaUen. {Pieter Pietersz). 

Ik wensch op een der koopers van de atelierzaken de aandacht te vestigen en wel 

op Louis du Prée, gelijk door den klerk werd opgeteekend ,.knecht daer ten huyse". 

26» 



204 DRIE AMSTERDAMSCHE SCHILDERS. 

In de laatste levensjaren van den meester genoot deze dus zijn onderricht. Hij heeft het 
in de kunst ver genoeg gebracht, om zich bij zijn tijdgenooten grooten roem te verwerven. 

Du Pree, of du Pret, gelijk hij zijn naam schijnt te hebben geschreven, was 
echter niet van der Voorts eenige leerling in dien tijd. 

Onder de koopers van prenten vonden we ook nog HANS of Jan Jansz en Adriaen 
Jansz genoemd, en met dezelfde kwalificatie aangewezen. Wat er van deze kunstenaars 
geworden is, bleef mij echter onbekend. 

Het is te betreuren, dat we van onzen meester bijna geen werken meer kunnen 
aanwijzen. Zoover mij bekend is zijn de beide portretten in 't bezit van de familie BlERENS 
DE Haan te Amsterdam de eenige. In oude inventarissen vindt men echter meermalen 
portretten van zijn hand vermeld. *) 

Overigens weten we door de schoone kopergravure van W. J. Delff, dat hij het 
portret heeft geschilderd van den Amsterdamschen predikant Jacobus RoelandUS, die 
van 1603 tot 16 18 hier het predikambt bediende en zich later zeer verdienstelijk heeft 
gemaakt bij het werk van de beroemde Staten-vertaling des Bijbels. 

BIJLAGE I. 



PIETER CORNELISZ VAN DER VOORT 



werd, gelijk wij zagen, omstreeks 1599 geboren en is nagenoeg tegelijker tijd met zijn 
vader, waarschijnlijk enkele weken later, overleden. Hij woonde op de Breestraat bij 
't Lazarus- of Leprozenhuis, ten huize van ROCHUS WiTSEN. Daar werd op den 29 De- 
cember 1624, in tegenwoordigheid van genoemden WiTSEN en van LOUYS DU PRET, op 
verzoek van de erfgenamen, door den notaris W. Cluyt geinventariseerd *), terwijl den 
24 Januari van 't volgende jaar de boedel voor de deur publiek verkocht werd, niet alleen 
omdat zijn erfgenamen minderjarig waren, maar hoofdzakelijk omdat er vrij wat schulden 
betaald moesten worden, welke niet eens uit de opbrengst des boedels konden bestreden 
worden, zoodat zijn nog ter Weeskamer staand moederlijk erfdeel daarmede geheel ver- 
slonden werd. 



>) Boedel 7 Maert 1627. Die van Egbbrt van Hoorn en Machtelt Lodders, gedaen bij van der Vooeob. 
(Mededeeling van den heer A. Bredivs). Deze vrouw is later met den architect Daniel Stalpert gebuvrd. 

3) De heer Bredius verschafte mij deze acte, waarbij ik, volgens het proces-vefbaal der veiling, de prijzen aan- 
teekende der schilderijen, die aangewezen konden worden. 



DRIE AMSTERDAMSCHE SCHILDERS. 205 

29 December 1624. 
Inventaris der goederen, naergelaten by wylen PlETER VAN DER 
Voort, in sijn leven schilder, gedaen maecken ten versoucke van 
de erfgenamen van den selven van der Voort, o. a.: 

Een seer costelijcke kas van ebben en notenboomen hout. 

Een schilderye wesende een schael met druyven /4* 5 

Een bancket schilderijtje. 

Een groot bancket met een calckoen daerin. 

Twee schilderijtges daerinne porceleyne commen met druyven geschildert sijn. 

Een schilderije van d'oude cost 5 : 5 

Een schilderije van drie tijgers 3 : i 

Een cleyn conterfeytsel van de Prins; een van sijn Ex»«- en een van Prins 

Henrick. 
Etfn schilderije wesende een lachertje. 
Een do. wesende een Marya en Jesus. 

Een do. van Venus, Pallas en Juno, ongelijst 3 : — 

Noch een schilderije van de voorn, drie godinnen. 

Noch een oude cost schilderije, ongelijst 2: 3 

Drie tronyen van pleyster. 

Een schilderije wesende een ham 4 : 3 

Een ongelijst schilderije van een spelende munnick. 
Een schilderije van dootshooffden. 

Twe cleyne penneeltgens met rosen 1:12 

drie d<>. Ó9, . met tronietgens. 

Een schilderije van een cortisane. 

Een Ó9, van de voorsichticheyt en de onnoselheyt. 

Een bancket schilderij tge. 

Een schilderije van Pallas. 

Een oude mans vrijagie. 

Twee tronyen van Mars en Venus. 

Een schilderije van Maria lilagdalena. 3 : 5 

Een cleyn schilderijtge van de Stomme. 

Een bancketge met een pastey. 

Een wijnkannitgens schilderije. 

Een tabacx-schilderijtge. 

Twee figufen en vier tronien van pleyster. 

Twee bloempotgens met ebbenhouten lijsten. 

Noch twe bloempotgens, noch nyet opgemaect. 

Een cleyn schilderijtge daer een roemer in staet. 

Noch 5 tronyen. 

Een boeren-bordeeltgen. 



206 DRIE AMSTERDAMSCHE SCHILDERS. 

Een gedootverwt bancketgen. 
Een deyn schilderijtgen van Jezus, 

Twee tronyen van St Petrus en Paulus 4 • - 

Een tijgers-schilderij^en. 
Een schilderije met dootshooffden. 
Een narren-tuych. 

TwaelfF kroonspaneelen, daarvan thyen beschildert. 
Vijflf conterfeytsels doecken, beschildert sijnde. 
Twe grote doecken, d are r op de conté feytsels gemaect sijn. 
Een deyn conterfeytsel, van i6st. maet. 
Twe ovael conterfeytsels. 

Twe cleyne copere plaetgens daer de conterfeytsels op sijn. 
Twe thyen stuyvers-paneeltgens, daervan t'eene beschildert is. 
Een wrgflFsteen, twe schilders-ezels en twee paletten. 
Een klopscheentgen. 

Een gedootverfft kints-conterfeytscl. 
Twe groote ramen. 

Twe tronyen van Heraclites en Democrites. 
Een deel pnnten en tekeningen. 

Voorts kleedingstukken, waaronder een vossenpels en geborduurde hant- 
schoenen, zilveren lepels, een dito „beeckertgen", enz. 

Aldus gedaen enz. op den ; . . Decemb. 1624 ten huyse van 
ROKUS WiTSEN ter presentie van denselven WiTSEN en . 
LOUYS DÜ Pree (schilder), getuygen hiertoe versocht. 

In 't proces verbaal der veiling komen nog eenige andere stukken voor, doch een 
aantal minder dan hier reeds werden opgegeven. De anderen werden waarschijnlijk bij 
zijns vaders boedel ingestoken. We vermelden nu nog enkel: 

Vier Sybillen op doeck 6 : 13 

Een doeck van leven en doot 4 : 5 

Een trony en een fruytgen 4 : 2 

Een conterfeytsel van een poolsche vrouw 3 : — 

Twee conterfeytsels van Zijn Excellentie en graef Hendrick 7 : S 

Een tabacq banquetgen i : 10 

Eenige bancquetgens (waarbij een „ongemaeck t") 

Een doeck van een oude met een jonge vrouw 3 • ^ 

Een doeck van leven en doot 3 ^ -" 

Vier soniertgens met bloemen 8 : 6 

Een bloempotgen 2 : 12 

benevens eenige prenten en teekeningen eenige stukken inboedel, eenige boeken, waaruit wij hem 
als een beschaafd man leeren kennen, eenige wapens (cluytbooch, roer, musquet met verquetstock 



DRIE AMSTERDAMSCHE SCHILDERS. 207 

lapiereni houwer, bertisadn^e, keren bandelier met een deel loose maten) kennelijk zijn schutters- 
uitrusting, en een aantal kleederen. 

Den 30 Augustus daaraanvolgende kwam de rest aan de beurt 

Een doeck. {Hans Coplei) 1:12 

Eed doeck daer een tronie op geschildert is. {HansvanEssen^op'^thoeckgen 

van SU Janstraat) 2' 

Een houten eesel en een deel houten raemen. (PieUr Pietersz) — 

Een eesel, penneel, verfla, pletten enz. {Claesz Eliasz) 2 

Het was Pieter van der Voort evenmin als ieder ander gegeven geweest vóór 
zijn verscheiden uit dit aardsche leven alles gereed te maken wat hij onder handen had. 
Er stonden verschillende doeken en paneelen op de ezels, die hij slechts had aangelegd 
of gedoodverfd. Ik heb ze in den tekst gespatieerd laten di ukken. Hierdoor kunnen wij 
thans met zekerheid bepalen in welk genre Pieter de kunst beoefende. In de eerste plaats 
was hij conterfeyter als zijn vader; als deze schilderde hij banketstukjes, vroolijke gezel- 
schappen aan tafel, jonkers met juffers banketteerende in alle eer en deugd of op een 
ietwat al te vrije wijze, vrijerijtjes, bruiloftjes, bordeeltjes, allerlei stukjes, waar de schilder 
werk kon maken van kleedij en bewijzen kon, dat hij een ongedwongen teekehaar was. 
Maar de zoon schijnt zich ook bizonder op fruit- en bloemstukjes te hebben toegelegd. 
Een schaal of porceleinen kom met druiven, een bloempotje of rozen schilderde hij blijk- 
baar gaarne. Min of meer behooren zij tot het genre der stillevens, waarin PlETER almede 
staaltjes van zijn kunst leverde. Zijn schilderijen met doodshoofden, elders van leven en 
dood genoemd, of narrentuig, zijn stukjes met een roemer, een wijnkannetje, met een ham, 
een pastei of met oude kost zullen daarvan de bewijzen hebben gegeven. 

Veelzijdig als hij reeds op jeugdigen leeftijd was, heeft hij zeker in een dezer 
genres uitgemunt Mettertijd was dit stellig aan het licht gekomen, maar een te vroege 
dood heeft zijn kunstenaars-loopbaan afgesneden, en laat ons daaromtrent in onzekerheid. 

BIJLAGE II. 



HUYGH PIETERSZ VOSKUYL. 



In 1607 vonden wij HuYGH Pietersz als een der leerlingen van Pieter Isaaksz 
veimeld. Hij is zonder twijfel dezelfde kunstenaar wiens naam boven deze regelen ^taat. 

Om Pieter Isaaksz leerling te zijn in 1607 moet hij nog in vijftienhonderd en 
in de negentig geboren zijn. VoSKUYL was, toen hij in 1640 ondertrouwde, zeven en 
veertig jaren oud en dus geboren in 1592 of 1593. Ik veronderstelde, dat hij een Leidenaar 
zou zijn, en ofschoon ik dit gevoelen nog niet wil verlaten, vond ik in^en ondertrouwacte 
Leiden niet als zijn geboorteplaats vermeld. Er staat immers HüYGH Pietersz VoSKUYL 
van A(msterdamj. In den laatsten tijd heeft echter mijn vertrouwen, in den regel dat 



208 DRIE AMSTERDAMSCHE SCHILDERS. 

zoodanig „van X" immer de geboorteplaats aanwijst^ meermalen gevoeligfe schokken 
gekregen. Of wordt de regel ook hier door enkele uitzonderingen bevestigd ? 

Op 47-jarigen leeftijd kan Huygh zich zoo geheel en al Amsterdammer hebben 
gevoeld, dat hij zich van zijn sleutelstedigheid niet meer bewust was. Zoo zal het ook 
met anderen zijn gegaan, die elders geboren zijn dan de ondertrouwacte opgeeft ; of was — 
wat misschien nog waarschijnlijker is — de vraag van den secretaris van Commissarissen 
van huwdijksche zaken naar de plaats van herkomst der comparanten wellicht voor een 
ieder niet even duidelijk.^ 

Huygh was aan Dr. EvERARDUS Voskuyl, wiens zoon met Roemer Visschers 
kleindochter huwde, naar 't schijnt, niet verwant. Deze geneesheer was een Clevenaar en 
werd Aveinige dagen vóór zijne promotie te Leiden, in *t Album Studiosorum aldaar, 
ingeschreven op den 25 Maart 1625. 

Wel mogen we aannemen, dat de tooneeldichter Meynert Pietersz VosküyL, 
met de spreuk „V Verkeert haesf\ die in de eerste helft der zeventiende eeuw te Amsterdam 
leefde, zijn broeder of althans een zeer nabestaand bloedverwant van hem was. 

Gedurende geruimen tijd bleef de kunstenaar voor ons oog verborgen. Eerst in 
1630 ontmoeten we hem weder, toen hij, gelijk ik zeide, op 47-jarigen leeftijd zich ter 
ondertrouw kwam aangeven met Grietje Frans, eene van Gorinchem geboortige jonge 
dochter. Hij woonde toen in de Nes, in een huis waarvan hij in verloop van tijd van 
de verschillende gerechtigden de eigendom bij stukjes en beetjes had weten te verkrijgen, 
allereerst op den 7 December 1630. en vervolgens bij overdrachtsacten van 31 Mei 1650 
en 16 Juli 1658*). Het was een huis dat allicht zijn iiooo gl. waard was. Het was 
genaamd „de Bradery". Daar heeft hij zijn verdere leven gewoond, daaruit werd hij den 
13 October 1665 naar de Oude Kerk gedragen, om er zijn laatste rustplaats te vinden. 

Bij zijne vrouw, die in 1672 als zijne weduwe nog in leven was, had hij verschillende 
kinderen verwekt, waarvan Pjeter in hetzelfde jaar meerderjarig wordt genoemd. 

Ingevolge de bepalingen van Huygh's testament, op den 28 Augustus 1657 voor den 
Notaris COORNHART verleden, was de weeskamer van alle inmenging in den boedel uitgesloten. 

Over Huygh's talenten kan ik geen oordeel vellen. Slechts bij gissing mag ik 
aannemen, dat hij zijns meesters spoor heeft gevolgd. Wij willen hopen, dat te eeniger 
tij.d zal blijken, dat hij het in de kunst van schilderen verder bracht dan Meynert in 
die van tooneelspelen dichten. Stond hij met dezen op *t zelfde peil, dan zou 't ons 
leed doen hem met TengnagELS oordeel over den laatsten te moeten kenschetsen in de 
weinige woordeii „daer zoo weynig pit in is." 



1) Register van Kwijtscheldingen. 




MARTINUS HORTENSIUS. 

De eerste Hoogleeraar in de Mathematische Wetenschappen te Amsterdam. 



E. W. MOES. 



P weinig uitzonderingen na werden tot nu slechts kunstenaars, op welk 
gebied dan ook, in Oud-Holland behandeld. Den stand der geleerden 
ging men nog steeds voorbij. Deze levensbeschrijving zij een kleine 
bijdrage tot de geschiedenis van de Amsterdamsche hoogleeraren. 

Maarten van den Hove werd 1605 te Delft geboren '). Zijn 
beide ouders stierven aan de tering, en ook hem was geen krachtig leven weggelegd. 
Na zijn eerste studiën volbracht te hebben, gaf hij zich geheel over aan de studie der 
Mathematiek, en genoot daarin het onderwijs van den beroemden wiskundige IsAac 
Beeckman, rector der Latijnsche school te Dordrecht. 22 Maart 1628 werd hij inge- 
schreven als student in de Mathesis aan de Hooge School te Leiden, en 7 Mei nogmaals 
doch nu ook als student in de Godgeleerdheid. 

Inmiddels had Beeckman hem in kennis gesteld met den grooten Zeeuwschen 

I) MiJDC bronnen waren bijna uitsluitend Hobtïnbius eigen geschritten en brieven. 



210 . MARTINUS HORTENSIUS. 

astronoom Philippus k Lansbergen, heer van Meulenbeke, met wien hij voortaan ijverig 
briefwisseling hield over wis- en sterrekundige onderwerpen. Deze had 1629 uitgegeven. 
^^Philippi Lansbergii bedenckingen^ op den da^hêlijckschen^ ende jaerlijckschen loop van den 
aerd-cloot ; mitsgaders op de ware afbeeldinghe des sienelijcken Hemels ; daer in de won- 
derbare wercken Gods worden ontdeckt^ tot prijs van zijnen heiligen Name^ ende stichtinghe 
van alle menschen. Tot Middelburgh by Zacharias Roman, 1629." 4'. — In 1633 verscheen 
er een Fransche vertaling van, bezorgd door David Goubard (te Middelburg, fol), doch 
ook onze MAARTEN VAN DEN HOVE, die ondertusschen, in navolging van bijna al zijn 
collega's, zijn naam verlatiniseerd had, en dien wij dus ook voortaan MARTINUS HORTENSIUS 
zullen noemen, vertolkte het werk van zijn Maecenas in het Latijn, en 1630 werd te Middel- 
burg een kwartijn uitgegeven, voorzien van den volgenden langen titel : y^Phülippi 
Lansbergii Commentationes in motum terrae diurnüm et annuum, et in verum aspectabilis 
Caeli tyifum. In quibus sed soli Terrae: simulque Adspectabilis primi Caeli kTtayjfiovtwitg 
ostenditur diurnum annuumque motum^ qui apparet in Sole et Caelo, non deberi Soli out 
Caelo typus ad vivum exprimitur ; ex Bel^ico sermone in Latinum versae è Mariino 
Hortensio Delfensi^ una cum ipsius Praefatione qud Astronomiae Brahaeanae fundamenta 
exanimantury et cum Lansbergiana Astronominae restitutione conferuntur, Middelburgi 
apud Zachariam Romanum, M.DCXXXP 4*. 

De voorrede was dus zijn eigen Averk, en hierin doet hij zich kennen 'als een 
krachtig tegenstander van Tycho BrahÉ en hij zegt er in, deze gezindheid aan LansbergeN 
te danken te hebben. Terwijl Daniel Heinsius vóór de voorrede een Latijnsch gedicht 
plaatste, treedt HORTENTIUS zelf in zijn eerste werk ook als Latijnsch dichter op, blijkens 
zijne 14 regelig: „Ad Benevolem Lectorem." Zonder hevige aanvechting van anderen bleef 
zijn boek dan ook niet. Johannes Phocylides, Libertus Fromondus, Johannes Baptista 
MORINUS, Petrus Bartholinus, allen scherpten zij hunne pennen om Tycho Brahè 
te verdedigen. Jacobus VAN Lanscergen, Filips zoon, nam op zich zijns vaders werk 
tegen Fromondus en MORINUS te verdedigen, blijkens zijn: y^Jacobi Lansbergi Apologia 
pro commentationibus Philippi Lansbergii in motnm terrae diurnum et annuum^ adversus 
Libertum Fromondum^ Theologum Lovaniensem et Joan, Baptistam Morinum, Doet, 
Med. et Parisiis Mathematum Professorem Regium, Middelb, apud Zacharias Romanum^ 
1633.'* 4^ — Bartholinus, die in zijn geschrift: ^^Apologia pro observationibus Tyckinis 
Brahé contra M. Hortensium^ 1632." 4^ meer hem persoonlijk had aangevallen, werd 
dan ook door HORTENSIUS zelf onder handen genomen. Trouwens hij, ofschoon pas een 
zes-en-tv^rtntigjarig jongeling, was er niet voor vervaard, zich tegen de grondstellingen 
van een geleerden en wijdberoemden naam te verzetten. Johannes Kepler had namelijk 
zijn vertaling gelezen. Ofschoon hij vroeger nooit van HORTENSIUS gehoord had, vond 
hij diens beweringen de moeite waard, aan een nader onderzoek te onderwerpen. Het 
onderzoek hiervan was, dat hij, ofschoon HORTENSIUS kennis waardeerende, het niet eens 
was met zijn berekeningen van den diameter van de zon. Bovendien verweet hij hem, 



MARTINUS HORTENSIUS. 211 

zich te veel met kleinigheden bezig gehouden te hebben, en beschuldigt hem van overmoed 
en onbezonnenheid. Zoodra HORTENSiüS kennis van Keplers aanmerkingen genomen 
had, zette hij zich aan het werk, om zich te verantwoorden, en reeds had hij een verde- 
diging gereed, toen in 1630 plotseling Kepler stterf. Toen aarzelde hij zijn geschrift 
uit te geven, maar op aanraden van Lansbergen ging hij er toch toe over. Trouwens, 
het voornaamste doel van deze uitgave was niet Kepler aan te vallen, maar nogmaals 
de leerstellingen van Lansbergen met klem te Verdedigen, en het gebrekkige der leer 
van Tycho Brahé aan te toonen. Met dat cfL{/rbq hpri van PvTHAGORAS moest het uit 
zijn, en dat gold tegenwoordig van Tycho Bbahé. 20 Dec 1630 droeg hij zijn werk 
op aan ABRAHAM VAN DER Meer, raadsheer in de Staten van Holland, dat het volgende 
jaar verscheen: y^Martini Hortensii Delfensis Responsio ad Additiunculam D. Joannis 
Kepler i^ Caesar ei Mathematici^ praefixam Epkemeridi eius in Annum 1624. In qua cum 
de totius Astronomiae Restitutione^ turn imprimis de observatione Diametri Solis, fide Tubi 
dioptricif Eclipsibus utriusque LuminariSy luculenter agitur, Lugudni Batavorum. Ex 
Ofiicina Joannis Maire CI01DCXXXr\ 4*. Zijn geheele verdediging stelde hij op bij 
wijze van tweegesprek tusschen hem en Kepler, waarin hij Kepler steeds dezelfde 
woorden laat gebruiken, die deze in zijn Addittuncula gebezigd heeft. Eigenaardig is de 
vergelijking die hij maakt tusschen zich zelf en den grooten Duitschen astronoom : v,Tu 
scriptis tuis celeberrimus es, ego iis vix tantulam adhuc famae partem sum consecutus. 
Tu trium ordine Imperatorum Mathematicus, ego hactenus privatus. Tu in Germani^ 
duduui solus regnum obtines, ego ex BataviéL, ultimo eius angulo, in lucem demum prodeo". 
maar besluit hij „nee videndum, quis dicat, sed quid dicatur". Kepler had hem verweten 
de grondslagen der astronomie te willem orostooten. Het is een wellust, antwoordt hij, 
de grondslagen om te stooten, die Brahé in zijn wartaal (hallucinationes) opgericht heeft. 
Over het algemeen blijkt uit zijn geschrift, dat hij zich zoo veel mogelijk houdt aan de 
leer van COPÊRNICÜS, en van de ouden. 

Wat nu Bartholinus betreft, wel is waar beantwoordde hij diens Apologia^ maar 
aan zijn vriend Pierre Gassendi, den vermaarden Franschen philosoof, schreef hij, dat 
hij in de uitgave van zijn antwoord verhinderd werd door de schaarschheid van het papier. 
Zijn genegenheid voor zijn Franschen vriend zou weldra nog duidelijker blijken uit een 
schriftelijke opdracht, van 26 April 1633, aan hem van zijn: ^^Martini Hortensii Delf ensis 
Dissertatio de Mercurio in sole viso ec Venere invisa: Instituta cum Clarissimo^ ac 
Docttssimo Viro, D. Petro Gassendo, Cathed, Ecclesiae Diniensis Canonico^ Theolo^o^ Phi- 
losopho, ac Mathematico celeberrimo, Lugduni Batavorum, Apud Isadcum Commelinum. 
Anno CIDIDCXXXIIL {Ex Officind Typographicd Wil helmi Christiant). ^, Deze ver- 
handeling, gedateerd 13 Dec. 1632, bevat een bespreking van Gassendi's: Mercurius in 
sole visusy et Venus invisa ParisiiSy anno 163 1. Pro voto^ et admonitione Kepleri. Per 
Petrum Gassendum^ Cujus heic sunt ea de re epistolae duae^ cum observatis quibusdam 
alijs. ParisiiSy Sumptibus Sebastiani Gramvtsy^ vid Jacobaed, M.DC.XXXII. 4*, 

27» 






212 MARTINUS HORTENSIUS. 

Wilhelmus Schickardus, Prof. Hebr. te Tübingen, tot wien Gassendi zijn verhandeling 
gericht had, bleef ook niet achter met een antwoord, en gaf uit: y^W. Schickardi pars 
responsi ad Epistolas P. Gassendi. Insignis Philosophi Gallij de Mercurfo sub sole viso, 
et alijs novüatibus uranicis, Quoa Astranomiae felix faustumque sü/ Tubingae Tyi>%s 
Theodorici Werlini^ et Impensis Philiberti Brunni. Anno 1632, mense Augusto?^ 4*. 

Voor zijn astronomische onderzoekingen vertoefde hij op verschillende plaatsen; 
zoo vinden wij hem 10 Juni 1632 te Dordrecht bezig de zoneclips te observeeren, en 
8 Nov. van hetzelfde jaar te Leiden, om daar de maaneclips na te gaan. Nog vertoefde 
hij in de sleutelstad, toen Gerardus Johannes VossiUS en Casparus BarlaeüS hem 
aanspoorden, zich in Amsterdam te komen vestigen. Hij volgde hun raad op, maar 
VossiUS en BarlaeüS, deden meer voor hem. Zij begaven zich tot burgemeesteren 
en gaven de wenschelijkheid te kennen, aan het één jaar geleden opgerichte Athenaeum 
lUustre, ook een leerstoel in te ruimen voor de Wiskunde, terwijl ze als hoogleeraar 
HORTENSIUS aanbevalen. Maar de Amsterdamsche vroedschap ging voorzichtig te werk^ 
en bij besluit van 9 Maart 1634 werd HORTENSIUS verlof gegeven, gedurende eenige 
maanden college te geven ; wanneer deze colleges bleken bezocht te worden, dan kon men 
verder zien. HORTENSIUS gaf aan hunne oproeping gehoor, en i Mei van hetzelfde jaar 
opende hij zijn colleges met het uitspreken van een redevoering: ^Oratio de dignüate et 
utilitate Matheseos^\ na alvorens een uitstapje gemaakt te hebben naar Frankrijk en Italië, 
ten einde met de voorname mannen van zijn vak in die landen persoonlijk kennis te maken. 
Zijn redevoering verscheen onder den volgenden titel: .^Martini Hortensii Oratio de digni- 
tate et utilitate Matkeseos, habita iu Illustri Gymnasio Senatus Populique Amstelodamensis, 
cum ex autoritate Magnificornm DD, Consulum ac Senatorum eiusdetn Urbis Lectiones 
Mathematicas auspicaretur, VIII eid Maii, CIDIDCXXXIV^ Amsterdami ex Typographia 
Guilielmi Blaeu CID IOC XXXI V?'^ fol. Als van zelf spreekt was zij opgedragen aan de 
toen regeerenden schout Jan Grotenhuys, de burgemeesters Andries Bicker, Dirk 
Bas, Jan Geelvinck en Jacob Backer, schepenen, raden en curatoren '). Nog in die- 
zelfde maand Mei schreef VossiUS aan HüGO DE GROOT, dat het onderwijs van zijn nieuwen 
ambtgenoot zeer in den smaak viel, en dat reeds vele studenten zijn colleges bijwoonden. 
Tevens begon hij de beginselen der sterrekunde te behandelen, 'en besprak de theoriöi 
van Ptolemaeus, Tycho Brahé en Copernicus, waaruit zijn voorliefde voor den laatste, 
en zijn tegenzin tegen den Deenschen astronoom zeer sterk aan het licht kwam. Toen 
de burgemeesters bemerkten, dat HORTENSIUS hen niet teleurstelde, gaven zij hem voor 
zijn reeds gegeven lessen een vergoeding van f 450, en stelden hem tot gewoon hoog- 
leeraaf aan op een jaarwedde van f 600. 

Hoezeer het hem nu echter alles naar den zin ging, toch was hij niet geheel tevreden. 



1) N.B. Het eenige exemplaar dezer redevoering, 'gehouden aan het Athenaeum te Amsterdam, vond ik in de 
bibliotheek te Lübeck. 



MARTINUS HORTENSIUS. 213 

want, schrijft hij 2 Juni aan Gassendi, Urania is mij niet gunstig; sedert ik mij hier 
gevestigd heb, is de hemel duister, en ik kan geen astronomische waarnemingen doen. 
Dit had hem echter tijd gegeven, tot het vertalen van het volgende werk ; „ Tweevoudigh 
onderwijs van de Hemelsche en Aerdsche Globeuy door Willem Jansz. Blaeu. V Amst. bij 
Willem Jansz. Blaeu 1624." 4**. — Guilielmi Blaeu. Instliutio Astronomica de usu Glo- 
borum et Sphaerarum Caelestium ac Terrestriuniy duabus partibus adornata ; unè secundum 
hypothesin Ptolemaei^ per Terram quiescentem ; altera juxta mentem N, Copernici, per 
Terram mobilem, Latine reddita è M. Hortensia^ in IlL Amsterdamensium Scholh Matheseos 
Professore Amst GuiL Blaeu. 1634" 8^ Later is dit werk nog verscheiden malen her- 
drukt, nl. Amst. apud Joh. et Corn, Blaeu 1640. 12*, Amst. apud Joh. Biaeu, 1652 12' 
en Amst, apud Joh. Blaeu, 1655 I2^ 

Het volgende jaar (1635) opende hij ook colleges over Optica, meteen: ^^Oratio de 
Ocuh. ejusque praestantid'\ die ook uitgegeven is: y^Martini Hortensii Oratio de OculOy 
eiusque praestantia : habita in Illustri Gymnasia Amstelodamensi cum Lectiones Opticas 
inchoaret ad VI Non luL CIDIDCXXXV. Amsterdami. Ex Typagraphia Guilielmi 
Bleau CIDIDCXXXV*' fol. De opdracht aan Hyacinthus DE Rozdrazew Rozdrazewsky 
stelt ons in kennis met een Poolsch edelman, dien HORTENSIÜS zijn „fautor honorandus'' 
noemt, doch die ons overigens geheel onbekend is. 

De fortuin begon hem echter te verlaten, en in een brief aan GASSENDI van 1 5 Juli, 
vinden we hem zeer droefgeestig gestemd: v,Hodie Opticam publice lego in Gymnasio 
nostro, sed paucissimis Auditoribus. Adeo hic sordent sublimia illa studia. Pecuniam 
omnes amant, non scientias; luxu difHuunt et corpore ornati splendide, animo inculti 
horridique obambulant; Talis est genius loei. Nulla eos cura tangit, nulla curiositas rerum 
pulchrarum; Bacchum diligunt ac Cererem .... Famam habet haec civitas^ quasi et 
studia et viri docti in aliquo sint pretio, sed famam tantum ; nihilminus quam rem." Dat 
scherpe oordeel over de heerschende geest te Amsterdam, is zeker niet zeer onpartijdig ^ 
want VOSSIUS noch Barlaeus hebben daar ooit over geklaagd. Een andere en beter 
te begrijpen reden geeft ons dan ook Vossius voor zijn zoo slecht bezochte colleges, in 
een brief aan HUGO DE Groot. Herhaaldelijk, schrijft hij, is HORTENSIUS uit de stad, 
dan eens in Leiden, dan eens in Delft, en dan weer in 's Gravenhage; hierdoor deed hij 
bij zijn leerlingen de liefde voor hun studievak verkoelen, en zoo zij die nog behielden, 
gingen ze naar andere academies. Daaraan had hij het te danken, dat hij soms slechts 
twee toehoorders kon aanwijzen, en van deze twee was de eene nog wel de pedel van 
het Athenaeum. 

Maar over nog meer klaagde HORTENSIüS zijn nood bij Gassendi. Hij had vele 
nieuwe astronomische instrumenten uitgedacht, waarmee hij meende meer te kunnen uit- 
richten, dan Tycho Brahé ooit gedaan had, maar men gaf hem geen gelegenheid, die 
instrumenten samen te stellen, en zoo de proef te nemen van zijn uitvindingen. 

Op een zijner colleges zette hij zijn algemeene denkbeelden over de mathematische 






f 

f 



214 MARTINUS HORTENSIüS. 

wetenschappen uiteen, en op verzoek van MarCüs ZüERlüS BOXHORNIUS, maakte iiij 
hiervan een uittreksel, en zond het hem 3 Juli onder don titel : M. Hortensii Dissertatie 
de Studio Mathematica Rectè instituendOy ad V. C. Marcum Zuerium Boxhomium, Elo- 
quentiae in Academia Lugd. Bat. Professorem dignissimumJ^ Later werd het opgenomen 
in : y^H, Grotii et aliorum Dissertationes de Studiis instituendis. Amsterodami Apud 
Ludovicum Elzevirium, A\ 1645." 12*. — Zonder woordenpraal is de korte verhandeling 
opgesteld, iets, wat hij zegt, dat met de mathematische wetenschappen steeds het geval 
moet zijn. Hij die zich in de studie er van wil begeven, moet zich aanstonds een gedeelte 
uitkiezen, om dat tot onderwerp van zijn bijzondere studie te maken. Tot die onderdeelen 
brengt hij ook Militaire Bouwkunde en Muziek. Na de verschillende onderdeelen uiteen- 
gezet te hebben, noemt hij de beste leerboeken op, en geeft hierbij in het algemeen te 
kennen, dat men voornamelijk bij de ouden ter school moet gaan; dat hij verderde 
werken van Lansbergen niet voorbijgaat, lig^t voor de hand. 

Daar zijn colleges over Optica zoo slecht bezocht werden, schafte hij die a( en 
opende een cursus over* Zeevaartkunde. Deze viel beter in den smaak, en de schare 
zijner toehoorders groeide langzamerhand weer aan. Ter aanmoediging werd nu ook Wj 
besluit van 3 Jan. 1637 zijn salaris verhoogd tot op / 90a Maar reeds geruimen tijd 
hield een andere gewichtige zaak hem bezig. 

Reeds NiCOLAS Claude Fabré, heer van Peiresc, was op het denkbeeld gekomen, 
zich bij zijn astronomische waarnemingen meer naar de planeet Jupiter te richten, dan 
naar de maan, maar, zooals hij aan JODOCUS HONDIUS schrijft, vernomen hebbende, dat 
de vermaarde Galit.eo Galilei zich hier ook meê bezighield, zag hij van zijn onder- 
zoekingen af. En werkelijk, Galilei had, door zelf vervaardigde kijkers, de vier satellieten 
van Jupiter ontdekt, en hunne bewegingen genoegzaam waargenomen, om de tafels dier 
bewegingen te kunnen berekenen. En nu kwam ook hij tot de vaste overtuiging, dat de 
eclipsen van Jupiters satellieten een veel beter middel waren om de lengte te berekenen, 
dan de tot dusver hiertoe gebezigde Maaneclipsen. 161 2 bood hij zijn uitvinding het 
Spaansche hot aan, maar na veel onderhandelen mislukte de zaak. 1635 besloot hij nu 
zijn uitvinding den Staten-Generaal aan te bieden, waarschijnlijk hiertoe aangespoord door 
Elsevier, die toen juist in Italië met hem in aanraking kwam. De briefwisseling, die 
over deze zaak tusschen de Staten-Generaal en Galilei ontstond, ging meestal door 
handen van Elias DiODATi en HuGO DE GROOT te Parijs. Zoowel Laurens Reael 
als de Staten van Holland hadden er bij de Staten-Generaal sterk op aangedrongen, werk 
te maken van Galilei's aanbod. 11 Maart 1636 stuurde deze bij de Staten -Generaal een 
uitvoerig verslag van zijn uitvinding in, en nu besloten zij, bij resolutie van 1 1 Nov. 1636, 
een commissie van deskundigen te benoemen, om Galilei's uitvinding te onderzoeken. 
Deze commisie was samengesteld uit WiLLEM Blaeu, Reael en HORTENSiüS, terwijl 
hen machtiging werd gegeven, zelf nog Jacobus Golius tot zich te nemen, wanneer zij 
dit noodig oordeelden. Reeds te voren, 5 Juli, had GaLILEI aan Reael persoonlijk 



MARTINUS HORTENSIUS. 215 

inlichtingen verschaft. Daar de zaak een gunstig resultaat scheen te zullen opleveren, 
vereerden de Staten-Generaal Gai,ILEI reeds bij voorbaat, volgens besluit van 25 April 1637, 
met een gouden ketting en penning, ter waarde van f 500, met belofte van een grootere 
belooning zoo de zaak naar wensch zou afloopen. Tevens gelastten zij bewindhebbers 
der Oost-Indische Compagnie, kamer Amsterdam, aan Reael f 1000 te geven, om proef- 
nemingen in het werk te stellen over die gewichtige uitvinding. De commissie, hiertoe 
overgegaan, bracht Galilei weldra ernstige bedenkingen onder het oog, en men kwam 
overeen, dat een samenkomst van een lid der commissie met Galilei, de zaak het beste 
tot een gunstig einde zou kunnen brengen, en HORTENSiüS drong er op aan, dat hij op 
's lands kosten naar Italié zou reizen. Hier waren echter vele bezwaren tegen, en wel 
voornamelijk, dat er dan te Amsterdam geen lessen in de Mathesis zouden waargenomen 
worden. Ook de spoedig op elkaar gevolgde dood van Reael, in October of November 1637, 
en van Blaeu, 18 Oct. 1638, bevorderde de zaak niet. Eindelijk werd HORTENSIUS 
toch, 1638, f 2000 voor die reis toegestaan, maar zijn reisplan, om eerst Engeland te 
bezoeken, en dan over Parijs naar Italié te gaan, moest hij opgeven, en linea recta "naar 
Galilei gaan. Toch was het hem niet vergund, die zoo vurig begeerde tocht te 
aanvaarden. 

Van zijne ouders had hij een teringachtig gestel geërfd, en zijn wispelturigheid 
en natuurlijke droefgeestigheid verhaastten zijn dood. Augustus 1639 moest hij zijn colleges 
staken, en reeds den I7den van dezelfde maand blies hij den laatsten adem uit, pas 
34 jaar oud. 

Onder zijn nagelaten papieren vond men het later uitgegeven werk: y^Pleioda- 
graphiay sive Pleiadum Descriptid\ benevens een ontwerp voor een verhandeling over de 
Dioptica, Getrouwd is hij niet geweest, en over het natunrlijk zoontje, dat hij naliet, 
werd van stadswege Jan Cornelisz Swanenburch, van Weesp, tot voogd aangesteld. 

Nu ook het derde lid der commissie gestorven was, verflauwde de ijver voor de zaak 
van Galilei. De laatste brief er over werd 21 April 1639 geschreven en men was niet 
tot een gunstig resultaat gekomen. 

Over HORTENSIUS is zeer verschillend geoordeeld. Gassendi, Vossius en de Groot 
prijzen hem om het hardst, terwijl Descartes zeide: „Pour les Professeurs de TEcole, 
pas un m'en tend ma Geometrie: je dis ni GoLlUs, ni encore moins HORTENSIUS, qui 
n'en sait pas assez cela." Al moet ons dit oordeel veel te hard voorkomen, dat Descartes 
een man niet eeren kon, die meende den horoscoop te kunnen trekken, kan ons niet 
raadselachtig zijn. Zoo had HORTENSIUS voorspeld, dat NICOLAAS Heinsius slechts 
korten tijd na hem zou leven. Doch ook als sterrewichelaar was hij niet gelukkig, want 
eerst 1681 stierf Heinsius. 

Met de dichters Martinus PiLius en Johannes Bqdecherus Banningius was 
hij bevriend, en ook zelf beoefende hij, zooals wij gezien hebben, de Latijrsche poëzie. 
Zoo vermeldt de laatste nog van hem een treurdicht op den dood van SCHICKARDUS, 



316 MARTINUS HORTENSIUS. 

en ZOO komt er in den dichtbundel: ^Martini Pilii JCti, SeptimoHtii, de Antbiiioiu l^r, 
et alia ejus poemala, colU^it, et edidit Jacobus Pilius, Martini Nepos. Lugduni Baich 
vorum. Ex Offidnd WÜkelmi Christiani, C7:?/:?C^A'^///" (l2») eenHregeÜgLatijnsch 
versje van hem voor: In novatn editionem PoSmalutn Doctissimi Viri D. Martini Pilii 
Procuranie Nepate, erudito Juvene D. Jacobo Pilio". — Nog is HORTENSIUS de uit- 
gever van : „Epkemerides motuum coelestium" , van : „ WÜUrbt. Snellii doctrinar, trian- 
gulorum canonica" en van „Philolaös" welk laatste werk, door een Franschman vervaar- 
digd; over de beweging der aarde handelt, en hem door HuGO DE Groot gestuurd was. 
Dit zijn de lotgevallen van den eersten Amsterdamschen hoogleeraar in de Mathe- 
matische wetenschappen, van een man, wien het, ondanks zijn genialiteit, niet gegeven 
was, met ecre denzelfden leerstoel te vervullen, dien later een VAN SwiNDEN tot Euro- 
peesche vermaardheid zou brengen. 



IETS OVER JOHANNES VERMEER, 

(„DE DELFTSCHE VERMEER.")') 



DOOR 

A. BREDIUS. 



N den rV" jaargang van het ^Archief voor Ntderlandscke 
Kunstgescküdenis" deelde ons de heer Obreen een aantal 
merkwaardige bizonderhedeii mede omtrent dezen grooten 
meester, zoodat we over zijn geboorte- en sterfjaar, huwelijk 
enz. voldoende zijn ingelicht. Al !s hetgeen ik omtrent hem 
bijeenbracht niet van zoo groot belang, toch is VERMEER een 
zóó merkwaardige persoonlijkheid, dat al wat hem en zijn hui- 
selijk leven betreft, ons belang moet inboezemen. 
Uit ae documenten, die ik hier in chronologische orde laat volgen, blijkt, dat hij 
helaas I ook al tot die miskende genieCn behoort, die hun leven lang met allerlei zorgen 
te kampen hadden, en later, lang na hun dood, eerst hoog geschat en — hoog betaald 
werden.') Wellicht wa-s de schilder ziekelijk, en schilderde hij daarom weinig; het aantal 
zijner overgebleven werken is toch gering. Hoe het ook zij, toen de schilder stierf, was 
er weinig geld, maar veel schuld aanwezig. Aandoenlijk is het, om te zien hoe zijne 
weduwe, zonder twijfel het talent van haren echtgenoot bewonderend en waardeerend, 
slechts noode van zijn schilderijen afstand doet, om een hoog opgeloopen schuld bij een 
bakker te voldoen, en alles in het werk stelt, om die schilderijen later terug te krijgen. 

1) Niettegenstaande de Nid. Sficiator het onlangs (in eene ie«r welwillende beoordeeling van 'mijn Amst. Catatogns) 
een ,^nsche nieumgheid'' noemt VekhEBh in plaats van van dek Mbbi te schrijven, luui ik onien schilder toch nJet 
indeis dan Vbrmees noemen. Hij lelf leckent lich Immer laa (men lie de foc-similes lijner handleekeniag] en lijne tijd- 
Kenoolen schreïen hem altijd Vebhers. 

~ Toch vertiaalde di Mosconvs (Zie tftd. Ktmslbodi iSBo) dal Vikmbeb in 1663 voor een schilderijtje, nQuiii 

■ ' ' " 600 livres ontvangen had, en dal van een bakker. Zon dat soms dcMlHe bakker lïjn 

■m\ hier ondier wal hooren nillen? Het is niet onwaarschijnlijk. 



218 IETS OVER JOHANNES VERMEER. 

^ Reeds 14 December 1655 schijnt het crediet van Vermeer niet zeer groot geweest 
te zijn. Zijn vader, Reynier Jansz Vermeer, had indertijd ƒ 250, tegen 5^ % 's jaars 
geleend, terwijl Capt. JOHAN van Santen borg voor hem bleef. De geldschieter, daar- 
mede niet tevreden, laat den schilder en zijne echtgenoote, Catharina Bolnes, nu nog 
contraborgen stellen. *) 

Zij zouden zelven ook spoedig een leening moeten sluiten ; den 30 November leenen 
JOHANNis Reyniersz Vermeer, schilder, ende Catharina Reyniers Bolnes, sijne 
huysvrou, woonende binnen Delft, van PlETER Claesz van Ruyven 200 can gulden, die 
zij belooven over een jaar terug te betalen met 4^ % interest daarenboven. ') 

Vermeer teekenti ^ n * é 

Kort voor ?ijn dood werd hij toch nog met een blijkbaar niet onaanzienlijke 
erfenis verrast. Den 18 July 167 1 compareert JOHANNES Vermeer, konstschilder te Delft, 
en bekent van de erfenis van zal: Geertruijt Vermeer, zijn overleden zuster, voldaan 
te zijn, behalve ƒ 648. — die zijn zwager Anthony van DER WiELL hem als rest der 
erfenis nog schuldig is. Ook heeft hij met dezen alles vereffend aangaande de erfenis van 
DiNA Baltens, wed. van Reynier Vermeer, hunne moeder en schoonmoeder za:. Johannes 
Vermeer heeft ten zijnen laste genomen alle schulden en lasten van dien boedel. 

De inschulden daaruit zal hij te zijnen profijte mogen eischen'). 

Hij teekent met groote letters: 




jMvim 




5 Maart 1675 ontvangt JOHANNES Vermeer, constrijck schilder te Delft, procuratie 

van zijne schoonmoeder Maria Tins, wed. Reynier Bolnes, om in Giouda .een erfenis 

te beuren. Dat zij een onbepaald vertrouwen in VERMEER stelde, bewijst de acte*): 

Op huijden den s«° Maart 1675 compareerden voor myn Cornelis Pietersz 
Bleiswyck, Not« publ. by den Ed: Hove van Hollandt binnen Delfl^ de eerbare 
Jouff' Maria Tins, Wed« van za : & Reynier Bollenes, moeder ende voochdesse 
van haren zoon Willem Bollenes, en heeft. . . . machtich gemaeckt den E. Johannes 
Vermeer, haren Swager, Constryck Schilder, special omme uyt haren naem hem 
te vervangen: eerst in den boedel van za: Henrick Hensbeeck, overleden binnen 
de stadt Grouda, (om tot scheiding enz. te procedeeren en de Willem BolnES 
toekomende penningen te innen) en tevens omme te ontfangen en uytgeeff te doen 
vant jaerlicx incommen weegen haren zoon * Willem Bollenes, omme daerinne te 
handelen doen, deselve administreren, als een goet administrateur gehouden is te 
doen, dat sy comparante haren Swager ten vollen is toever- 
trouwende. Enz. [geU) Marya Thins. 
(PiETER Roemer, Mr, glaesemaker, is getuige) 

») Prot. Not. G. Rota. Delft. «) Prot Not J. v. Ophoven. Delft. ») Prot. Not. G. van Ambndelft. Mft. 
4) Prot Not. J. V. Bleiswyck. Ddft. 



IETS OVER JOHANNES VERMEER. 



219 



* 



h 
In 



h 



Of 



j^ 









•^ 



Alle volgende documenten zijn gedagtéekend na het overlijden des kunstenaars. In 

e^ïTSte plaats geef ik hier de: 

Specificatie van alsulcke goederen ... als Catharina Bolnes, wed*, wijlen 
Sr. JOHANNES Vermeer, wonende aen den Ouden Langendijck op den houck van 
de Molepoort in eygendom sijn toecomende, en in opgemelte huysinghe berustende. 

^ voothuys: Een freuytschilderytge, een zeetje, een lantschapie. — Een stuckie schil- 
dery door Fabritius. 

groote zaal: Een schildery sijnde een boere schuyr. (Van van der Poel.^) — 
Nog een schildery. — Twee schildery-tronijen van FabritiüS. — De conterfeytsels 
van S'. Vermeer zal", vader en moeder. — Een geteekent wapen van den voorn. 
S'. Vermeer, met een ebbe lijst — Meubels, harnas, stormhoed en kleinigheden. — 
Onder linnen en woUe: Een turcxe Mantel van den voorn. S'. Vermeer zal'. — 
Voorts kleederen en huisraad, 

binnenkeuken : Eeu. groote _§childery, sijnde ChrisüiSL-aea^_Cruys. — Twee Trony 
schilderyen gedaen by HoochstrATèS^. — Een schildery daerin allerley vrouwen- 
tuijch. — Een van Veronica. — 2 Tronyen geschildert op sijn Turcx. *) — Een 
Zeetje. — Een waerin een bas met een dootshooft. — 7 ellen goutleer aen de muyr. 
kelderkamer : Een Christus aent Cruys, een vrou met een ketting aen — enz. 
alles zonder naam der schilders. 

voorkamer : Een rotting met een ivoren knop daerop. — 2 schilderseesels, drye 
paletten, 6 paneelen, 10 schilderdoucken, drye bondels allerhande slach van printen, 
een lessenaer en rommelingh. 

Aldus gedaen te Delft enz. 29 February 1676. 

Get. : CATHARINA BOLNES. ') 

Specificatie der goederen, voor de helft toecomende Juffr. Maria Tins 
Wed*, wijlen Sr. Reijnier Bolnes en voor de helft haere dochter Juffr. 
Catharina Bolnes, Wed*, wijlen Sr. Joannes Vermeer, berustende ten 
woonhuyse van de voorn. Wed. op den Ouden Langendyck tot Delft. 

Schilderijen: Een Mars en ApoUo; nog 8 schilderijen; familieportretten, een drye 
Coningen» een moeder Christi. Nog 1 1 schilderijen. Een steene Tafel om verruwe 
op te vryven, met de steen daerby. . Aldus gedaen enz. 29 Februari 1676*). 

Dus een paar schilderijen „tronién" van zijn leermeester FABRITIUS ! Er waren 
echter, voor zoover we zien kunnen, geene werken van den overledenen aanwezig. 
26 schilderijen berustten te Haarlem onder den schilder-kunsthandêlaar COELEMBIER, 
waarschijnlijk om dddr te verkoopen. Waarschijnlijk is in het Schepen-Arfhief aldaar 
omtrent die stukken nog wel iets op te sporen. Toch bezat de weduwe nog twee schil- 
derijen van haren echtvriend, die ze op hoogen prijs stelde. Ik meen de eerste ïn~Winds ctf> 
ia— 4e ■partiailierc vortrokkon dci Koningin gezien te hebben-; de y^ersotuigie spelende op 
een cyter*^ is mij niet bekend. Die stukken moesten dienen om een schuld van ƒ617 -6- te 
betalen. Hier volgt de acte: 

Op den 27 January 1676 compareerde voor mij Gerard van Assendelft, 

Nots. tot Delff Catharina Bolnes, Wed. van za : Johannes Vermeer, 

in sijn leven kunstschilder binnen Delff, ende bekende aen Hendrick VAN BUYTEN, 
Mr. backer alhier vercoft ende getransporteert te hebben twee schilderijen bij den 

1) Op de tentoonstelling van. werken van Oude Meesters te Berlijn 1883 bevond zich een studie-kop van Vermbbk 
voorstellende een turk. «) Prot. Not. J. van Veen. Delft. 3) Prot. Not. J. van Veen. Delft 

28» 



7 






* I ■ 



. /- 



280 *IETS OVER JOHANNES VERMEER. 

voorn: Vermeer geschildert, d'eene vertonende twee personagien waeroff deen 
een brie ff sit te schrijven, ende d'ander mede een personaqie spelmtde op een cyter. 
En bekende daervoor voldaen te zijn met de somme van ses hondert seventien 
gulden en ses stuyvers die sij comparante aen gelevert broot aen den voorn, van 
BUYTEN schuldig was en welcke reeckening, door desen gehouden wert voor 
geannulleert ende vernieticht. Voorts . . . sijn sij metten anderen verdraegen en 
geaccordeert, dat in gevalle de "voom: wed. aen hem VAN BuYTEN op den 
I Mey 1677 coriit te betalen de somme van vijftich gulden en soo voorts telcken 
Meydaege gelijcke vijftich gulden, geduyrende totte volle restitutie van de voorsz. 
617 gulden 6 stuyvers toe, en dat hem ondertusschen volcomentl: betaelt is de 
éénhondert negen gulden vijff stuyvers, mede spruytende uyt voorgaende leverantie 
van broot, bij VAN BuYTEN als dan wederom in vollen eigendom aen de voorn. 
Wed. off haere erffgenaemen overlaeten sal de twee aen hem vercofte stucken 
schilderije, maer soo het mochte comen te gebeuren dat des voorn. Weds. moeder 
quam te sterven, eer de voors. somme mochte wesen gerestitueert, soo sal de 
lossing vant geen hierop zoude mogen resteeren, moeten gedaen werden met 
200 gulden jaerlycks, ende in dat gevalle vant restant van dese oock moeten betalen 
interest tegens 4 ten hondert in 't jaer vant overlijden van deselve haere moeder 
aff, totte voldoeningh toe, gelijck oock gelijcke intereste betaelt sal moeten werden 
in gevalle de gestipuleerde lossinge van 50 gl, jaerlijcks niet precijse quame te 
volgen. Maer de restitutie der penn: in voege voorz. gedaen sijnde, (daerbij 
gevoecht ende voldaen sijnde 't gunt in tijt en wijle weder op nieus soude werden 
gelevert) sal hij VAN BuYTEN alsdan de twee stucken schilderije hierboven gede- 
signeert, gehouden wesen te restitueren. (Procureurs der Wed. zijn Floris van 
DER Werff en Philippus de Bries.) ') 

In een 2e lezing van hetzelfde contract zijn deze wijzigingen: 

Van BüYTEN zegt daarin, tot deze restitutie-regeling gekomen te zijn „bewogen 
„door 't serieus versoeck ende instantelijck aenhouden van de voorsz. transportante"! 
Nog: 

Mocht de -Wed* in gebreke blijven hare jaarlijksche aflossingen te voldoen, dan 
mag van Buyten de stukken verkoopen, waarop zij ,,sal suppleren, opleggen en 
„vergoeden 't geënt hij comp* alsdan de twee schilderijen vercoöpende, daervan 
,, minder als de 617 gl. 6 st. sal comen te consequeren.'") 

Reeds had de Wed* aan hare moeder Maria Tins een ander stuk schilderij, voor- 
stellende „^ Schüderkonsf^ getransporteerd, in onderpand voor aan haar geleende pen- 
ningen, om in de behoeften van het huishouden te voorzien. 

Op huyden den 24 Febr : 1676 compareerde Juffr* Catharina Bollenes, 

wed* wijlen S' Johan Vermeer, woonende Jot Delff, en verclaerde in minderinge 
van 'tgeene ^y schuldich is, soo voor haer selven als in qualité als wed* en boedel- 
houster, en oock als voochdesse van haere kinderen, geprocreêert bij den voorn. 
Vermeer, haeren man zo: aen Juff* Maria Pins, Wed* wijlen Reynier Bollenes, 
haer moeder in vollen en vrijen eygendom over te geven een stuck schilderie, 
geschildert by den voorn, haeren man za : waerin wert uytgebeelt ^de Schilderconst\ 
alsmede haer recht, actie en pretentie op de revenues van de helft van S mergen 
lants gelegen in Out-Beyerlant enz. enz. ») Get\ Catharina Bolnes. 

Maar, of zij dit vergeten had, of vertrouwde dat hare moeder haar die schuld na 
het overlijden van haren echtgenoot schenken zou — men wilde de schilderij publiek ver- 

») Prot Not. G. VAN AfSBNDELFT. Delft. «) Prot. Not. G. van Assbndslpt. Ddft. ») Prot. Not. J. Vos, 's Grmvenhage, 






IETS OVER JOHANNES VERMEER. 22fl 

koopen. (Ik meen in dit werk te herkennen de heerlijke schilderij in de Gallerie Czernin 
te Weenen, voor eenige jaren in de Gazette des Beaux-Arts uitmuntend in ets teruggegeven. 
Zij stelt den schilder zelf voor, met den rug naar den toeschouwer voor den ezel gezeten, 
links staat een meisjesfiguur, als model, met een lauwerkrans op het hoofd. Achter haar 
stroomt het licht rijkelijk het atelier binnen. Iemand, die het stuk ééns zag, zal het nooit 
vergeten. Daar is veel blauw in, van het echte Vermeersche blauw en veel zwart ; prachtig 
is de werking van het licht op het in het wit gekleed model. *) 

De insinuatie van Maria Thins (of Tins) wed. van Reynier Bolnes ') luidt als volgt f 

Alsoo op den 24 Febniary 1676, volgens Acte van transport voor den Nots. 
J. VOSCH, bij mijne dochter Catharina Bolnes in mindering vant geene sij aen 
my schuldich is, soo voor haer selven ende in qualité als Weduwe ende boedel - 
houster ende oock als voochdesse van haere kinderen geprocreëert by JOHANNES 
Vermeer zal** in vollen en vrijen eygendom heeft overgegeven, opgedragen ende 
^etransporteert seecker stuck schilderije, geschildert bij den voorn. VERMEER, 
waerinne wert uitgebeelt de Schilderkonst, van welcke voorsz. acte van overgifte 
ende opdracht Mons' Anthony LEEUWENHOEK, als Curateur over den boedel van 
voorn. Vermeer ende Catharina Bolnes, visie en copie is gegeven. Ende dat 
des niettegenstaende de voorn. S' LeeüweNHOECK in de voorsz. qualiteyt by 
affixie van gedruckte billietten, (waervan mij een is toegezonden) by publycque 
opveylinge aen den meest biedende op den 15 Meert toecomende 1677 op S* Lucas 
Gildecamer binnen deser stadt Delft presenteert te vercoopen de voorsz. schilderije, 
aen mij opgedragen als voorschreven is, • 

Soo sal den eersten not', hiertoe versocht, sich hebben te vervoegen aen den 
persoon, van den voorn. S' LEEÜWENHOECK ende denselven uyt mijnen naem te 
insinueren ende aen te seggen, dat ick niet en verstae, dat de voorschreven schil- 
derije bij hem sal werden vércocht, als moetende coomen in minderingh van mijn 
achterwesen, off wel dat hij, die vercoopende, sal stipuleren, dat bij mij de penningen 
daervoor comende niet zullen werden mytgekeert, maer strecken in minderingh van 
mijn achterwezen. Enz. 

Actum Hage, den 12 Martii 1677.') 

Ingevolge van de bovenstaande insinuatie soo hebbe ick ondergeteekende, 
Notaris, my vervoegt aen de persoon van Antony Leeuwenhoeck en hem deselve 
insinuatie voorgelesen, die mij tot antwoort gaff, dat hij de schilderije daerin ver- 
meit, niet hadde connen machtigh werden als met proces en door transport van 
Annetge Stevens en dat hij daervoor hadde moeten betalen de somme van 
dryehondert tweeenveertigh gulden, behalve de oncosten vant proces, dat hij van 
sin was (niet jegenstaande dese insinuatie) met de vercoopinge van dien voort te 
gaen, en dat, soo <ïe insinuante metieerde eenigh regft te hebben, sulcx soude op 
de preferentie moeten eijschen. Aldus op den 13 Martii 1677 gedaen ter presentie enz. *) 

Niet lang daarna ontvangst de Wed* toch weer een kleine erfenis van een oom in 
Gouda. In het algemeen schijnt de familie Bolnes betrekkelijk in goeden doen geweest te zijn. 

I Febr. 1678 compareert Anthonij Leeuwenhoeck, te Delft, als bij de 
E. Heeren Schepenen der stad Delft gestelde Curateur over den insolventen en 
gerepudieerden boedel en goederen van Catharina Bolnes, Wed* en boedel- 
houtster geweest van wijlen Johannes Vermeer, in sijn leven schilder binnen 



Gazette des Beaux-Arts^ 1883. I, bL 385. i) Dexe was „Bteenbacker te Gouderack bij Gouda" geweest t) 
Not J. Vos. 'sGrayenhage <) Prot. Not. Corn. van Oudendijck, Delft. 



Prot. 



222 IETS OVER JOHANNES VERMEER. 

dcser stadt en verclaerde machtich te maecken NiCOLAES Straffintvelt, 

Notaris binnen Gouda, omme in den naeme van hem aen de coopers te doen 
wettige opdracht voor een gerecht derde part van een huys en erve met eenbleek- 
velt daerachteren staende in de Peperstraet binnen Gouda, alsmede voor een derde 
part van drie morgen lants gelegen in Wilnis buyten Gouda, de voorn, Catharina 
Bolnes op en aenbesturven uyt den boedel van wijlen Jan Bolnes, haeren Oom 

Sa : de gereedde cooppenn : te ontfangen, en dienaengaende te rekenen 

en te liquideren. Enz. *) 

Vier jaar later, 

19 Nov. 1682 machtigt Mr. Hendrick van der Eem, voogt over de kinderen 

van Catharina Bolnes, wed* van Jan van der Meer, te Delft Sr. 

Anthony Leeuwenhoeck, om voor hem in zijn q** te verkoopen 2 losrentebrieven 
te Gouda, de eene van 48 gld. s'jaars losbaar met ƒ 1200. — de andere van 8gld. 
s'jaars losbaar met ƒ 210. — 

En hiermede ben ik ten einde. Gaarne zou men nog meer over onzen schilder 
te weten willen komen. Bovenal wddr hij zijne zoo geheel eigenaardige kunst van daan 
heeft. We gelooven het, dat Fabritius zijn meester was; maar welk een onderscheid 
tusschen die beiden ! FABRITIUS sluit zich geheel aan bij Rembrandt, zooals zijn studiekop 
te Rotterdam bewijst. Zelfs in zijn kleinere, uitgevoerde stukken, zooals het fraaie schil- 
derijtje te Schwerin van 1654 is hij Rembrandtiek, maar heeft niets van dat eigenaardige 
wat alléén VERMEER bezat en zoovele tegenwoordige schilders nastreven; vooral niet dat 
eigenaardige licht, dat alle smdere schilderijen, die men naast een Vermeer hangt, 
somber doet schijnen. Men ga slechts in het Mauritshuis en stare op dat grootsche 
gezicht op Delft. En zie dan naar den Potter er onder (die N.B. daar zeer onge- 
lukkig hangt en door den Vermeer vermoord wordt), den Wouwerman er naast — 
het wordt alles donker. Men bewondere het meisjeskopje bij den heer DES Tombe in 
den Haag, en zie op de schilderijen, die daar om heen hangen, zelfs op den Flinck, 
een geheel in het wit gekleed meisje, op zich zelf een meesterstuk I — Vermeer doodt 
ze allen; het meisjeskopje, zoo uitmuntend gemodelleerd, dat men haast vergeet een 
doek voor zich te hebben, en dat éénige licht uitstralende, behoudt geheel alleen uwe 
aandacht. 

Hoe jammer, dat we zoo weinig van hem bezitten! Hoe gelukkig moet de boek- 
drukker Jac Abrahamsz Dissius te Delft geweest zijn; in zijn te Delft in 1682 opge- 
maakten inboedel toch vond ik: 

Acht schilderijen van Vermeer. — Drie dito van denselven, in kastjes. — Een 
zee, door Percellus (Porcellis). 
Op de achterkamer', Nogh vier schilderijen van Vermeer. — 
Op de kelderkamer: Twee schilderijen van Vermeer. — 
En later : Nogh twee schilderijen van Vermeer. ') 

Welk een schat ! En waar is dat alles gebleven } ? 

1) Prot Not. Floris van der WERbP, Dcift. s) Prot. Not. P. de Bries. Delft. 



BIOGRAFISCHE AANTEEKENINGEN 



BETREFFENDE 



VOORNAMELIJK AMSTERDAMSCHE SCHILDERS, PLAATSNIJDERS, ENZ. 

EN HUNNE VERWANTEN 



VERZAMELD DOOR 



Mr. A. D. DE VRIES Azn. 



BIOGRAFISCHE AANTEEKENINGEN. 22S 

Gedoopt 30 Maart 1698 door I>. Brant, Willemina, fctaemdoghtertje van Chris tof f el 
Lubinietski en Helena van de Rijp, (Doopb. Rem. gem.) 

Gedoopt 2 Maart 1709. Joannes, Craemsoontje van Otto Ottosz. en Gesina van Ottenhoflf; 
getuigen EUsabeth Veltmans wed* van Matheus Otto, enChristoffel Lubenietski. 

(Doopb. Rem. gem.) 

8 Dec. i668. Contract tusschen Stanislaus Lubienitski en Frans Kuyper naar aanleiding van 
het drukken van Theatrum Cometiciun'; zij stellen als arbiters S» Paulus Verrijn, Middel Viruli, 
Jan Denysz. Verburg, Willem de Wit en Paulus Breedenburch, getuigen bij dit contract waren 
Isaacus Pontanus en Gerardus Brandt. (Prot. Not. J. Hellerus p. 172 bl. 223). 

Ondertr. 2 1 May 1677. Theodorius Lubinius, van Lublyn, schilder^ out 24 jaren, 
op de N. Z. Achterburgwal, geass: met syn moeder, en Angenieta Wissouvatius, van Kracou, 
out 27 jaren, op de Brouwersgraft, geass: met haer ouders. 

Lodewijck van Ludiek junior trouwt in April of Mei 1657 met Comelia Bosmans. 
Zij test. 17 April 1657 voor Not. D. v. Ypelaer. De vader Lodewijck van Ludiek S' is tegenwoordig. 
Den 30 Oct 1657 was Willem Schellincks getuige bij een nader test. van deze editelieden. 

Gedoopt I Juli 1659. Lodewijk, zoon van Lodewijk van Ludiken Comelia Bosman ; 
Guilliam de Penijn en Sara van Ludiek, getuigen. 

B^raven 27 Febr. 1723. Nieuwe kerk. Lodewijk van Ludik, op de Kysersgraft. / 8 — » 

Begr. 22 Dec. 1724. Nieuwe Kerk. Lodewijk van Ludik, op de Keysersgraft bij de Wolvenstraet. 

Gedoopt 27 Sept: 1622 Nieuwe Kerk. Gerrit, zoon van Barent Limden en Lyntje Lunden; 
Gerrit Jacobsz Hoon en Joanna Everwijns getuigen. 

Ondertr: u April 1643, Gerrit Lunden, van A, schilder^ geass. met sijn moeder Cathalina 
Lieden (?) de vader heeft geconsenteert, op de Coninxgracht, en Agniet Mathijs, van Antwerpen, 
geass. met haer moeder Geertruyt Mathys, out 23 jaer, woon. als voren. Deze personen zijn den 10 Mey 
1643 getrouwt door Mathias Meurs tot Sloterdijck. 

(Kerk. huw. proc.) 

Gedoopt 9 Sept. 1646. Gerrit, zoon van Gerrit Lunden en Angnietje Mathijs; Katrijna 
Mathys getuige. 

Gedoopt Nieuwe kerk. 27 Oct. 1652. Anna, dochter van Gerret Lunden en Angeniet 
Mathysz; Barent Lundens getuige. 

Begraven 18 Juli 1658. Nieuwe Zijds Kapel. Een kint onder den arm van Gerrit Lunden, 
comt van Fruwele Burghwal op de hoeck van de Angenietestraet bij de Brugh. / 5 • 7 

Ondertr: 18 Januari 1614. Berent Lunden, van Antwerpen, was-bleyker, oud 28 jaar, 
wonende (24 annis) in de Hooghstraet, geass. mit Janneken Sautyns, zijne moeder, ende Catharyn 
van Sichem, van Basel, out 28 jaren, wonende (15 annis) op Montelbaensburgwal, geass. met 
Christoffel van Sichem, haer vader. (Kerk. huw. proc.) 

Gedoopt 16 Juli 1619. Bemert, zoon van Bemert Lunden en Catelijn van Sichem ;Christoffel 
van Sichem getuige. 

Gedoopt 12 Febr. 1626. Janneken, dochter van Bamart Lunden, en Katarina Lunden; S' Huybert 
Sautijn, Jofr. Janne Lunden getuigen. 

7 Tan. 1660. Inventaris van goederen van Barent Lunden, Impost"" van 't Bestiael, berustende 
in de huysinge by de voorn. B. L. voor desen bewoont, staendein*tClarisseclooster,geinventariseerd 
by my M». Pieter van Toll, Nots., vermogen de Apostille by M. H». van den gerechte alhier, ver- 
leent op seeckere requeste op dato deses by Janneke Lundens, desselfs dochter, gepresenteert, o.a. 

Een stuckje Schilderye van Pieter Codde. 

Twee stuckjens met voogeltjes van van Peen e. 

89 



226 BIOGRAFISCHE AANTEEKENINGEN. 

Een out manneke van van Neck. 

Noch een Mars en Veenus van Carel van Mande r, met een zwarte l^t« 

Een schilderye sijnde een varckenheerdertje by nacht van Gerrit Lundens. 

Een conterfytsel van d'Oude Prins> met een vergulde lijst 

Een boere geselschapje van van Neck en een dito copytjc nae T e n i e r s. 

Een smitje en een handje-slach van Gerrit Lunden. 

Een geslaegen varckentje en een ruyntje. 

Een Tandentreckertje, Sangertje en Barbiertje van Gerrit Lundens. (p. 22.) 

Ondertr: 31 Meert 1623, Jan Lutma 1), van 'EvDi\Atny ^autsmidi^ out 35 j. wiens moeders 
consent b gebleken by een brieff van 2 predikers en een notaris, won. (2 annis) op de Warmoes- 
gracht, en Mayken Roelants, out 30 jaer, geass. met Mayken Pas, haer moeder, en Alexander vander 
Hoven woon. in de Nes. (Kerk. huw. proc.) 

Gedoopt I September 1624* Joannes, zoon van Joannes Lutma en Maria Roelants ; 
Hester Lutma getuigen. 

Begraven 28 Januari 1628, Walenkerk, het kindt van Joannes Litma, in de halsteecfa, 
onder den arm. / 4 — 

Gedoopt Oude kerk 30 nov. 1631 Isaak, zoon van Johannes Lutma en Marya Roelants; 
Isaak Verheyk, Aeltjen Pas getuigen. 

Ondertr; 18 Mei 1638. Johannes Lutma, van Groeningen, goutsmity wed» van Mayken 
Roelants, woon. in de Nes, enSaerade Bi e, van A, wed» van Heyndrick Quickelberge, won. 
om de hoeck van de Santstraet. (Kerk. huw. proc.) 



^ 7^^«^Hrti/>^ 




rruu 



Aen Jan Lutma voor een silver becker en kan verschonken inden Hage, volgens resolu- 
tie van Burg. 464 gl. 3 st. (Thes. rek. 1661.) 

Begr. 26 July 1666. Oude kerk. Sara de Bie, huysvrou van Johannes Lutma, uyt 
de Nes. f % 

Begr. 29 Januari 1669. Oude kerk. Johannis Lutma, komende uyt de Nes. / 8 — 
3 versjes van H. F. W a t e r 1 o o op d'afb. van Johannes Lutma. 

vgl: HoU, Paras 1661 p. 321. 

■ 

Joannes Lutma 

De vader Lutma, dat doorluchtig kunstjuweel, 
Wiens edle hamer op het zilvere paneel 
Verheve schildery en beeltwerk heeft gedreven. 
Zal dus door hamerslag zijns zoons in koper leven. 
Den 19 Sept. 1678. Brandt, Poézy 1688 bl. 463. 

Joannes Lutma de Jonge van Amsterdam, werd 1643 lid van 't goudsmidsgild 
volgens de op het Stadsarchief berustende koperen plaat 

Johannes Lutma de Jonge. Doek. hoog i el 4 d. breed 80 d. Het afbeeldsel van 
zijn vader den voornamen beeldhouwer en drijver Johannes Lutma, oud 72 jaren, ook bekend 
uit de prent vaïi Rembrand, hij heeft een drijfwerk in de hand; breed en krachtig, in den trant 
van Rubbens in 1657 geschilderd. 

(gekocht voor / 16.— door Haart in de Auctie Huis met de Hoofden i Mei 1849.) 

i) Op een teekeningetje in rood krijt, voorsteUende een man een mand dragende, las ik van boven; Ritn som 
pnne en van onderen : Jan Lutma^ van Embden, in Paris, den 10 AugusH 1615. (v. d. K.) 



BIOGRAFISCHE A ANTEEKENINGEN. 227 

Ondertr. 23 Juni 1660. Isaacq Lutma, van A, juwelier, out 28 j :, geass : met Jan 
Lutma, zijn vader, woonende inde Nes, en Abigel van Herdenbergh, van A, out 26 j., ouders doot, 
geass*. met Abigael Loten, haer nicht, op de fluwele burghwal. (Kerk. huw. prod.) 

Begraven Noorderkerk Oostervak N*. 3, 8 Juli 1664. Abiegael van Hardenbergh en kraem- 
kint, inde Beurssteegh, int Juweel. 

Begraven Noorderkerk Oostervak N». 3, 19 Juli 1664. IsackLutma, inde beurssteegh int lu weel 

Begraven Noorderkerk Oostervak N«. 3, 25 Juli 1664. Sara van Hardenbergh, ionge dochter 
in de beurssteegh. 

B^;raven Noorderkerk Oostervak N«. 3, 29 Juli 1664. Susanna van Hardenbergh, ionge 
dochter, in de beurssteegh. 

Begraven Noorderkerk Oostervak N*. 3, 29 Juli 1664. 't Kint van Zal» Isaac Lutma. 

Begraven Oude kerk 18 Oct. 1664. Francois Lutma, komt uyt de buersstraet. / i5« — 

Begraven Oude kerk 24 Juni 1654. Jacob Litma, comt uyt de Nes,jonckman. / 10: 13. 

Ondertr: 4 Aug. 1655. Simon Luttichuys, van London, schilder, weduwnaLer van Anna, 
van Peene, op de heeregracht, ende Johanna Cocks, van Naerfick in Engelant, wed van Jan 
West, woon als vooren. (Kerk. huw. proc) 

Ondertr: 3 April 1643. Ysaack Luttickhuys, van London, out 27 Jaer, won. op de 
Louweriergracht, geass. met syn neve, Paulus van Schoonhoven, en Elisabeth Adolfs Winck, 
van A, out 26 jaer, woon. op de Louweriergracht, geass. met haar zuster, Tryntie Adolfs. 

(Kerk. huw. proc.) 

Gedoopt 19 April 1648. Isaack, zoon van Isaack Luttichuys en Sara Grabey; Abigael van 
Geulen getuige. 

Gedoopt 27 Oct. 1650 Nieuwe kerk. Kadyna» dochter van Isaack Luttichuys en Sara Grelant, 
Symon Luttichuys getuige. 

Ondertr: 20 April 1663. Jasper Bylder, van A, wyncooper, out 23 j., geass. met Pieter Bylder, 
zijn vader, woont op de fluweele burghwal, en Comelia Luttichuysen, van A. geass. met Isaak 
Luttichuysttn, haer vader, woont op de Zingel. (Kerk. huw. proc.) 

Begr: 6 Maart 1673. Westerkerk. Isaack Luttickhuys op de Cingel. 

Ondertr. 5 Maart 1672. Johannes Luyken, van A, schilder, out 23 jaer, geass. met 
Hester Coops, zyn moeder, woont in de Nieuwebrugsteegh, en Maria de Oudens, van 's Gravenhaege, 
out 26 jaer, geass. met woont in de brouwerstraat. 

8 Juni 1673. Is schriftelijk getuigenis gekomen voor Johannes Luiken, soon van 
wylen m'. Gaspar Luiken, ondertekent Hendrik Pothout en Paulus Bastiaanz. Beverwijk 1 1 maj 1673. 

(Doopb. Doopsgez. Gem.) 

Begr. 14 Nov. 1678. Nieuwe Zijds Kapel. Een kint onder den arm van Johannes Luycke 
kompt Mft de Nes, in de staer. 

Begr. II April 1712 N. Z. Kapel. Een man Joannes Luyken, compt ujrt de Utrechtsche 
dwarsstraat by de Binnenamstel. /" 15 — 

18 dec. 1672. door d* Brandt publyck gedoopt. Gaspar, kint van Jan Luyckenen 
Maria de Oudens. 

Begr. 4 Oct 1708 N. Z. kap. een man Casper Luyken, mr plaatsnijder, compt van de 
Nieuwe Prinsegraft, tegen over de brouwery van den arent. / 15 — 

B^;r. 8 Juni 1663 O. Z. kapel t' kint van Cristoffel Luycken, naest de capel. /5 :6:8 



1) Jan Vos meldt dat Karel II en zijn broeders in Bloeimaand 1660 te Breda door S i m o n Lutikhuys 
sijn i^esdulderd. (bic 903). 

29» 



228 BIOGRAFISCHE A ANTEEKENINGEN. 

M. 

Op de wei-levende Jufir. M. H. M. haar schilderkunst, door (J) van Daalen op bl, 23 van 
een byvoegsel van het tweede deel van de Koddige Olipodrigo, Vinckel 1654. 

H. van Maarseveen, graveur^ Koster van de kerk der Doopsgez., by het Lam te 
Amsterdam. 

Gedoopt II April 1604 Oude kerk. Dierick, zoon van Jonas van Maerle, schilder^ en 
Katlyn van Koninckloo; Dierick van Maerle getuige. 

Versje door Karel van Mande r, Hof schilder van zijne Majesteit (den koning van 
Denemarken.) HoU. Parnas 1660/. 136. 

Ondertr. 9 Aug. 1686. Mathys van Marebeek, van A, Plaatsnijder ^ oud 27 jaaren, 
op de deventer houtmarkt, geass. met Harmen Brand, de vad', tot Surrenaame, en El^beth 
Piekenbroek, van s'Graveland, oud 20 jaaren, inde Warmoestraat, geassisteert met haar vad», Gerrit 
Piekenbroek. Harmen Brand sal de rato caveren voor 't consent van des bruydegoms vad». 

Jacob Marell *). Een stuk met allerley vruchten door Jacob Marell hoog 44 
breed 6oi duimen. f ^P 

Dit is een fraai stuk, verbeeldende een Tafel overdekt met een groen kleed met zilvere 
Franjes: op dezelve staat een schotel met veelerley Vruchten voor dezelve en Kreeft citroen, en 
wijders een goud en zilveren Drinkbeeker alsmede Oester, Brood en andere Dingen meer. Alles 
zeer fraai en natuurlijk op doek geschilderd. 

Cat. van Koninkl. Verzameling schilderijen gekomen uit Saxen 

Amst 22 Mey 1765. 

13 Sept. 1669. Jan Marsse, de jonge, vanA, caertaf zetter ^ oud 21 jaer, geass metsijn 
vader. Jan Marsse, woont in de Lelistraet en Aeltie van Kempen, van A, oud 19 jaer, geass. met 
haer moeder Metde Adriaens, woont in d* verwerstraet. 

26 Nov. 1633. J^i^ Martenss de Jong e, van Haerlem, Schilder^ out 24 Jaer, woon. 
op de Princegracht, geass. met zijn vader Jacob Martenss, en Philipina Torel, van A, out 27 
Jaer, geass met Jeronimus Torel, woon. in de Reestraet. (kerk. huw. proc.) 

Gedoopt 3 Jan. 1638. Nieuwe Kerk. Joannes, zoon van Jan Martens de Jonge en 
Martyntje Torel; Jeronimus Torel getuige. 

Begraven Nieuwe Kerk 19 Juli 1638. Jan Martsz, schilder ^ inde Reestraet. ƒ8 : — 

Gedoopt I Mei 1650. Noorder kerk. Mariken, dochter van Pieter Marsz de jonge en Neyschen 
Pieters; Pieter van Fjmden, Pieter Marsz getuigen. 

Ondertr. 15 nov. 1642. Adriaen Matham, van Haerlem, //«^/^«y/iJfr, wed» van Annetie 
Pieters, woon. tot Haerlem, en Leentie Tiel, van A, woon. op de Coninxgracht, geass. met Jan 
Ti el, haer vader. (Kerk. huw. proc.) 

Ondertr: 12 Juli 1641. Dirck Matham, van HsLerltnif piaasnyder, out 35 jaeren, woon. 
tot Haerlem, geass: met Maria van Poelenburgh, en Clara Huybrechts, woon. op de oude schans, 
geen ouders hebbende, geass met Griet Jacobs, haer meue. (Puiboek.) 

Begraven 17 Juli 1652. Oude kerk. Een kint van Dirck Matham, inde Corte Coninxstraet. 

In Ockenb. V Cal. Majas MDCLIV. Qui has ad te defert bibliopola est, qui jacturum 
nummorum fecit spe lucri in vulgandis meis Ockenburgid^, absolutae sunt ante dies aUquotoperae 
Typographicae sed Matham in culpa est quod hactenus non prbdeunt. 

(Uit brief van Westerbaen aen Huygens.) 

•) Hi) leefde 1634. 



BIOGRAFISCHE A ANTEEKENINGEN. 229 

Liquidatie? 9 Maart 1663 Maria van Poelenburg, weduwe wyle m* Jacob Matham, geass 
met S* Dirk Matham, haar zoon, verder de famielje Deyman met handt, van Theod' Matham. 

(Prot. Not. Oli. p. 114.) 

Ondertr: 21 Dec. 1673. Jacob Matham, van A, notaris, out 28 j., geass. met Theodorus 
Matham, syn vader, op de Zingel, en Margrieta Tuyck, vatf A, out 25 j., geass. met Jannetje 
Jaars Vlackvelt, haer moeder, op d Oudesijts Agter burgwal (Puiboek.) 

Inuncti 5 Martj 1676, Dierick Matham, obyt 26 Marty. 

(achter Doopb. de Krijtberg.) 

Ondertr: 8 Maart 1636. Comelis Matham, van Haerlem, Apotheker, out 28 jaer, geass met 
syn moeder, Mar3ra van Poelenburgh, en Wayntie Sillinx, van A, out 23 jaer, geass. met Brechta 
Jacobs, haer moeder, woon. inde Calverstraet. 

(Zy zyn op't Stadhuis gehuwd 6 April.) 

Begr: 4 Oct. 1701. Jacob Matham, man van Catharina Zeep, Heeregraft byde Harte-straet. 

Jan Mathys, pltutsnyder^ was 6 Oct. 1657 getuige by het testament van Annetgen 
Hendricx Schuym, huysvrouw van Comelis Albertsz van Westnk, compassenmaker. 

(Prot. Not. Utenbogaard p. 68.) 

Ondertr : 14 Juli 1663. Pieter Mathysse, van Schoone, schilder y oud 30 j., geass : met 
Jacob Janse, woont S' Annestraet, en Wybrich Barents, enz. (Kerk. huw, proc.) 

Ondertr: 9 April 1667. Hendr: Ma ij er, van A, Caartemaker ^ wed» van Styntje Joris, 
woont in de Reguliersdwarstraat, en Aaltje Adrians, van A, wed van Hendr: Jansz Jongekuyper, 
in de Palmstraet. Hy heeft den 23 Maart 1667 de weescamer voldaan. ^erk. huw. proc.) 

Ondertr: 3 Nov. 165 1. Harmen de Mayer, van K^ plaetsnydery out 29 jaer, geen ouders 
hebbende, woon. op de Tonis-breestraet, en Sara de Wiltt, van A, out 33 j., woon. op de Roose- 
gracht, geass.. met Elisabeth Tonnemans, haer moeder, hy geass. met syn oom NicolaesSpieringh. 

(Kerk. huw. proc.) 

Op conditie ende voorwaerde hier na verclaert heeft Pieter Dircks, voor desen bestelder van 
de bennebroeker . . . . , burger dese# stede, ende Harme de Mayer, plaetsnyder^ wonende op de 
Rosegracht, van denzelve gekocht een 14* part van een hub en erve, staande ende gelegen op de 
westzyde van de Heereng^racht o/d Hartenstraet, daer de Valeknier uythangh* - - voor de somme 
van /325. — t* Amsterdam i Aug. 167 1. (Not. J. Hellerus p. 176.) 

Begr. 21 Aug, 1653 O. Z. Kapel. Sara Davids de Wilde, dochter van David Jacobsz de 
Wildt. secretaris en Marretje Dirks v. Heemskerk vr. van Harmen Mayer, plaaisnyder^ op de 
Rozengracht, daar de Mayer boven de deur staat. 

1664 op den zeventienden dag des maendts November des avonds omtrent acht ure^ zijn voor 
my Jacobus HeUerus, Not Publ... verschenen... S» Gabriel Metsu, konstrijck Schilder, ende 
d'Eerbare Juflfr. Isabella de Wolflf, echteluyden, wonende op de Princegracht. 
zy doen te niet hunne huw. voorwaarden by aenvangh van hun huw. opgerecht en alle andere 
uyterste willen, stellen elkander tot erfg., de langstlevende Voogd, aan Maria de Grebber harer 
testatrices moeder de legitime portie „Heeft noch de testateur by aldlen hy voor de testatrice 
sonder descendent ofte descendenten comt te overlyden, syn halve broeder, susters en swager, 
Phylyps, Marytge en Sara Abrahams en Ryck Prs. van Drogenham, ofte by vooroverlyden hunne 
descendenten, ter vryer keuse gestelt of syluyden de testatrice syne weduwe in e y gendom willen 
laten behouden, zodanige zeshondert guldens als syluyden na zijn testateurs dood uyt syne nate- 
latene goederen te eysschen hebben, volgens sekere accoordt by de testateur met henluyden op de 
5» Juny a» 1654 tot Leyden, voor de not* Jacob Jans de Haes, ende getuygen opgerecht, mits dat 
deselve syne halve broeder en susters of derselver descendenten deselve f 600 de testatrice latende 
behouden na de testatrices doodt sullen genieten drie vierdeparten van sodanige goederen of de 
waerdye van die als by inventaris door de testatrice te schryven ofte ondertekenen (dewelcke vol- 
komen geloof gegeven sal moeten worden), sal blycken by de teslateur met den doodt ontruymt 
te syn enz. 

(Prot. Not. T. Hellerus p. 163 bl. 206.) 



280 BIOGRAFISCHE A ANTEEKENINGEN. 

9 Dec. 1665 geeft SrGabriel Metsu, konstryck schilder^ wonende op de Princ^raft, vol- 
macht aan d'eersame Comelis , Procureur tot Enchuysen, om een schuld te vorderen van 

Reyner Jans, wed van wylen Roelof Jeuriaens, te Enkhuisen, volgens de obl. op 23 Juny 1664 voor 
schepenen van Enkhuisen gepasseerd, voor welke op 16 Nov. 1665 borgen waren gebleven Het 
Jans, lest wed van Pieter Jansz Tien. 

(Prot. Not. J. Hellerus. p. 163.) 

3oOct. 1667. Comp. Philips Abrahams, waeghdrager, wonende int Keyserryck, alhier ter stede, 
Ryck Pietersz van Drogenham, als getrout hebbende Marytge Abrahams, wonende tot Leyden, 
ende Sara Abrahams, meerderjarige dochter, wonende in de nieuwe reguUersdwarsstraet..., ende 
verclaerden, dat sy comparanten rypelyck geexamineert ende overwogen hebbende de testamenten 
by za» Gabriel Metsu, konstryck schilder ^ hun Broeder en Zwager, respectivelyck den I7«* no- 
vember a° 1664 voor mij not. gepasseerd abmede de vrije keure ofte verldezinge omtrent de 
/ 600. - die G. M. hen schuldig was, en waarvan in het test. wordt gesproken, de zeshondert gulden 
hebben gewenscht te ontfangen en dat die uitbetaald zyn, zoodat sy niets meer te pretenderen 
hebben. Getuigen waren S' Jacob Dircksz Santvoort en Mr. Hendrick van Wyckraet. 

(Prot Not. Hellerus. p. 169.) 

Ondertr: 15 Mey 1654. Jacob van Meurs, van Aemhem, pioftsnyd^, wed*" van Elisabet 
Gerrits, woont op de Blomgraft, ^) geass met Willem Meygener, syn swager, en Anneq'e Philips 
Geniet, van A, out 20 j, geass met Philips Janse Goulet, haer vader, woont op de N. Z. Achter- 
burghwal. 

Ziet het Krakeel-register, — het derde gebot gaet voort den 7 Juni 1654. (Kerk. huw. proc.) 

Jannetje Jans, opposante van geboden, contra Jacob van Meurs, ged«. 

De Eysserse seyt van de ged« beslapen te zyn en by hem een kint te hebben, ende van hem 
troubeloften te hebben en concludeert mitsdien, dat hy sal werden gecondemneert haar te trouwen 
in facie Ecclesiae. 

De ged« ontkent de troubeloften, maer bekent de byslaep, die al over jaer is geschiet en het 
kint, t welck hy seyt al over ettelycke jaren tot synen lasten genomen te hebben* 

Commissarissen casseeren het 3* gebot by provisie en stateeren de saeck voor 8 daghen. Act(um) 
den 30 may 1654, praes. P. Raap en J. Roch, Commissarissen. Na verblyf van partyen ordonneeren 
de ged« in handen van de coster te foumeeren binnen 2 uren de sonmie van 2? gL Act: den 6 Juny 
1654 praes. Com. van Vlooewyck, P. Raap en J. Roch, Conunissarissen. 

en sijn op dato de voorsz 25 gL betaelt. 

17 April 1668 comp. S» Jacob van Meurs Pl^snyder ende Boeckverkoper, hier ter stede. . 
Te kennen gevende., dat hy met S, Jean Gerard, commisaris ordinaris van de admiraliteyt c» 
kust van Vlaenderen, wonende tot Duynkercken, den 24«" nov. 1664, tot Leyden, voor den notaris 
Adrian de Oosf^erUngh, hadde opgerecht een accoort wegens het drucken ende venten van een 
boeck gejntituleert : Het Gesantschap aen den Tartarijse Cham, int frans en int Latyn. 

Gerard had geen gevolg gegeven aen het accoordt, het overeengekomen geldelyk aandeel 
niet betaald, er waren 1000 latynsche exemplaren gereed enz. 

(Not. J. Hellerus p. 169.) 

Brief van H. Meurs aan den Eersamen, Vroomen, seer Constrycken Jolian van de Velde 
tot Haerlem, dd. Amsterdam 26 Juni 1632. 

Ondertr: Dec. 1634. Heyndrick Meurs van A, schoolm». out 30 Jaer, en Judith 
Cotermans, van Dort, ende aldaer woonachtig. (PuiboeL) 

Ondertr. 12 Januan 1619. Jan van Mevert, van Huyssen, oud 23 j., xr^i/flfer, geass* met 
Aleff Jansz, syn vader, won. op de nieuwe ossenmarct, en Grietgen Arents, van MedembUck, wed*, 
van Pieter Joosten de Clercq, enz. (Kerk. huw. proc.) 



♦) Later: t' Amsterdam, By Jacob van Meurs, Bockverkooper tn PlaUsnyder, o^ de Keyscrs-graft sdmyn 
over de Wester-marct, in de Stadt Meurs. Anno 1670. 

aldus op de titel van: Het gezantschap Der Neérlandschc Oost-Indische Compagnie aan den.... Kejser van 
China... door Joan Nieuhoff. (fol.) 



BIOGRAFISCHE AANTEEKENINGEN. 231 

* 

Begr, den 6 Juni 1611 Nieuwe kerk van David De Meyn^) een kint opeenbaer. /8- 

Op den i8*" Augusti 1618, is op de acte van Isaacus Junius, predikant tot Haerlem, aen- 
getekent David de Meyne, wed', van Jannekcn Lourens, wonen, bij de borse, ende Soetjen 
Comelis, van Rotterdam, wed» van Joriaen Cloeck, wonende tot Haerlem. 

Ondertr. 26 April 1676. Héndrick Meyringh, van A, Schüderyvercooper^ out 30 jaren, 
bij de Nieuwmarckt, ouders doot, geass*. met Volckert Albertsz, en Catrina Moebagh, van Aken, 
out 28 jaren, op de Singel, ouders doot, geass* met Abram Moebagh, haer oom. 

(Puiboek.) 

Begr. 25 April 1681. Oud» Luth. kerk. Catrina Moubagh, huysvrouw van Hen dr Meyring, 
ScMlder^ op de Kloveniersburghwal. Graf N*. 206. 

Begr: 12 may 1687. Oude Luth. kerk. Hen dr. Meyeringh, Schilder en Constverkooper, 
op Colveniersburghwal by de Koestraet, heeft 2 k. Graf no. 232. 

Begn 6 Juli 169 1. Oude Luth. kerk. Anna Myeringh, dochter van H e n dr. A 1 b e r t M ij'e r i n g h, 
op de Kleveniersburgwal, tusschen de petany en koestraet, konstverkoper. Graf n». 196. 

Ondertr: 16 Juli 1626. Jan Christiaens z Micker, van A, schilder^ out 26 jaer, 
geass. met Christiaen Jansz Micker, syn vaeder, en Lyntje Hendrix, sijn moeder, won. in de 
Corsiesteech, en Annetie Pieters, van A, out 25 j, geass met Pieter Andriesz, haer vaeder, en 
Stijntie Pieters, haer moeder, woon. op de Stroymarckt. (Kerk. huw. proc.) 

Begraven 12 April 1664. Noorder kerk. Jan Micker, schilder y op de Lindegraft, naast 
de Vreede, in een kerkgraf. 

Ondertr: lo May 1681. Jan van Mol, van Nim wegen, schilder^ wed' Anna Schuyl, inde 
Egelantierdwarstraat, en Jannetje de Mol, van A. wed* Gijsbrecht Markts, inde Reguliersdwarsstraat. 

Ondertr: 8 April 1627. Pieter de Molyn, van Delft, wedr van Geertruyt Huygen de 
Bye, won. tot Delft, en Geertruyt de Roovere, van A, out 30 j., geass met Abel de Rovere, en 
Trijn Floris Rodenburgh, won. in de Verwery. (Kerk. huw. proc.) 

Ondertr: 10 Apr. 1649. Pieter Momper, van Antwerpen, schilder ^ out 42 jaer, geen 
ouders hebbende, woon. bij de Cathuysers, ende Annetie Maertenss, van Housum, wed* van 
Johannes Schuts, won. als vooren. 

Hij teekent: Pieter de Momper. (Kerk. huw. proc.) 

Akte van 21 Jan. 1652 Peter v. VoUenhoven, gem. v. Beatrix Hendricks, wed, ... bekende dat 
Beatrix Hendricks schuldich was Jacob Morel, v. Francfort, schilder, enz. 

Ondertr. 3 April 1619. Balthasar Moucheron, van Amemuyden, oud 32 j., won. 
op de Keysergr. en Comelia van Broeckhoven, van Schoonhoven, enz. (Kerk. huw. proc.) 

Ondertr. 3 Juli 1659. Frederick de Mucheron, van A, schilder y out 25 j., geass. met 
Balthasar de Mucheron, syn vader, woont in de Laurierdwarsstr., en Mariecke Suderville, van Leyden, 
out 22 j., ouders dood, geass met Catrine Ie Febre, haer moy, woont in de Gasthuismolensteegh. 
Hij teekent: Frederick de Moucheron. (Kerk. huw. procl.) 

Gedoopt 12 Febr. 1662. Comelia, dochter van Frederik de Moucheron en Comelia 
Jouderville; Balthasar de Moucheron en Isabella de Joudervüle getuigen. 

I Maart 1664, testament van Frederick de Moucheron, schilder ^ en de eerbare Maria 
Sjoederviel, echteluyden, wonende op de N. Z. Voorburgwal, aen de Nieuwe Kerck. Zij revoceeren 



1) David de Meyn of de Meynen is een weinig bekend uitgever; zyn adres komt voor op Buitenwegs etsen 
V. D. K. 14— 20, op Saenredam's gravures. B. iia en 113, op een suite van etsen door C. J. Visschernaar C. v. Wieringen 
«12. Op een plaat Afbeeldingen van de goede Mannen en Quade Wyven leest men : VAmsteldam by David de Meyn, Caer 
ende Constvercooper Awno lóii. (v. d. K.) 



232 BIOGRAFISCHE AANTEEKENINGEN. 

hunne huweiyksche voorwaarden van 13 Juni 16591 voor my not. verleden, zij stellen den langst- 
levende tot universeele erfgenaam. 

Zij onderteekenen: Frederiko de Moucheron 

Marieke Zoudervielle. 
(Prot. Not. J. Hellenis p. 163 bl. 116.) 

Ondertr. 4 Mey 1641. Balthazar Schouten, van Haerlem, out 22 Jaer, geen ouders hebbende 
geass. met Joost Baltess, zijn voocht, won. in de Calverstraet, en Geertruyt Moyers, van A, out 
19 jaer won. op de Gelderse Kay, geass. met Claes Moyert ^) haer vaeder. 

Achterburgwal westzijde, Claes Moijert p(er) Jeuriaen Jansz ƒ 150 / 18.15. 

In de Verpondingsboeken bl. iio vo. vindt men, dat Claes Moyard geregeld de verponding 
over de jaren 1647 — 1655 zijnde/ 18: 15 betaalt voor een huis op de Achterburgwal Westajde, dat 
een huurwaarde had van /150. — >(zijnde het iie perceel van de Lijnbaansteech en het 31ste van 
het Klimopsteegje)." De laatste betaling over het jaar 1655 geschiedt 6 Mei 1656. Toen was hij 
dus in leven. Het Verpondingsboek v, 1655 — 58 ontbreekt. In het verp. 1659 — 1661 is de naam 
V. Claes Moyaerdt doorgehaald en 30 Juni 1660 bet. niet Cl. M. maar een ander de verp. Hij was 
toen dood en zijne Weduwe was gaan wonen op den Achterburgwal het 2e huis van het Climop- 
steegjen. (Zie Verp. 1659 — 1661, p. 100 V*.). 

Begr. Oude Kerk 26 Aug. 1655. Claes Moyaert, comt van de Singel. Is 3 uyren beluyt 
met de g(roote) k(lok). /26.— 

Ondertr. 3 Juli 1651. Cornelis Moijert, van A., out 26 jaer, geasst. met Claes Moijert, zijn 
vaeder, woon. opde Coninxgracht, en Maria van Hulten, van A, out 24 jaeren, woon. op de Ldy- 
gracht, geass. met haer vaeder Nicolaas van Hilten, en petemoei Maria van der Winde. (Puib). 

Ondertr. 18 October 1635. Jan Corneliss Moij ert, van A, .SrAi^yW-, out 32 Jaer, 
geass. met Cornelis Hoppe Moyert, zijn vaeder, woon. inde Blijehoeck, en Lysbeth ComeUs, van 
Hoorn, out 34 Jaer, woon. over de Gelderse (kay), geass. met Metgie Harmes, baarmoeder. (Puib). 

2 Mey 1643. Pieter Jansz. Moyaert, van Lier, wedr. vanElisabethWinckelmans,woon.opdc 
Nieuwendijk, en Susanna de Ruysscher, woont tot Leyden. 

17 Mey 1653. Jan Moyert, van A, Chyrurgyn, oud 32 jaer, geen ouders hebbende, op de 
blauwe burghwall, en Volckie Ravens. (Puiboek). 

14 April 1663. Filips Moijart, van A. Coordanser, out 20 j. ouders doot, geass. met CJatrijn 
Moijart, syn suster, inde Jorissteegh, en Nellitje Prat, van Londen, out 28 j. enz. (Kerk huw. pr.) 

Ondertr: 12 Juni 1683. Andries van Munnickhuysz, van Apeldoorn, out 26 jaaren, woont 
tot Apeldoorn, geass. met zyn broeder Jan van Munnickhuysz, de moed' tot Apeldoorn, 
en Catrina Kemp, van A, out 24 jaaren, op 't N: Eyland, ouders doot, geass: met Nicolaas 
Brouwer, haar voogt. 

Deze personen zijn tot JSlooten getrout, den 7 July 1683 getuyge d* A. van Westeihofi, 
predicand aldaer. 

II Juli 1687. I^ Heer Jan Munckhuyzen debet voor het openen van een graft 
voor syn kindt, inde oude bantemerstraet [graftj 51 »). Den 9 Augustus 1687 betaalt / 5.10 

6 Sept. 1687. De heer Jan M unckhyzen, debet voor het openen van eengraft, voor 
syn kindt, inde ouwe bantemerstraat, [graft] 51. Den 16 Dec. 1688 bctaelt / 5—10. 

25 Mei 1691. Sr. Jan van Munnickhuyzen, debet voor het openen van een graft 
voor syn kindt, inde oude bantemerstraet [graft 51], den 22 Juni 1691 betaelt 5—10. 



1) Het is onzeker of hij de schilder is. In denxelfden. tijd leefden behalve Claes Corneliss Moyaert, de schilder, 
te Amsterdam, Claes Theunisz Moyaert 1636—1656 gravenmaker van 't St. Theunis-kerkhof en Claes Dirckss Moyaert 
S) In hetzelfde graf als de kinderen van van der Plaes en als Adr. Dorsman 



BIOGRAFISCHE A A N TEEK EN I NG EN. 2S8 

8 Dec. 1692. S». Jan Munckhuyzen debyt voor het openen van een graf voor zijn 
kindt, inde Oude feantebrugstraat [graf 51]. Den 28 Feb. 1693 betaclt. / 5—10 

21 Mei 1696. Den heer Jan Munckhiiyse debet voor het open van een graf voor 
zijn kindt fgraf 51J. Den 12 Juny 1696 betaelt. f 5 — 10 

(Rekeningboek van de Oosterkerk). 

13 Oct. 1696 Door d° Verryn in huys gedoopt : Willem, kraamkind van Willem lochemsz en 
Susanna Kemp, ten overstaan van Frederik Kemp, en Jan van Munnickhuisen, uit den 
naam van de vader. (Doopb. Rem. gem.) 

Ondertr: 30 July 1678. Michiel van Musscher, van Rotterdam, schilder^ oudt 34 
jaeren, inde Hartestraet, ouders doot, geassisteert met Bastiaen Stopendael, en Eva Visschers 
van A, out 27 jaer, op de Kloveniersburghwal, geass. met Jan Bruynsz Visscher, haer vader. 
Deze personen syn op den 14 Augusty 1678, tot Buykesloot getrouwt. 

Ondertr : 1 7 Jan : 1693. Michiel van Musscher, van Rotterdam, 'konstschilder^ 
wed* Eva Visscher, op de N. Keysersgracht, en Elise Klanes, van A., wed. Jan de Jager, woont 
op Zingel. 

Begraven Nieuwe Kerk 25 Juni 1705. Michiel Musscher, weeuwen' op 't Spuy, bij 
d'Ossiessluys. / ï 5 • 

Ondertr: 18 Juny 1677. Mr. Johannes Abeleven, van A., advocaat out 28 jaar, woont op 
de Heeregraght, onders doot, geass. met de h' Pieter van Groenendyck, syn swager, en Catharina 
Muykens, van A, out 25 jaar, geass. met mr Bernardus Muykens, haar broeder. 

Ondertr: 16 Juli 1681. Arnoldus Muykens, van A, koopman, oud 27 jaren, op de N. Hee- 
regracht, ouders doot. geass. met Henriette Simon van de Wouwer, en Adriana Muykens, van A, 
out 25 jaren, op 't N: Eylant, ouders doot, geass. met haar broeder, Bernardus Muykens. 

Ondertr: 5 February 1632. Ysack Mijtens, wt 's Gravenhaege, schilder^ out 30 jaer, 
geen ouders hebbende, woon. in 's Gravenhage, en Heyndrickie Dircx Harbars, van der Gouwe, 
geass. met haer vaeder Dirck Harbars, en Tryntje Jans, haer moed, enz. 

N. 

Ondertr: 5 Dec. 167 1. Jacobus van Nas, van A., schilder^ out 25 jaar, geass. met 
Ëlisabeth de With, syn moeder, woont op de Heeregragt, en Jannetje Jans, van A, out 24 jaar, 
geass. met Pieter Zeverijn, haar stiefvader, woont als voren. 

Ondertr: 23 Oct: 1619' Joris Nauwynck, van Antwerpen, oud 34 j., met Constantia 
van Hoven. (Kerk, huw. proc.) 

Ondertr: 12 Febr. 1633. Joris Nauwyncx, wed' van Constantia vande Hove, tapicler^ 
woonende inde Calverstraet, en Marijcke van Wynbergen, j. d., woon. tot Schoonhoven. 

Op den 16 Juny 1623 syn op d'acte ingeteeckent Johannes de Neef f, schilder ^ en 
Aeltien Coenraets, van Deventer; beyde tot Deventer. 

Ondertr: 30 Juli 1620. Frans de Neue, van Middelburg, oud 26 j., geass. met Pr. van Duym, 
zijn oom, won. op de N.Z. V.burchwal, ende Geertruyt Joris, oud 22 j., geass. met d'heere Joris 
Jorisz, haer vad', wonende op de Westvriesse Coommarct. (Kerk. huw. pr.) 

Begraven 23 Juni 1644 Nieuwe Kerk. Frans de Neve, op de Heeregraft ƒ 8. 

Gedoopt 12 Maart 1609 Oude Kerk. ♦Jacob, zoon van GuiUam de Neve en Mayken de 
Neve; Jacques Klaesz van Regelbrugge en Gart Gerrits getuigen. 

30 



234 BIOGRAFISCHE A A N T EEKEN 1 N G EN. 

Gedoopt 4 Maart 1640 Nieuwe Kerk. Pieter, zoon van Aert vande Neer en Elisabet 
Gevelts; Hans van Nes, getuige. 

Gedoopt 28 Dec. 1642, Cornelia, dochter van Aert van der Neer en Elisabeth Goverts 
Rafel Camphuysen, getuige. 

Gedoopt 5 Juli 1648, Pieter, zoon van Aert van der Neer en Elisabeth Goverts 
Maria Hardenbergh, getuige. 

Gedoopt 7 Juli 1 650, Alida, dochter van Aert van der Neer en Elisabeth Goverts 
Marritje van der Neer, getuige. 

ft 

Aerent of Arnoudt van der Neer en Lvsbet Godders, echtelieden, 8 Mey 1659. 

(In acte prot. Not. Uttenbogacrt p. 90 bl. 150.) 

I Febr. 1659. Zijn op de acte van A. Hoflant, gewone clerq ter secretarie tot Rotterdam, 
ingeteekent Egelon van der Neer, schilder ^ woont achter de Nieuwe kerck, ende Maria 
Wagensvelt, woont tot Rotterdam. 

15 Febr. 1660. Publiek gedoopt 't kraemsoontje van Egelon vander Neer ende 
Maria Wagensvelt ende is genaerat Dirck. (Doopb. Rem. Gem.) 

5 Aug. 1689 comp. „Hr. Eglon Hcndrick van de Neer als vader en vooght over 
Cornelia van de Neer, zijne minderjarighe doghter, mitsgaders sigh sterck maeckende ende de 
rato caveerende voor sijne drie meerderjarige kinderen met naemen Adam, Abraham en Jacoba 
van der Neer, wonende hy hr. comparant tot Brussel, dogh jeegenswoordigh sig bevindende 

binnen deese stadt, dewelck bekende uyt handen van sr Herman Soeck ende Johannes Seipel, 

als gecommitteerden uyt het midden van de Ouderlingen der gemeente toegedaen de Augsburgsche 
confessie binnen Amsterdam als executeurs van de testamente en vooghden over de minderjarighe 
erfTgenamen van Magdalena van Tweenhuysen, weduwe van Adam van Oudenhoven, ontfangen en 
genoten te hebben sodanige somme van 297 gulden en 12 stuyvers [als interest van 6 Oct. 1687— 
I Oct. 1688 van het kapitaal door voorn, weduwe aan die kinderen nagelaten.] 

(Prot. Not. G. v. IJpelaer, p. 32) 




r<^ Qj77uri^e^r-//lé£Yi 



Ondertr: 10 Febr. 1662. Johannes van der Neer, van A, schilder^ oud 24 jacr, 
geass. met syn vader Aernoud van der Neer, in de Calverstraet, ende Harmina Breeckers, 
van Amersfoort, oud 22 j., geass. met acte van voogds consent, inde Houttuyne. (Kerk. huw. proc.) 

Ondertr: 18 Febr. 1684. Johannes van Nickelen, van Haerlem, coopman, out 
28 j., woont tot Haerlem, geass. met zijn v^d' Isaac van Nickelen, en Hester van Wiert, 
van A, out 23 jaaren, op de N.dyck, geass. met haar vad», Reynier van Wiert. 

Ondertr: 26 Oct. 1656. Hendrick Nieuhoff, van Ulsen, schilder ^ out 27 j., acte v. 
ouders consent, woon. aldaer, en Geertruyt Wormans, van A., wed. van Amout Vooght, woon. 
achter d'oude Kerck ' (Kerk. huw. procl.) 

Gedoopt Nieuwe kerk. 11 July 1593 een kind van Adryan Nyielant, (vader van de schilders 
Adriaen en Jacob vanNieulandt,)en Truitgen Tomes, syn huysfrouw, en Griet Jans, 
als peet, het kint heet Hillegont. 




Gedoopt 10 Juli 161 1 Oude kerk. Thomas, zoon van Aeriaen van Nieulantcn 
Katalyne Raes; Tomas Raes, Gerrit Tybout, Truiken Loyties(?) grootmoeder, getuigen. 



BIOGRAFISCHE A A NTEEK EN I NGEN. 235 

Gedoopt 14 April 1613. Oude kerk. Abigael, dochter van Aderjaen van Nieulant, 
schilder ^ en Katarijne Raes; Robbertij Baudoes, Beyken Scheepers, Janneken Jansd» getuigen. 

Begraven 28 Oct. 1680. Oude kerk. Abigel van Nieulandt, de wed. van Kors Jansz Buyck, 
comt van de Haerlemstraet. / 15 

Gedoopt II Dec. 16 14. Adriaen, zoon . van Aderjaen van Nieulant en Katalyne 
Raes; Daniel van Geel, Carel Hellemans, Anna Raes getuigen. 

Gedoopt 12 Juni 16 18. Nieuwe kerk. Berber, dochter van Adriaen van Nieulant 
en Catrijna Raes; Isac van Coningslo getuige. 

Gedoopt 30 Jnni 1620. Nieuwe kerk. Salomon, zoon van Adriaen van Nieulant en 
Catrijna Raes; Mergriet a Bartolotti getuigen. 

Gedoopt 29 Maert 1622. Nieuwe kerk. Barber, dochter van Aderjaen van Nieulant 
en Cattalina Raes; Jacob Jansz Hert, Anne Husstert, getuigen. 

Begraven 12 Dec. 1679. Noorder kerk. Barbara van Nieulandt, op de Prinsegraft. 

Gedoopt i6 Jan. 1624. Catryna, dochter van Adriaen Nieulant en Catryna Raij; 
Bernert van Someren getuige. 

Gedoopt 18 September 1625 Oude kerk. Salomon, zoon van Aderjaen van Nieulant, 
en Cataryne Raes; Hendrick Verstegen, Fransoys Kersgieter, Anna Hoymans, P a u 1 i s 
van Hillegaert getuigen.. 

Gedoopt 27 April 1653. Nieuwe kerk. Theodorus, zoon van Salomon van Nieulant en Marya 
Boortens; Adrian van Nieulandt, Petrus Prelinus (Proelius) getuigen. 

Gedoopt 2 Febr. 1655. Catharina, dochter van Salomon van Nieuwlant en Marya 
Boortens; Geertruy van Nieuwlant getuige. 

Begr. 9 Sept. 1656. Oude kerk. Salomon van Nieuland, comt van 't Rockin. 

Op huyden 29 April 1660 Comp. Juffr. Maria Boortens wed. van Salomon v. -Nieuland, 
in zyn leven Not en procureur, en verclaerde ontfangen te hebben uyt handen van S Cors Jansz 
Buyck ende Jacob Wayer als medeerfgenamen onder benefitie van Inventaris van de goederen 
nagelaten by zal. Adriaan van Nieuland haere mans vader, de somme van duysent vy ftigh gis. 
haer by preferentie competerende, uyt crachte van een schepenkennisse door den voorsz A. v, N. 
den 25 Juli 1653 verleden ten behoeve van Elisabeth Leenaerts, huysvrouw van Paulus Emptingh, 
welke deselve schepenenkennis den 25 Aug. 1654 gecedeert heeft gehad aan haar overleden man, 
enz. (Prot Not. van Tol pak 22. p. 36.) 

Gedoopt 8 Aug. 1630 Oude kerk. Geertruy d, dochter van Adriaen van Nieulant, en 
Caterina Raes; Isaack Phiman en Beyke Scheepers wed' van Tomas Raes, getuigen. 

Ondertr: 12 Juli 1652. Jan Hendricksz Koninck, van A, wed"^ van Annietie Jans Pars, hout- 
cooper, won. inde nuwe houttuynen, en Geertruytie van Nuelant, van A, out 22 jaren, woont in de 
kalverstraet, geass. met haer vader Adriaen van Nieulant. (Kerk. huw. proc.) 

Begraven 19 Juni 1632, Nieuwe Kerk, van Adriaen van Nieuwlant op de Singel 
een kint. 

Adriaan van Nieuw land was in 1655 meermalen getuige bij acten verleden voor 
den Notaris Salomon van Nieuwland, zijn zoon. 

Ondertr: 13 Jan. 1616. Jakob van Nieuweland, schilder^ won. inde Pijlsteech 
oud 23 jaer, geass. met Truyken Loyson, zijn moeder, en Maria van Ray, won. in de Nes, oud 
24 jaer, geass. met Maria de Hase, haer moeder. (Kerk. huw. proc.) 

Gedoopt 12 Nov. 1620, Oude Kerk, Heinrick, zoon van Jacob van Nieulant en 
Marya van Ray; Hendrick de Haes en Thomas Bort, met Anna van Ray getuigen. 



236 BIOGRAFISCHE A A N TEEKEN I NG EN. 

Gedoopt 26 Jan. 1623, Oude kerk, Geertruyt, dochter van J a c o b van Nieulantt 
Marya van Ray; Jacob van Nuffelen, Catlyn Raes, Cornelia de Lookere, getuigen. 

Gedoopt 9 Jan. 1628, Peter, zoon van Jacob van N ieul a nt en Maria van Ray; 
Adriaen van Nieulant getuige. 

Ondertr. 18 Jan. 1635. Henrick van Hartsteen, out 31 j., franse school"" woon. inde Bar- 
barastraet, geen ouders, ende Helena van Nieulant, out 18 j., won. op de coninxgraft, geass. met 
haer moeder Maria van Ray. (Kerk. huw. proc.) 

Ondertr: 11 Maart 16 17. Guillam van Nieuweland, hoedecramer, oud 24 jaren, geass. met* 
Joris van Nieuland, zijn vader, won. inde St. Jansstraet, en Marritje Pieters, oud 18 jaren, geen 
ouders, won. op Marken. (Kerk. huw. prod.) 

Gedoopt I Febr. 16 18, Oude Kerk, Pieter, zoon van Gulliam van Nieuwlant en Mayken 
Pietersd'; Joris van Nieuwlant, Diewer Jansdr, getuige. 

Begr : 24 Januari 16 19, Nieuwe Kerk, Bartholomeus van Nielant, op die oudesies narem (!)/8 - o 

Ondertr: 15 Febr. 1592. Joris van Nieulandt, van Antwerpen, schoenmaker, oud omtr. 
31 jaren, woon. in Sint Annastraet, . . . . ende Rachel Clinquant, van Antwerpen, enz, 

Ondertr: 5 April 1608. Joris van Nieuweland, penneverkooper, van Antwerpen, wed' van 
Rachel Clinquant, won. in de Pijlsteegh, ende Beyken de Klerck, van Antwerpen, out 24 jaer, 
won. in de^Koningdwarsstr., geass. met Hans de Klerck, en Beyken Tyssen, haer vader en moeder. 

(Kerk. huw. procl.) 

Gedoopt I Nov. 1620 Oude Kerk, Johannes, zoon van Joris van Nieulant en Bayken de 
Klerck; Hans van Hanawyk, Bayken de Klerck, getuigen. 

Gedoopt 10 Febr. 1622 Oude Kerk, Johannes, zoon van Joris van Nieulant en Bayken de 
Klerk; Anneken de Klerk, getuige. 

Ondertr: i May 1625. Joris van Nieulant, van A., schrijnwerker, out 26 j., geen ouders 
hebbende, geass» met Jaques Klinckant, zijn oom, won. inde Janstraet, en Anne de Klerck, van 
A., out 32 j., geen ouders hebbende, geass. met Bayken de Klercq, haer suster, inde Warmoesstraat. 

(Kerk. huw. procl.) 

Gedoopt I Juni 1626 Oude Kerk, Joris, zoon van Joris van Nieulant en Anneken de Klerck; 
Jacus Klenkant en Bayke van Nieuwelant, getuigen. 

Gedoopt 18 Juni 1628 Oude Kerk, Bayken, dochter van Joris van Nieuwlant en Anneken 
de Klerck; Sara de Klerck, Anna van Nieulant, getuigen. 

Gedoopt 4 May 163 1 Oude Kerk, Hendrik, zoon van Joris van Nieulaut en Anneken de 
Klerck; Hendrick van de Sande, Jan Klingkant en Raechel van Nieuwelant, getuigen. 

Gedoopt 12 Maert 1634 Oude Kerk, Elisabeth, dochter van Joris van Nieulant en Anna 
de Klerck ; Ader jaen van Nieulant, Elisabet Corte en Susanne de Clerck, getuigen. 

Begraven 27 Sept. 1670 Oude Kerk, Joris van Nieuwlant en Janneken de Clerck, syn 
huysvrouw, beyde uyt de St. Jansstraat. /30— 

Ondertr: 20 Juli 1647. Joris Jorisz v. Nieulant, van A., out 21 j., in de St. Jansstr., 
schrynwercker, en Eunica Brandolphi, woon. tot Rijswijck. (Kerk. huw. proc.) 

Gedoopt 6 Febr. 1650 Oude Kerk, Johannes, zoon van Joris van Nieulant en Eunise 
Brandolphus; Aeltje Brandolphus, Catharina vander Hart getuigen. 

Ondertr: 22 May 1632. Pieter van Nieulant, van A, drayer? out 23 j., ^eass. met zyn 
broeder Joris van Nieuwlandt, en Catharina van Duiken, van Uytrecht, oudt 21 j., won. op de 
Brouwersgr. , (Kerk. huw. proc.) 



BIOGRAFISCHE A A NTEEKEN I NG E N. 237 

Gedoopt 15 Apr. 1635 Oude Kerk. Joris, zoon van Pieter van Nieulant en Catryna van 
Duiken; Teuntje van Duiken, Sara v. Nieulant, getuigen. 

Gedoopt 25 Dec. 1636 Oude Kerk. Jacobus, zoon van Pieter van Nieulant en Catlyntgen 
van Duiken; Rocus van Duiken en Maria Mits, met Sam van Nieulant, getuigen. 

Gedoopt 5 Jan. 1642 Oude Kerk, Jelis, zoon van Pieter van Nieulant en Catlyn van Duimen; 
Joris van Nieulant en Annet van Nieulant, getuigen. 

Testament 7 Sept. 1658. Willem van Nieulant, out soo hij verclaerde omtrent negen thien 
jaren, maakt tot erfgenaem Cathalyntgen van Duiken, zyn moeder. (Prot. Not. P. de Barry.) 

Ondertr: 25 Oct. 1636. Jacob van Nieulant*), van Haeriem, out 38 jaer, won. in de 
Bloemstraet, geen ouders hebbende, en Styntie Thomas, van Leewerden, wed' van Willem Kempenaer, 
won. op de Lecienburghwall. (Kerk. huw. proc.) 

Gedoopt 17 Sept. 1637 Oude Kerk. Sytgen, dochter van Jacob van Nieulant en Styntjen 
Tomasz; Aerjaen Lemeer, Jacob Jans Smit, getmgen. 

Gedoopt 4 Sept. 1639 Nieuwe Kerk. Boudewijn, zoon van Jacob van Nieuwelant en Styntje 
Tomas; Matheus de Peeper, getuige. 

Gedoopt 28 Aug. 1642 Oude Kerk. Thomas, zoon van Jacob v. Nieuwlant en Styn Tomas 
Claes Joris, Anna Joris, getuigen. 

Begraven* 12 April 1672, Westerkerk, een kint van Johannes van Noord; op de 
Nieuwe Botermart ^ /" 4 — 

16 April 1674 geeft Sr. J o h a n n e s v a'n N o o r t, 2) woonende op de Blomgracht, binnen 
dezer stede, volmacht aan Jacob van den Tempel, wonende alhier, om syne saecken waer te 
nemen, schulden, actiën en pretentien te innen enz. (niets over schilderyen; hij wordt niet als 
schilder aangeduid.) 




IQr.Qf..^ 




(Prot. Not. P. Sas, p. 91.) 

Ondertr.: 24 Nov. 1673. Pieter Nijs, van A., schilder^ out 45 jaar, woont in de Vijzel- 
straat, ouders doot, geass. met Jacob Smit, en Catharina Smit, van Breevoort, wedu. van Alexander 
Rouel, woont als voren. 

Een „Anealogie van *t geslachte Nijs vyt den france by-een vergadert door Petrus Nijs den 

„tweeden dier name Int Jaer ons Heere Cristo 1588" 
en „T, Vervolgh het tweede deel bescreven door Antony Nvs den tweede, bygenaamt de Jonge, 

„binnen Antwerpen Anno 161 1" 
en „*T derde Boeck van 't geslachte Nijs Beschreven in Rott. door Petrus Nus, den 3en Ano i 45' 

vormen samen een aardig klein 80 boekdeeltje in bruin leeren band, met tal van kleine getee- 
kende portretjes. Daarin komt voor: 

Den 2 April 1623 is binnen Amsterdam getrout inde Oude Kerck, Antony Nys de Jonge, met 
Maria Costers. 



1) Men verwanre dezen vijf jaren jongeren J. v. N. niet met den schilder. 

») De handteekening vertoont zeer veel overeenkomst met die op een schilderij in de Collectie van de Poll. 



« 



288 BIOGRA.FISCHE A AN TEEKENINGEN. 

Den 15 April 1624, op middach ten 12 uren, is Ant*. Nijs de Jonge geboren, synen eersten 
sone en den i7«° dito gedoopt tot Amsterdam inde france kercke, en genaempt naer het versoeck 
van den grootvader Pieter, dewelcke tot getuyge in syne plaats vercozen hadde Daniel Gabry, 
vorders waren nog getuygen Pieter Boddens en sijne moeder Petronella Sijdt. 

Den 20 February 1637. Pieter Nijs, ontrent 7 maenden tot Rotterdam by Hendrick 
M e r t e n s gescildert hebbende, vercopt aan een vremt liefhebber een van sijn stucken 6 gulden 
voor de eerste maal. 

Den 14 April 1641 vertrok Antony Nys den ouden, met sijn soon Pieter over Leyden naer 

Amsterdam den 19 April is gemelden Nijs den ouden met sijn soon Pieter wederom tol 

Rotterdam met gesontheyt gearriveert. 

'Den 22 Februari 1642 arriveerden tot Rotterdam, by Antony Nys den ouden, Isaac, den 
Jongsten soone van Daniel Nijs, trock den 5e Meert in geselschap van Pieter Nijs naer Am- 
sterdam, om aldaer te wonen bij Daniel Goddin. 

Den 16 Meert 1642 screef Antony Nijs, den ouden, op Amsterdam, aen sgn soon Pieter, naer 
de coustimie van sijn vorauders, mijn soon Pieter Nijs wel sy U, ou bien vous soit tot obseniantie 
van den nacomelingen. 

Den 9» September 1643 vertrock Pieter Nijs over Lillo met Kussens (sic)' paspoort naar 
Antwerpen, eensdeels om het sterfhuys van sijn oom s» wat bij te woonen ten anderen om deschil- 
derconst een tijt daer te resideeren. 

Den 12 September 1643 wert Pieter Nijs vijft dagen opgehouden óp het fort de Mary, by 
Lillo of Antwerpen, hem pretenderende voor goede prijs, vermits geen neutrale aU die van den Doel 
daer mochten passeeren, *t welck vernemende de vrinden van Antwerpen, namelijk Daniel Vermeulen 
en Clara Molin, hebben door versoeck aenden Gouverneur hem los gecregcn sonder yets te geuen 
en hem vriendelyck onthaelt. 

Pieter Nijs omtrent een jaer t Antwerpen geweest sijnde, trock door Mechelen na Leuven 
St. Truyen, Hasselt en Luyck volgens sijn schrijven van 2 October 1644. 

Anno 1649 den 10 Juny is overleden binnen Rotterdam, opt Slyckvaertlen, int roode kruys 
Antony Nijs, den ouden..... int ses en vyfbighsten jaer sijns ouderdoms.... naelatende sijn tweede 
huysvrouw Geertruyt Molders met dry kinder te weten Antonette, Geertruyt en Johanna Nijs, be- 
halve syne voorkinderen Pieter, Anna en Maria Nijs. 

Den 10 May 1650 vertrock Pieter Nijs van Rotterdam, met een Jongman van Amsterdam, 
genaemt Casparus Homus, voornemen sijnde om naer Vranckrijk te reysen, doch verstonden daemac 
uyt sijn schrijven, dat tot Loven in Brabant voor een tijt haer verblijf hadde genomen, siende aldaer 
eenige gelegenheyt, om haer conste int werck te stellen. 

Uyt schrgven van 11 Juni 1651 hebben verstaen dat Pieter N ij s tot Ceulen was gekomen, 
sijnde Casper Homus te voren van Leuven nae Antwerpen vertrocken. 

Den 2 Janudri des Jaers 1652 is Pieter Nijs van Ceulen tot Rotterdam gecomen, uyt oor- 
saeke vant aenstaende Houwelyck sijns susters Anna Nijs, verlooft sijnde aen een jongman, geboortigh 
van Antwerpen, doen ten tyt woonachtig te Amsterdam, een zijdereeder van sijn Hantwerck wesende. 
(Hij heette David Bant). 

Den 18 April is Pieter Nijs van Rotterdam vertrokken naar Amsterdam, daer oorlof 
nemende aen de vrienden, om soo voorts te vertrecken volgens sijn voornemen over Ceulen en Augs- 
borg naer Weenen, om eenige goede ende voorderlijcke gelegentheyt te becomen, tot geselschap 
hebbende de voor dese gemelden Casparus Homus, ofte ingevalle sulcks niet wilde gelucken weder 
terue; te keeren nae Italien, om de landen wat te besien, en wat te versoecken; vertrocken tot dien 
eynde [naer Utrecht, om te spreken met de naergelaten Weduwe van Daniel Nijs (tol Londen over- 
leden)... om eens de onderrichtinge ende recommandatien te becomen tot haer reyse. 

Uyt schrijven van Ceulen gedateert den 30 April hebben tijdinge bekomen Pieter N ij s en 
en Casparus Homus den 27 ditto wel gearriveert waren, van meeninge daer eenigen tijt te blijven, 
soo uyt sijn schrijven verstonden. 

Met schrijven van den 21 Augusty vernomen, dat Pieter N ij s tot Franckfort wel was aan- 



■ 
• 



BIOGRAFISCHE AANTEEKENINGEN. 289 

gecomen latende den voor desen gemelden Gaspar Homus te Keulen, in welck schrijven met een 
verstonden, dat van sinne was sijn reyse voorder aen te stellen. 

In September sijn eenige vrienden van Antwerpen tot Rotterdam gecomen, namelijck de huys- 
vrouwe van Nicolas Lauweris met haer twee sonen, waervan den outsten onlangs van Marseilien was 
overgecomcn aldaer over de twaelf Jaeren gewoont hebbende, van sinne zijnde hem weder eerstdaeghs 
op reyse te begeven, versocht dat Pieter Nijs van sijnentwegen wilden groeten ende laten weten, 
dat op 't eynde vande frankforder misse ter selver stede te laten vinden, ende indien hem konde 
aen treffen en sulckx van sinne was, t samen na Roomen te trecken. 

Met schrijven van den 19 October bequamen tijdingh uyt Norenbergh, dat Pieter Nijs den 
tweeden derselve maent aldaer was aen gekomen, van voornemens sijnde soo liet weten een reyse te 
doen naer Regensburgh ende dan wede r te keeren, om eenich werck op te maecken, dat onderhanden 
hadde, ende dan sich weder op reyse te begeven, hadde (soo ons bekent maeckte) van Cosyn 
Lauweris sone niet vernomen. 

Volgens het schrijven van den 7 October 1653 verstonden, dat Pieter Nijs noch tot No- 
renberg sich onthielt hebbende meest den heelen somer besigh geweest buyten op 't lant om voor seker 
graef Conterfeytsels ie maecken in sijn speelhnys^ maer met den winter weder in de siadt gekeert, 
ende aldaer verscheyden wercken onderhanden kadde. 

Den 13 Dec. 1653 is Anna, oudste dochter van Antoni Nijs, den ouden, geteelt bij sijn eerste 
huysvTOuw Maria Costers, selve in de kraem gecomen van haer eerste kint sijnde een Dochter. . . . 
ende den anderen d^egs.... is hetzelve ten Doope gebracht in de Groote Kerck te Rotterdam.... 
tot getuygen synde Pieter Nijs ende Antonetta Nijs. 

Den 24 November 1670 heeft Pieter Nijs binnen Amsterdam ondertrou ghedaen met eenen 
weduwe van saligher Alex\nder Ruwel, Constschilder^ voornamelijk int mermeren, neutebomen en 
lofwerck te schilderen, genaemt Cataryna Smit. 

Den 10 December 1670 is dito Pieter Nijs ghetraut met Cataryna Smit. Ende ghetrout 
Inde Oude Kerck. 

Den 12 November 1672 is ghelegen Catarina Smit, huysvrouw van Pieter Nijs, van haer 
eerste kint sijnde een doghter, ende ghedoopt inde Amstclkerck, ghenaemt Anna Marya, leefde maer 
ses weecken. 

Den I Mij 1676 is gheleegen de huisvrouw van Pieter Nijs ghenaemt Catary (sic) Smit 
van een doghter, genaemt Anna Marya, gedoopt Inde Capel inde Calverstraet tot Amsterdam, ge- 
storven den 6 December 1678. 

Den 14 Augusty (1677?) is gheleegen de huysvrouw van Pieter Nijs Cataryna Smit van een 
soone, gedoopt inde Amstelkerck, de ghetuigen waeren Jacobus Kerckhoove en Antonette, ende genaemt 
Antony Nijs. Ende ghestorven den 16 December 1679. 

Int jaer 1681 den 16 Juni is overleden Pieter Nijs de laatste van 't geslaght Nijs out 57 
Jaren. En heeft veel in sijn leven besoght en ondervonden, en heeft in de brant van Londen alle 
sijn Pampier Gonst verlooren, tot groot leetwesen vanden selven Pieter Nijs. 

En soo als dat hey in sijn leven heeft gheweest, alsoo heeft hcy oock in 't sterven ghcweest 
een seer godtsaligh man. 

O. 

Ondcrtr. 5 Sept. 167 1. Johannes Robberts Obry. van Ky schilder ^ out 21 jaar, 
geass. met Robbert Bartelsz Obry, sijn vader, op de Bloemgracht en Geertje Jans van Gelder. 

Begraven 30 Juny 1695. Oude Luth. Kerk. Jan Jansz 01c k, schilden^ inde Reguliers- 
dwarsstraet, by de Bottermarkt in Graf No. 154. 



240 - BIOGRAFISCHE A A NT EEKEN I NGEN. 

Ondertr: 6 Aug. 1627. Jan Olis, van Rotterdam» sijverwer, out 34 jaren, geass. met Jaques 
Olis de Jonge, sijn broeder, woonende op Vloyburgh, en Aaltie Claas, van A., wed* van Dirckvan 
de Hoeve, geass. met Volckie Claes, haer suster, verclaerende 4 jaer wed* geweest te hebben, woon. 
als vooren. (Kerk. huw. procl.) . 

28 Oct. 1653. Aeltge Claes, huysvrouw van Jan Olis, testeert. (Prot. Not. L. Laraberti p. 123 bl. 763.] 

Begraven 29 Dec. 1662. Nieuwe kerk. Jan Oljs, op de Heeregracht / 8.— 

Gedoopt 8 Dec. 1624. Oude kerk. Catalyne, dochter van Jaques Olis de Jonge en Marya 
Olis; Fransoys de Vroede, Jannetgen Olis, getuigen. 

Gedoopt 24 Juni 1626. Fransoys, zoon van Jaques Olis en Mary Olis; Jaques Olis de oude 
getu'ge. 

Ondertr: 25 Februari 1650. Martinus de Vroede, van A., out 36 j., geen ouders hebbende, 
geass. met sijn swaeger Jaques Olis, woon. inde N. Hoochstraet, en Lucretia Barra, van A, out 
36 jaer, geass. met D'. Jacobus Barra, haer vaeder, won. als voren. (Kerk. huw. procl.) 

1664 31 Aug. Comp. Willem Ormea, c onstschüéUr ^ nagelaten zoon en eitgenaam ex 
testamento v. Johanna v. Glabbeeck, wed. v. Marcus Ormea, sijn moeder. 

Ondertr. 8 April 1656. Op de acte van van Do. Johannes Crucius, predikant, tot Haerlem 
opgetekent Jan van Oostade, wedr., van Haerlem, woont tot Haerlem, en Lysbeth Ruwenhoi 
van A, out 36 j., won. op de Koningsgracht. (Kei-k. huw. proc.) 

Ondertr. 26 May 1657. Adriaen van Ostade, wedunaer, van Haerlem, en Anna 
Ingels, jongedr. van A. (Kerk, huw. proc.) 

Ondertr. 28 April 16901^ Jochem Ottens, van A.. plaetsnydery oud 27 jaren, op Rapen- 
burgh, geass. met sijn moeder Engeltje Segermans, en Aellie Fredericx, van Aemem, oud 24 jaren, 
op de Kleveniersburgwal, ouders doot, geass. mer haer sust er, Geertruyt Frederiks. (Kerk. huw. proc.) 

* 

P. 

Ondertr.: 26 Jan. 1664. Francois Paludanus, van Sevenbergen, schilder^ oud 33 j., 
geass. met Laurens Pietersz, woont op de Angeliersg racht, en Harmpie Harmens, van Nimwegen, 
oud 24 j., enz. (Kerk. huw. proc.) 

Ondertr. 15 Maert 1669. Francois Paludanus, van Sevenbergen, schilder^ wed» van 
Harmpke Uytenbogaerd, woont op de Angeliersgracht, en Tietie Egberts. van A, wed. van Johannes 
Hagerbeer, woont ut supra. 

Ondertr. 6 Sept. 161 8. Barnardus Paludanus, der Medicijnen docter, won. tot 
Enckhuizen, wed. van Catharina Roberts, ende Hilleken ter Loo, van Deventer, oud 45 j., won. 
op de Breestraet. (Kerk. huw. proc.) 

Chrispijn de Pas, de Jonge, 1589 geboren te Keulen. — 1611 te Amsterdam? — 
161 7 woonachtig te Utrecht. — 162 1 te Utrecht, maar buitenslands reizende. — 1630 te Utrecht. — 
1639 te Utrecht. — Te Brunswijk een portret van Tromp, ged. Amsterdam 26 Oct. 1639. — 1642 
te Amst. (zie Gat. Haarlem VI bl. 108.) — 1645 te (Amst Muller 1892.) — 1646 te Amst. op de 
Roosengr. — 1653 te Amst. op de Achterburchwal, hoek Lynbaensteech. — 1663 of 1664 te Amst 
(Muller 2190.) — 1667 te Amsterdam. 

Opte requeste van Crispian van de Pas, woonende tot Utrecht, vesouckende omme 
te mogen ^vuytgeven seker boucsken geintituleert : Thronus Cupidinis sive emblemata amatoria^ 
inhoudende verscheyden figuren bij hem gesneden, is den suppliant s^n versoeck affgeslagen. 

(Resolutien Staten Gen. 7 Dec. 1617.) 



GASPAR VAN BAERLE. 



ZIJNE JEUGD, STUDENTENTIJD EN PREDIKAMBT. 
(1584-1612) 

DOOR 

Dr. J. A. WORP. 



ET leven van CaSPar BarlaeUS, den Amsterdamschen professor, 
den dichter van Latijnsche verzen en den vriend van Hooft en 
HüVGENS, is in hoofdtrekken genoegzaam bekend. Zijne verhou- 
ding tot binnen- en bnitenlandsche geleerden, de invloed, dien hij 
heeft uitgeoefend op de leden van den Muiderkring, zijne lotge- 
vallen ten gevolge van de godsdienstige twisten in het eerste deel 
i der i/*"' eeuw maken hem tot ééne der meest aantrekkelijke 
figuren uit de wereld der dichters en geleerden van zijn tijd. 
Bovendien zijn de brieven, die hij heefl geschreven en die groo- 
tendeels door zijn schoonzoon, Gerard Brandt, werden verzameld en uitgegeven, niet 
alleen eene uitstekende bron voor de kennis van het letterkundige leven in ons land, maar 
zij doen ons tevens een blik slaan op het karakter van dezen zoo classiek gevormden 
dichter en theoloog. Geen wonder dus, dat zijn naam telkens genoemd wordt in de 
geschiedenis onzer letterkunde, op welke hij zijn invloed heeft doen gelden, en dat men 
in deze eeuw zijne levensgeschiedenis te boek heeft gesteld. Doch nu het ongeveer vijftig 
aren geleden is, dat Mr. G. Mees zijn opstel „Caspar van Baerle geschetst' ') schreef, en 

\) In Dl Faiiil ef bijdrage» tal de kennis van htl ware, scbomi en goedt, vercamtld door J. P. Sfrenger van EyJt 
lade yaar^ang. Te Rollerdam, iij van der Meer en Verbragge. 1836, bli, 69—153. 



242 GASPAR VAN BAERLE. 

er sedert dien tijd één en ander aan het licht is gekomen, dat voor de geschiedenis van 
het leven van onzen geleerde van belang is, schijnt het niet overtollig nog eens de hand 
aan den ploeg te slaan. 



De VAN Baerle's woonden te Antwerpen, waar Lambertus Barlaeus, de groot- 
vader van onzen geleerde, gedurende 40 jaren het gewichtige ambt van griffier der stad 
bekleedde '). Hij was een geleerd man, die zich gelukkig achtte, dat hij Erasmus had 
gekend, en die aan zijne zonen eene uitstekende opvoeding heeft gegeven. Zij waren vijf 
in getal, en eenige brieven van Lambertus en van hen, in handschrift overgebleven, 
stellen ons in staat iets van hunne lotgevallen te weten te komen. Zij werden door hun 
vader, die vermogend was, buiten 's lands gezonden, om daar te studeeren. Zoo is 
Melchior Barlaeus in 1563 te Padua*), in 1567 te Parijs «) en in 1572 te Venetië en 
te Rome*). Hij heeft zich later als Latijnsch dichter nog al eenigen naam gemaakt, en 
schreef de Diis GentiuMy libri BrabantiadoSy tres Itbri de Raptu Ganymedis en an- 
dere gedichten, van welke zijn neef Caspar in lateren tijd nog een exemplaar bezat 
Melchior heeft lang in Italië gewoond, maar is in Henegouwen gestorven '). Balthasar 
Barlaeus studeerde in 1573 te Parijs*), week in 1585, na den overgang van Antwerpen, 
uit en huwde met eene dochter van Mr. Jan van Werken, advocaat der Staten van Zee- 
land 7). JACOBUS Barlaeus bevond zich in 1568 te Embden^) en in het volgende jaar te 
Bremen •). Hij werd later te Antwerpen rentmeester der kerkelijke goederen, week uit, 
werd conrector der Latijnsche school te Leiden, daarna te Amsterdam, en eindelijk rector 
te Brielle '^ JOHANNES BARLAEUS studeerde in 1 567 te Kamerrijk n). Van den oudsten 

1) Vgl. over Lambertus B. en rijne zonen het Register der vermaarde mannen^ achter G. Brandts Dagkwy*er 
der geschiedenissen: Kortehjk behelzende verscheidt gedenkwaardige zaken, op eiken dag van 't jaar, door de gansche wereli 
voorgevallen: met de geboorte- en sterfdagen zan vermdarde vorsten, helden, geleerde mannen en kunstenaren, T Amsterdam 
Voor Aart Dirksz Ooszaan, enz., 1689. 

Voor het leven van Lambertus B. putte Brandt £ vita Casp. Barlaei, Casp, JiL Lamb, nep. ipso scripta, wdk 
HS. van den professor waarschijnlijk verloren is gegaan. 

Andere gedrukte bronnen zijn de Lyk-reeden op *t Overlyden van den wydt-beroemden Caspar van Baerle, Doctor 
in de Medicijnen , en Professor van de gantsche Philosophie in de doorluchtige Schole tot Amsterdam; Uyt-gesproken door 
JOHANNES Arnoldus Corvinus, terstont na d'Uyt-vaerdt op den 18. Januarii-^ Vertaelt, en na-ghevolcht in onse Moeder^ 
lijcke spraeck door B. van Elslandt. f Amsterdam. Voor Cornelis Jansz., Boek-verkooper, enz., 1648, en Casparis Barlaei 
Epistolarum liber. Amstelodami, Apud Joannem Blaev, 1667, blz. 200. Barlaeus noemt zijn grootvader „archivis Curiac 
Antverpiensis praefectus." 

J) Volgens een brief aan zijn vader van 10 December, in het bezit van den heer J. H. W. Ungeb, die mij bereid- 
willig inzage van verscheidene stukken verschafte. 

') Volgens een brief van Lambertus, in het bezit van den heer Unger. 

^) Volgens twee brieven van Melchior, aanwezig in de collectie Papenbroeck op de Leidsche bibliotheek. 

') Vgl. Gaspari Barlaet Poemata, 1645, I^ bk. 480. 

6) Volgens een brief van hem van April van dat jaar, aanwezig in de collectie Papenbroeck. 

') Vgl. Corvinus, t a. p., blz. 11. 

^) Volgens een brief van hem aan zijn vader van 16 Maart, in de collectie Papenbroeck. 

•) Volgens het onderschrift en adres van een gedicht, hem door zijn broeder Caspar toegezonden. CoUectic Papknbroecjc 

*^ Vgl. Corvinus, t. a. p., bk. 10. 

>*) Volgens een brief van Lambertus B., in het bezit van den heer Unger. 



GASPAR VAN BAERLE. 24S 

zoon, Caspar, den vader van onzen dichter, is niet bekend, waar hij zijne opleiding ont- 
ving. Uit de opvoeding, die LambertUS aan zijne zonen gaf, blijkt, dat hij een rijk man 
was. Hiervoor bestaan meer bewijzen^ Toen JACOBUS Barlaeus in 1603 zijn testa- 
ment maakte, vermaakte hij o. a. ook „de renten ende gronden gelegen binnen ende 
buijten Antwerpen ende tot Staebroeck, daervan hij in veele jaaren niet en hadde ont- 
fangen ofte konnen becommen" *). Jacobus was ongehuwd ; hij had dus waarschijnlijk 
een deel dier bezittingen van zijn vader geërfd. De familie Barlaeus behoorde door haar 
vermogen en aanzien tot de aanzienlijken der stad Antwerpen. 

Wanneer Lambertus Barlaeus gestorven is, wordt niet bericht, wel, dat hij in 
1579 nog leefde*), terwijl zijne vrouw nog in 1573 tot de levenden behoorde*). Hij was 
een vroom man, zooals uit al zijne brieven blijkt, en zag met smart de rampen, waar- 
door de Nederlanden en vooral Antwerpen in den oorlog werden getroffen. In 1577 schrijft 
hij aan een paar zijner zonen, dat er verscheidene huizen van hem leeg staan, dat hij last 
heeft: van de inkwartiering en hun zelfs op het oogenblik geen geld kan zenden; zijn 
schoonzoon moet het hun maar voorschieten *). Toen hij stierf liet hij, behalve vijf zonen, 
ééne dochter ChristINA na, die in 1567 gehuwd was met Anthony Damman'). Zijn 
zoon Caspar Barlaeus volgde hem op als griffier der stad Antwerpen •). Caspar was 
in 1569 getrouwd met Caecilia Brants^); na den dood zijner vrouw hertrouwde hij 
met CoRNELiA Eerdewijns ®). Uit dit laatste huwelijk werd onze Caspar den 12^^ 
Februari 1584 geboren*). Hij heeft niet lang in zijne vaderstad vertoefd, want vier 
maanden na zijne geboorte begon de belegering, die veertien maanden duurde, en den 
i^den Augustus 1585 gaf Autwerpeu zich aan Parma over. Vrijheid van godsdienst 
werd niet toegestaan, slechts een vierjarig ongestoord verblijf aan de niet-Roomschen. 
Onder hen, die uitweken, waren ook de VAN Baerle's. In 1586 bevond Caspar 
VAN Baerle zich met zijn gezin te Leiden; den 11^^ September van dat jaar be- 
sloten nl. de burgemeesters dier stad, dat de rector ,,tot een lidmaat van de Univer- 
siteyt zal mogen aannemen Caspar Van Baerle van Antwerpen, en dat dezelve zulcx 
de Vryheyt van de Universiteyt als een huishoudende persoon zal mogen genieten en 



1) VgL H. DE Jager, De Brielsche Archieven. Eerste stuk, Brielle — J, Posthumus Jr,, 1883, blz. lao. 

S) Vgl. Brandts Daghwyzer, t. a. p. 

8) Blijkens den bovenvermelden brief van Balthasar. 

4) Deze merkwaardige brief van 20 Januari 1577 bevindt zich op de Utrechtsche bibliotheek. 

§) Volgens den brief van Lambertus van December van dat jaar. 

e) Vgl. Brandts Daghwyzer op Caspar Barlaeus. 

7) Dit blijkt uit een MS., dat Latijnsche verzen van Caspar Barlaeus, den vader, bevat en in het bezit is van 
den liCidschen Hoogleeraar, Dr. J. G. R. Acquoy, die zoo vriendelijk was mij er een en ander iiit mee te deelen. Corvinus 

blz, II, noemt haar Cornelta Brants. 

8) Vgl- Corvinus, t. a. p. Later droeg de jonge Gaspar theses op aan zijn oom Elias Eerdewijns te Dordrecht. 
») Vgl. Brandts Daghwyzer, waar gelezen wordt: „Caspar Barlaeus Casp. fil. G. 1584, den 12 Febr. O. 1648, 

den 14 Januari." — En aan het slot der opdracht van de Epistolae van Barlaeus schrijft Brandt : „Homae CIDCLXVIL 
12 Feb. qui Socero abhinc annos LXXXIII fiiit natalis.'* — In verband met het feit, dat Brandt kon putten uit een leven 
van Barlaeus, door hem zelven geschreven, is deze opgave volkomen betrouwbaar. 

31* 



244 CASPAR VAN BAERLK 

gebruycken onaangezien dezelve boven de XXX jaar is" ï). Van Baerle was reeds 
den 2y^^ Augustus als jurist ingeschreven; er was dus zeker quaestie over, of die inschrij- 
ving wel wettig was '). Evenals voor alle uitgewekenen was het ook voor VAN Baerle 
moeilijk om voor zijn gezin het brood te verdienen, daar hij natuurlijk van een groot 
deel zijner bezittingen was beroofd. Hij poogde notaris te werden, zooals blijkt uit het 
volgende besluit der Leidsche burgemeesters, den S^^^ Mei 1587 genomen: „Op verzoek 
van Caspar van Baerle Lambertisoon omme te hebben brieven van nominatie tot de 
Notariss.chappe, Is geaposteleert : Naerdien de toonder poorter dezer stede zal zijn ge- 
worden en zulx burgerseed zal hebben gedaen, zullen hem favorable brieven gedepecheert 
werden aen zyn Ex: VAN NASSAU ten fyne om tot het notarisschap te werden gecreëert 
en geadmitteert om tzelve binnen deser stede te mogen exerceeren, zonderling ten dienst, 
vordernisse en gerief van de Waelsche gemeente" '*). Zijne poging schijnt niet te zijn 
gelukt, of hij kon van die betrekking niet leven, want korten tijd daarna verhuisde hij 
uit Leiden, waar hij zich overigens zeer gezien had weten te maken. Hij was bevriend 
geworden met den bekenden energieken secretaris der stad, Jan van Hout, die zooveel 
tot Leidens moedige verdediging heeft bijgedragen, en woonde een tijd lang met hem 
onder hetzelfde dak V- Ook schijnt hij de eene of andere waardigheid in de Kerk te 
hebben bekleed *). 

Waarschijnlijk in 1588 werd VAN BAERLE rector der Latijnsche school te Zalt- 
Bommel •). Zijn inkomen zal wel niet zeer groot zijn geweest, maar hij verloor daardoor 
zijne opgeruimdheid niet. Er bestaat een brief van hem^), in 1590 geschreven en 
gericht tot zijne broeders Balthasar en JACOBUS, waaruit blijkt, dat hij zich zeer goed 
in .het kleine plaatsje kon schikken; hij klaagde er later alleen over, dat hij zoo moeilijk 
boeken kon krijgen, daar er te Bommel geen enkele boekverkooper was ^). Hij wenscht 
Jacobus geluk met de eer door hem met een paar gedichten behaald en noodigt hem uit 
spoedig eens een bezoek te komen brengen. De verhouding tusschen de verschillende 
leden der familie VAN Baerle schijnt altijd zeer goed te zijn geweest, en de door het lot 
verspreide broeders verloren elkander niet uit het oog. 

Evenals zijn broeder Melchior beoefende Caspar van Baerle de dichtkunst. 
Toen Jacobus in 1569 te Bremen vertoefde zond hij hem een groot Latijnsch verstoep 



1) Mededeeling van wijlen Jhr. J. W. C. Rammelman Elsevier, archivaris van Leiden, die mij voor ditopste 
verschillende ge^vens heeft verstrekt, o. a. eenige brieven, die in de Bijlagen zijn a^edrukt. 

5; In de academische wetten van 1575 komt echter geene bepaling voor, die zijne inschrijving verhinderde (vg 
M. SiEGENBEEK, Geschiedenis der Leidscke Hoogeschool, dl. II, Toevoegselen en Bijlagen, blz. 299—313.) 

3/ Mededeeling van Jhr. Rammelman Elsevier. 

*) Vgl. den brief van Jacobus Barlaeus aan Küchlinus (Bijlage I). 

*) T. a. p.: „optimè meritum... de Eicclesia et Academia vestra Leydensi." 

6) CoRViNUS vermeldt (bl. 7), dat hij 7 jaar die betrekking heeft bekleed ; hij stierf in 1595. 

7) Aanwezig in de collectie Papenbroeck. 

8) Volgens een zeer merkwaardigen brief van 16 Maart 1592, aanwezig op de Utrechtsche bibliotheek, 

9) In de collectie Papenbroeck. 



CASPAR VAN BAERLE. 245 

en ei- bestaat o. a. een gedicht van hem op eenige hoofdstukken der Politica vanJuSTüS 
LiPSiCJS *). Ook te Zalt-Bommel offerde hij aan de Latijnsche Muze ; er zijn verscheidene 
gedichten in handschrift van hem over, gedateerd uit de jaren 1588 — 1594'). In 1591 
schreef hij gedichten op den Stadhouder; deze kwam kort daarna op zijne reis naar 
Breda te Bommel en op aansporing van enkele leden der stadsregeering bood van Baerle 
Maurits zijne verzen aan. De prins ontbood hem den volgenden dag, prees de verzen 
en gaf den dichter een geschenk. In 1592 heeft hij al drie boeken met verzen geschreven, 
maar hij erkent JacobüS geheel als zijn meerdere'). Zijn gezin was intusschen aange- 
groeid; den i8**«° Januari 1592 werd zijn zoon Lambertus geboren; bij den doop, die 
20 Februari plaats had, waren de burgemeesters getuigen — wel een bewijs, dat VAN 
Baerle zeer geacht was — en gaf hij een klein feestje *), In 1 594 had hij ten minste 
drie kinderen, Caspar, Lambertus en EUSABETH*). Eén meisje, SUSANNA, waarvan 
in den brief van 1590 melding wordt gemaakt, schijnt hem niet, of maar kort, overleefd 
te hebben •); na zijn dood werd CORNELIS VAN Baerle geboren ^). 

De jonge Caspar ging te Zalt-Bommel school en sloot daar vriendschap met Jonk- 
heer NiCOLAAS Vijgh'), in wiens familie de post van ambtenaar van Tiel en de Neder- 
Betuwe lang erfelijk is geweest. Caspar van BaéRLE verloor later zijn jeugdvriend uit 
het oog, hoewel hij zich hem na vijftig jaren nog herinnerde ; hij schijnt bij het beleg van 
Ostende gesneuveld te zijn'). Op lateren leeftijd, nl. in den zomer van 1641, heeft 
VAN Baerle Bommel, het tooneel zijner kindsheid, nog eens teruggezien *"). Zeer lang 
heeft hij er niet gewoond; in Januari 1595 stierf zijn vader"), die zijne familie in vrij 
droevige omstandigheden achterliet"). JACOBUS Barlaeus, die toen rector der Latijnsche 
school van den Briel was, nam zijn neeQe Caspar bij zich aan huis en heeft voor zijne 
verdere opleiding gezorgd. Een enkel woord over dezen oom, aan wien Caspar veel te 
danken had, moge hier eene plaats vinden; het zal tevens een denkbeeld geven van de 
omgeving, waarin de knaap gedurende eenige jaren heeft verkeerd. 

Jacobus Barlaeus") woonde vóór 1593 te Leiden en te Amsterdam, waar hij 
vriendschap sloot met Johannes KuchlinüS, één der beide predikanten, die het eerst 



1) Eveneens. 

2) In het bezit van prof. AcQUOY. 

3) Volgens den brief van 1592, 
^) T. a. p. 

*) Vgl. het testament van Jacobus B. bij de Jager, t. a. p. 

6) Zij wordt niet vermeld iu het testament van Jacobus B., in 1603 gemaakt. 

7) Vgl. CoRviNUs. t. a. p., blz. 7. 
%) Vgl. Epist., blz. 942. 

T. a. p. 

10) Vgl. Epist.^ blz. 847. 

n) VgL Brandts Daghwyzer, 

11) Zie den brief van Jacobus B. aan Kuchlinus. 

13) De volg<-nde bijzonderheden zijn ontleend aan de Jager, t. a. p., 2de stuk. 1884, blz. 198, vlgg. 



246 GASPAR VAN BAERLE. 

na het overgfaan der stad in 1578 daar waren beroepen. Toen in 1593 de rector der 
Latijnsche school in den Briel, DiRCK Cck:xs, wegens zijn ouderdom werd ontslagen, 
zond de regeering der stad, volgens besluit van 6 Februari, twee gecommitteerden naar 
Amsterdam om ,,aldaer te handelen tot aenneminge van een nijeuwen rectoor." De keus 
viel op Barlaeus, die den 28»*** Mei tot rector werd aangesteld* Zijn inkomen bedroeg 
jaarlijks 500 caroliguldens, 6 caroliguldens van eiken jongen, die Latijn leerde om verder 
te studeeren, en 4 van hen, die met lezen, schrijven en de beginselen van het Latijn 
tevreden waren. Hij had verder vrije woning en was vrijgesteld van den accijns op 
bier. Hij moest een ondermeester houden en beloven met zijne jongens „eerlijcken 
ende statelicken in de predicatie te comen". Mocht Antwerpen weer worden ingenomen, 
dan zou het hem vrijstaan terstond naar zijne vaderstad terug te keeren. De regeering 
verwachtte van hem, dat hij de school, die zeer vervallen was, daar er niet meer dan 
vier of vijf jongens op waren, die Latijn leerden, weer tot bloei zou brengen. 

Jacobus Barlaeus kwam reeds spoedig te Brielle, waar hij den 6^^ Juli 1593 
zijne attestatie inleverde '). In 1 595 kreeg hij een nieuw schoolgebouw, waarin geene 
meisjes meer mochten worden toegelaten, „gelijct van outs altijt es gecostumeert geweest** 
Natuurlijk had hij jongens in den kost, wat hij later poogde te veranderen*). In 1596 
kwam zijne reeds tamelijk bejaarde zuster Christina, weduwe van Anthony Damman, 
bij hem inwonen om zijne huishouding te besturen*), want hij was ongehuwd. Misschien 
bracht zij ook nog een paar van hare kinderen mede; in het Brielsche archief worden 
ten minste nog de namen gevonden van Abraham, Susanna en LiviNTHGE Damman*). 
De nieuwe rector wist zich zeer geacht te maken in den Briel, want reeds drie jaren na 
zijne komst werd hij tot ouderling gekozen'). Zooals uit zijn testament blijkt, was 
Jacobus Barlaeus niet geheel onbemiddeld en had hij uit de schipbreuk van zijn ver- 
mogen nog iets overgehouden. Hij was verder in het bezit van theologische, historische 
en literarische werken. Dat zijn onderwijs goed was en zijne leerlingen veel van hem 
hielden, kan men hieruit opmaken, dat enkelen later nog door hen verdedigde theses aan 
hem opdroegen, o. a. Tobias Gelunckhuysen, Henricus Nolthenius en Cornelis 
BuRCHVLiET, alle studenten in het Theologisch College te Leiden. 

Jacobus Barlaeus was een man, „die sijn geleertheyt verborgen hielt, weynich 
woorden voerde, op sich selfs niet veel en paste, noch liet sich veel voorstaen, yders 
manier van leven scherpelijck ondersoeckende •)'*. Hij was geen onverdienstelijk Latijnsch 
dichter, maar bleef, evenals Caspar, lager bij den grond dan broer Melchior^). Er 



i) Vgl. DE Jager, I, blz. 119. 

s) T, a. p., II. blz. aoi. 

B) 9 Januari leverde zij hare attestatie in; zij kwam van Rotterdam (T. a. p.. I, blz. 119). 

4) T. a. p^ blz. 120, 

*) T. a, p., blz. 119. 

6) Vgl. CoRViNUS, t. a. p., blz. 9, 

7) Vgl. Bablaei £/«/., blz. 200 



CASPAR VAN BAERLE. 247 

zijn npg eenige verzen in handschrift van hem over, eene Deploratio praesentis status 
Belgiciy in 1569 geschreven, een vers Ad D, Jacobum HotUhusium scriptor em incompara" 
bilem, qüum scripta sua ederety in 1590 te Leiden gedicht'), en een vers de ebrietaie^^^ 

Bij dezen oom nu kwam Caspar in 1 595 of 1596 aan huis en volgens zijne eigene 
getuigenis heeft hij veel aan hem te danken •), En JACOBUS was zeer ingenomen met zijn 
vluggen neef, dien hij in zijn brief aan KUCHLINUS noemt „geboren voor de letteren en 
voor de studie". Al zeer vroeg maakte de jongen Latijnsche verzen, waarin hij zich Claudianus 
tot voorbeeld had gesteld *), en van zijn zestiende jaar dateert eene Increpatio et exhor- 
tatio ad amicum, ut. . . se ad virtutem et studia denuo conferat^ een niet onaardig onder- 
werp voor een knaap van dien leeftijd, en Pauli Apostoli Encomium •). De vraag was 
echter, hoe de jonge Caspar verder zou studeeren. Reeds in 1596 had oom Jacobus 
het oog gevestigd op het Theologisch College te Leiden, waarvan zijn vriend KucHLiNUS 
toen regent was. In 1600 kreeg Caspar de plaats, die de stad Geertruidenberg te ver- 
geven had. In een stuk van 23 October van dat jaar*) geeft het bestuur van Greertrui- 
denberg, waaraan het toegestaan was „eenen bequaemen Jongman te mogen stellen in Collegio 
Theologico inde universiteyt aldaer, omme inde voorsz. faculteyt van Theologie te stu- 
deren,'* te kennen, dat die plaats „voor eenen tyt van drie toecomende jaren provisione- 
lycken vergunt is eenen Casparum Barlaeum soone van wylen mr. Caspar Barla.EUS 
in zynen leven Rector ter schMe te Bommel;*' verzoeken zij hem in te schrijven in het 
daartoe bestemde register en ,,den voorsz. Casparüm (te) doen examineren, om op de 
brieven van examinatie behoorlycke brieven van admissie" te verkenen. 

Aan dit verzoek werd terstond voldaan. Den 24»*"» October 1600 werd Caspar 
geëxamineerd ten overstaan van den rector der universiteit, Johannes HeurniüS, Franciscus 
JüNius, hoogleeraar in de theologie, BONAVENTURA VULCANIUS, hoogleeraar in het Grieksch, 
Anthonius TrutiüS, hoogleeraar in de redeneer- en natuurkunde, en Petrus Bertius, 
onderregent van het Staten-CoUege. Barlaeus slaagde en vertrok den volgenden dag 
met zijn testimonium in den zak naar den Haag'). Den i***" November deed hij zijne 

]) Beide in de collectie Papenbboeck. 

f) In het bezit van den heer Unger. 

s) Zijne eerste Theses de antepraedicamentis droeg hij in 1601 o. a. op: „D. Jacobo Barlaeo, Gyninasii publici 
apud Brielaiios Moderatori Vigilantissimo ; Patruo suo ac Praeceptori, alterique è parente patri, optimè de se studiisque 
snis merito, et etiamnum merenti." 

4) Epist^ blz. 888: „Claudiani cothumum inde k pueritia sumpsi". 

4) Beide verzen rijn van het jaar 1600. Vgl. Catalogus der boeken en handschriften van de bibliotheek der remon^ 
strantsche gemeente te Amsterdam, 1877, blz. 71, no. 11. Tot mijn spijt heb ik die gedichten niet kunnen inzien. 

•) Het stuk bevindt zich in het Leidsche gemeente-archief. 

7) Onder het zoo even genoemde stuk van schout, burgemeesters en schepenen van Geertruidenberg, slaat met 
andere hand het volgende geschreven: 

Elxaminatus XXIIII Octobris. Adfiiere 

r>. Heurnius, Rector 

D. JüHIÜS 

D. VtJLCANIÜS 

D. Tbütiüs 

D. Bernius (sic). 

E — satisfecit. Testimonium ei datum, quo instructus abijt Hagam 25 Getob. 



248 GASPAR VAN BAERLE. 

intrede in het Theologisch College*) en den 15^" December werd hij als theologisch 
student in het album ingeschreven. 

Wij zullen ons een oogenblik moeten bezig houden met de inrichting, waar Barlaeus 
gedurende een zestal jaren heeft vertoefd. In 1591 hadden de Staten van Holland, om 
tegemoet te komen aan het gebrek aan predikanten, besloten, om te Leiden een Theolo- 
gisch College in het leven te roepen.. De middelen daartoe vond men uit den verkoop 
der goederen van de abdij van Egmond en van andere conventen buiten en in Leiden*). 
Den 6<*<» October 1692 werd de inrichting, gevestigd in het Cellebroedersklooster, op de 
meest plechtige wijze ingewijd'). In den beginne stelden de edelen 6 bursalen, de 
groote steden 2 en de kleine i. Telkens kwam hierin echter verandering en werd 
ook aan andere steden het recht gegeven een bursaal te stellen; zoo kon Geertruidenbei|[ 
in 1600 aan BARLAEUS eene beurs schenken. Kort na de oprichting, nl. in 1594, had de 
jeugdige inrichting een geweldigen schok te verduren; de tucht was zeer slecht en er 
hadden allerlei baldadigheden plaats, vooral tegen den onderregent Bertius. Toen deze 
één der bursalen met de roede wilde geeselen, brak er een volledig oproer uit, waarbij 
een gerechtsdienaar door één der bursalen werd gedood. Vele der jongelieden vluchtten, 
enkelen werden gevat, de Staten van '^ Holland en de Synode bemoeiden zich met de zaak, 
en door wijze gematigdheid kwam alles weer te recht ^). Zoo bleef eene inrichting 
behouden, die in de eerste twintig jaren na de oprichting 135 predikanten en 31 rectoren 
en conrectoren de wereld inzond*). 

Het huis was in het vierkant gebouwd rondom eene plaats, waar de bursalen konden 
wandelen en lichaamsoefening nemen. Er was het regents-kwartier, het sub-regents-kwartier 
met een paar kamers voor bursalen, het oeconom i-kwartier, nL de woning van den „Schaft- 
meester", de eetzaal, verscheidene vertrekken voor de huishouding en eenige kamers voor 
bursalen; verder een ziekenhuis en het auditorium-kwartier, waarin zich, behalve verschei- 
dene kamers voor de Ijursalen, het auditorium bevond. Hier werden de lessen gehouden 
en hadden tevens de disputaties en proefpreeken der studenten plaats*). 

Wanneer een jongmensch, liefst „binnen de Palen van HoUandt ende West-Vries- 
landt gebooren'*, tusschen de 13 en 18 jaar, niet „ merckelijck mismaeckt van Gesicht, 
Spraeck of Leden", door de edelen of door ééne der steden als bursaal werd gesteld, moest 
hij zich, voorzien van een testimonium van zijn rector, aan een examen onderwerpen, 
afgenomen door eenige professoren, door den senaat aangewezen, en bijgewoond door 
den regent en onderregent van het College. Slaagde hij, dan werd hem daarvan 



^) Vgl. het testimonium van Bertius (Bijlage II). 

3) Vgl. Resolutien van de Heeren Ridderschap^ Edelen ende Steden van Hollandt ende (f^fZ-Firi^fAiii^, enr., I59z,bl£.55. 
s) VgL Oblers, Beschryving der stad Leyden. ^de druk, 1781, blz, 237, vlgg. 

4) Zie over dit oproer Dr. G. D. J. Schotel, De Academie te Leiden in de 16^, ije en i^e eeuw, Haarlem 1875, 
blz. 27, vlgg. 

») Vgl. Orlebs, blz. 250. 

•) T. a. p., blz. 249, 250. 



GASPAR VAN BAERLE. 249 

akte verleend; hij moest dit stuk en zijn verzoek bij de Staten inleveren en werd door 
den regent in het register ingeschreven. Daarna moest hij in handen van den rector en 
van den regent en subregent niet alleen den gewonen eed, dien elk student had te doen, 
afleggen, maar ook nog een tweeden, waarbij hij beloofde zich naar de wetten van het 
College te zullen gedragen en, wanneer hij zijne studiën had voltooid, ten dienste te 
zullen staan van den lande van Holland. De beurs bedroeg 120 gulden en gold voor 
zes jaren *). De bursaal moest meebrengen „een Duytschen bybel, met een Psalmboeck", 
en een bed met toebehooren. Andere boeken mocht hij niet meenemen of aanschaffen 
zonder voorweten van den regent. 

Het leven der jongelieden in het College was op de volgende wijze geregeld. Des 
zomers om 5, en van i October tot i April om 6 uur, moesten zij bij het luiden van 
de schel „ten vollen gekleedt ende behoorlijck gewassen ende gekemt" voor den dag 
komen ; hunne namen werden opgelezen, door één van hen het gebed gedaan en dan eenige 
kapittels uit den bijbel gelezen. Als ontbijt kregen zij tarwebrood en „'t zyBoter ofKaes, 
Soppe ofte sonderlinge by Winter-tyden, Bier en Broodt" Daarna ging men aan het 
werk. Onder den maaltijd, die vroeg plaats had en waarbij de -gewone stevige kost der 
toenmalige burse-tafels, waar hutspot zulk eene voorname rol speelde, werd voorgediend, 
werd door één der jongelieden uit een stichtelijk werk voorgelezen. Dan werden de 
namen weer opgeroepen, eenige kapittels uit den bijbel gelezen en verklaard door den 
régent, die bij alle maaltijden tegenwoordig moest zijn, „over en weder over wandelende, 
soo wel om op de zeden ende manieren van de Bursalen te letten, als oock om toe te 
sien 't regiment van den Schaftmeester," en dan mochten de studenten na „gedane Danck- 
segginge met den anderen wandelende een half uyr langh hun Studia communiceren." 
Het werk werd hervat, maar in den zomer afgewisseld door een „dronck Biers" tusschen 
3 en 4 uur, dat de schaftmeester hun moest geven, als zij er om vroegen. Na het 
avondeten mocht men weer een half uur wandelen en moest dan om 8 uur bijeenkomen 
voor het avondgebed, waarna de regent nog eene kleine toespraak hield. Nogmaals 
werden de namen opgeroepen en dan ging ieder naar bed; na 9 uur mocht er in de 
kamertjes der bursalen geen licht meer gezien worden. 

De tucht was zeer gestreng in de inrichting. De jongelieden werden driemaal in 
de week in hunne kamertjes bezocht door den regent of subregent, die nagingen, of zij 
ook verboden boeken hadden, hunne kamers en kleederen wel netjes hielden en hunne 
bedden wel opmaakten. Zonder verlof mochten de bursalen zich niet buiten het College 
begeven of zelfs de kamer van één hunner makkers betreden. Zij mochten geen spijs 
of drank in het gebouw brengen of laten komen, geene „Geweeren, Musicale Instrumenten 
of onbehoorlijck Speel-tuygh, 't zy Rappieren, Swaerden, Ponjaerden, Stocken, Bogen, 



1) Dit en het volgende is ontleend aan de Ordonnantie van de Staten van Holland op het College van Juli 1595 
^ResoL HolL, blz. 298, vlgg.). De vroegere ordonnanties van Nov. 1591 en Sept. 1592 heb ik niet aangehaald, omdat zij 
'n 1600 buiten gebruik waren gesteld. 

32 



250 GASPAR VAN BAERLE. 

Cyters, Luyten,' Fluyten, Herpen, Verkeer-berden, Caert-spelen, Taerlingen, of yets dier- 
gelijcken" hebben, of „eenige Honden, Gevogelt, of Gedierte" er op nahouden, maar zij 
mochten wel muziek maken, evenzeer als zij zich Woensdags, Zaterdags en Zondags een 
half uur door lichaamsoefeningen konden opvroolijken. Des Zondags moesten zij tweemaal 
de „Predicatien van 't begin tot den eynde, met goeder aendacht ende een jegenwoor- 
digen Geest neerstelijck hooren" in de kerk, die door den regent werd aangewezen. Zij 
moesten onder elkander altijd Latijn of Grieksch spreken. Hadden zij colleges van de 
professoren bijgewoond, dan moesten zij „sonder dwageren" naar huis terugkeeren. En 
de bursaal, die zich „met Trouw-beloften aen eenige Vrouwe quame te verlooven of ver- 
binden" werd van de beurs beroofd en verder „arbitralijck gestraft — na exigentie vande 
saecke." Woensdags en Zaterdags mochten zij met toestemming van den regent buiten 
de stad gaan, „om te spelen en hen te verlustigen,'* maar hun werd gezegd, waarheen 
zij konden gaan en hoe laat zij te huis moesten wezen. Op verzoek van hunne ouders, 
voogden of vrienden mochten zij in de vacantie op reis gaan. 

Het studeeren had in het auditorium plaats, waar op iederen lessenaar „aen raexkens 
gesloten" een Latijnsche. bijbel en een Grieksch en Hebreeuwsch lexicon lagen. Men begon 
met Latijn, Grieksch, Hebreeuwsch en Philosophie; de onderregent leidde deze studiën; 
hij repeteerde viermaal 's weeks met de jongelui en presideerde om de 14 dagen bij het 
verdedigen van philosophische stellingen, dat in het Latijn plaats had. Dit laatste werd 
afgewisseld door proponeeren (proefpreeken .^) in het Hollandsch, waarbij vooral op zuiver- 
heid van taal werd gelet. Tot ditzelfde doel strekten Latijnsche stijloefeningen, die om 
de 14 dagen gemaakt werden. Voor deze studiën werden 2'g of 3 jaar gebruikt; men 
promoveerde dan tot magister artium, om daarna tot de theologie over te g^aan. De 
studie hierin werd geleid door den regent, die tweemaal in de week met de studenten repe- 
teerde. Zondags en in de kleine vacanties den catechismus uitlegde, in de groote vacantie 
de belijdenis der gereformeerde kerk, en om de 14 dagen voorzat bij het verdedigen van 
theologische theses. De studenten konden verder colleges van de professoren bijwonen, 
die zelve eens in de maand in het College kwamen om met hen te repeteeren, wat zij de 
vorige maand hadden gehoord, en die bovendien nog hadden te letten op de manieren 
en het leven der bursalen. 

Van deze inrichting stond JOANNES KuCHLINUS van 1595 tot zijn dood, 3 October 
1606, aan het hoofd, terwijl zijn schoonzoon PETRUS Bertius sedert 1593 onderregent 
was, toen Gaspar Barlaeus in het najaar van 1600 er werd opgenomen. Hij was vol- 
komen in staat, volgens de getuigenis van Bertius, om de lessen te volgen en was 
spoedig vlijtig aan het verdedigen van stellingen. In 1601 droeg hij Theses logicae de 
antipraedicamentis ^) op aan schout, burgemeesters, schepenen en raden van Geertruiden- 

*) Quarum veritaiem favtnit Deo Opt. Max. sub Praesidio Doctissimi, Spectatissimi Viri, D, Petri Bertii^ im ColUgw 
Theologico Illustrium DD» Ordinum HoUandiae et West-Frisiae Subregentis digniss, def endere adnitar Caspartts Gaspari f- 
Barlaeus Antwerpianus, Lugduni Batavorum^ Ex OfJUind Joannis Patii. Anno 1601. 

Achter de theses staat: vxrf^fiiiikti to» Ttfxaxondpdf, 



GASPAR VAN BAERLE. 251 

berg, aan zijn oom Jacobus, aan Hendrik van de Corpüt en Joannes Polyander 
predikanten te Dordrecht, en aan JOANNES EPISCOPIUS, predikant te Geertruidenberg. In 1602 
volgden Theses logicae de speciebus demonstrationis^ opgedragen aan Reginald Donteclock, 
NICOLAAS Dammius en Theophilus Ryckwaert, predikanten in den Briel en waar- 
schijnlijk ten tijde van zijn eigen verblijf aldaar curatoren der Latijnsche school ^), en aan 
Leonardus Johannis, een lid van de regeering dier stad^). De vriendschap met 
Ryckwaert heeft Barlaeus ook nog op lateren leeftijd aangehouden. Van hetzelfde 
jaar zijn Theses de natura logices^ opgedragen aan schout, burgemeesters, schepenen en 
raden van Zalt-Bommel, aan Johannes van de Warck, raadpensionaris van Zeeland, 
die zich aan hem gelegen had laten liggen, en aan de nagedachtenis van zijn vader. In 
1603 verdedigde BARLAEUS Theses physicae de prima rerum materia, die hij opdroeg aan 
de burgemeesters van Geertruidenberg '), en Theses physicae de reactione, opgedragen aan 
zijn oom Elias Eerdwijns, koopman te Dordrecht *). Door deze familiebetrekking kende 
hij zeker ook de beide Dordtsche predikanten, aan wie o. a, zijne eerste stellingen werden 
opgedragen. 

In 1603 is Gaspar zeker tot magister artium bevorderd, een g^raad, dien men ge- 
woonlijk na een verblijf van 2\ jaar in het College verwierf. In December van hetzelfde 
jaar *) stierf zijn oom Jacobus, de Brielsche rector. Gaspar werd in het testament bedacht. 
Jacobus Het aan zijne zuster Ghristina na „alle zijne goederen, te weten, meubelen, 
bedden, bulster, eieren, linnen ende tinnen, geit, gout, sijlver, gemunt ende ongemunt, 
ringen, juwelen, actiën ende credijten"; zij moest echter aan de vier kinderen van zijn 
broeder Gaspar — Jaspar, Lambrecht, Gornelis en Elisabeth — „100 "pond grooten 
vlaams*' uitkeeren. Na haren dood moesten hare erfgenamen aan zijn neef Gaspar 150 
ponden betalen; bovendien kreeg hij alle theologische, historische en literarische werken, 
„die hem zouden moegen dienen, mitsgaders het caertboeck, Ortelius genaempt," en verder 
„eene tapijte chaerge ende een schoorsteencleet, daerinne de waepens VAN Baerle ge- 
wrocht" waren '). Gaspar ontving zijn aandeel van 25 pond eerst den I4den Mei 1607 '). 
Barlaeus gfing dus in 1603 over tot de studie der theologie. Dit was juist een 
gewichtig jaar voor de theologische studenten aan de Leidsche Hoogeschool, omdat toen 
Arminius naar Leiden was beroepen. Hevige geschillen hadden er plaats tusschen hem 



1) „opUmè olim de se et Gymnasio ibidem celeberrimo meritos.'* 

«) Vgl. den eersten brief van Barlaeus aan Bertius (Bijlage III). Ook in 1618 was hij burgemeester (VgL de Jager, I, a8). 

3) „Maecenatibus suis et fautoribus . . . Pro collatis in se et studia sua beneficüs." 

*) „Clarissimo et Amplissimo Viro D. Eliae Eerdwjrns, Mercatori in urbe Dordracena celeberrimo, Avunculo suo." 
Die femiliebetrekking was nog versterkt, toen 10 October 1599 in het Brielsche trouwregister werden ingeteekend 
Abraham Damman, zoon van Antonie Damman en Christina Barlaeus, „lest sijn woonplaetse binnen deser stede 
ghebouden hebbende, ende Maria Eerdewijns, jonghe dochter, woonende tot Dordrecht, beijde van Antwerpen; attestatie 
omme te Dort te trouwen." (Vgl. de Jagbr, t. a. p., I, blz, 120).- 

5) 3 Dec. 1603 maakte hij zijn testament (Vgl. DE Jager, t. a.p., I, blz. 119) en ai Dec werd voorgesteld een nieuwen 
rector te benoemen (t. a. p., II, blz. aii). 

6) Vgl. DE Jager, J, blz. 119, 120. 

7) Volgens eene vriendelijke mededeeling van den heer J. G Frederiks. 

32» 



252 CASPAR VAN BAERLE. 

en zijn ambtgenoot GOMARUS, en vele theologen sloten zich bij één der beide professoren 
aan. Natuurlijk drongen deze twisten ook het Theologisch College binnen, waar KUCHLINUS, 
de regent zich verzette tegen de leerstellingen van zijn neef Arminius, terwijl de onder- 
regent, Bertius diens partij koos. Om de bursalen buiten de colleges van ARMlNluS^te 
houden, stelde KucHLiNus de morgenuren om 8, wanneer de hoogleeraar college gafj 
juist voor zijne lessen vast en beval zijne leerlingen aanwezig te zijn; ArminiüS kwam 
tegen dezen maatregel op '). Bij zulk een toestand van zaken kozen natuurlijk ook de 
studenten partij. Dat er heel wat gedisputeerd werd onder de jongelui blijkt uit het 
antwoord, dat de drie professoren in de theologie in 1605 gaven op de vraag van de 
classis van Dordt, hoe men het best en snelst de geschilen zou bijleggen, nl. : „Sij ge- 
loofden wel dat onder de Studenten meer disputen vielen, dan hun wel lief was", maar 
zij ontkenden, dat er onder de professoren eenig verschil bestond aangaande „de fonda- 
menten der leere" en wilden bij de studenten hun best doen, „op dat diergelijke dispuiten 
mogten worden vermindert" *). Behalve GOMARUS, Arminius en Trelcatius ondertee- 
teekende ook KuCHLiNUS dit stuk. 

In 1604 deed Barlaeus zijn candidaats-examen in de theologie ') en in het vol- 
gende jaar verdedigde hij onder het praesidium van KuCHLiNUS Theses iheologkae de 
modis cognoscendt deunt en Theses theologicae de cognitione dei, welke laatste hij opdroeg 
aan de Staten van Holland. Dat hij gedurende zijn studententijd de Latijnsche lier niet 
aan de wilgen heeft gehangen, blijkt, behalve uit het getuigschrift, dat hij in 1606 van 
Bertius kreeg, ook uit een vers achter theses van JOANNES Lucae in 1601 en vóór 
zijne eigene stellingen de speciebtis demonstrationis in 1602. 

Zooals de meeste jongelieden, die in zijn tijd in het Staten- College waren opgenomen, 
sloot ook Barlaeus zich aan bij de leerstellingen van Arminius, die in den onderregent 
Bertius een uitstekenden verdediger hadden gevonden. Welke de makkers waren, met 
wie Barlaeus omging of kan omgaan, leeren ons de theses der bursalen, die gedrukt 
werden en waarvan zich exemplaren bevinden in de Leidsche bibliotheek. Gedurende de 
jaren i6cx) — 1606 kan Barlaeus in het Theologisch College meer dan 80 studenten 
hebben gekend, wier studierichting ongeveer met de zijne overeenkwam. 

Diegene onder hen, die later de meeste beroemdheid heeft verkregen, was SiMON 
Episcopius, die reeds in 1598 in het College was opgenomen en er in 1605 nog ver- 
toefde'*). Waarschijnlijk werd in dezen tijd tusschen hem en Barlaeus de vriendschap 
gesloten, die later, toen beide professor te Leiden waren geworden, op nieuw werd 
bevestigd. Beide hadden zij dezelfde zijde gekozen in het theologisch geschil en 
zooals uit hunne briefwisseling blijkt, zijn ze nog na verloop van veertig jaren vrienden 
gebleven. 



1) Vgl. G. Brandt, Historie der ReformaiU^ II, blz. 57. 

s) T. a. p., blz. 61. 

t) Dit blijkt uit de opdracht der theses van Bbrnard Dwinglo« de peccato actuali in 1604. 

4) Dit blijkt uit de jaartallen zijner stellingen. 



GASPAR VAN BAERLE. 258 

Een ander jongeling, die zich later naam heeft weten te maken, was Bf.RNARD 
DwiNGLO *). In 1604 droeg hij zijne theses de peccato actuali op aan zijne 
vrienden Abraham Vuetiüs, Simon Episcopiüs, Guilielmus Lomannüs en Gaspar 
Barlaeus, alle Theol. Candidati. Al deze mannen hebben later geleden voor de zaak, 
die zij verdedigden. DwiNGLO, later predikant te Leiden, daarna eenigszins gewikkeld 
in de samenzweering tegen Maurits, verbannen en met een prijs op zijn hoofd gesteld, 
was een vruchtbaar schrijver, die in menig polemisch geschrift de zaak der remonstranten 
en zijne eigene heeft verdedigd. ABRAHAM Vlietius, in 161 9 voor de synode gedaagd, 
teekende de akte van stilstand. EPISCOPIUS werd afgezet als professor en moest het 
land verlaten. Lomannus'), predikant te Haringhuizen, in 1608 geschorst, werd later 
a%ezet Tot dit clubje van jongelieden behoorde dus Gaspar. Verder was hij bevriend 
met JOANNES LUCAE, waarschijnlijk dezelfde, die als schoolmeester te Kapelle in 1619 
om zijne remonstrantsche gevoelens werd afgezet en in het volgende jaar verbannen. 

Maar ook met andere jongelieden, die in dien tijd in het Gollege studeerden, kwam 
Gaspar natuurlijk in aanraking. De meest bekenden zijn Petrus Gupüs, Johannesvan 
Galen, Johannes Geesteranus, Christiaan Sopingiüs, Daniel Wittius, Gornetjs 
BuRCHVLiET, Mattheus Burgius, Theodorus Boomius, Bernardus la Faille, Henricüs 
Oosterhaern, Aegidius Seys, Franciscus Taurinus, Hugo Steur, Gerardus Velsius, 

die alle later als remonstrantsche predikanten werden afgezet, terwijl zelfs sommige van 
hen zijn verbannen. Aan de zijde der contra-remonstranten hebben later gestaan 
Hermannus Kuchlinus, zoon van den regent, Eleazar Swalmius, Henricüs 
Nolthenius, Josephus van de Rosiere en de beroemde Gijsbert Voetius. 

Vele dezer jongelieden hebben zich op lateren leeftijd niet alleen als standvastige 
mannen, maar ook als geleerden doen kennen, zooals Episcopius, VOETIUS, DwiNGLO en 
Geesteranus. Eene omstandigheid, die zeker ook tot de ontwikkeling der bursalen 
bijdroeg, was dat er ten tijde van Barlaeus verscheidene vreemdelingen in het Staten- 
College studeerden; er waren nl., behalve Noord- en Zuid-Nederlanders, ook jongelui uit 
Duitschland, Frankrijk en Zwitserland. 

In 1606 was de tijd voor BARLAEUS in het Staten-College om. Hij wenschte er 
echter nog wat langer te blijven en wendde zich daartoe eerst tot zijne begunstigers, de 
regeering van Geertruidenberg. Bertius gaf hem een fraai testimonium, gedateerd van 
4 September, waarin hij verklaart, dat BARLAEUS met de beste gaven was toegerust, in 
het Grieksch, Latijn en in de wijsbegeerte al zijne tijdgenooten overtrof, een goed Latijnsch 
vers maakte, eene ernstige redevoering hield, scherpzinnig disputeerde; dat hij zich 
gedurende drie jaren op de meest ijverige wijze op de studie der godgeleerdheid had 



1) Hij werd 15 Jan. 1607 uit het College ontslagen (vgl. Resol. HolL) 
•) 23 Febr. 1607 uit het College ontslagen {Resol. HolL) 



254 GASPAR VAN BAERLE. 

toegelegd; dat op zijn karakter en leefwijze volstrekt niets was aan te merken en hij 
ernstiger was dan men van zijn leeftijd verwachten mocht*). 

Met dit testimonium voorzien kwam de regeering van Geertniidenberg bij de Staten 
en deze stonden den 6<**» September 1606 het verzoek toe, dat Barlaeus nog gedurende 
twee jaren in het College zou mogen vertoeven'). Plotseling veranderde hij echter 
van plan, want den i*^ November 1606 verzocht hij te worden ontslagen* 
Ook dit verzoek werd toegestaan en met eene vereering van 30 pond vertrok hij uit de 
inrichting, waar hij gedurende zes jaren had vertoefd •). Welke de reden geweest is, dat 
hij zoo plotseling vertrok, is niet bekend. Maar het vermoeden ligt voor de hand, dat 
Barlaeus zich met de zoo gemaakte „Trou w-beloften aen eenige Vrouwe" had afgegeven, 
want hij huwde later een meisje, dat te Leiden woonde. Hij bleef te Leiden *), en voorzag 
waarschijnlijk in zijn onderhoud door het geven van lessen. Misschien poogde hij ook eene 
predikantsplaats te krijgen, maar dit gelukte niet vóór 1608. In dat jaar deed hij zijn 
best om op Overflakkee predikant te worden. 

Te Oude-Tonge, waar Sibrandus Sixti Frisius van 1604 — 1608 predikant was 
geweest, moest in het laatstgenoemde jaar een ander worden beroepen, en onder het 
drietal, dat de classis volgens besluit van den 5*^*** Mei goedkeurde, dat men zou gaan 
hooren, behoorde ook BARLAEUS*). Den io*^««' Juni verzocht de kerkeraad van Oude-Tonge 
het advies van de classis over het beroepen van Barlaeus en Antonis Adriaensz. 
Het luidde, „dat Barleus ende Anthonis beijde de kercke souden voorgestelt werden, een 
yeglick na zijn weerde, ende dat men sal vernemen naer beijde met alle neersticheijt, 
naer Anthonis te Schiedam ende andersins, naer Barleum tot Leijden ende waer men 
meijnt bequaemst te wesen". ADRIAENSZ werd echter beroepen. 

1) Vgl. Bijlage II. 

3) Vgl. ResoL Hoil. van 6 Sept. 1606: 

„De Requeste gepresenteert by Burgemeesteren ende Regeerders van Geertniydenberge, voor haren Alumnus in 't 
Collegie Theologie tot Leyden genaemt Casparus Barleus: is geappoincteert 

„De Staten, enz. Gesien hebbende de redenen van het versoeck, ende de testimoniale daer nefifens gaende 
consenteren ende accorderen, dat Casparus Barleus in 't versoeck geroert, noch voor den tydt van twee jaren in den 
Collegie sal mogen blyven. ende de Lessen van de Universiteyt frequenteren, ofte oock hem daer buyten boaden, 
sulcks by sijne Maecenaten, Supplianten goedtgevonden wordt; ende in sulcken ghevalle voor den selven tydt trecken 
het inkomen van sijne Beurse 't sijnder alimentatie, midts de Supplianten geduyrende de voorsz twee jaren genen 
anderen in dees Barleus plaetse in desen Collegie en sullen mogen inbrengen". 
Een a&chrift van dit besluit bevindt zich in het Lddsche gemeentearchief 
') VgL Rtsol. Holl, van i Nov. 1606; 

„Casparus Barleus van Antwerpen op den name van de Stede Geertniydenberge, ses jaren in den Collegie Theologie 
gecontinueert hebbende; is op sijn versoeck appoinctement verleent, als volcht: 

„De Gecommitteerde Raden, etc Gebleecken zynde dat den Suppliant .«djne ses jaren in den Qollegie Theologie 

heeft ghecontinueert, hebben den selven geconsenteert, daer van te moghen worden ontslaghen, midts hy blyve aen 

den voorschreven Lande, ende sijne Maecenaten verbonden, volghende den Eedt ten inkomste in den Collegie gedaen; 

ordonneren daerom den Regent ende anderen, desen aengaende, hem te laten vertrecken; ende is hem voorts vereert 

dertigh ponden van veertigh grooten het pondt, daer van Ord<^nnantie sal worden verleent" 

*) Toen hij in 1608 te Nieuwe Tonge was beroepen, was er sprake van „de examinatie Caspari Barlei student, 

woonendc tot Leijden" (Vgl. de Jager, II, blz. 221). In 1634 recommandeerde Barlaeus aan Huygens een jong graveur, 

bij wiens ouders hij gedurende twee jaren te Leiden aan huia had gewoond (VgL Hoofts Brieven^ IV, blz. 293). Dit 

was zeker in de jaren i6o6 — 1608. 

*} Vgl. voor het volgende DE Jager, II, blz. 219 — 222. 



GASPAR VAN BAERLE, 255 

Te Middelhamïs, een dorp in de buurt van Oude Tonge, was de predikant PlETER 
Zegers geschorst De kerkbeurten werden door verschillende predikanten waarge- 
nomen, den 13^ Juli o. a. door ISBRANDUS JOHANNIS VAN Byland, predikant te Nieuw- 
Hellevoet en Hellevoetsluis, „met Casparus Barleus". Hij preekte daar dus op dien dag 
in tegenwoordigheid van een predikant Het is niet onmogelijk, dat dit met standjes 
gepaard gfing, want de bewoners van Middelharnis hadden partij gekozen voor Zegers 
en beletten het preeken van hen, die door de classis waren afgezonden, zoodat de Staten 
van Holland tusschen beide moesten komen'). Te Middelharnis werd Barlaeus echter 
ook niet beroepen. 

Intusschen was ook Nieuwe Tonge vacant geworden. Afgevaardigden uit die 
gemeente gaven aan de classis te verstaan, dat zij JONAS Timmerman, een zoon van den 
vroegeren predikant, gaarne wilden hebben, maar de classis vond dit niet raadzaam en beval 
een ander aan. Doch deze jonge man viel niet in den smaak. Nu werd in de vergadering 
der classis op 6 October 1608 „voorgeslaghen dat Casparus Barleus student soude moghen 
geadvanseert worden in den dienst; daerop is gehoort dat deselve worde gesuspecteert 
in de opinie van Arminius, waerop hij is gehoort ende verclaert heeft geheel onschuldich 
te zijn ende gansch niet te hebben tegens den Catechismus ende 37 articülen ende de 
gemeene leere'der Kercke, belovende in g oeder conscientie te spreken ende hem in alle eenichey t 
te houden ende te draghen alst een dienaer betaemt, soodat de Broeders hen niet en 
sullen hebben te beclaghen**. Den volgenden Zondag zou hij op beroep preeken te Nieuwe 
Tonge in tegenwoordigheid van iemand uit den Briel en uit naam van de classis zou hij 
worden aanbevolen. In het begin van November was hij reeds tot predikant beroepen, 
en den 4^"* van die maand verschenen in de vergadering van de classis RuardusAcroniüS^ 
predikant van Schiedam, en LiBERTUS FraxinüS, predikant in den Briel, als gedepu- 
teerden van de synode „om te staen over de examinatie Caspari Barlei student, woonende 
tot Leijden, beroepen sijnde tot den dienst van de Nieuwe-Tonghe, blijckende bij zijn 
beroepinge. Is aengehoort een propositie, bij den voorsz. Barlaeum gedaen vuijt het 
Evangel. Jo. cap. 10 vs. 27 — 29, ende heeft den Broederen soo wel bevallen dat sij geor- 
deelt hebben te mogen gaen ende treden tot dexaminatie. Is voorgenomen dexaminatie 
door den presidem (Leoninus Leo) ende heeft hem de voorsz. Casparus alsoo gedragen 
ende gequeten dat de Broeders hebben geordeelt dat hij bequaem is totten dienst des 
Goddel. Woorts, ende Barleus heeft bekent dat hij gansch niet en heeft tegens den 
catechisme ende confessie onser kercken, soo wel ten aensien van de woerden ende van 
den sin, ende is hem aengesegt dat hij den Catechismus ende Confessie soude onder- 
scrijven ende dat hij hem daer naer deselvige in sijnnen dienst soude scicken ende voeghen. 
Ende is van de Broederen des Classis met hantgevinge aengenomen, ende hij heeft belooft 
alle ordre in de Classe als van de weduwen ende andersins te onderscrijven". JOHANNES 
Damman, predikant te Dirksland, Melissant en Herkinge, zou hem bevestigen. 

1) Raol. HolL van 8 JuU 1608. 



256 GASPAR VAN BAERLE. 

Theophilus Rijckwaert, die predikant in den Briel was, en die Barlaeus als 
jongen had gekend, heeft zeer meegewerkt om he m in Nieuwe Tonge te doen beroepen *) 
De voorzitter van de classis, Leoninus Leo, was nog een studiegenoot van BarlaeüS. 
Of onze proponent bij zijne verklaringen volkomen eerlijk geweest is, valt te betwijfelen. 

In het laatst van 1608 was dus BarlaeOS op bijna 2Sjarigen leeftijd predikant te 
Nieuwe Tonge. De gemeente, waar hij kwam, was zeer arm. Den 19^^ December 1600 
was drievierde van het dorp afgebrand en kregen de bewoners voor vijf jaren vrijdom van 
belasting „over de Huysen en Getimmerten"'). In 1605 verzoeken Oude en Nieuwe 
Tonge en andere omliggende dorpen „mids hare groote armoede ende decadentie daer 
inne sij sijn gekomen te vervallen" vermindering van belasting'). Groot was de gemeente 
ook niet, want in 1632 telde zij 112 huizen*). Het tractement van BARLAEUS bedroeg 
waarschijnlijk, volgens het besluit der Staten van Holland van 25 Juni 1594 aangaande 
de tractementen der predikanten ten platten lande, 350 pond*). 

Onder de predikanten van den ring van Overflakkee, waartoe Nieuwe Tonge be- 
hoorde, ontmoette hij een paar oude kennissen van het Stateu-College, nl. HenricüS 
NOLTHENIUS, predikant te Bommenee en Blois*), in 1608 lid der synode, en TOBIAS 
Gellinckhuysen, die in 1609 te Middelharnis was beroepen'). Maar hij schijnt zich 
vooral bij RijCKWAERT te hebben aangesloten, met wien hij, zooals uit vele plaatsen in 
zijne brieven en uit een versje *) blijkt, zeer bevriend was. RijCKWAERT is in 1619 afgezet 

Barlaeus trad nu ook in het huwelijk met Barbara Sayon, een meisje uit een 
patricisch geslacht van Brugge'). Toen deze stad in Mei 1584 aan Parma was over- 
gegaan, had haar vader Antony Sayon, die schepen was ^•), Brugge moeten verlaten "). 
Hij week uit naar Noord-Nederland en heeft zich als dichter doen kennen naar aanleiding 
van de krijgsbedrijven van Maurits in 1605 *'). Na zijn dood kwamen zijne kinderen**) 

1) Toen in 1618 door de classis tegen Rijckwaert capita accosationum werden gesteld, werd daarin ook ver- 
meld, dat hij .,doorgaens Remonstrants-gesinde predicanten ofte Studenten" gerecommandeerd had, o. a. Barlaeus. 

«) ResoL HolL 

2) Kesol. HolU van i Sept. 

<) Vgl. Tegenwoordige Staat, dU XVII, bU. 149. 

%) Resol, Holh Ean predikant, die meer dan 3 kinderen had, kreeg 400 pond, die twee kerken bediende 50 pond 
bovendien. 

•) Vgl. SoBRMANS, Ktrkelyk Register, blz. 121. 

') T. a. p., blz. i»3. 

^) VgL Casparis Barlaei Poematum editio nova, priore castigatior et altera parte auctior. Lugdv. Batav. Ex 
Officina Elteviriana. Anno CICIDCXXXI, blz. 467. 

9) Vincent Sayon, de vader van Antony, was in 1580 raad, in 1581 en 158a pensionaris van Brugge (Vgl. H. 
Q. Janssen, De Kerkhervorming te Brugge^ . . . Rotterdam, bij van der Meer en Verbrvggen, 1856, II, blz. 313), in 1584 
schepen (t. a. p., blz. 33), nam in dat jaar deel aan een gezantschap naar Pakma en onderteekende het verdrag tu 
overgave (t. a. p., blz. 47). 

*0) Vgl. Brandt, Historie der Reformatie, III, blz. 848. 

**) Vgl. Janssen, t. a. p., blz. 70. 

1*) Congratvlatie Aenden Grooteu Capiteyn, Mijnen-Heer Den Doorhckticksten Hoogh-^ heboren Vorst MavriOvs van 
Nassav; Op Sijne arbeydelijcke, perijculeuse ende groot-dadighe Krijg h-Tocht, Vanden Jare, M.VI^ V. Door A.Say^n^B. Tot 
I>^V% By y<»« Andriesz aen U Marct-veldt in H Gulden A, B. C. 

18) Volgens eene genealogie, mij welwillend ter inzage verstrekt door den heer J. H. W. Unger, waren er vier 
kinderen; Pieter Sayon, 22 Nov. 1613 te Leiden als student ingeschreven, later baljuw van de beide Egmonden, ini6i9 



GASPAR VAN BAERLE. 257 

onder de voogdij van hun oom, JANUS Lernutius *), een nog al bekend Latijnsch dichter, 
die te Brugge heeft gewoond'). 

Den 2I**'" September werd te Rotterdam het huwelijk ingeteekend van Bar- 
LAEüS met Barbara Sayon, van Leiden '). Zij trouwden waarschijnlijk uit het huis 
van eene tante van Barbara, Adriana Sayon, die te Brugge gehuwd was met jonk- 
heer Hendrik Croes, en toen te Rotterdam woonde*). Misschien was Barbara 
toen bij deze tante aan huis. Zelt in de Zuidelijke Nederlanden geboren huwde 
Barlaeus dus een meisje uit diezelfde streek, evenals in 1599 zijn neef ABRAHAM Damman, 
die ook te Antwerpen was geboren, met eene Antwerpsche in het huwelijk trad. De 
patricische geslachten, die uitgeweken waren en eenigszins tot armoede vervallen, verbonden 
zich dus nog al eens onderling. 

Barlaeus' huwelijk schijnt zeer gelukkig te zijn geweest. Niet alleen was de zorg 
voor het huis en voor de kinderen, zeer goed aan zijne vrouw toevertrouwd, maar zij was 
ook ontwikkeld genoeg om hem bij zijne studiën eenigszins ter zijde te staan'). Den 
igden juij 161 1 werd hun een zoon geboren, die Caspar werd gedoopt, maar al zeer 
spoedig overleed •); dit verlies werd later door tal van andere kinderen vergoed. Men 
mag aannemen, dat onze predikant in verscheidene gedichten zijne jonge vrouw zal hebben 
bezongen; slechts één daarvan, vol woordspelingen op haren naam Barbara, is overge- 
bleven'). Trouwens hij vergat te Nieuwe Tonge ook zijne oude vrienden niet, want in 
1608 bezong hij de promotie van JACOB VOLMAR en in het volgende jaar van WijNAND 

RUTGERS *). 

Barlaeus heeft het zeker niet erg gemeend, toen hij in 1608 de beschuldiging 



afgezet {^eso/. No//, blz. 100,102), en ia Du»*tschland overleden; Maria, gehuwd met Anthony Brydel te Brugge, AnThony, 
die te Antwerpen woonde, en Barbara. 
*) Vgl. Brandt, t. a, p. 

s) Vgl. over hem: P. Hofman Peerlkamp /td<r de vita doctrina et facu/taU Neer/a%%dorum. qui carmina /atina 
com^osuerunt^ 1838, blz. 260, en Paquot, Mémoires pour servir è thistoire /ittiraire des dix-sept provinces des Pays-Basy 
I, blz. 647. 

>) In het gereformeerde Trouwboek (No. i.) van Rotterdam wordt op dien datum gevonden*. 

„Caspiris Barieus jongman, van Antwerpen, bedienaer des woorts in de Nieu tongeen Barbara Sayon, jongedochter 
van Leyden, woont op de Hoochstraet, met attestatie." 

Deze mededeeling dank ik aan den Heer Unger. 

<) Vgl. de mededeeling van den heer Frederiks in De Navorsc/ter van 1885, blz. 270. Als van Baerle te Rotterdam 
was, nam hij zeker zijn intrek bij tante Adriana; hij geeft ten minste ëén keer dit adres op (Vgl. Bijlage III). 

s) Vgl. Episty blz. 617: „Tu meditabundo optimarum saepe cogitationum argumenta suppeditasti." 

e) Volgens eene genealogie, uit familiepapieren opgemaakt door wijle a Mr. A. D. de Vries As., en thans in het 
bezit van den heer Unger, die mij vergunde er gebruik van te maken. Zij is vooral daarom van belang, omdat zij de 
data van de geboorte der kinderen opgeeft, die anders niet te vinden zijn, daar de Leidsche doopboeken over de volgende 
jaren ontbreken. 

7) E/egia in nomen uxoris Barbarae (vgl. Poemata, blz. 384). 

8) Honori c/arissimi, docHssimique Phi/osophi, D. Jacobi Vo/mari, cum in ce/eberrima Lugd. Batava Academia 
Magisterij in Phi/osophid gradum pitb/ice consequuius esset Anno 1608 (Vgl. Poetn., 1628, blz. 161) en //onori Praes/antissimi, 
DocHssimique p/ii/osop/iiy Winandi Rutgersii^ cum in ce/ebri Batavorum Academia P/ii/osop/iiae /aurea donaretur^ Anno Domini 
1609 (t. a. p., blz. 192). 

Wijnand Rutgbrs van Dordrecht werd 17 Md 1602 op 17 jarigen leefdjd als student ingeschreven, en 16 Mei 1607 
nog eens als Theoloog, Jacob Volmar van Leiden den loden Mei 1604 als theologisch student op 20-jarigen leeftijd. 

83 



258 GASPAR VAN BAERLE. 

van Arminianisme zoo ver van zich wierp, want in 1610 behoorde hij tot de ondertee- 
kenaars der bekende remonstantie '). Hij kwam hierdoor in botsing met zijne gemeente- 
leden, die den 24**^^ Augustus 16 10 verklaarden, dat zij hem niet langer met vertrouwen 
naar de vergaderingen der classis konden afvaardigen, wanneer er geen ouderling medeging. 
De classis besloot toen, dat elk predikant een ouderling moest meebrengen *). Bovendien 
bUjkt uit zijne brieven, dat hij het met verscheidene broeders in de classis niet al te best 
kon vinden. Er zijn wel in 1619 eenige van hen, die tot de remonstranten behoorden 
afgezet, maar het schijnt, dat de contra-remonstranten toch den boventoon voerden. De 
jjcftige NOLTHENIUS was van deze waarschijnlijk de aanvoerder. Barlaeus van zijn kant 
schijnt niet achtergebleven te zijn; althans nog in 1618 werd gezegd, dat door hem de 
eerste moeilijkheden in de classis waren ontstaan'). 

Intusschen hielp hij zijn jongeren broeder Lambertus, die later als professor in 
het Grieksch te Leiden eenigen naam heeft gemaakt. Deze jongeling, die de Latijnsche 
school te Dordrecht had bezocht, trachtte, voorzien van een getuigschrift van zijn rector, 
den beroemden JOHANNES VOSSIUS, eene plaats te verkrijgen in het Staten-College. 
Bertius, die in 1607 regent was geworden, deed zeker uit vriendschap voor Barlaeus 
zijn best bij de burgemeesters en den raad van den Briel, dat zij LAMBERTUS als hun 
bursaal zouden aannemen. Hij bereikte dan ook zijn doel. Maar het was niet zoo gemak- 
kelijk eene beurs te verkrijgen als vroeger. In 1609 was namelijk één der bursalen ont- 
slagen „midts syne onlust in de Studie Theologie, ende onbequaemheyt in de spraeck'*, 
en toen hadden de Staten besloten, dat elk bursaal cautie moest stellen „van te sullen 
refunderen de kosten m 't CoUegie gedaen, by aldien hy van sinnen moèht worden syn 
Studie Theologie niet te konnen vervolgen*' *). BERTIUS had hierop zijne aanmerkingen 
meegedeeld en toen was het besluit in zooverre verzacht om degenen, „sulcke cautie mits 
de kleynheyt van hare Middelen niet kohnende stellen, by forme van gratie daer van (te) 
dispenceren" '). Barlaeus stelde nu „hem selven als cautionaris dat sijn Broeder in het 
voorsz. CoUegie den gesetten tyt sonder veranderinghe syner studiën sal volherden"*J. 
Uit het stuk blijkt tevens, dat de njoeder van BARLAEUS in 161 1 reeds gestorven was, 
en dat vrienden de broeders en zuster van LAMBERTUS moesten onderhouden. LAMBERTUS 
werd in het College opgenomen, maar schijnt zich niet altijd behoorlijk te hebben gedragen ; 
hij werd althans één keer beschuldigd met een makker het College zonder verlof te hebben 
verlaten en straatschenderij te hebben gepleegd^). 



1) Vgl. Brandt, t. a. p., blz. 845. 

^ De Jager, t. a. p. blz. 221. 

8) T. a. p., blz. 222. 

4) ResoL Holl, van 20 Mei. 

») ResoL HolL van 7 Juli. 

6) Dit stuk berust in het Leidsche archief. Het is gericht tot de ridderschap en de edelen van Holland. Toen 
niet hielp, klopte men dus bij de regeering van den Briel aan. 

7) Dit blijkt uit een stuk door Bertiüs tot den rector gericht, dat zich in het Leidsche archief bevindt. 



GASPAR VAN BAERLE. 259 

In het voorjaar van 1611 werd Barlaeus door Bertius gepolst, of hij eene even- 
tueele benoeming tot subregent van het College zou aannemen. Hij ontweek het echter 
om hierop een rechtstreeksch antwoord te geven. Maar een half jaar later, toen Bertius 
weder dezelfde vraag tot hem richtte, antwoordde hij, dat hij zich de benoeming zou laten 
welgevallen. Zij liet echter nog langen tijd op zich wachten, nl. tot den zomer van 161 2, 
Hij nam haar aan, vroeg zijn ontslag als predikant aan Synode en Classis, welke laatste 
hem dat niet gaf zonder eenigszins een blaam op hem te werpen, en was in het begin 
van Augustus bezig met verhuizen en afscheid nemen. Zijne vrouw had zich in het dorp 
zeer bemind weten te maken en men zag haar zeer ongaarne gaan *). Eenige dagen 
later kwam hij te Leiden om er zijn nieuw ambt van sub-regent te aanvaarden. Op 
welke wijze hij het heeft vervuld en welke gedurende zijn verblijf te Leiden zijne lotge- 
vallen zijn geweest, zal later worden besproken. 

Groningen, Maart 1885. 



1) Vgl. het slot van den derden brief van Barlaeus aan Bertius (Bijlage III). 



33^ 



BIJLAGE L 

BRIEF VAN JACOBUS BARLAEUS AAN JOHANNES KUCHLINÜS '). 



Omatissime vir. Ita vivam, ita valeam, quod utrumque exopto, ut tuis salutatio- 
nibus nihil possit mihi arridere gratius, quibus me tui nuper cum nos adirent et reviserent 
tuis verbis tam amanter impertiverunt. Praeterea quod de meis laboribus scholasticis 
qualescunque ii sint, tam candidé et benigne sentis et loqueris quanti esse apud me arbi- 
traris! non quod delector laudibus, quanquam quis non iure gaudeat iis k te tam laudato 
viro profectis! ad exemplum Hectoris illius apud Naevium. Nam ut nihil aliud, certe • 
oestrum aliquod vel potius aculeum in animo meo relinquere videntur, quo alacriores 
vegetioresque ad obeundum munus nostrum reddamur. Vos Lugduni in summa omnium 
virtutum ingeniorumque praestantia, in ista luce vivitis, nobis haec Sportula k Deo attributa, 
ubi tanquam in Sarepta apud viduam non nostrae, sed dei gloriae studemus, omnemque 
operam insumimus erudiendae pubi, et puerulis spei omnino non contemnendae, quorum 
segetem colimus, sed exiguam, et adhuc in herba luxuriantem. Inter alios est nobis fratris 
filius ad litteras et studia natus adolescentulus, cui si vestra opera et favore, beneficio 
CoUegii vestri et lUustriss. dominorum Ordinum frui aliquando contingeret, et nobis voluptati, 
et matri viduae numerosae sobolis messe gravi maximae levationi foret. Patrem habuit 
Casparum Barlaeum optimè meritum de Schola Bommeliae, et antea etiam de Ecclesia et 
Academia vestra Leydensi, ubi et clariss. viro Hauteno innotuerat, quicum familiarissime 
vixit diu unis aedibus usus. Bene vale humaniss. et doctissime praeses, et domino Bertio 
genero tuo, veteri mihi necessitudini coniuncto multam salutem meo nomine. Brielae 20. 
Octob. 1596. 

Tuae human. addictissimus 
Jacobus Barlaeus'). 



1) De brief berust in het Leidsche gemeentearchief. 

^ Het adres luidt : „Pietati et Eruditioni/ Ornatissimo viro Dno/ Joh Ceuchlino/ praesidi vigilantiss ;/ CoUcgi 
Theolog. niust:/ Ordinum HoUandiae/ Lugduni Batt:" 



BIJLAGE II. 

TESTIMONIUM AFGEGEVEN DOOR PETRUS BERTIUS '). 



Gaspar Barlaeus Antverpianus, Alumnus lUustriss. D D Ordinum Hollandiae et 
Westfrisiae, ijs est animi dotibus praeditus, ea virtute, eruditione, modesti^, pietate, ut 
summaro de se spem concitarit apud eos qui ipsum norunt. Kal. Novembris Anni 1600 
disciplinae nostrae feliciter commissus est ab Amplissimo Reip. Gertrudisbergensis Senatu. 
Etsi vero jam tum praecultus esset quibusdam linguae utriusque initijs, tamen ex eo 
tantum (Christo communibus laboribus benedicente) profeciti ut in Graecis ac latinis litteris 
inque Philosophiae studijs aequales omnes superaret. Si carmen scribendum esset miram 
adhibebat dexteritatem ; si oratio, gravitatem; si disputandum, subtilitatem et acumen. 
Postea in sacra; Theologfia totum se triennium gnaviter exercuit, legendo, meditando, dis- 
putando, scribendo, proponendo, etiam publice pro concione dicendo. Mores habet ad 
omnem elegantiam et pietatem compositos ac supra aetatem graves. Faxit Christus, unus 
ille Ecclesiae suae apy^iirot/xinv yt/xi oLpyijzptCQj ut virtutum magnarum quae in ipso sunt initia 
incrementa capiant ad salutem multorum et Dei gloriam: ne vel spes praeclara occidat, 
vel conatus laudabiles primo impetu retardatj, cum jacturi public^ evanescant. Dat. Lugd. 
Bat. in CoUegio Theologico 111. Ordd. 4 Sept. A* 1606. 

P. Bertius. 



') Het stuk bevindt zich in het Leidsche gemeente-archief. Een testimonium van Bertius, gedateerd van 31 Oc- 
tobex x6o6, is in het bezit der remonstrantsche gemeente te Rotterdam (Vgl. Catalogus van handschriften op de bibliotheek 
der remonstrantsch-gere/ormeerde gemeente te Rotterdam, Amsterdam^ Y. Rogge^ 1869, no. 255). Misschien werd het afge- 
geven bij het verzoek van Barlaeus om uit het College te worden ontslagen, wat i November werd toegestaan. Er zijn 
maar enkele afwijkingen in van het hier afgedrukte stuk. 



BIJLAGE IIL 

DRIE ONUITGEGEVEN BRIEVEN VAN GASPAR BARLAEUS AAN 

PETRUS BERTIUS»). 



"*•- 



Litteras tuas accepi Regens bene merite cum de meis turn de communibus mul- 
torum studijs, easque afTectus tui pristini in Barlaeos testes uberrimas intime exosculatus 
sum. Sane dicere vix possum quantum H. T. hoc nomine debeam, quod Brielani Senatus 
favorem ac patrocinium commendatione tua fratri impetraveris. Et quid non impetret 
ille cuius testimonium fidele ac serium esse censetur, ipse vero fide, diligenti^, industrii, 
ac doctrine singulari toti Bataviae quae fructum in scholis et Ecclesiis persentiscit, semet 
commendavit Ex ipsis enim Brilanis consulibus ac senatoribus intellexi simulac litterae 
H. T. ipsis visae ac lectae essent, statim hfioöufiaSbv petitioni subscriptum fiiisse, mag- 
numque pondus apud ipsos tuum de firatre judicium habuisse. Quin dum litterae in 
consessu Senatus legerentur D. Leonardus Johannis qui praestantissime de te sentit late 
in laudes tuas, ac laborum tuorum commendationem dlg^essus est. Ita ut nullus esset 
qui non iudicio tuo ac testimonio acquiescendum putavit. Quod ideo scribo, ut in deplo- 
rato hoc qvyod vivitur seculo in quo bonos et de communi patriae ac Ecclesiae salute 
bene meritos aliquorum odia et linguae petunt, hoc solatio tibi sit, quod quamvis malevolis, 
ingratis nonnullis fortè displiceas, tamen multis bonis imo primoribus Bataviae ac viris 
sanae mentis te, studia ac labores tuos placere, perplacere certö tibi persuadeas. Verum 
miror quod de cautionis formuli scribas, quam ante septimanas aliquot ad fi-atrem misi» 
cui etiam subsignaveram, quod si forte tabellarij negligentid litterae interciderint, en habes 
denuo hic promissionem, et fideiussorias tabellas. Si nee hae satisfaciant, et praesens 
adesse debeam, übi hoc ipsum rescivero excurram ocyus, et pro fratre ex lege et more 
CoUegij cavebo. Litteris tuis catastrophen subdis hanc, ut cogitem an, si opera mea ad 
vacuam Subregentis provinciam postuletur, eam tibi addicere velim. Verum D. Regens 



') Aanwezig in het Leidsche gemeente-archief 



BIJLAGE. 263 

cum hypothetica haec oratio nihil affirmet, neque ego quicquam de voluntate mea in pro- 
vinciae istius susceptione affirmare ac polliceri ausim. Cogitabo tarnen ut scribis, si forte 
opera mea postuletur, quid facto opus sit Interim hoc D. Regens cogita, provinciam 
Subregentis vere provinciam esse, aliumque Atlantem isti axi fulciendo postulari, imo 
addo, nisi mihi de sinceritate ac fidelitate tua constaret, haec in iocum mihi scribi suspi- 
carer. Quis enim ego sum? Deus pater misericordiarum idoneum, ac te collega dignum 
coUegam tibi ac Collegio evocet, qui labores tuos Sisyphios aliqua parte sublevet, juventuti 
praesit, ac eruditione, pietate, probitateque praeluceat, teque cum uxore dilectiss. acliberis 
suaviss. diu nobis, Patriae, Collegio, Ecclesiae incolumem corpore, linguè, stylo, animo, 
et ingenij vigore ac acumine porro in longaevos annos conservet. Salve a me et meel. 
Datum e Musaeo propedie ni fallor Calend. April. Ao impetratae salutis millesimo sex- 
centesimo undecimo. 

Tui obsequentissimus 
Caspar Barlaeus *). 



2. 

IMMANUEL. 



Reverende vir multisque nominibus mihi observande, cuius rei me antehac per 
litteras certiorem fecisti, et memoriam corkm superiore hebdomade refricasti, eam non 
oscitanter ac perfunctoriè, verum serio ac attento animo mecum perpendi. Cum autem 
ea sit fonctionis illius adeoque cuiuslibet vocationis iustae ac legitimae ratio, netemerario 
ac praecipiti ausu ad eam capessendam accingamur, non potui non, saltem ex aequo ac 
decoro, petitioni tuae aegre ac difficulter assentiri Is enim sum, qui trepidus ac cum 
dififidentiA quadam provinciam istam subire malim, quam confidenti animi propos ito in 
eandem insilire. Cum verö tuo de me iudicio plusculum tribuam, neque tantum mihi 
polliceri ausim, quantum de me vel aliorum fortasse opinio, vel tua statuit sententia, non 
omnino mihi istud professionis genus displicere fateor. Neque despero, divinique numinis 
affulgente gratia quin manu ad aratrum istud apposit^, et D. Curatoribus, tibi ac Collegio 
aliquatenüs sim satisfacturus. Quare ut directe ad tua respondeam; si opera mea ad 
vacuam istam Subregentis provinciam postulabitur, eam in praesentiarum offero, si modo 
eam CoUegio utilem fore arbitreris. Haec ad te scribenda putavi ne quam mihi animo 



i) Het adres luidt; 

Aen den vromen, wysen hoochgeleerden 
P. Petrom BertiumRegent 
der CoUegie der Theologie 
woonende op Rapenborg 
te 
Leyden. 



264 BIJLAGE. 

ac affectu tuo designasti honorificam vocationem indigne aspematus fuisse videar. Hisce 
vale et cum uxore ac liberis, carissimis tuis KeifiYi>iioig a me et mea salve. Deus Opt. 
Max. te Collegio, familiae ac bonis hominibus diu incolumem conservet. Rotterodamo 
Sext. ld. Nov. Ao 1611. 



Tuae dignitati addictiss. 
Casparus Barlaeus. 



Si ad me scribere voles T. D. 
litteras mittas Rotteroderamum (sic) apud 
Joffrou Croes woonende op de 
hoochstraet in de drij granaetappelen '). 



3"). 

Diuturni mei silentij quo hactenus erga te usus D. Regens finem hodiernus dies 
attulit, idemque inicium sciendi quae vellem, quaeque a me hoc tempore scribi debere 
putabam. Scripsissem equidem iam antea, verum cum iusta ac seria scribendi materies 
deesset, nolui tibi tot negotijs, tantisque laboribus districto viro temere litteris meis mo- 
lestiam facessere, et, quam legendis meis impenderes, studijs tuis g^avioribus horam suf- 
furari. Litteras D. Curatorum — alteras Ecclesiae alteras Classi obtuli. Ab Ecclesia 

dimissionem licet aegre et reluctantibus animis et renitente in me affectu tandem 

' impetravi. Statuerant iam ad D. Curatores excurrere, verum ne frustraneum (?) laborem 
susciperent et oleum operamque perderent hortatus sum. Acquieverunt itaque mei et 
petitioni D. Curatorum nee inviti omnino, nee spontanei omnino sed mixta voluntate 
morem gesserunt. Ad Classem et ordinis sacri Patres conscriptos ubi ventum fuit, vix 
resignatae litterae, vix lectae, quin abituriunti mihi pronis animis^ singultiente praegaudio 
quodam pectore valedicunt, adeö male hoc hominum genus habet si quem sortiti sint, 
qui adversüs illorum sinistras machinationes, et inconsulta consilia interdum hiscere audeat 
Ab Ecclesia testimoniales bonae notae facile impetravi, A Classe non sine macula et 
impuritalis suspicione; et qui possint aliter testari fratres, qui omnem suam super qua 
gloriantur puritatem ad Stoicorum ferream necessitatem, et Parcarum tabulas examinare 
consueverunt. Ego vero istiusmodi illorum criminationes susque deque habeo solumque 
rectae conscientiae testimonium mihi in gloriationem sufficit cum per bonam et malam famam 



1) Het adres luidt: 

Aen den wysen, voor^ienigen, 
H. geleerden d. Petrum Bertium, 
Regent des CoUegie der Theologie 
op rapenborg te Leyden. 
.... brengen by f Groot, 
') Dexe brief is met veel kleiner en onduidelijker letter geschreven dan de beide vorigen. Ook is hij op èkic 
laats gesdieurd. 



BIJLAGE. «6 

non hominibus sed Christo placere studens ad supernae' vocationis praemium aimitar. 
Miror sane Geertnidisbergensium mutatos antmos, quos alias in hisce controversijs aequis- 
sïcnos expertus sum, sed recte auctorem conjicis, qui Dordracenorem flabris incitatus 
malum istud procudit. Quae circumfenintur condemnatoria capita, ego brutum fiilmen 
Papae Sixti V adversus Regem Navarrem ac Principem Condeum interpretor, quae mul- 

ttplids nullitatis merito incusari possunt ^) Fratres nostri suis et Papam e 

Tarpeia arce et Caesarem e solio turbare queunt, quid ni nos? verum in nuUum agens 
extra sphaeram activitatis suae agere valet, sic nee illi, hanc enim üHs sphaeram constituit 
Deus, concludere, decemere, consilïa inire, ulterius vero nihil possunt. Ego mïgrationem 
amiam instituo, et in convasanda suppellectile occupor, die lovis proximo binc disces- 
sunis Deo volente, adventum itaque nostrum in fine huius hebdomadis aut die domini (?) 
praestolare. Uxori tuae puerperae gratulor cui Deus vires ac robur restituat et quam ex 
ea suscepisti prolem ab utero pietati et Christo conservet Leonem in suibus Q) tiortabor 
si ipsum compellandi dabitur ocium et tempus. Hisce meas finio et te cum uxore ac 
Itberorum corona valere iubeo. Salutat vos uxor mea quae hic inter vicinorum lacrijmas 
quibus indies afïicitur, vix animae suae compos subsistere valet Datum e Museo nostro 
Vt Aug. 1612. 

Tuus officio 

Casparus Barlaeus*). 



l) Den aBitea Auguttlu 1585 had Siinu V eene bul uitgevaardigd tegen Hendrik IV van Frankrijk. Deze liet 
dH niet onbeantwoord; er werd een werkje tt^en geschreven, getiteld: P. Sixti fuimm imtum. Eene latere uitgave, die 
ik er van ken, beeft tot lïteli P. Sixti fulmm bmfum In Hatricitm scrtniu. Rtgent f/auarrat, et iUmtria. Hturiciim 
Bvriemni, Printifem slim Ctmdarvm, cuiirahim. Cmis nultifla mu/lilai tx prolalaliatu pattt. Cui, praettr alta, tuHtaie- 
la *3t Diiputatio Rabtrti Billamivtii Sot. Ja. dt Primatu Epiiapi Rma. tl ad tam Sttponsia. lUm Alciati, Cmaai, 
a HetoKaiU Conitctura dt fahilati l. inltr claras 8. C. dt Summ. Trinit. Praittrta Disputatia dt DonatiMt CamlantiiU 
UagM, NtoKH CellaÜe Pitri Afosleli imh Pope Ratnaia. Dim S^aofii tl Indit ntctssario. Anno 1604. 

Het Pkimfn Bmtum werd in 1588 in bet Nederlandsch vertaald door den predikant Petbus Haceius, die belwetk 
aan de Staten van Holland opdroeg, waaivoot hij aoo pond ontving (Vgl. Resot. Hotl. van 34 Juni). 
■) Het adres luidt; 

Aenden Wljaen, vooraienigen, godaaUgen 
en H. geleerden d. Petnun 
Bertium Regent in het Collegie 

Uyden. 



JAN HARMENSZ. MULLER. 



Mr. N. de roever. 



NDËR de kunstenaars met het buryn, die niet minder dan onze i 
van 't penseel tot den roem van Holland.s kunst hebben bijgedragen, komt 
den Amsterdammer, wiens naam ik plaatste boven dit opstel, het redit 
toe op eene bizondere eervolle vermelding. ') 

Het is daarom des te zonderlinger, dat er tot dusver noch van den 
rkzaamhcid, noch van zijne levensomstandigheden veel bekend is. 
Kramm, die zijne gegevens wel hoofdzakelijk van den Heer J. Philip VAN dek 
Kellen zal hebben ontleend, verzamelde in zijn werk alles, wat er ten zijnen tijde van 
onzen kunstenaar bekend was. In den vorigen jaargang van dit tijdschrift had ik de 
gelegenheid iets over zijne ouders mede te deelen. '). Na een onderzoek der doopboeken 
kan ik thans met zekerheid opgeven, dat hij te Amsterdam op den eersten Juli 1571 in 
de Oude Kerk, dat is Roomsch Katholiek, gedoopt werd. Hij moet dus op het einde 
van Juni, uit het huwelijk van den boekverkooper en figuursnijder Harmen Jamsz. Muller 
en MeyNSGEN Ariens, van der Veer (van Veere in Zeeland), geboren zijn. Bij den 
doop zien wij Hendrik Elbertsz, boekverkooper in den Gulden Bijbel, met Grkt 
Stoffels als getuigen optreden. 

Men houdt hem voor een leerling van HENDRIK GOLTZIUS. Kramm kon zich echter 
reeds niet met dit gevoelen vereenigen. Het is thans de vraag : of de eer van zijn talent 
it de aolarieele acteo voor dit opstel af. 



JAN HARMENSZ. MULLER. 267 

te hebben gevormd niet mag toegewezen worden aan zijn vader Harmen Muller, die 
als kunstenaar bekend is door 33 stuks houtsneden „de Passie ons Heere Jesu Christi" 
voorstellende, welke Kramm ten onrechte in 't begin, of in de eerste helft der zestiende 
eeuw plaatst. *) Omdat hij den aanvang van diens werktijd te vroeg stelt en onbekend 
was met het jaartal van zijn dood, in October 1617 voorgevallen, kwam hij er toe het 
bestaan van twee graveurs van den naam Harmen Muller aan te nemen, terwijl er thans, 
nu we de jaartallen, binnen welke zijn werkzaamheid valt, nauwkeurig weten, geen reden is om 
er aan te twijfelen, dat de houtgraveur Harmen Muller dezelfde persoon is als de koper- 
graveur, wiens werktijd door Nagler omstreeks 1560 — 1580 wordt gesteld, maar die 
blijkens het portret van CORNEUUS Schonaels, Goudanus, nog in 1596 het graafijzer 
hanteerde. Dit is te waarschijnlijker, omdat de gissing van Kramm, dat de kopergraveur een 
zoon van den houtgraveur en dus een broeder van jAN HARMENSZ MULLER zou zijn, geen steek 
schijnt te houden, wijl het mij tot dusverre niet gebleken is, dat Jan een anderen broeder heeft 
gehad, dan dengene, die op de hierachter in bijlage gegeven genealogische tabel vermeld wordt 

Maar wie ook zijn meester geweest zij, ons is het genoeg te weten, dat hij 
door tijdgenoot en nageslacht, in deze zaken tot oordeelen bevoegd, geacht wordt een 
der kloekste graveurs te zijn geweest, die ons land heeft voortgebracht Reeds van 
Mander geeft hem den lof, die hem als zoodanig toekomt, en het oordeel van dien schrijver 
is nog nimmer betwist. 

Bartsch heeft eene beschrijving van zijn werk gegeven. Het telt 86 nummers, 
een getal, dat, zoover ons bekend is, door latere prentbeschrijvers niet is vermeerderd. 

Ik zal den lezer niet vermoeien met een opsomming van die prenten. Er zijn er 
onder, die MULLER naar zijn eigen teekening gegraveerd heeft, en dan zijn het voorstellingen 
aan de gewijde, aan de oude geschiedenis of aan de fabelleer ontleend, en portretten 
Ook maakte hij gravures naar schilderijen van andere meesters, en wel hoofdzakelijk naar 
Dirk Barendsz, dien hij ongetwijfeld gekend heeft, Hendrick Goltzius, Lucas van 
Leyden, Bartholomeus Sprangers en Adriaen de Vries. 

De oudste dezer werken dateeren van 1589. Nemen wij in aanmerking, dat hij, 
gelijk wij zoo aanstonds zullen zien, in 1628 overleed, dan mag men zeggen, dat hij niet 
een van de werkzaamste plaatsnijders is geweest Dit is trouwens gemakkelijk te ver- 
klaren. Jan Muller stond ongetwijfeld zijn vader in de drukkerij en in den kunsthandel 
ter zijde en schijnt na diens dood de zaken met zijne zuster Marretje te hebben voort- 
gezet Steeds heeft hij, behoudens zijn nader te bespreken verblijf in 't buitenland, in „den 
Gulden Passer*' gewoond, eenigen tijd zelfs met zijn neef EWOUD CORNELISZ Muller, 
die later zijn eigen zaken begon en schuin tegenover het huis zijner verwanten „de Lies- 
veltsche Bijbel" aan den gevel sloeg, om daarmede zoo duidelijk mogelijk te kennen te 



1) Het adres daarvan luidt .ghednickt tot Amsterdam aen die Oude side in die Warmoesstraet, bij mij Harfmén 
Jantt Muller, figucrsnyder, in derf vergulden Passer". Eerst in 1568 of 1569 volgde hij de weduwe van Jan Ewoutsz 
in deze zaak op. 

84» 



268 JAN HARMENSZ. MULLER. 

geven, dat, zoo zijn verwanten al aan den voorvaderlijken godsdienst waren getrouw gebleven, 
hij met de nieuwe leer medeging. 

De portretten, door Jan Muller gesneden, verdienen, dat we er een oogenblikbij 
stilstaan. In een vorig opstel heb ik gezegd, dat er blijkbaar immer vraag was naar de 
portretten van sommige in dien tijd op den voorgrond tredende of van oudsher beroemde 
personen. Prins Maurits en Coornhert vinden we dus als oude bekenden uit de schil- 
dersinventarissen ook hier terug. Prenten werden toen in 't algemeen niet zoozeer gebruikt 
om in kunstportefeuilles te worden nedergelegd, als wel om op een paneeltje geplakt en 
in een lijstje gestoken bij wijze van versiering tegen den wand te worden gehangen. Men 
vindt ze in oude boedelbeschrijvingen „prentbordekens" genoemd; ook werden ze om een 
rol gewonden en zoodanig opgehangen, dat ze om gezien te worden moesten worden 
afgerold. Dit zijn de menigmaal voorkomende „prenten op roUekens." Daarmede werd 
ongetwijfeld het debiet van prenten zeer versterkt, en kwamen de plaatsnijders in de gele- 
genheid om voor hunne bewerkte koperen platen goede prijzen te bedingen. Bovenge- 
noemde wijze van tentoonstellen is oorzaak, dat zoovele fraaie prenten slechts in zeer enkele 
exemplaren tot ons zijn gekomen. 

De prenthandel van dien tijd is zeker zeer uitgebreid geweest We weten dat 
Willem Barendsz stapels prenten mede naar 't noorden nam, om ze in China of in Indie, 
als hij daar mocht aankomen, te verkoopen. De kunsthandel dier dagen had relaties overal, 
waar de goederenhandel zijn rijkgeladen kielen ging lossen, in alle plaatsen, waar men wist 
te waardeeren hetgeen kunst was. Dat de oude Muller zijne relaties te Antwerpen had, 
weten we; maar hij had zijne afnemers evengoed te Parijs, en zal ze ook teKopenhaven 
hebben gehad. Zijn zoon heefl ongetwijfeld ook voor dat buitenlandsche debiet gewerkt 
Daarvoor zullen de portretten van Albrecht en Isabella, van Spinola, vandenenvoyé 
Neyen, van Christiaen IV hebben gediend. Eigenaardig is het om na te gaan welke 
Amsterdammers van zijn tijd door hem werden geconterfeit. Prof. FONTEYN, Hendrik 
Laurensz Spiegel en Jan Pietersz Sweelinck, van de voomaamsten, die de stedemaagd 
toen kon aanwijzen. De beide eerstgenoemden hebben ongetwijfeld tot den kring zijner 
goede bekenden behoord. Zijn vader immers was een ijverig rederijker, lid van de oude 

t 

kamer, waartoe Spiegel, wiens werken door COOL, des ouden MuLLERS schoonzoon, 
werden uitgeven, en ook Dr. FONTEYN behoorde. Het is niet onmogelijk, dat de jonge MULLER 
en FONTEYN, mannen vrij gelijk van jaren, elkander daardoor hadden leeren kennen. 
Fonteyn's portret is een dergene, waaraan men het talent van Muller het best proeven 
kan. Ik heb gemeend den lezers daarvan hierbij een reproductie te moeten geven. 

Van MuLLERS lotgevallen is ons weinig bekend. Van zijne naaste omgeving kan 
ik echter het een en ander mededeelen, dat ook eenig licht op hem werpt 

Bij den dood van zijn ouders had hij een broeder en drie zusters in leven. De 
oudste dezer zusters was gehuwd met een gegoeden wijnkooper, Breevliet genaamd, en 
woonachtig op den Oudezijds- Voorburgwal, tegenover de Bierkay, in 't wapen van Oudewater. 



PHOTOGRAVURE 

NAAR HET 

door Jan Harmensz Muller in koper gesneden 

PORTRET 

VAN DEN AMSTERDAMSCHEN HOOGLEERAAR 

JOHANNES FONTEYN, 

geboren 1574, overleden i6a8. 



Het origineel van dit portret^ toegeschreven aan 

THOMAS DE KEYZER, 

is thans het eigendom van den Heer Jhr. Mr. A. L. E. de Stoers, Buitengewoon Gezant en 
Geiwlmachtigd Minister van Z. M. den Koning der Nederlanden bij de Fransche Republiek^ te 
Parijs^ die het aankocht in de Brakke Grond te Amsterdam^ September 188 1. 



JAN HARMENSZ. MULLER. 



2^ 



Eene andere werd de vrouw van Adriaen Hendricksz Boot. *) Deze in 1619 afwezig, 
gelijk zoo aanstonds zal blijken, was vermoedelijk de beroemde waterbouwkundige en inge- 
nieur, die in 16 14 door Philips III, koning van Spanje, naar Mexico werd gezonden, om 
daar het werk van verschillende droogmakerijen te leiden. 

De derde reikte op vrij gevorderden leeftijd hare hand aan CoRNELlS DiRCKSZ 
Cool, een van Bommel geboortig boekverkooper, die weduwnaar was van een dochter 
van Jacob Gijsbertsz of Gijsberti, een van de voornaamste, zoo niet de voornaamste 
notaris in dien tijd te Amsterdam. Voor een door hem bezorgde uitgave van Spiegels 
yfiertspieger^ vervaardigde JOHAN MULLER, die toen nog niet zijn zwager was, des dichters 
portret, waarvan wij zooeven spraken. CORNELis CoOL was een dier vrienden of goede 
bekenden van VONDEL aan wien deze in 165 1 een zijner in druk verschenen gedichten 
ten geschenke zond. Op dezen VoNDEL-vriend werd het eerst in dit tijdschrift de aandacht 
gevestigd door den heer Unger*). Maar Jan had nog een broeder Adriaën Muller, 
die aan de Leidsche Hoogeschool den titel vsln licentiaet in de beide rechten had ver- 
kr^en*) en zich te Emmerik had nedergezet, waar hij zich weldra het ambt van Stads- 
secretaris zag opgedragen. Van daar bracht hij in 1609 zijne bruid, eene jonge weduwe, 
mede, om hier ter stede, in tegenwoordigheid zijner bloedverwanten, het huwelijkscontract 
te teekenen en voor schepenen te trouwen. Dit contract had voor bovengenoemden notaris 
Gijsberti plaats den 23 September 1609. Adriaen werd hier bijgestaan door zijn vader 
en zijn broeder, van wier handteekeningen wij hier een fac-simile geven. 




In Balen's geslacbtsl^st der Dordsche familie Boot komt hij niet voor. Evenmin in JU opgaande ünU van 'tfe^ 
slacht Boot." ^ ri, s 

Zie Oud-Holland^ II, bl 301. Wij hebben hiermede tevens de vraag beantwoord, daar ter plaatse door den Heer Ungbr 
gedaan. Deze Coql had een broeder Wessbl Cool, kleermaker van beroep, die mede met eene dochter van Gijsberti gehuwd wai. 

Hij werd den ai Februari 1601, op zsjarigen leeftijd, aldaar als student ingeschreven. Volgens deze opgaaf zou 
h^ in 1585 of in 't begin van 1586 geboren zijn. De ondertrouwacte noemt hem echter a6 jaren oud in September 1609. 
Dan zou hij in 't laatst van 1582 of in 1583 geboren zijn. Een der opgaven is dus onjuistv Dergelijk veischil in, naar 
men zou meenen, vertronwbare gegevens komt honderdmaal voor. Het bemoeielijkt den arbeid des onderzoekers niet weinig 



270 JAN HARMENSZ. MULLER. 

Het huwelijkscontract bevatte de gewone bepalingen ; doch vermelding verdient dat 
de bruidegom looo gl., de bruid, CüNERA VAN DE Graef, sedert twee jaren weduwe van 
JOHAN VAN of TEN Broekhoff, daarentegen 4000 gl. mede ten huwelijk bracht. 

Deze Adriaen Muller heeft zijne familie heel wat onaangenaamheden bezorgd. 
Reeds hadden zijn ouders, die de spilzucht van den jongen rechtsgeleerde kenden, in hun 
testament zoodanige bepalingen gemaakt, dat hij zijn deel in het huis ,.de Gulden Passer'* 
niet zou kunnen aanspreken, maar dat dit deel ten behoeve van zijn kinderen en zijn eigen 
noodzakelijkste levensonderhoud zou blijven verbonden. Toch had het den ouden Muller 
niet belet Adriaen groote sommen voor te schieten, waarvan deze in 1619 nog 900 gl. 
te betalen had. En ook zijn broeder, zijne zuster en zijn zwager hadden hem moeten 
bijspringen') in de hoop, dat hij daarmede eindelijk uit zijn schulden zou worden gered. 

Compareerde etc. Jan Muller, plaetsnijder, ende Maritgen Harmans, 
geassisteert met Jan Valcxsz, haren gecooren voocht in desen, ende beloofde 
en toestonde, ter ernstiger beede en begeerte van Mr. Adriaen Muller, 
haren broeder, als dat zij voor hem verschieten en betalen souden de sonmie van 
300 gulden aen Marry Jacobs, ende verwachten om daervan weder van haren 
voorsz. broeder voldaen te worden, so wanneer hij van zijne voordere schulden 
daarmede hij jegenswoordich belast is, sal sijn ontlast. Desgelijcx compareerde 
PiETER DiRCXSZ Brevliet, diewelcke ter ernstiger beede als vooren overgaf en 
toestonde, dat hij al soodanige 300 gulden als hij van den voorz. ADRIAEN MULLER 
hebben moet van verstreckte penningen, soude jaerlijcx innen ende opbeuren bij 
gedeelten van de jaerL huyren den voorz. Mr. ADRIAEN MULLER competerendc 
voor zijne portie van den huyse mette appendentien van dien, genaemt de Vergulde 
Passer, mits dat daervan te vooren jaarlicx betaelt sall sijn Albert Jansz FlEMP 
van de rente van 600 gulden hooftsomme, daermede de voorsz. Adriaen Muller 
belast is, tot dat bij hem de voorsz. somme sal sijn afgedaen. Enz. ') 

JOHAN Muller teekent: Johan Muller H. F. 

Het schijnt echter alles te vergeefs te zijn geweest. De moeielijke finantiëele 
omstandigheden, zoo ze zich al tijdelijk hebben verbeterd, hadden dit treurige gevolg, dat 
Adriaen in 1634, beladen met schulden, verre boven zijn vermogen reikende, in 't graf 
daalde. Dat was een geweldige schande voor de familie, te meer omdat de weduwe, die 
haar huwelijksgoed wilde redden, en hare dochter er over dachten den boedel met den voet 
te stooten. Toen besloten de bloedverwanten, en COOL, die een vermogend man schijnt te 
zijn geweest, sloot zich bij hen aan, om het deficit te dekken. De onbekende bijschrift- 
dichter zei inderdaad niet te veel, toen hij onder Cool's portret door jAN LiEVENSZ 
schreef, dat hij leefde „voor die sijn in de lij." Zijne aangehuwde familie ondervond er 
de waarheid van, en onze achting voor de persoonlijkheid van den kunstlievenden boek- 
verkooper gaat er niet op achteruit. 



^) Ook de kirideren van Breevuet. Hij eende van hen 20 Juni 1630 nog 600 gL 
9) Prot. Not. L. Lambbrti. 1615. 



JAN HARMENSZ. MULLER. 271 

Adriaens spilzucht heeft wellicht den middelen van den ouden MULLER veel afbreuk 
gedaan. Toen diens boedel gescheiden werd tusschen zijn kinderen, ging het credit het 
debet nog geen i looo gU te boven. Daaronder was het op 9500 gl. geschatte huis waarin 
de zaak gedreven werd begrepen. E^n fragment van de rekening kan ik hier over- 
leggen. 1) 

Capüael moet hebben Ao. 1619, 14 January. 

Van thuys genaemt d'gulde passer *. , ƒ 9500 — 

Van pampieren^ boecken, gebonden en ongebonden 3406 — 

Van parssen, letteren, figuren, en *t gereetschap van dien . . 1000 — 

Van een graff 200 — 

Van uytstaende schulden 800 — 

Van compt«° per Cassa 395 — 

Van Hillegontie voor bedde en bulsters 100 — 

Van huisraet, clederen en juweelen lOoO — 

Van houwelijckse goederen Lysbet, Hillegont, Adriaen aen geit, 

Jan aen platen 2400 — 

ƒ 18801— 
Belasting van 't capitael afgetrokken 8051 — 

blijft \ / 10750— 

Dat Jan bepaaldelijk de prentenhandel dreef en dien na zijner ouders dood overnam 
blijkt, behalve uit de beschrijving zijner nalatenschap, uit den laatsten post. Hem werd aan 
platen toebedeeld hetgeen de gehuwde dochters voor huwelijksgoed hadden genoten en 
Adriaen bereids aan geld had gebeurd. Dit alles moest echter voor eene zuivere reke* 
ning in den boedel weder worden ingebracht. 

Bij de scheiding werden aan Marretje, toen nog vrijster, „de parssen, letteren, 
figfuren ende gereetschap van dien" toebedeeld, benevens een deel van de „boecken en 
pampieren" tot een bedrag van 1305 gl., terwijl Jan werd tevreden gesteld met den over- 
gebleven winkelvoorraad. 

Toch was het voor het tweetal, dat de zaak zou voortzetten, noodig eene bizondere 
regeling te treffen met de overige erven, om dit te kunnen doen. De verstandhouding 
tusschen de broeders en zusters was echter zoo goed, dat daaraan geen bezwaren ver- 
bonden waren. De volgende overeenkomst was daarvan het gevolg. 

Op huyden den 14 Januari Ao 1619 compareerde enz. Jan Muller, plaet- 
snijder. Meester ADRIAEN Muller, Licentiaet in de rechten, Secretaris der stadt 
Emmerick, PlETER DiRCKSZ Brevliet, als man en voocht van Lysbeth Harmans, 
Hillegont Harmans, geassist*. met Jan Valcxsz, haren gecoren voocht in desen, 
mits de verre absentie van Adriaen Hendricksz Boot, hare man, en de Marritgen 
Harmans, geassisteert met Mr. Jan Pietersz Sem, haar gecoren voocht in desen, 
te samen kinderen en erffgenamen van wijlen HarmenJansz Muller, fig^ersnij der. 



ï) Prot. Not. L. Lamberti. 



272 JAN HARMENSZ. MULLER. 

en Meynsge Adriaens van der Veer, poorteren deser stede, Verclarende dat 
zijL metten anderen rijpelijck overgeslagen hebbende de middelen van den boele by 
hare ouders nagelaten, volgens de staet aen desen gehecht, elk nae hem genomen 
hadden zijne ofte hare portie en gedeelte in den imboel, huysraet, clederen en 
juwelen by hare voorsz. ouders nagelaten. Voorts dat zij metten anderen waren 
verdragen als dat d'voorsz. Maritge Harmansz alle d'resterende goederen en 
middelen van de voorsz. boele, (uytgenomen het huys genaemt de vergulde passer, 
gestaen in de Warmoesstraet, mette huysgens daerachter aen, gestaen intBlaeula- 
kens-steechgen, met het graff in de Oude Kerck,) soude behouden, mits dat zij 
sal betalen de schulden en lasten in de aengehechte staet gemelt, u5rtgesondert de 
lasten op het voorsz. huys staende, ende namentlicke aen haer selve de somme van 
twaelfhondert gulden over haer huwelijksgoet ende prelegaet haer besproocken, 
ende dat sij bovendien binnen 's jaers nae daete deses betalen sal aen de voorsz. 
HiLLEGONT Harmans de somme van driehonderttachtich gulden, ende aen de voorsz. 
JOHAN, Mr. Adriaen, en Pieter Dircksz (Brevliet) elckx de somme van vierhondert- 
tachtich gulden. Enz. *) 

Nadat de acte door partijen geteekent was, kwamen de getuigen aan de beurt en 
het is op deze dikwijls gansch niet onverschillige personen — geheel anders dan thans — 
dat ik even de aandacht moet vestigen, omdat zij op dat oogenblik naar alle waar- 
schijnlijkheid leerlingen van Harmen Jansz, of wel van Jan Muller waren. 

Die mede-onderteekenaars waren „Abraham Hendricksz Doeckman en Hendrik 
ROGHMAN, plaetsnijdersgesellen", van wier handteekening ik hier facsiniile*s geef. 

Van den eerste der hiergenoemde kunstenaars worden, voor zoo ver ik weet, 
geen werken gevonden. Hij wordt in 1642 nog genoemd als eigenaar van een huis 
in de Runstraat, doch zonder vermelding van beroep. Van Hendrik Lambertsz Roghman*) 
daarentegen, die ongetwijfeld dezelfde persoon is als de plaatsnijdersgezel in den Gulden 
Passer, zijn een paar gravures als proeven van zijn kunstvaardigheid aanwezig, die de 
bewondering van Kramm gaande maakten. Beide zijn portretten. Zij dragen de jaar- 
tallen 1627 en 1639. Men vindt ze in het werk van Kramm beschreven. Het 
oudste is de beeldtenis van Mr. Barent Jansz Potgieter, ook wel genaamd Pot, 
van Munster, een Amsterdamsch chirurg, die in 1602 in 't gild werd aangenomen 
en van 1604 tot 1611 overman, proef- en bosmeester was. Men zou bijna zeggen, 
dat het portret bij gelegenheid van zijn 25-jarige ambtsvervulling was vervaardigd! 



1) Prot Not L. Lambbrti. — Het huis en het graf werden in 't gemeen gehouden. De oude MULLSR was 
borg gebleven voor zijn zoon Adriabn tot een bedrag van 900 gl. waarvoor hij was aangesproken geworden. 

*) Hij kan van eene Amsterdamsche üamilie zijn geweest. In 1557 woonde Akent Rogman, wever, in de lang ver- 
dwenen Peperstraat bij de Kloveniersdoelen. Hendrik was misschien wel een broeder van Roeland. 



JAN HARMENSZ. MULLER. 278 

Het andere is een portret van Hertog Arnold van Gelder, voorkomende in het 
werk van Prof. J. I. PONTANUS, Historiae Geldricae Libri XI V^ uitgegeven in 1639. 

Blijkens een vers, door hem op rijperen leeftijd, in 1647 onder het portret van 
Roeland Savry, geetst door Geertruyd Roghman, vervaardigd, tokkelde hij ook de 
Nederduitsche lier. Het voorbeeld van den ouden Muller had aanstekelijk gewerkt! 

Jan Muller verkreeg in 1625 nog een octrooi van de Staten Generaal om te mogen 
in den handel brengen het portret van den koning van Denemarken, door hem gesneden 
naar de schilderij van PlETER Isaacsz *). Het was in 't zelfde jaar dat Marretje met 
COOL in 't huwelijk trad en hem ongetwijfeld de drukkerij ten huwelijk aanbracht, zoodat 
we het er voor mogen houden, dat Muller alleen als boek- en kunstverkooper in den 
Gulden Passer gevestigd bleef. 

Drie jaren later kwam hij te sterven. Hij werd in het familiegraf in de Oude Kerk 
bijgezet, op den 18 April 1628. 

Over de verdeeling van zijn boedel had hij allerlei bepalingen gemaakt, die wij 
terugvinden in den 

Inventaris . . . van alle goederen, nagelaten by z. JOAN yiVlASEK^plaetsnijdery 
sulcx hij deselve mette doot deser werelt ontruymt ende nagelaten heeft, door mij 
onderschreven, openbaar Notaris bihnen Amsterdamme residerende, ten versoecke 
van den E. Mr. Adriaen Muller, Hüygh Jansz Crayestevn, als voochdt van 
de twe nagelaten kinderen van Z. PlETER DiRCKSZ Brevliet, Hillegont Harmens 
en CqRnelis Dircxsz Cool. 



In den eersten een vijffde part aen 't huys genaemt „de Vergulde Passer", 
gestaen in de Warmoesstraet, belast int geheel met 75 gulden 'sjaers. 

Een huysgen staende achter 't voornoemde huys, uytcomende int Goyers- 
steechgen, waervan hij de vruchten gemaeckt heeft aen zijne zuster HiLLEGONT 
Harmens, soo lange sij leven sal, 't welck hier dient voor .... memorie 

Een vijffde part in een graffstede, gelegen in de Oude Kerk onder het grote Orgel. 

Eenige gebonden boecken in de latijnsche, . franscoise en italiaense talen, 
dewelcke van de const niet en tracteren en oock met geen const beleyt en zijn, 
dewelcke onnodich zijn hier te specificeren, alsoo hij deselve aen zijn broeder 
Adrlien Muller heeft gelegateert, maar dient oversulcx voor . . . memorie 

Wat den huysraet en imboel belangt is maer onnodich alhier te specificeren, 
alsoo hij deselve met noch een torkoys rinck van zijne moeder gecomen, het con- 
terfeijtsel van zijne z. vader, mitsgaders een rondeken van den berch van Calverien, 
mette penne gemaeckt, heeft geprelegateert aen zijne zuster Marretge Harmens, 
maar dient mede hier voor memorie 

Eenige stucken en papieren, rakende de scheydinge van zijn ouders boel 
en goederen, tsamen gebonden en gesegelt mettet cachet van mij Notaris, hier 
voor memorie 

Een rond doosgen met eenige medalien, toegesegelt. 



s) Kramm. Bijvoegsel. 

35 



274 JAN HARMENSZ. MULLER. 

Noch een wit ront doosgen met silveren medalien, toegesegelt als voeren. 

Cosmographie Tholomei met kunst en teykeningen beleyt en toegezegelt 

Een boeckgen in 4* met kunst. 

Een packett met teykeningen. 

Een packett met teykeningen. 

Een packett met printen om zes boecken te maecken. 

Twe kaertboecken Ortelii ongebonden. 

Een packett oude teyckeningen en misdrucken. 

Een packett kunst 

Noch een packett kunst. 

Een packett met teykeningen. 

Een compartement van gewolft papier met drie stucken, mette pen gedaen, 

heel schoon. 
Een vierkant schilderijtgen van Venus op 't bed. 
Twe ronde tronien met coleur geschildert 
Noch twe ronde tronytgens met swart en wit 
Een ronde lieve vroutge. 
Een rondtge van swart en wit, poetery. 
Pan, in een cleyn vierkantgen van swart en wit. 

Een schilderijtgen van swart en wit van DiRCK Barentsz, op geolijt bordpapier. 
Een groot stuck van de stad Napels, mette pen gedaen. 
'Tconterfeytsel van Pater Jan Mey aen Claertgen Pieters (Brevliet) 

geprelegateert 
Twintich tronien van steen. 
Een conterfeytsel van GOLTZIUS. 
Een geel geschildert paert 
Twee koffers, een groot, toegesegelt, met banden, en 't cleyn zonder 

banden, ongesegelt. 
Een witte kist, toegesegelt 
Een vuyre ksis waarin eenige kunst en gedruckte printen, oock dVoorsz. 

uyttredcende lade besloten is. 
Twe groote schilderijen in Italien gemaeckt, zonder lijsten, d*eene van de 

geboorte, en d'ander daer de copers en vercopers uyt den tempd 

gedreven wierden. 

Silverwerk. 

Een silvere effen schael. 

Zeven silvere lepelen. 

Een Oosters kistgen toegesegelt, mét koperen platen, *) 

Deze inventaris brengt nog eenige merkwaardige bizonderheden betrefiende den 
meester aan 't licht 

Muller graveerde niet alleen, maar teekende blijkbaar kunstig met de pen. De 
erven troffen in den boedel „heele schoone stucken metten pen gedaen" aan, en ook een 
groot stuk pennekunst voorstellende de stad Napels. Zou hij die teekening naar de natuur 
hebben gemaakt.^ Zou de aanwezigheid van Italiaansche boeken en van een paar schil- 



^) Prot Not L. Lamberti. Amsterdam. Waarschijnlijk dd. x6 Mei i6s8. 



|AN HARMENSZ. MULL'ER. ?75 

derijen, in Italië gemaakt, op deze vraag geen bevestigend antwoord kunnen geven? Wij 
zouden dan mogen aannemen, dat hij de gebruikelijke Italiaansche reis had gemaakt en 
in dien tijd wellicht zich op de schilderkunst heieft toegelegd? Inderdaad vinden wij zijn 
portret terug onder de „Roomsche Bentvogels", die de Heer Fr. D. O. Obreen in het 
derde deel van 't Archief voor Nedertandsche Kunstgeschiedenis ^) reproduceerde. Nu'blijkt 
het, dat de gissing in het bijschrift bij die afbeelding gewaagd, niets te gewaagd is geweest. 
Jammer dat wij niet zeker weten wanneer hij er geweest is. 

Onze kunstige plaatsnijder droeg onder de lustige bentvogels den bijnaam van de 
„Groenvink" I Waaraan hij dien bentnaam had verdiend kunnen we thans niet meer 
nasporen. Zagen zijn guitige kunstbroeders hem nog voor een weinig „groen" aan, dan 
heeft hij op tateren lecfUjd zich heerlijk op hen gewroken. Zijn werken hebben zijn naam 
voor goed der vergetelheid ontrukt. 

Het is niet onwaarschijnlijk, dat MARRETGii: MuLLER na JOHANS dood de zaken 
'heeft voortgezet Immers, ook prenten met het adres van CooL, haren man, zijn bekend. 

Het is niet onwaarschijnlijk dat CooL, — blijkens zijn ondertrouwacte zelf een War- 
moesstrater — , bij zijn huwelijk of na zijns zwagers dood in „den gulden passer" trok 
Zeker is het, dat bfj tusschen 1628 en 1631 in hetzelfde deel van de Warmoesstraat, en 
ongeveer op dezelfde hoogte, (tusschen de St. Jans- en St. Annastraat) woonde, waar de 
MuLLERS indertijd gevestigd waren, zonder dat zijn huis bepaald is aan te wjzen. Wij 
weten echter, dat hij tusschen 1651 — 1654 in 't zelfde huis woonde, waar de gulden passer 
eens had uitgehangen. ' 



1) Een enkde opmerking naar aanleiding van de* Heeren Obkeen's tijilsbepalinf dier iDerkwaardige teelceningen 
De teekeniag gemerkt F. schijnt mij de oudile te tijn of adthans blifkens enkele der cosliunes eenige oudere per- 
sonen voor te stellen dan de andere teekeningen. Zij heefi iikderdaad ieti van een copie eeoer muurteekenlng. Wellicht 
een der voorioopen van d^ene, die Schellmck lag. En dan la 't ook ntet onwaarschijnlijk, dat er penonen op Mne 
tedtening djn afgebeeld, die niet Iegelijk maar achtereenvolgeos in de bent kwamen. JOAH Mi;llbii det er bepaald nit 
als een jongman Tan hoogstens aj jaren; Hbnduk db Kbvzek hI ieu ouder. WIJ hoaden bet er daarom TOor, dal dit 
portret nog v&6r iSoo misschien van omstreeks 1395 dateert. De naar onze loiicbt en te nleuwerwetscbe kleeding van sommige 
der TooTgestelde personen geeft geen veUigeamaalstaC De ItaUoansche mode mogen we idet met Hollandichen tijdmaat neten. 






o B 






M flrq 
►^ „ut rt 




o p p < 

p ^ o ' 



nsiunnip i9j^ 9 *jS9q 




U*^ 



00 (n 

00* 



5" 






?^e^?^5. 



A 



P ^ 



w§ >fc 






&" g 



^ 



N 25 



O 
W w 



ë 5 >0 



O^ 






tv 



H- 



^0 






ff o 
p p^ 



ft 



B ^ 



o 






iS:,ï^p.5?^> 
- - « w 2 



f 

S' g. 

• o^So 

, » Ou <* ^^ 

^ na P 

M ^ £< 

g gp Tr 




w 

r 

> 
n 

E 
H 

r 
(/) 

H 

ü 
W 

C 

r 
r 
w 

!^ 



JAN PIETERSZ SWEELINCK EN ANDERE ORGANISTEN 
DER i6" EEUW. 

DOOR 

Mr. Ch. M. D o Z Y. 



^"^ ' MTRENT bovenstaanden Nederlandschen componist was tot voor een 

vijfUenta] jaren niets bekend. Aan zijn naam knoopten zich onbestemde 
herinneringen vast van een tijdperk, waarin Nederland ook op dit gebied 
der kunst den toon aanga£ Die naam was evenwel voor het thans 
levend geslacht slechts een klank; tijdgenooten mochten dien met lof en 
eerbied genoemd hebben, zijn drager was nu eene mythische persoonlijkheid, Hoe is dit 
anders geworden! 

De Maatschappij van Toonkunst had reeds in 1863, nadat zij in hare CoUectio 
optrum musicorum Batavorum Saeculi XVI een basis gegeven had voor onderzoek op 
dit gebied, daartoe verder opgewekt door prijsvragen omtrent oude Nederlandsche toon- 
kunstenaars in 't algemeen en omtrent SwEELINCK in het bijzonder. Een hoogduitsch 
antwoord werd in 1868 der bekroning waardig gekeurd; in hetzelfde jaar kwam de Veree- 
niging voor Noordnederlandsche muziekgeschiedenis tot stand. Dr. J. P. HEYEgaferden 
aanstoot toe; in geestdriftvolle woorden riep hij op tot ontginning van dit geheel braak- 
liggend terrein van onderzoek. Met onverflauwden ijver werkte hij voort aan „dit kind 
zijns ouderdoms", zooals hij het zelf eens noemde, waaraan hij dan ook de beste krachten 
zijner laatste levensjaren ten koste legde. 

Wat SwEELiNCK betref^ bleef zijne aansporing tot onderzoek allerminst zonder 
goed gevolg. Wist men vroeger letterlijk niets omtrent zijne levensomstandigheden en 



278 . JAN PIETERSZ. SWEELINCK, ENZ. 

kende men slechts enkelen zijner werken; in 1876 kon de heer TiEDEMAN in een uitvoerige 
bio-bibliographie het totdusver bekend gewordene samenvatten. In het Tijdschrift voor 
Nederlandsche Muziekgeschiedenis I 50 vg. deelde ik nog eenige nadere bijzonderheden 
mede; het zij mij vergund hier op het onderwerp terug te komen. 

De eerste vraag, die zich aan den biograaf van SWEELiNCK voordoet, betreft zijn 
geboorteplaats. Het spreekt wel van zelf dat het hoogstens een S3nnpatisch belang kan 
hebben, te weten, waar hij het levenslicht aanschouwde. Maar de kwestie is zoo warm 
besproken, dat ik haar niet kan laten rusten. Spreekt de traditie voor Deventer, Sweelinck'S 
portret noemt hem een Amsterdammer en in zijne huwelijksacte, alhier gepasseerd, wordt 
geene geboorteplaats genoemd, zooals meestal geschiedde bij van elders komenden. 
Geen dezer argumenten kan evenwel afdoende geacht worden. De overlevering kan ook 
op de afstamming der familie doelen; Amsterdammer mocht hij heeten ook zonder hier 
geboren te zijn, immers hij woonde zijn geheele leven in de Amstelstad. Eindelijl^ de 
plaats van herkomst werd bij inteekenacten evenzeer voor geboren poorters als voor 
vreemdelingen bijgevoegd of — en dit komt wel meer voor — vergeten» Het doopboek 
alleen zou hier den strijd kunnen beslechten en dit begint voor beide plaatsen pas na 
SWEELINCKS geboorte in het voorjaar van 1562. Ook mij is het niet gegeven de waarheid 
in het punt in kwestie onwederlegbaar aan te toonen. Het eerst vond ik met zekerheid 
van Sweelinck'S vader {Mr. Pieter^ organist)^ melding gemaakt op i November 1566. 
Toen nL werd in de Oude Kerk een jongere zoon van hem en Els JEN Jans gedoopt, 
Gerrit* de door VAN Mander vermelde schilder. Getuigen waren Meynert Zywers 
en Mr. Jacob Mathk . . 

Langs twee wegen kunnen wij nagaan hoelang Mr. PlETER toen hier woonde, 
door het jaar zijner aanstelling na te sporen of te zien, wanneer hij hier het burgferrecht 
verwierf. Dat hij van elders kwam is wel waarschijnlijk. In 1556 en vóór 1574 woonde 
JOHAN SWELYNCK met Claeske, zijne vrouw te Deventer *) en de bovengemelde tra- 
ditie zal wel niet geheel zonder grond zijn. Kwam Mr. PlETER uit den vreemde, dan 
zal hij ter verwerving zijner aanstelling hier toch wel biu-ger geworden zijn en de namen 
der nieuwe poorters- vinden wij in de Tresoriers-rekeningen zonder gaping \zxi 1531 
af, geboekt Welnu, de eenige naam, die ten deze in aanmerking kan komen is die van 
PlETER Jansz., organist van Duyren geboerén, coqpman in dato 11 October 1559. Hier 
schijnt het licht ontstoken te zijn, vooral zoo men bedenkt dat een klein plaatsje in de 
nabijheid van Deventer, Duren heet. De ongewone toevoeging: geboeren schijnt te 
kennen te geven dat de nieuwe poorter van eene andere dan zijne geboorteplaats 
naar de Amstelstad verhuisde. Mogelijk is het zeker dat organist hier geen beroep 
aanduidt, maar bij den naam hoort 



1) TiBDEMAN, bl. 88. Hun zoon Arent, gehuwd met Machteld, oefende het barbiersambacht uit. Orerigena 
zal ik de eerste zijn er mij tegen te verzetten dat de eerste, beste Jan Swicblinck in het midden der i6e eeuw voor den 
vader van Mr. Pieteb worde aangezien. 



•^ ^ .^ 




Facsimile van eene bladzijde uit het Album Amicorum van Joach. Morstus, 
berustgndb in dr stadsbjbliotheek tk lufeck. 



JAN PDETERSZ. SWEELINCK ENZ. 279 

Ernstiger bezwaar is het evenwel, dat in een straks mede te deelen acte van 1585 
de vader van den grooten organist» Pieter Zwybertsz. genoemd wordt. Niet alleen hier 
had ik dezen naam nooit aangetroffen, maar ook de heer Mr. v. DOORNINCK had de goed- 
heid mij mede te deelen, dat hij in Overijssel volslagen onbekend was. Het ligt zeker 
voor de hand Zyvertsz te lezen, ik zou deze gissing evenwel niet durven wagen, had 
mijn oog niet een analoog geval getroffen in Rayer HwUYGENzoon, 1539 aldus genoemd *) 
en werd dit precedent niet voltooid in de begrafenisacte van DiRCK Zybertsz in dato 
30 October 1574*). 

Hoe men den naam ook moge lezen, wij moeten hem in verband brengen met 
bovengenoemden PlETER JANSZ. en daartoe is de doopgetuige van 1566 MeynertZywers 
slechts een zwakke brug. De eenig mogelijke oplossing acht ik den naam van Sweelincks 
vader aldus te lezen: Pieter Jan Zwybertsznszh. 

Of nu hier nog een familienaam aan toegevoegd moet worden laat ik in 't 
midden, de aandacht trekt het onwillekeurig dat nergens, waar ik den ouden organist 
vermeld vond, (en dit was niet zoo zeldzaam) ik den naam SWEELiNCK las; vooral in d^ 
acte van 1585 valt dit in het oog, waar de zoon wel aldus genoemd wordt. Aan eene 
Suavis lingua denk ik natuurlijk niet, maar kan niet ELSJE jANSdr. aldus geheeten hebben ? 
Te Duren zal het aantal familienamen wel niet groot geweest zijn en de behoefte daaraan 
zal door de kinderen te Amsterdam wel sterker gevoeld zijn dan door den vader te Deventer. 
Maar bestond er werkelijk identiteit tusschen beide PIETERS? Ik meen dit hoogstwaar- 
schijnlijk te kunnen maken en daarmede Jan Pietersz. voor goed van den IJssel naar de 
Amstelstad te kunnen doen verhuizen. Wisten wij slechts^ wanneer zijn vader aangesteld 
werd. Maar het archief der Oude Kerk laat ons hier in den steek en het vers van Vondel, 
die in 1652 bij den dood des kleinzoons uitriep, dat het orgel een eeuw lang door grootvaAr, 
zoon en vader was bespeeld, kan wel niet als chronologische opgave dienstdoen. Alleen 
lezen wij in het bekende handschrift van SCHAE? dat hij het orgel der Oude Kerk en dat 
der Nieuwe Zijds Klapel bespeelde. 

Waar bekleedde nu de bewuste PlETER Jansz. zijn post? Er waren destijds, 
naar ik meen, slechts vier orgels te Amsterdam, in de twee kerken en in de twee 
kapellen. Welnu, zooals uit bijlage III hierachter zal blijken, was aan de Nieuwe 
Kerk reeds in 1550 en nog in 1570 Claes Jansz organist en aan de Oude Zijds 
Kapel vinden wij Frans Arents het eerst in 1551 en het laatst in 1562. Pieter 
Zwybertsz. zou dus Pieter Jansz. in de Oude Kerk moeten opgevolgd zijn, 
tenzij hij oorspronkelijk alleen aldaar aangesteld en pas later zijn naamgenoot in 
de HeiUge Stede opgevolgd is. Dit is het eenige deurtje, waardoor men de 

ï) Oudste Grafboek der Oude Kerk, Middelkerk. 

s) Nieuwe Kerk ; met zijn huisvrouw op den Achterburgwal over 't slot van Gelre ; liet drie onmondige kinderen na. 
Peter SwrrrERTSSOEH vond ik in eene acte van kwijtschelding van 23 Decemb. 1500, Claes Zwitterts 1540 in een 
renteboekje van 't Lieve Vrouwen gasthuis en Switsebt Claeszoou als eigenaar van een graf in het Buitenlandschoor 
omstreeks 1550. 



n 



280 JAN PIETERSZ SWEELINCK, ENZ. 

identiteit ontwijken kan. Opvolging in de Oude Kerk wordt bovendien onwaarschijn- 
lijk door den korten duur, dien het organistschap van PlETER JANSZ. aldaar zou gehad 
hebben. Immers naar wij straks zullen zien, overleed een organist dier kerk in 1555; 
PlETER ZwijBERTSZ was het reeds in 1566. Wiljmen dus een afzonderlijken PdeterJansz. 
aannemen en hem niet in de Heilige Stede plaatsen, dan kan men hem geen langen duur 
van ambtsvervulling toeschrijven. Maar men oordeele zel£ De acten zijn med^ededd 
en voor en tegen is besproken. 

Vóórdat ik mededeel wat mij omtrent SWEELINCK*S vader (om mij voorzichtig uit te 
drukken) bekend is geworden, moet ik even stilstaan bij zijn al of niet onmiddelijkea 
voorganger. Mr. CORNELIS SCAGEN vond ik het eerst vermeld in een stuk, dat mijo 
aandacht trok in het archief der Oude Kerk en mij belangwekkend genoeg voorkwam 
om het in zijn geheel te copiéeren en als bijlage hierachter te doen afdrukken. 

Het is een contract van aanbesteding van een nieuw orgel in 1544^). De geldelijke 
toestand der kerk was destijds, wilde men kerkmeesteren gelooven, allerdesperaatst Bij 
Koninklijk plakkaat van 17 November 1533 was gelast dat „alle geestelijcke luyden bij 
ghescrifte souden stellen alle hoir jaerlicksche incoemsten omme uit die selve goederen te 
hebben zekere mulcte tot wederstande van die turcken.'* Spoedig werd hieraan niet 
voldaan. Eene memorie, naar aanleiding van gemeld plakkaat, werd pas na 1540 opge- 
maakt; zij strekte ten betooge dat aan eene bijzondere belasting, tot welk doel dan ook, 
niet gedacht kon worden. Immers, de Oude Kerk behoefde jaarlijks groote reparatie en 
was „seer grotelicks ten achter gegaen om die quade secte, die daer God betert ghereng- 
nieert** had. Zij genoot slechts „seer sobere incompste" tot een bedrag van 9 C.g. 17 stv., 
terwijl zij aan costen van reparatie, onderhoudenisse en goetlicke diensten jaarlijks 463 Cg. 
en bovendien aan lijfrenten ruim 273 C.g. moest uitgeven. Uit testamenten, donatiën, 
grafgelden en dgl. kon zij dit deficit onmogelijk aanvullen, zoodat zij geregeld tot verkoop 
van goederen de toevlucht moest nemen. Gemeld bedrag der uitgaven werd wel is waar 
behoorlijk gespecificeerd, maar toch komt het ons meer dan zonderling voor, dat kerk 
meesteren een zoo somber tafereel hunner financiën aldus besluiten: „En hebben noch te 
maecken sekere deuren an hoechoutaer om te schilderen en een nyen orghd ter eeren Goets 
en f onderhoudenisse zynss Goetlicken dijnst al *t welck wel costen sal omtrent 2430 
Carolus guldens". Er behoorde moed toe ook dit nog te stellen tegenover vaste inkomsten 
van slechts ruim 9 C. g. ! 

Eerst een enkel woord over gemeld schilderen. Volgens Commelin zouden de twee 
binnenste deuren van 't hoog altaar in 1537 door Maarten van Heemskerk voor ƒ 270 
geschilderd zijn. Dit stemt niet overeen met de besproken memorie, die stellig tusschen 



1) Naar ik meen, is de gelijktijdige beschrijving van een i6e eeuwsch orgel althans voor ons land nletxw. Zie 
B(niW5te€n€n I 57, 62 III 85, 90 en vooral 95. 



JAN PIETERSZ. SWEELINCK, ENZ. 281 

1540 en 1545') opgesteld is. In de bijgevoegde specificatie lees ik nog eens: „in de 
eerste vier deuren te scilderen vant hoechoutaer dat tsamen costen sal 430 gids" '). 

Maar van meer belang is op dit oogenblik voor ons het nieuw te bouwen orgel. 
Aanvankelijk meende men te kunnen volstaan met „het tghele werck boven ende beneden 
te doorsien" en de gebreken te verhdpen*). Reeds spoedig echter schijnt men aan een 
geheel nieuw instrument de voorkeur te hebben gegeven. Den 7«° November 1544 werd 
daartoe een contract gesloten met Mr. Jasper Jansz. en Mr. Henrik van Nyeuwenhuys, 
beiden orgelmakers te *s Hertogenbosch. Zij zouden het oude werk daarvoor ontvangen 
en 90 C. g. bovendien *). 

COMMELIN en op zijn voetspoor WAGENAARdeelen mede, dattusschen iS3oen 1540 
een nieuw orgel gemaakt zou zijn door HENDRIK van Nieuwenhof, Meester Jan, bijge- 
naamd bestevadr, alias Hansken van Coelen en Mr. Harmen en dat hun daarvoor 
betaaald zou zijn 1320 gids.*). Een ander orgel dan het hier besprokene kan dit 
moeielijk zijn; inmiers zulk een uitgaaf deed men niet om de tien jaren. Buiten 
werking is het contract van 1545 ook niet gesteld; immers aan het slot wordt ons 
de duidelijke inlichting verstrekt dat „dyt voerscreven werrick door Myster JasPER 
tho vollen ghelevert is". De voorwaarden van ƒ 90, behalve het oude werk komt even- 
wel slecht overeen met de bovengemelde raming van / 2060. Mogelijk was anno '45 
een nader overeenkomst omtrent den prijs aangegaan. De aanteekening aan 't slot van 
het contract schijnt daarop te doelen. Dat Hansken van Coelen overigens geene 
mytische persoon is, blijkt uit een nota van voorschotten a' 45 gemerkt en gedaan aan 
Myster Jasper, Mr. Henrik en Myster Hans den Ouden •). Hendrik van Nyeuwenhüis 
woonde sinds geruimen tijd te 's Bosch, maar vóór dien tijd, en bepaaldelijk in 1532, 
te Amsterdam'). 

De organist, die het voorrecht had het nieuwe instrument in te wijden, heette 
CORNELIS SCAGEN. Veel meer dan zijn naam is mij niet omtrent hem bekend geworden. 



1) Immers, in de lijst der uit nood verkochte lijfrenten, die daarmede een geheel vormt is er eén „vercoft a XL'* en 
in 1545 was de orgelbouw begonnen. 

s) Gelukkig heb ik Comueun ook elders op onnauwkeurigheid betrapt. Niet alleen xijn de brieven omtrent 
Eggerts' collegie vrij slordig gelezen, maar de brief op blz. 428 draagt een foutief jaartal, nl. 1467, in plaats van 1457. 
Elders noemt bij een der schepenen van 1348 Ruijsch Dirck Zoelevenzoou. Deze komt in een der Oude Kerk toen 
behoorenden brief van het St. Nicolaesgilde van gemeld jaar voor, maar heet Zalensoen. 

s) Zie Bijlage I. «) Zie Bijlage II. f) Zie ook Lelong blz. 479. 

*) Mogelijk is hij Meester Jan, orgelmaker, die, blijkens het oudste in 153a aangelegde graf boek der Oude Kerk, 
fol. 93. in de Huiszitten Kapel een graf had, gemerkt met een wapenschild, waarin een faas, beladen met drie kruisen. 
De vermelding der plaats van herkomst maakt identiteit waarschijnlijk met Jan Gobils orgelmaecher tot COLIN, op wien 
een rcntebrief van 4 gld. houdende was, die 25 April 1547 verkocht werd (Bewijsreg. der Weeskam. V. fol. 54). Eene aan- 
teekening in het 4e bewijsregister. fol 280 vo., van Dec. 1541 betreft stellig zijn vader: daer Gobel dt clockgieters loods 
pkuhtt te staen nU op den Zeedijk. Deze is wel bekend en werkte reeds omtrent 1530; voluit heette hij Gobel Zaal en indien 
wij nu bedenken dat het wapen dezer laatste familie doorgaans voorkomt geiaasd van vijf stukken, de tweede foas beladen 
met drie en de vierde met twee kruisen, maar ook wel zooals het op de graCserk van Mr, Jan voorkwam, dan meen ik de 
bewQsvoering voltooid te mogen noemen. Met eene derde generatie maken wij kennis, waar wij lezen dat den 17 Novem« 
bcr 1534 MM. HH. van den Gherechte Doe^f Otte Mr. Jan d'orgelmakers zoon het bestuur over zijne goederen ont- 
namen wegens zijne onbekwaamheid die te regeeren. Keurboek D. fol. 235 vo. 
7) BoHWstieren II 212. 

36 



282 JAN PIETERSZ. SWEELINCK, ENZ, 

Mogelijk was hij uit Schagen afkomstig, mogelijk ook was hij een naamgenoot van jAN 
Jansz. Caga, die destijds het orgel der St Pieterskerk te Leiden bespeelde. Den 8**« 
Februari 1551 zien wij hem in het bcg^afenisregister der Oude Kerk, een zijner kinderen 
grafwaarts geleiden; den a/en Januari 1553 vervulde hij dien treurigen plicht opnieuw, 
Den 3en Maart 1555 vond hij er zelf de laatste ruste*). 

Wij zijn hiermede nog niet tot Mr. Pieter genaderd, maar moeten eerst in hetzelfde 

register den datum van 7 November 1557 opslaan. Wij lezen daar : ontfangen over het groef geü 

van Lysbeth Willents suster van Bogaert organist alhier in dese kerck begraven 12 Octobris 

4 — 7. Waartoe de woorden in deese kerck behooren is niet wel uit te maken, maar de lezer 

zal, evenals ik, met zekeren organist BOGAERT meenen kennis te maken, die destijds zijne 

zuster in *t graf legde en wiens eigen sterfdag op een latere bladzijde van het onderhavige 

register moet te vinden zijn. Te vergeefs zocht ik er naar; geen organist namens Bogaert is 

in de Oude Kerk begraven; wel evenwel is aldaar bekend Lysbet die organist Opdien 

naam staat een graf in de Zuiderkerk. Evenwel is dit reeds het geval in het oudste 

register, dat in 1532 aangelegd werd*), en tusschen dit jaar en 1557 lig^ de ambtstijd van 

CORNELIS SCAGEN. Hebben wij hier met eene musicienne te doen? Ik kan die vraag niet 

beantwoorden; het geval is mij raadselachtig. Om de verwarring te voltooien stond, 

blijkens gemeld register, (fol. 88) in de St. Sebastiaanskapel een overigens anders gemerkt 

graf op naam van Lysbeth Cornelis en heeft een latere, maar i6e eeuwsche pen hier achter 

gevoegd: organist. Deze Lysbeth kunnen wij desnoods ecarteeren door haar niet als 

CORNELlsdr. te beschouwen, maar als vrouw van CORNELIS (SCAGEN?). Lysbet die 

organist zou dan in 1532 en Bogaert Willemszoou in 1557 het orgel kunnen bespeeld 

hebben. Deze oplossing heft de tegenstrijdigheid op, maar is niet van willekeur vrij te pleiten. 

Verlaten wij het terrein der gissingen voor het gebied der historie, dan krijgen wij 

vasten voet in 1566. Toen was de vader van Jan Ptetersz. Sweelinck organist en 

woonde hij in de Heintjehoeksteeg. Een paar jaar later was hij naar de Niezel verhuisd; 

in het toen geformeerde register van de huizen der fugitieven vinden wij daar ter plaatse 

een huis, gecomen van Henrick Zweerts belent Jan Duyn^ bewoont bij Mr. Pieter^ 

organist*). Uit deze woning werd hij 8 Juni 1573 uitgedragen en wel, zooals uit het 

grafboek der Weeskamer blijkt, met achterlating van vier minderjarige kinderen. Dr. 

SCHELTEMA heeft hiervoor alleen het kerkelijk grafregister nagezien en daardoor dit laatste, 

evenals de woning, gemist. Daarentegen spreekt hij van een grafgeld van ƒ 4 - 7, terwijl 

er duidelijk staat : een dienaar van de kerk ergo nihil. Bij de bespreking van Mr. PiETERS 

opvolger zal ons dit te pas komen. 

De heer Tiedeman smaalt op het tractement van ƒ 100, dat SwEELlNCK in 1581 

1) Het oudstbckende begrafenisregister der Oude Kerk begint, volgens den inventaris van Dr. Schelteha, met 1553. 
Na 1558 zijn evenwel eenige bladzijden met sinds 1523 onbetaald gebleven posten gevuld. Het register is dan ook minder 
met burgerlijke stand bedoelingen aangelegd, dan wel om er de inning der grafgelden in te boeken. 

2) Fol. 61. 

») Elders blijkt dat dit huis de Groeninger toren heette; in 1 563 was het door Henr. Zw. nieuw getimmerd. Roijbodc foL 147. 



i 



JAN PIETERSZ. SWEELINCK, ENZ. 288 

4 

genoot Zijn vader evenwel moest in 1570 een salaris van ƒ 70: — met den blaeser deelen; 
er waren wel extratjes aan zijn ambt verbonden bij hoogtijden en van gilden, maar dit 
beliep nauwelijks ƒ 20 '). Klagen mocht hij ook niet, immers zijn voorganger Mr. CORNELIS 
had wel met ƒ 52. — moeten voor lief nemen*) en zijn collega aan de St. Olofskapel, die 
het met ƒ 18 — doen moest, had stellig g^aag met hem geruild. 

SWEELINCK*S moeder, Elsjen Jans, overleefde haren man verscheidene jaren. Zij 
werd 17 Augustus 1585 in de Oude Kerk begraven, komende van 't Oude Zijds Kerkhof. 
In 1578 had zij aldaar nog niet gewoond, en evenmin in den Niezel'). Bij haar, helaas 
niet meer aanwezig testament, den ion Augustus 1585 voor notaris Cornelis Hamerodt 
gepasseerd, had zij de Weeskamer van de voogdij harer kinderen uitgesloten. Den 3n 
September 1585 werd hiervan ter Weeskamer verklaring afgelegd door Jan Verhee (den 
geletterden schepen) en Mr. Jan PieterSzoou orgelist van de oude parochiekercke als 
geiligeerde testametUeurs en executeurs van het gemelde testament van saL Else Jansdr,, 
weduwe wijlen Mr. Pieter Zwybertsz^ in syn leven orgelist van de voorsz, Kercke, de vader 
ende moeder van den voorsz. Mr.* Jan Pieter szoon ende Gheryt Pieterszoon^ zynen broeder ^ 
oud 20 jaren, mede present wesende y. Hier vinden wij den reeds besproken naam Zwybert, 
dien wij nu dus kunnen passeeren. 

Elsje Jans liettw«e onmondige kinderen na; in 1573 waren er, naar wij gezien hebben, 
vier geweest. Behalve Gerrit en Jan kennen wij Maria, die bij hare begrafenis, 19 December 
1580, uitdrukkelijk zuster van den organist genoemd wordt Deze staat dus buiten kwestie, 
maar anders is het met het vierde kind, dat in 1585 nog leefde. Professor Alberdingk 
Thym deelde in de Dietsche Warande van 1873 mede, dateene zuster, met name Elisabeth, 
30 Mei 1592 in de Nieuwe Kerk zou begraven zijn en wel op 't hoog koor. Dit laatste strekte 
hem tot argument voor den deftigen stand der familie en dat ook deze zuster SVELINCK 
genoemd wordt, was in de oogen van den heer Tiedeman de nekslag voor Dr. Scheltema'S 
afleiding van haars broeders naam van Suavilingius. Dien nekslag behoeft deze vernuf- 
tige etymologie nauwelijks meer; gelukkig evenwel dat de mededeeling van den heer Thijm 
niet in een meer ernstige discussie als afdoend argument dienst deed. 

Welken naam lezen wij ter besproken plaatse } Dien van Elisabeth Svelinck of wel 
Snelinck zonder meer. Zelfs geen PlETERSdr. doet aan den organist denken. Toch werd hier 
bloedverwantschap, als buiten twijfel staande, aangenomen. Hoe ongerechtvaardigd dit is, 
blijkt reeds uit het ten doop houden in 1588 van HENDRIK, zoon van Gerrit Swelyng, 
coopman en Judith Jans*). De familie van dien naam strekte zich dus verder uit clan 



1) Register van de inkomsteD en uitgaven der Godshuizen, Inventaris Archief, 3e deel, IX 30. 

') Memorie van de inkomsten en uitgaven der Oude Kerk tusschen 1540 en 1545, in haar archief 

5) In het belastingregister van dat jaar vond ik op foL 147: Elsjen Jans, in een huis van Willem Teünis, in de 
Minnebroersteeg ; maar dit register is alleen voor de Oude Zijde nog aanwezig. 

4) Bewijsregister der Weeskamer, in dato. 

*) Den 2 in Februari in de Oude Kerk. Wij denken hier natuurlijk het eerst aan Gerrit PiETERSzoon, den 
bchilder. Daar deze in November 1566 geboren werd, is dit niet onmogelijk. Het is mij evenwel niet gelukt, hieromtrent 
zekerheid te verkrijgen. 

36» 



/ 

284 JAN PIETERSZ SWEELINCK, ENZ. 

den huiselijken kring van PlETER ZwYBERTSZ en EuSABETHbehoefdejuist niet tot dezen te 
behooren. Den nekslag evenwel aan deze opvatting geeft het begrafenisregister ter Wees- 
kamer. Meende ik reeds in het algemeene graf boek Snelinck te lezen; hier staat 
duidelijk: Elisabeth Snellincks huisvrouw van Jan Basseliers, laat drie onmondige 
kinderen fla. In het bewijsregister, in dato i8 Juni IS92, wordt de naam aldus herhaald. 
De derde broer of zuster van Jan PlETERSzoon blijft dus vooralsnog onbekend; 
liaar naam is trouwens zonder veel belang en ik zou gaarne gemelde ELISABETH als 
zoodanig geaccepteerd hebben, ware het niet noodig voortdurend op de grootste omzich- 
tigheid aan te dringen bij het samenstellen van genealogische gegevens uit kerkelijke en 
andere registers. 

Mr. PlETER was den Sn Juni 1573 begraven; zijn oudste zoon was toen elf jaren 
(;ud, zoodat van opvolgen geen sprake kon zijn. Wanneer deze in de voetstappen zijns 
\ aders trad, is ook mij onbekend gebleven. In 1581 wordt hij het eerst als organist 
genoemd en nu meenen de heer TiEDEMAN en anderen, dat hij in 1578, als gevolg van de 
troebelen, dat postje verkreeg. Met het oog op zijn zestienjarigen leeftijd, komt ook hun 
dit vreemd voor en tracht men het op verschillende wijze verklaarbaar te maken. Zeer 
zeker had, naar mij herhaaldelijk bleek, de alteratie van gemeld jaar niet alleen de aftreding 
der Regeering, maar ook de afzetting van verscheidene ambtenaren ten gevolge. Maar ten 
opzichte van het organistschap moet ik bovendien een opmerking maken. Te Dordrecht, 
Haarlem en wellicht ook elders, was met den Roomschen eeredienst ook de kerkmuziek 
afgeschaft en begreep men pas in 1579, dat ook de Protestantsche godsdienstoefening althans 
het orgelspel moeielijk ontberen kon *). Was hier de gang van zaken dezelfde en kwam 
men wellicht iets later tot dit besef, dan was SwEELINCK reeds spoedig achttien jaren 
(voorjaar van 1580) en had eene benoeming niets vreemds. 

Twee organisten waren in het tijdsverloop van 1573 tot 158 1 bekend, nl. CORNELIS 
B()ï:C()Op2), die 9 October 1573 en Mr. Baement, die 21 November 1577 in de Oude 
Kerk begraven werd. Ik kan hier nog een derde aan toevoegen nl. Mr. LEVERT HEIN 
orgelyst^)y wiens overlijden de koster dier kerk 29 April 1574 boekte. Niet waarschijn- 
lijk hebben deze drie elkander in de vier jaren na 1573 opgevolgd, zeer mogelijk heeft 
een van hen het orgel der St. Olofskapel bespeeld, waar Frans Arents kort vóór 1566 
overleden was, of wel Mr. PlETER in de Nieuwe Zijds Kapel vervangen. Het organist- 
schap der Oude Kerk vereischte niet het aldaar begraven worden. 

Alleen voor CORNELIS BOSCOOP moet ik een uitzondering maken, daar hier bepaal- 
delijk staat aangeteekend : nyet ontfangen ergo nihil ^). Dr. ScHELTEMA heeft dit ook 



1) BoMwsteenm, I 65, III 73. 
3) n III 48. 

») Niet Lenert; het grafgeld werd door Marry Jacobs DoBBESzoonsdr; voldaan. Deze aanteekening ben ik 
even als verscheidene andere, aan Mr. de Roever verschuldigd. 

*) Evenzoo in dato 27 November 1573 : J/r. Cïacs prye stat van Delii/t onse blaser 0-0-0. 



JAN PIETERSZ. SWEELINCK, ENZ. 285 

hier over 't hoofd gezien. Ten opzichte der overigen a contrario te redeneeren gaat 
evenwel niet op. Voor CORNELIS ScAGEN was in 1555 grafgeld betaald, maar toen was 
de vrijstelling mogelijk nog niet ingevoerd ; in 162 1 echter bracht hij het begraven van 
Jan PlETERSzoon de kerk wel degelijk / 20. — in rekening. Zoolang de desbetreffende 
bepalingen niet bekend zijn, mogen wij BOSCOOP stellig op den orgelstoel der Oude Kerk 
plaatsen, maar noch Baement, noch Levert Hein a priori daarvan uitsluiten. 

Na zijne terugkomst uit Italiö woonde jAN PlETERSzoon bij zijne moeder in ; althans 
deze. Elsje Jans, werd in 1585 een huisje, aan 't Oude Zijds Kerkhof gelegen, uitgedragen 
en in het register der capitale impositie van 1587 vinden wij den jongen organist terzelfder 
plaatse, aan de noordzijde, (het vijfde huis van CORNELIS Ketel af). Hij wordt niet 
met eere in dat register genoemd, daar hij op de trouwens zeer lange lijst van wanbe- 
talers voorkomt. Korten tijd daarna moet hij verhuisd zijn, daar hij bij zijn huwelijks- 
aanteekening in Apri^ 1590 in de Kalverstraat woonde. Wanneer hij deze met de Koestraat 
verwisselde, is ook mij onbekend gebleven. Na zijn huwelijk, zegt de heer Tiedeman, 
maar, niet vóór 1603, komt hij er voor. 

Zijne verbintenis m^t Claesgen PüIJNDER was er stellig geene beneden zijn stand. 
Zijn schoonvader, DlRCK PlETERS PüIJNDER was een welgesteld burger van Medemblik *), 
wiens weduwe later bijna een kwart ton naliet Van de twee' zoons bleef er éen, Thomas, 
in zijn vaderstad wonen; hij was in 161 3 overleden en had een zoon, DiRK, nagelaten, 
die in December 1626 getrouwd voorkomt. De andere zoon. Jan genaamd, vestigde zich 
als koopman te Amsterdam; zijn dochter Aaltje, wonende op de Conincksgraft, trouwde 
Maart 1621 op igjarigen leeftijd met Gerrit Claesz. Bas'); hare moeder zou, volgens 
eene oude genealogie, Grietje pREDERiKSdr. Serwouter geheeten hebben ^'). 

Zooals wij weten werd Sweelinck in 1604 naar Antwerpen gezonden met de 
opdracht aldaar een nieuw clavecimbaal te koopen. Reeds in 1597 had iets dergelijks 
plaats gehad. In de maand October van dat jaar bood de koning van Denemarken 
door een gezantschap aan deze gewesten zijne bemiddeling aan in den reeds bijna dertig- 
jarigen krijg tegen Spanje. Het aanbod werd heuschelijk afgeslagen, maar men toonde 
de goede bedoeling te waardeeren, niet alleen met woorden, maar ook door geschenken. 
De secretaris des konings was stellig een liefhebber der muziek, althans hem besloten 
Burgemeesteren een clavecimbaal te vereeren; een ongewoon en met het oog op de lange 
reis wel wat lastig cadeau. Ook ditmaal was het SwEELiNCK, wien de aankoop opge- 
dragen werd en dientengevolge vinden wij in de stadsrekening van gemeld jaar: *) 



1) De naam was ook te Amsterdam niet onbekend; Pibteb Claesz. Puijner was er 25 Augustus 1598 borg. In later 
lijd (24 Septb. 1652) werd in de Dijkstraat de nalatenschap van Claes Pietersz. Püijwder voor / 1652 verkocht. 

2) Gedoopt Nieuwe Kerk 25 October 1598; moeder was Aryaentjen Gerrits. 
^) Zie Bewijiregister Weeskamer XVI loi \'<>. 

*) fol. 54 VO. 



286 JAN PEETERSZ. SWEELINCK, ENZ. 

Mr. Jan Pietersz, organist, getelt vyffen tseventich gL bij hem bekeert te werden 
an Daniel van der Vort, clavecimbelmaker over 't maicken van een, davecimbei 
daermede Burgermm. vereert hebben den Secretaris van den Coninck van Denemarcken. 

Nog in een andere qualiteit dan als organist komt SwEELiNCK in Tresoriers- 
rekeningen voor. In 1600 het eerst en daarna telken jare, tot in 1615 toe, wordt hij als 
huurder genoemd van een der vier kassen aan de Oude Zijds Kapel ^). Men zou licht 
meenen, dat hij er daar een stalletje op nahield en zijne psalmen en chansons ventte. Maar 
het komt mij als zeker voor dat hij slechts zijn naam leende en als tusschenpersoon optrad. 
In 1600 heet het uitdrukkelijk: gehuyrdt voor Henrick Jans en in 1602 betaalt hij de ƒ 14. — 
van wege Bely Jans (diens zuster). Was dit anders, het zou aantoonen dat SwEELiNCK 
geenszins zooals men beweerd heeft, een bijzonder gefortuneerd man was. Voor deze meening 
is toch weinig grond. Men beroept zich tot staving er van pp de nalatenschap zijner kinderen, 
maar zoolang wij niet weten hoeveel daarvan door henzelf verworv«i was» is dit argument 
weinig steekhoudend. De meest vermogende van hen, Pieter deed, althans in zijn eerste 
echt, een zeer rijk huwelijk. Het verhaal van een geschenk van ƒ 200. — dat aan Sweeunck 
gedaan zou zijn, onder beding dat de gevers het te zijnen bate zouden beheeren, onder 
welk beheer het tot f 40000 zou aangegroeid zijn, is minstens genomen zeer dubieus. 
Zoo vele vertelsels zijn op historisch gebied van mond tot mond gegaan, dat men ook 
dit pro memorie moge vermelden, maar het niet zonder meer als waar kan aannemen. 
Omtrent het fortuin van Sweelinck staan wij alleen op vasten grond waar wij lezen dat in 
1631 zijne weduwe voor een vermogen van ƒ 30000 was aangeslagen. In het kohier van den 
200» penning van dat jaar is zij namelijk met / 1 50. — belast *). Een vierde van dat kapitaal 
had Sweelinck in 161 3 ontvangen. Toen was nl. de nalatenschap van zijn schoonmoeder 
Meyns Claes*), die ruim / 21000 bedroeg, onder hare descendenten verdeeld*). In zijn 
aandeel ad f 7000 was o. a. een huis in de Hoogstraat ter waarde van ƒ 2800 begfrepen. 

Zijne uiterste wilsbeschikking was toen reeds geruimen tijd gemaakt en in zijn 
vermogensaanwas vond hij geen aanleiding daarin wijziging te brengen. Inmiers, toen 
zijne weduwe in 1633 ^^^ nieuw testament maakte^ herriep zij uitdrukkelijk als het destijds 
nog geldende dat, waartoe zij met haar echtgenoot, 10 Augustus 1602, voor den notaris 
Jacob Ghijsberts verschenen waren. 

Dit had de gewone algemeene bepalingen bevat. De langstlevende der echtgenooten 
zou vruchtgebruik van het gemeenschappelijk vermogen hebben, mits er een notarieële inven- 
taris werd opgemaakt Den eigendom zouden de kinderen erven. Dat deze laatsten destijds vijf 
in getal waren is voor ons het belangrijkst ; het waren de bekenden DiRK, PlETER, IJSBRAND, 
Jan en Elsjen. Dat Barend Smit en Cornelis Pieters getuigen waren, kan buiten 
bespreking blijven. Tot onze spijt werd de weeskamer van de voogdij uitgesloten. 

^) Men zie ze afgebeeld bij Dapper en von Zesen. 

1) Fol. 147. 

2) Zij was te Amsterdam op den O, Z. Achterburgwal overleden. 

») Protocol van notaris van Banchem in dato en Weeskamer bewijsregister XVI blz. loi vo. 



JAN PIETERSZ. SWEELINCK, ENZ. 287 

Mr. Jan Pietersz. overleefde dit testament, naar wij weten, ruim negentien jaren. 
Den 2C^ October 1621 werd hij in de Oude Kerk ter ruste gelegd'). Voordat wij 
evenwel afscheid van hem nemen, moet ik een totdusver onbekenden leerling vermelden 
en kennis doen maken met een door hem nagelaten handschrift. Op eerstgenoemden had 
een acte betrekking, die 18 September 1625 voor den notaris P. Carelsz verleden werd. 

Willem Jansz, organist der Nieuwe Kerk, 43 jaren en Philips Bournon, makelaar, 
53 jaren oud, verklaarden dat zij BROER jANSZ lange jaren gekend hadden en zeker wisten 
dat hij van jongs af aan zich gestadelick had geoefend in de musique, mitsgaders in de 
konste ende handelinge van 't orgranistschap en 't klokkespelen metter gevolge ende aan- 
cleven van dien, so bij Mr. Jan Pietersz., organist als anders ende daerinne wel ervaren 
was. Ook dat hij en zijne huisvrouw van eerlycken geslachte, eerlijk, vroom en getrouw 
in handel en wandel waren, oock modest, nuchteren ende bequaem van leven, gelijck goede 
lidmaten van de ware gereformeerde Christelijke kerk behoorden. Meer omtrent dezen 
Broer Jansz. kan ik tot mijn leedwezen niet mededeelen. 

Het hiernevens gereproduceerde handschrift had de heer E. W. Moes de goedheid mij 
ten gebruike af te staan*). Het komt voor in een Album academicum et apodemicunt 
Joackimi Morsii Hamburgensis, dat in de Stadsbibliotheek van Lübeck berust. Dit werd 
door den verzamelaar in 1610 aangelegd; te Amsterdam werd het 161 2, 161 8 en 1619 
door de bijdragen van verscheidene kunstenaars en geleerden verrijkt. In de twee laatst- 
genoemde jaren bezocht MORSIUS tal van andere steden van ons land en zag hij zijne collectie 
daardoor aanzienlijk vermeerderd. Aan een beoordeeling van het albumblad van SwEELiNCK 
zal ik mij niet wagen, maar alleen de aandacht vestigen op de daarin voorkomende karak- 
teristiek van den kunstenaar, van een tijdgenoot afkomstig en dus eene dubbel welkome 
bijdrage tot de kennis van zijne persoonlijkheid. 

Sweelinck's huisgezin spatte na zijn dood niet uiteen. In Juli 1633 was alleen 
PlETER getrouwd; de andere kinderen woonden nog met hunne moeder samen in de 
Koestraat Dit blijkt uit het testament, dat Claesgen DiRCKSdr. op den 23n dier maand 
voor notaris Jacob Jacobsz passeerde. Na de gewone formule omtrent zekerheid en 
onzekerheid des doods, werd daarin geconstateerd, dat zij gezond was en ter voormelde 
plaatse woonde en daarna het volgende in derogatie van het testament van 1602 be- 
paald. De oudste zoon. Mr. DiRK JANSZ. SWEELING zou al 't huisraad, de meubelen 
den inboedel erven, het lijnwaad, zilver en verguld werk uitgezonderd en wel ter ver- 
gelding der goede diensten door hem aan 't huis, zijne broeders en suster (sic) bewezen. 
Aan hare dochter Elsjen prelegateerde de testatrice al hare kleederen, juweelen en andere 
lijfsieraden. Al 't overige zouden de kinderen (die overigens niet met name genoemd 
worden) gelijkelijk onder elkander verdeelen. Van het aandeel echter van PlETER jANSZ. 



1) Tot mijn spijt heb ik bovengemelden inventaris niet gevonden. 

s NI. een lithographiscb' facsimile, waarvan een LÜbecker kunstvriend een beperkt aantal exemplaren heeft doen 
▼ervaardigen. 



288 JAN PIETERSZ. SWEELINCK, ENZ. 

SwEELiNG „comparant's getrouwde soon" moest afgetrokken worden al hetgeen zyne uit- 
rusting gekost had, volgens de notitie, daarvan bij zijn vader gemaakt Eventueele 
geschillen en oneenigheden zoü der kinderen oom, Jan Dircksz PüIJNER beslissen. Deze 
zoü ook in ernstiger omstandigheden zijn veto kunnen uitspreken. Immers, de ongetrouwde 
kinderen moesten bij elkander blijven wonen en hun werd met nadruk verboden in *t 
huwelijk te treden, zonder goedkeuring van hun twee oudste broeders en gemelden oom. 
Daar Elsjen reeds getrouwd was, toen het testament door den dood harer moeder tot 
uitvoering kwam, betrof dit laatste toen alleen IJsbrant en Jan. Deze overleden, naar 
wij weten, beiden ongehuwd. Zij bleven werkelijk met hun broeder DiRK in de ouderlijke 
woning. Deze werd er in 1652 en Jan in 1660 ter Oude Kerk uitgedragen. 

IJsbrand werd het toen blijkbaar te eenzaam in de uitgestorven woning, die hem en 
de zijnen zoo lang gehuisvest had. Als laatstovergeblevene behoefde hij zich niet meer 
door den moederlijken wensch gebonden te achten. Wellicht nam hij zijn intrek bij zijn 
getrpuwden broeder PlETER; althans woonden beiden bij hun overlijden op den Haarlem- 
merdijk. Mogelijk blijft het overigens, dat IJsbrand reeds vóór 1660, tegen den moeder- 
lijken wil, de Koestraat metterwoon verliet, maar het ligt meer voor de hand, dat dit pas 
na den dood van zijn broeder Jan geschiedde. 

Men zal wellicht reeds opgemerkt hebben, dat ik eene tweede dochter van SwEEUNCK 
geheel buiten bespreking heb gelaten, nL Heyltgen, met wie prof. Thijm ons het eerst 
in kennis bracht, ter gelegenheid van het huwelijk van Els JEN in 1635. Bij den onder- 
trouw van deze assisteerde ^are suster Heyltgen Jans". Het lag voor de hand deze 
laatste voor eene tweede dochter van SwEELiNCK aan te zien. Wel wekte het bevreem- 
ding, dat zij denzelfden naam droeg als hare schoonzuster, Pieter's eerste vrouw, maar 
dat in de acte, deze zelve bedoeld zou zijn, kwam niet in de gedachte*). Toch blijkt dit 
nu uit het testament van 1633, waar duidelijk naast de broeders éene zuster geplaatst 
wordt. Terwijl omtrent alle overige kinderen van den organist allengs levensbijzonder- 
heden zijn bekend geworden, is van een HEYLTGEN jANSdr. SWEELiNCK dan ook nergens 
sprake. Wij moeten het aantal kinderen van Jan PiETERSzoon en Classgen Dircks dus 
tot zes reduceeren. 

De conclusie, door prof Thijm, getrokken uit de afwezigheid van de broeders van 
Elsjen bij haren ondertrouw, als zouden zij haar huwelijk met een Roomschgezinde 
afgekeurd hebben, verliest nu hare kracht; evenals het daaraan gepaard verwijt van incon- 
sequentie tegen PlETER, die zelf in tweede huwelijk een Roomsche trouwde. 

Vóórdat wij ons met ieder van Sweelinck's kinderen afzonderlijk bezighouden, 
moet ik de aandacht vestigen op het feit, dat alleen de drie oudsten in de Oude Kerk 
gedoopt zijn. Hoewel Jan Pietersz niet van woonplaats verwisselde, werden IJsbrant, 



1) Meermalen zag ik in acten van dien tijd aangetrouwde familieleden by ondertrouw aU zoodanig assistentie 
verleenen, zonder dat bleek, dat zij den hoofdpersoon niet in den bloede bestonden. 



JAN PIETERSZ. SWEELINCK, ENZ. 289 

Jan en Elsgen noch aldaar, noch in de Nieuwe Kerk gedoopt. Hieruit met den heer 
TiEDEMAN te concludeeren, dat zij buiten Amsterdam gedoopt en wellicht geboren werden, 
komt mij niet gegrond voor, reeds met het oog op de Oude- en Nieuwe Zijds Kapel. 
Overgang tot een ander geloof dan het heerschende, wordt door Sweelinck's kerkelijke 
betrekking dan toch hoogst onwaarschijnlijk gemaakt. Bevreemding wekt evenwel het 
ontbreken van de namen der jongste kinderen in het daartoe als aangewezen doopregister, 

I. De oudste der kinderen was, naar wij weten, Dirk, die 26 Mei 1591 gedoopt 
werd. Dat hij zijn Vader als organist opvolgde is evenzeer bekend als zijn begrafenisacte, 
in dato 20 September 1652. Het bedrag van zijn tractement moet evenwel nog ver- 
meld worden. In 1645 beliep het /300-*), nog minder dus dan ^zijn vader reeds in 
1607 genoot. * 

's Mans handteekening vond ik in het archief der Oude Kerk onder de volgende 
acte, die ons omtrent hem zelf niets nieuws leert, maar die ik volledigheidshalve hier mededeel. 



De Heer en Kerkmeesteren van (f Oude Kerck gelieve te betaelen aen Mr, Adam 
Haesebeen (sic) Orgelmaecker de somme van thién gulden^ voor sooveel in dieverse 
reysen aen V groot ende cléyn orgel verdient In Amsterdam desen 26 Juny a* 1646. 



Zijn opvolger Mr. Jacob van Noord was totdusver organist der Nieuwe Zijds 
Kapel geweest*). Hij vervulde zijn ambt tot 21 Octob. 1677, toen hij „vermits sijne indis- 
positie" emeritus verklaard werd*). 

II. Bij PiETER „den getrouwden zoon", (gedoopt 13 Febr. 1593) moeten wij langer 
stilstaan. Wel is hij, wat de kunst betreft, nooit in de voetstappen zijns vaders getreden, en 
heeft hij dus alleen als diens zoon belang voor ons, maar zijn persoon is herhaaldelijk 
besproken en kunnen nu enkele onjuistheden hersteld worden, Bovendien doet ons zijne 
levensgeschiedenis de maatschappelijke positie van den ouden SWEELiNCK beter begrijpen. 
Wij maken het eerst kennis met hem bij zijn huwelijk in 162 1. De acte van ondertrouw 
is in de Bouwsteenen (III 61) medegedeeld, maar onvolledig en met weglating van de 
dagteekening. Zij moge hier dus nogmaals eene plaats vinden. 

Kerkregister, in dato 19 Mei 1621. 

Pièter Jansz, Sweelingh, *) oud 2()jaren^ geasst, met Mr. J^an Pietersz. Sweelingh, 
syn vadr., wonende in de Koestraat en Heyltjen Jans, oud 29 jaren^ geassist, met 
Jannetjen Martens, hare nichie en Pieter Jans^ haren broeder^ won. op de N, Z: 
Voorburgwal, 



*) Resolutien Burgemeestrn. in dato 29 Juni 1645. 2) Volgens Ms. Schaep III £01.38. ») Reftol. Burgemreni 209 vo. 
Teekent: Sweelinck. 

87 



290 JAN PIETERSZ. SWEELINCK, ENZ. 

Uit latere acten *) blijkt, wie de ouders der bruid waren, nl. jAN Claesz. Reyniers 
en Catharina Pieters. Er is geen reden, om haren vader niet identisch te achten met 
den gelijknamigen schepen van 1598 en raad van IS99'). Tasten wij in deze niet mis, dan 
pleit de verbintenis met de regeeringsfamilie voor den deftigen stand van den bruigom. 
Zelven bracht zij hem niet op het kussen, tenzij men het regentschap van het Aal- 
moezeniershuis; dat hij 1625 bekleedde, aldus mocht aanduiden. 

feeeds kort na zijn huwelijk vinden wij hem in een huis, St. /Ti^d genaamd, op den 
Nieuwe Zijds Voorburgfwal gelegen. Zijne woonplaats werd aldus aangeduid, toen hij 3 
December 1624 als kooper van eene schilderij, eene Lucretia voorstellende, geboekt 
moest worden'). Hij woonde nog terzelfder plaatse bij den dood zijner vrouw, in 
1653 *). Men zou dit niet vermoeden, met het oog op de bekende twee huizen, die hij 
in 1641 op de Oude Tiuf markt, of wel het Rokin had laten bouwen. Te minder, daar 6;^. Hiob 
aan Heyltje Jans behoorde en na haar overlijden door hem verlaten moest worden. 

Zij had 25 Januari 1645 haar testament gemaakt voor notaris Gerrit COOREN. Het 
mocht mij niet gelukken dit op te sporen ; wel kwamen mij twee codicillen in handen, van 
3 April 164S, bij denzelfden notaris, en van 7 Mei 1653 bij Frans Uytenbogaert ge- 
• passeerd. Hare uiterste wilsbeschikkingen blijken bovendien uit eene Weeskameracte van 
17 Juni 1654. PiETER JANSZ. SwEELiNG deed daarbij aanwijzing van alle de goederen, door 
zijne overleden huisvrouw Heyltje Jans nagelaten aan de kinderen van Adriana Pieters 
en Mr. JacobüS Borssius, wier oude moeije zij was.*). Die erfenis was considerabel. 
Behalve vijf huizen en ruim veertien morgen lands, bestond zij uit een kapitaal van ƒ80000 
k ƒ100000. Tot de huizen behoorde ook het bovengenoemde „St. Jop," dat Heyltje 
staande huwelijk van hare zuster had geërfd en daarom in hare familie wilde houden. Ter 
vergoeding schonk zij haren man het vruchtgebruik van een huis op den O. Z. Voorburgwal 
de basterdpyp gcheeten. Een jaar lang zoü hij bovendien in de oude woning mogen blijven 
wonen en genieten van hetgeen aan provisie en dgl. voorhanden was. Huisraad en 
inboedel, voor zoover het staande huwelijk was aangekocht, zou hij daarna met zich 
mogen nemen en voorts natuurlijk het door hem aangebrachte kapitaal, benevens de helft 
der tijdens het huwelijk behaalde winst. 

Voor ons is het testament van HEYLTJE daarom vooral van belang, omdat er uit 
blijkt dat zij zonder kinderen overleed. Of PlETER het hem aangewezen huis dfe diW/^^/ 
betrokken heeft, zou ik niet met zekerheid kunnen zeggen. Bij zijn tweede huwelijk woonde 



1) Stadsrenteboek, in dato 8 December 1648 en testament van 3 April 1645. 

s) Sinds 1583 was deze laatste huiszittenmeester der Nieuwe Zijde geweest. 

s) PitUr Janszoon Sweelingh in SU Jop, Verkoopregister der Weeskamer in dato. 

4) Immers op den N. Z. Voorburgwal; hij bezat later een huis JUt Vosje, aldaar tegenover het Stadhuifl gelegen 
maar dit kocht hij pas 19 Mei i66a (voor / 30400. „tegenwoordig di engel uithangende*'). 

i) Adriana zal wel een dochter van Hetltje's broeder Pieter geweest zijn. Zij zoowel als haar man waren in 
1654 overleden. De kinderen waren Mr. Ger4rd. advokaat, Catharina en Christina, later als echtgenooten van resp. 
JACOB en Jan van Marckbn vermeld en Elisabeth. die, 14 Mei 1659, als vrouw va uAdbiaen van I jbr en ioOct.i67Sï 
•aU vrouw van Johannes Heus voorkomt. 



JAN PIETERSZ. SWEELINCK, ENZ. 291 

hij nog op den N. Z. Voorburgwal, maar dit was binnen het jaar na den dood zijner 
eerste vrouw. Mogelijk richtte hij zijne nieuwe huishouding in de nieuwe woning in. 
Stuitend zou het althans geweest zijn, indien dit in de oude had plaats gehad, want 
Heyltje was nog geen zeven maanden overleden *), toen de zestigjarige weduwnaar met 
Elisabeth HENDRiCKSdr. DOMMER aanteekende *). Het Katholicisme van deze staat boven 
twijfel, maar dat PlETER daarom niet tot het oude geloof overtrad, zal straks blijken. 

Omtrent diens verdere levensomstandigheden valt niet veel meer mede te deelen. 
Dat hij een strijdlustig man was, zou men hieruit kunnen opmaken, dat hij een 
proces voerde tegen den broeder zijner eerste vrouw') en aan zijne erfgenamen de. ver- 
plichting oplegde om een proces tegen de erfgenamen zijner tweede vrouw voort te zetten. 

Met zijne zaken ging het blijkbaar goed. De vrije woning, die hij in de basterdpyp 
had, voldeed hem, naar het schijnt, niet, althans in 1656 kocht hij, voor ruim ƒ 26000, 
een huis aan de zuidzijde van de Haarlemmerstraat „daer tegenwoordigh Phernambocq 
uythangt"*). Hetzij hij er al of niet dadelijk introk, Elisabeth Dommer werd er in 
1666 uit grafwaarts gedragen*) en hij zelf vier jaren later. Had hij dit huis ter bewoning 
gekocht, hij was blijkbaar gesteld op grondbezit. Naar ik hierboven reeds mededeelde, 
kocht hij in 1662 een huis op den N. Z. Voorburgwal voor ruim ƒ 30000®) en in 1670 
op 77jarigen leeftijd van Burgermren. en Tresorieren bouwgrond aan de Keizersgracht 
voor y 16000 7). Van dit laatste had hij niet lang genot. Den i8n September 1670 
werd zijn stoffelijk overschot in het familiegraf in de Oude Kerk bijgezet. ®). 

Volgens prof Alberdingk Thijm zou hij een zoontje, Jan Pietersz. slechts enkele 
dagen overleefd hebben. Deze zou in de „Eeuwige Memorie" van een katholieke kerk 
hier ter stede aangeteekend en twee dagen vóór de begrafenis van zijn vader overleden 
zijn. Verdere inlichtingen worden ons niet verstrekt. Wij kunnen dus niet beoordeelen 
of er geene vergissing heeft plaats gehad en mogen dezen knaap pro memorie vermelden, 
maar in geen geval zonder nadere toelichting in den stamboom van den grooten organist 
plaatsen. Ik heb zelfs gegronde reden te twijfelen aan de familiebetrekking tusschen dien 
in het schemerdonker gelaten Jan Pietersz. en onzen PlETER SWEELiNCK. ^Dat niemand 
van dien naam kort na den aangegeven datum in de Oude Kerk begraven is, beteekent 
wel iets, maar is niet afdoende. Maar ik beroep mij op het testament van PlETER 



ï) Den 411 Juni 1653. De bladen over 1653 tot 1655 ontbreken in het begrafenisregister der Nieuwe kerk. De 
datum blijkt uit Stadsrenteboek van gemeld jaar. 

s) Zooals bekend is, den i9en December 1653. 

>) Blijkens het codicil van 7 Mei 1653; hij noemde zich Pieteb Jansz. Schagen. Volgens Stadsrenteboek 165 
fol. 3, overleden 25 April 1652. 

4) Kwijtscheld, reg. CC fol. 255; T. v. M. I 51; blijkens de aangifte voor het Collateraal, (waarbij het op/ 15000 
getaxeerd werd) bij de Eenhoornsiuis. 

5) Oode Kerk 23 Maart 1666 •, T. v. M. 151. 

6) Kwijtscheld, reg. KK 201; acchter het Stadhuis, hit Vosje genaamd. 

7) Kwijtscheld, reg. RR fol. 16 vo; 3 Juli 1670; oostzijde der Keizersgracht. 
^) Dr. SCHELTEMA noemde als datum 27 October 1669. Dit is stellig onjuis 

87* 



292 JAN PIETERSZ. S>yEELINCK, ENZ. 

SWEELINCK, waarin geen sprake is van een zoon Jan en wel van een proces tegen de 
erfgenamen van zijne vrouw LijSBETH DOMMER. Indien het verschil van godsdienst eene 
klove heeft gegraven tusschen de beide echtgenooten, waarbij de zoon de moeder volgde, 
was er voor haar dan toch geen grond tot onterving. Er is meer. De bedoelde Jan 
PlETERSZ. was in allen gevalle minderjarig, toen zijne moeder overleed, zoodat hare begrafenis 
door den doodgraver aan de Weeskamer moest worden opgegeven. Dit is evenwel niet 
geschied. Moge men al deze argumenten niet afdoende achten^ dan blijft toch het bestaan 
van dien zoon Jan bij gebrek aan bewijsplaats problematisch. . 

Toch is PlÊTER Sweelinck niet zonder descendenten overleden '). Zooals men 
weet, werd voor zijne nalatenschap collaterale successiebelasting betaald. Den inventaris 
kunnen wij onbesproken laten; de verschillende huizen hebben wij meest alle zienkoopen 
of bouwen en het precise bedrag aan rentebrieven doet er niet toe ; de erfgenamen konden 
tevreden zijn. Maar het feit van de aangifte voor het Collateraal schijnt het bestaan van 
kinderen of kindskinderen uit te sluiten. 

De bewering van Dr. Scheltema, die uït die aangifte concludeerde dat PlETER 
Sweelinck ongehuwd overleed, zullen wij 't best als een lapsus calami beschouwen. 
Voor de meening evenwel dat hij kinderloos zou gestorven zijn, schijnt het Collateraal 
een afdoend argument te zijn. Laat mij om dit tegen te spreken, kortelings den mhoud 
van het laatste testament van Pieter Sweelinck mededeelen, dat hij den 17* Maart 1670 
vóór notaris Arent Loefs passeerde. 

Hij benoemt daarin tot zijne eenige, universeele erfgenamen de vier nagelaten kin- 
deren van Gerard Pietersz. Sweeling, in zijn leven Dr. Medic. met name Dirkje, Jan, 
LiJSBETH en Maria. Hun erfdeel bestond evenwel niet uit de gebeele nalatenschap, 
maar slechts uit het meergemelde huis het Vosje, een kleiner in de St Clarendwarsstraat 
en f 6000. — , en nog wel met de verzwarende bepaling dat de huizen niet buiten des 
erflaters bloed tot in den vierden graad verkocht mochten worden. Alle de overige 
goederen werden aan Mr. NicOLAES Ingels en Johan Ingels, des testateurs zal. 
zusters zonen, gelegateerd onder voorwaarde, dat zij zijn proces tegen de erfgenamen 
van zijne tweede vrouw ten einde toe voerden. Deden zij dit niet, dan verviel hun 
erfdeel aan de kinderen van Aechtje Bas, wed. Jacob Faas voor de -éene en aan de 
dochter van HENDRIK Reael Reyniers voor de andere helft. Een codicil van 31 Au- 
gustus 1670 bekrachtigde dit testament en vulde het in zoover aan, dat aan PlETERTGEN 
Jans, wed. wijlen Gerrit Pietersz Sweelingh Dr. med., des testateurs beste wapenring 
werd vermaakt, om dien te bewaren voor haar zoon Jan, voorts een minder kostbare, 
benevens een kastje van Claes Pieters Puynder zal. gekomen aan haar zelf en een 
paar oorhangers aan haar oudste dochter DiRKjE geschonken werden. Ten slotte aan 



1) In het Naschrift van den Heer Tiedeman werd dit reeds globaal aangeduid. 



JAN PIETERSZ. SWEELINCK ENZ. 298 

zijn buurman zijn, testateurs, Luthersche bijbel (bij 't leven van Dr. Mart. LüTHER 
gedrukt *). 

Van bloedverwantschap tusschen bovengemelde vier kinderen en den testateur is 
in deze wilsbeschikking geen sprake. Zij is echter buiten twijfel gesteld door latere stukken. 

Beide, hun toebedeelde huizen waren oud en bouwvallig, zoodat het verbod ze te 
verkoopen, reeds spoedig drukkend werd. Bovendien woonden de erfgenamen niet te 
Amsterdam, zoodat eigen bewoning of toezicht op reparatiën ondoenlijk was. Zij wendden 
zich daarom tot de Staten van Holland, die bij gunstige beschikking van 7 October 1688 
hen van het verbod van vervreemding onthieven. En in dit octrooi èn in de acte van 
kwijtschelding, die er een gevolg van was'), wordt ipsis verbis de Med. Dr. Gerrit 
PIETERS SWEELINGH een zoon van den testateur van 1670 genoemd en geconstateerd 
dat zijne kinderen de bewuste huizen van hun grootvader geërfd hadden; 

De oplossing ligt voor de hand. Heyltje Jans en LijSBETH DOMMER waren 
beiden kinderloos overleden. Gerrit zal dus een natuurlijke zoon van PlETER JANSZ. 
geweest zijn, geboren vóórdat deze in 162 1 op 28jarigen leeftijd in het huwelijk trad'). 
De lotgevallen zijner vier kinderen zijn ons onverschillig. Zijne weduwe *) trad in 1674 
op als erfgename van Lijsbeth en Maria, in *t Sticht van Utrecht overleden zijnde, 
„alwaer zij altijd met vader en moeder hebben gewoond en hun domicilie originis hebben 
gehad**. De overigen woonden in 1691 allen op het Reenseveen (onder Veenendaal) •). 
In die streken zou men dus naar descendenten van den grooten componist moeten zoeken. 

Omtrent den leeftijd der overige kinderen van Jan Pietersz. weten wij alleen, dat 
Elsje de jongste was en Dieuwer in 1596 gedoopt werd. ïn het testament van 1602 
worden zij evenwel blijkbaar volgens den ouderdom genoemd en doen wij het best 
dezelfde volgorde hier in acht te nemen. Overleden was toen evenwel 

III. DiEüWERTjE, die, zooals gezegd is, 21 Juni 1596, in de Oude Kerk ten doop 
gehouden was. Wij kunnen dus gerustelijk op haar de volgende begrafenisacte dier 
kerk toepassen: 

3 Mei 1597. Een kint van Jan Pietersz organist, 2 — 18 



1) Te vergeefs zocht ik in 't archief der Luthersche Kerk iets omtrent het aldus aan den dag gebrachte Martinisme 
van althans éen van Sweelikg's kinderen. Vindt men daarvoor in het bezit van den bijbel geen afdoende grond, dan bewijst 
dit althans toch het Protestantisme van den erflater. 

s) In dato 9 April 1691, waaibij het huis in het Gebed zonder end verkocht werd. 

>) Te vergeefs zocht ik hem in het Aïbum Studiosorum van Ledden en in de analoge naamlijsten van Utrecht en 
Groningen, die ik evenwel niet alle kon inzien; ook op de Series medüonim alhier komt hij niet voor. 

4) Hier genoemd Pibtbbtjb Gersits (sic) Yollewensch, eerder weduwe van Ge&rit Pz. Sw., thans van Cornslxs 
Fransz. Ros, dj leefde 31 August 1688 nog. 

i) Dirkje komt ao Novb. 1682 als de vrouw voor van Mr. Pieter van Broekhutsen, chirurgijn, wonende in 't 
Sticht van Utrecht Ook Jan komt 25 Novb. z686 als getrouwd man voor Eindelijk wordt onder de nagelaten ktnderen 
van Dr. Gbrrit Pzn. Sw. in het octrooi van 1688 ook genoemd Gerarda en wel als vrouw van Jan Wernard Fsyting, 
wijnkooper; den 14 Septb. 1690 was zij overleden. (Testament 18 Mei 1689 Willem Pronkert, notaris te Utrecht.) Zie 
bew^sregister der Weeskafaier XXXIII: 112. 



294 JAN PIETERSZ. SWEELINCK, ENZ, 

IV. IJSBRANT. Reeds elders deelde ik mede, dat deze derde zoon den 30sten 
October 1669 in de Oude Kerk begraven werd, komende van den Haarlemmerdijk *). Dat 
hij drie dagen te voren, dus den 27sten, overleden was, blijkt uit de in het r^ister der 
collaterale successie') voorkomende Memorie om het Sterffrecht te betaelen van de navol- 
gende effecten ende goederen van wegen Mr, IJsbrant Jansz Sweelingh^ bedaegkd Jongman, 
Zijne nalatenschap bestond uit een huis met erf op Dwarsboomsloot „op de hoeck bij 
het steene bruggettie", op ƒ 2000 getaxeerd en eene waarde van f 12600 aan „hipothe- 
catiën, losrentebrieven en dgl." Zijn broeder PiETER en Elsje's zoon, Nicolaes Ingels, 
verklaarden dit, in hunne qualiteit van erfgenamen. 

In vroeger jaren had IJsbrand twee huizen gehad, maar, naar wij weten ^), had hij 
30 Juni 1663 er éen (aan den Ouden Cingel bij de boshuyssluys gelegen en de Steenrots 
genaamd) voor ƒ 7200 verkocht Blijkens de acte van kwijtschelding, had hij het van 
zijn vader geërfd. 

Omtrent het beroep en de verdere levensomstandigheden van dezen IJSBRAND is 
mij niets bekend geworden *), Alleen blijkt uit het hieronder mede te deelen rekest 
van zijn broeder Jan, dat hij op muzikaal gebied zijn vader en oudsten broeder althans 
nastreefde. Immers na den dood van dezen laatsten nam hij, van 17 September tot 14 De- 
cember 1652, het orgauistschap der Oude Kerk ad interim waar. 

V. Jan. Ook diens beg^afenisactè, in dato 9 Juli 1660, werd reeds medegededd. 
Daarbij werd echter niet vermeld de aangifte van zijne nalatenschap voor de successie- 
belasting V. Bij deze wordt ook hij bedaeghd jongkman genoemd en gezegd, dat hij den 
5den Juli overleden was. De aangifte geschiedde door PlETER, IJSBRAND en Elsgen, die 
erfgenamen waren. 

De boedel bestond uit de helft van i\ morgen lands in Blokland onder Uithoorn 
gelegen, die op zijn en PIETERS naam stonden en ƒ 130. — jl. huur opbrachten; voorts 
uit een kapitaal van ƒ 20240. — aan rentebrieven. Allicht zou men meenen dat deze zoon 
van SwEELiNCK de bekende plaatsnijder was. Uit de ,aanteekeningen van Mr. DE VRIES 
zal blijl^en dat deze Jan Gerrits heette en dus blijkbaar een zoon van den schilder en 
een volle neef van zijn hier besproken naamgenoot was. Omtrent dezen rest mij nog het 
hier volgende briefje weer te geven, dat zijn belang minder aan de onderteekening ont- 
leent, dan aan hetgeen daarin omtrent IJsbrandt voorkomt: 

Versoecke bij desen dat die E. Heeren Kerckroeesteren bij gelegentheyt eens ge- 
lieven nae te sien off mijn broed', zalig'. M'. DiRK JANSEN Sweelinck, geweesen organist 
noch niet soude comen een vierendeel jaers gagie van de E. Heeren bovenscr. Alsoo 

4) Tijdschr. v. Muztekgesch. I 51, -) lll fol. 165. 

8) In de DUtsche Warande X 137 deelde de Heer H' J. Allard roede, dat IJsbband 27 Decb. 1662 getuige waa 
bij den doop in den Krijtberg van een kind van Willbm Thijsskn en Weijntje Pieters. Hieruit tot rijn katholicisme 
te besluiten komt mij echter meer dan gevraagd voor. 

*) Collateraal register I, tusschen foll. 38 en 39 



JAN PIETERSZ. SVVEELINCK, ENZ. 295 

bevinde dat hyt laeste geit bij sijn boeck aengeteeckent ontfangen heeft den 7*° Augusty 
voorleden 1652 ende is overleden den 17^ September ende voorts bedient en waerge- 
nomen bij mijn broeder Mr. IJSBRANT SWEELINCK tot den I4en December desselven jaers 
doen sijn die sleutels van beyde wercken door last van de E. Heeren Burgemeesteren 
overgelevert bij Broed, voornoemt aan de nieuwe organist 

In de naeme van mijn broeder 
Mr. IJsbrand Jansen Sweelinck, 

Get. Jan Jansz. Sweelinck. 

VL Elisabeth's acte van ondertrouw met Benedictus Ingels, in dato 27 April 1635, 
werd in de Dietsche Warande van 1872 het eerst vermeld en vindt men op blz. 31 der 
monogfrafie van den Heer Tiedeman. Volgens die acte was zij toen 31 jaar oud en zou 
zij dus in 1603 <^f 1604 geboren zijn, terwijl zij toch reeds genoemd wordt in het testa- 
ment van Augustus 1602. Maar zoo iets komt bij meer bruiden van dien tijd voor. 

Uit haar huwelijk werden twee zoons geboren, Jan en NiCOLAAS. Laatstgenoemde 
volgde in zijne beroepskeuze zijn vader. Den I2"> Augustus 1659 werd hij op 20jarigen 
leeftijd te Leiden als jurist ingeschreven. Waarschijnlijk was het zijne nalatenschap, 
die 3 November 1707 door NicOLAAS DE LA NoYE, als man zijner zuster Anna Maria 
voor de collaterale successie werd aangegeven *). Zoo ja, dan was hij 20 Maart van dat 
jaar te Beveren in het land van Waes overleden. 

Geen twijfel heerscht er omtrent het sterfjaar van zijn broeder. Den 2en October 1670 
werd nl. in de Oude Kerk begraven Johannes Benedictus Ingels gewoond hebbende 
op de Heeregracht dicht bij de Brouwersgracht. Van de voogdij over zijne twee minder- 
jarige kinderen had hij de weeskamer, bij testament van 28 September 1670, uitgesloten. 
Slaan wij dit op in het protokol van den notaris Adriaan Loeff, dan zien wij, dat de 
testateur toen vertoefde ten huize van zijn overleden oom PiETER Jansz. Sweeunck'). 
Wïj leeren er ook den naam zijner huisvrouw, JOHANNA Catharina Losson uit kennen. 
Hij was blijkbaar een zeer gefortuneerd man. 

Elisabeth Sweelinck, noch haar echtgenoot, overleefden hunne kinderen. Hij 
was in Mei 1664 in de Oude Kerk begraven; zij slechts vijf dagen later'). 

Wij zouden hiermede van het geslacht SwEELiNCK kunnen afstappen, indien ik niet 
volledigheidshalve wilde wijzen op eene gelijknamige familie, die naar het schijnt uit Bremen 
afkomstig, in de 17e eeuw te Amsterdam gevestigd was. Ik vond het niet noodig een 



XII fol. 587: NiCOLAAS Benedictus Ingels; in den boedel bevond wch o. a. een rentebrief van 30 Januar 
I608 op naam van JavL Pietersz^ organist. Toch twijfel ik eenigrins aan de identiteit; vgl. de vlg. nt. 

») Dit beslist de kwestie. Ook hier was het Eaak voorzichtig te rijn, blijkens de volgende begrafenisacte, in dato 
19 November 1678 Nieuwe Kerk: Jan Ingels, vryer, zoon van Baudictus Ingels uyt de Bagynesteech f 8.-G 20. 

Treffend dikwijls riet men in de oude registers de vrouw den man en omgekeerd spoedig in 't graf volgen. De reden 
zal wel minder te zoeken zijn in groote mate van huwelijkiliefde, dan wel in het gebrek aan voorzorgen bij besmettelijke riekte 



^96 JAN PIETERSZ. SWEELINCK, ENZ. 

nader onderzoek naar haar in te stellen, en kan dus alleen vermoeden, dat de hier volgende 
acten allen op dezelfde familie betrekking hebben. 

Melchior Sweeling van Bremen, oud 36 jaren, coopman, won. Oostermarkt *), 
ouders dood, ondertr. 31 Maart 1651 ANNA VAN DER VOORDE van Amsterdam, 23 
jn, won. als voren met Carel VAN DÉR VOORDE en CORNELIA VAN DER VOORDEJ 

Melchior Sweeling, begraven Zuiderkerk, (eigen graf E 3) no. s) 17 Maart 1657, 
van den Nieuwmarkt, tusschen Dijkstraat en Breêstraat, laat twee onmondige 
kinderen na. Anna V. D. VOORDE vertoont ter Weeskamer een testament 
van 3 Maart 1657 (nots. NiCOL. Grijt) 

Anna van der Voort, weduwe van Sweelingh, begraven Zuiderkerk 26 Maart 1675 
F no. 4, van de St Anthoniesmarkt 2e huis van de Breêstraat,, laat drie onmon- 
dige kinderen na. CORNELIS KOCK DiRCKSzoon vertoont ter Weeskamer een 
testament van 7 Maart 1675 (nots. Jan Volckaerts.) 

Melchior Sweelingh, begraven Zuiderkerk, eigen graf 20 Maart 1676. 

Gillis Wijbrands, als getrout hebbende Cornelia Sweelink en Abraham 
Meliszen als in huwelijk hebbende Anna Sweeling, kinderen van Anna 
V. DE Voorde verkoopen gezamenlijk met de kinderen van CORNELI.S COCK 
en Maria van de Voorde een huis op de Nieuwmarkt naast het hoekhuis 
van de Breêstraat, daar de leeuw in den gevel staat, geërfd van hunne groot- 
moeder Cornelia van de Voorde, weduwe Carel van de Voorde. Kwijt- 
schelding reg. CCC fol. 351, in dato 31 Mei 1686. 

Cornelia Sweelingh, echtgenoot van Gillis Wijbrands, begraven Zuiderkerk 
F 5, 23 Maart 1706. G. W., geelgieter, bewijst 8 Maart 1708 aan zijne 
dochter Cornelia, oud 14 jaren, moeders erf ( ƒ 6000). 

Anna Sweelingh, wed. Abraham Melissen begrav. Zuiderkerk F s 12N0V. 1721, 
van de Oude Waal bij Montelbaanstoren, (geene onmond. kinderen.) 



JOHANNES SWEELINCK van Amsterveen, wijnkooper, oud 20 jr.. won. Nieuwstraat 
met zijne moeder PietertieGerrits ondertr. 26 Juni 1685 JANNETIE VAN REENEN, 
van Amersfoort, oud 25 jr., met haren vader Jan Aertsz. van Reenen 
(tr. 24 Juni 1685 te Buiksloot.) 

JOHAN Sweeling (teekent Schweling) van Breemen, oud 25 jr., agter de Oude 
Kerk, sijn vader Johannes EverhardüS Sweeling tot Breemen ondertr. 
i Septb. 1713. Francisca Juliana Vanino van Breemen, out 25 jr., won. 
als voren, haar vader Johannes Baptista Vanino tot Hamburg. 

Georgius Sweeling Bremensis als S.S. L.L. studiosus te Groningen ingeschreven 
3 September 1658. 

^Henricus Swelingiüs promoveerde tot Med. Dr. te Utrecht 6 Febr. 1675 '). 



ï) Nieuwmarkt. 
«) of F. 

») Waarschijnlijk de Dr. Med. Henricus Sweelingh, die ii April 1696 een huwelijk sloot met Maria Woertmass 
Beiden waren van Bremen afkomstig, maar woonden te IJssclstein. Zie Tiedeman, Naschrift bl. 89. 



JAN PIETERSZ SWEELINCK, ENZ. 297 

Omtrent de ambtgenooten der SwEELiNCK's aan de drie andere Amsterdamsche 
kerkorgels kan ik kort zijn. Zoolang niets gebleken is van hun invloed, op hunne tijdge^ 
nooten door hun spel, op het nageslacht door hunne werken, behooren hunne namen thuis 
in het boek der muziekgeschiedenis, maar nemen zij daarin niet dezelfde plaats in als die 
der maestro's op dit gebied. 

Blijven wij eerst aan de oude zijde en begeven wij ons IJwaarts naar de St. Olofs- 
kapel. In het steegje naar deze genoemd, het derde huis van den hoek af en dus vlak 
daarachter, was 1557 in het kohier van den tienden penning van de huizen aangeslagen 
Frans, organist Wij mogen dus aannemen, dat hij aan den dienst dier kapel verbonden 
was. Het eerst komt hij voor in 1551 ^); daarna 17 Juli 1555, toen hij zijne vrouw grafwaarts 
geleidde^. Hij hertrouwde kort daarna met LijSBETH HENRlCKSdr., de weduwe van 
Jan CoOTENzn. Immers in 1566 waren beiden overleden met achterlating van vier 
onmondige kinderen, WiGGER, DiEUWER, Trijn en DiRCKJÈ. Hun voogd, Arent Jansz. 
COESVELT had toen met de kinderen van LijSBETH uit haar eerste huwelijk geschil over 
de erfenis van JacoB Olyblock en Gerberich jANSdr. •). 

Het laatst vond ik Frans, organist, vermeld 20 Juni 1562, toen hij een losrente 
vestigde op een huis, op den Nieuwendijk gelegen *). Het bedrag van zijntractement kan moeilijk 
minder geweest zijn dan dat van zijn opvolger in 1570, toen het op ƒ18 — gesteld was *). 

Aan de NieuweKerk fungeerde in het midden der i6e eeuw, als organist een priester 

namens Claes Jansz. Dit blijkt uit het straks aangehaalde register van 1570*). De oudste 

aanteekening omtrent hem noteerde ik uit de Tresoriersrekeningen van 1 539 en '40 nl. deze : 

Van Fye die tapster Mr. Claes den organisfs meyt op rekening van een oude rest e 
van oude huyshuyr dat zij op 'T oude brugge gewoent heeft enz. 

In latere jaren komt hij herhaaldelijk als getuige voor en wel in 1550 '^), IS 56'), 1563 •) 
en 1567") telkens, zooals hi] zich ook ttekttide C/aes 3^ansjs. priester ende organist gtno^md. 

Blijkens het kohier van den tienden penning van 1557 woonde hij toen op den 
N. Z. Voorburgwal tusschen de Huiszitten- en Stilsteeg"). Later dan 1570 (v.s.) vond 
ik hem niet vermeld. 



1) Als Frans die organist. 

*) Oude Kerk 17 Juli 1555 Gryete Rycktn^ ht^svrouva van Frans, organist. 

3) Memoriaal der Weeskamer I fol. 91 vo., in dato 2 October 1566. De laatstgenoemde kinderen waren Mart, de 
vrouw van Cornelis Jacobsz schoenmaker en Cornelis en Hendrik, onder voogdij staande van Jacob Hbnricks en 
Dirk Dircks, lakenkopers. Gerberich jANSdr. was 10 Maart 1565 in de Oude Kerk begraven. 

4) Van / 15.— ten bate van Jonge Harmen Rodenburch. Zijne borgen waren -Cornelis Rem in »t Duyfjen en 
CoRHELis Barentsz in de witte roos. 

*) Register van den incoempste ende belastinge van alie godsAuyzen ende gitden óinnen Amsterdam, yan gemeld jasLT fol. 47. 

«) Fol. 2. Mr. Claes organist, in voce de Nieuwe Kerk. 

7) 14 Januari; met Pilgrom Thonysz, priester van eene huwelijksacte van Cornelis Croock. Claes Pieterszzu. 
en Marytjb dr. van Gerrit Oijtclaesz. (nots. Petrus Wits. Weeskamer, lade 35.) 

•) Van het testament van Mr. Pelgrom Jacobs, priester. Weeskamer, lade 85. 

9) Van het testament van Grietr Poüwels wed. Karsten Roelofs, in dato 31 October; hij wordt hier uitdruk- 
kelijk organist in de Nieuwe Kerk genoemd. 

***) Met Jacob Martsz. van het testament van Hendrick Dircks, snijder en Gheertgbn HENRiCKSdr. in dato 
aó Juni, nots. Hendr. Wouters. Weeskamer, lade 41. 11) I Vo',33 vo. 

38 



1 



298 JAN PIETERSZ. SWEELINCK ENZ. 

Zijn al of niet onmiddellijke opvolger was de bekende Willem Aertsen, naar wij 
zien zullen een Bosschenaar. Of deze destijds reeds aan de Nieuwe Kerk was verbonden 
kan ik niet met zekerheid beweren, maar als organist kwam hij mij het eerst onder de 
oogen den gn November 1574, toen in de gemelde kerk begraven werd 

Haesgen Cornelisdr.y huysvrouw van Mr, Willem Arents, organist y over der heiliger stede. 

Uit de acte van scheiding harer nalatenschap in dato 17 Juli 1577*) blijkt dat 
haar vader Cornelis Pouvs'ELS geheeten had en dat zij drie kinderen naliet Jan, Corneus 
en HiLLETjE. Deze laatste volgde hare moeder in 't graf 12 Mei 1591'). Nauwelijks 
een half jaar vroeger had haar vader een jonger kind verloren •) en een jaar later trof 
hem een zelfde slag*). Mogelijk waren dit de reeds vermelde zoons, maar in dat geval 
zou allicht even goed als bij hunne zuster allicht bij hen, de blijkbaar ouderen, de naam 
vermeld zijn. De in 1 590 en ^92 gestorven kinderen zullen dan ook wel gesproten zijn 
uit een tweede huwelijk van Willem Aerts met zekere Lysbeth jACOBSdr. 

Kerkinteekenregister in dato ii November 1581. 

Willem Aertsjs. van den Bosch wedr, van Haesgen Corftelisdr. en Lysbeth 
Jacobsdr,^ out 2%'jaren^ geassist. met Lieffert Jacobs^ haren broeder. 

Ta] kan haar naam niet teekenen. Trouwen 30 November in de Oude Kerk. 

Elders is reeds de gratificatie medegedeeld door hem in 1585 ontvangen*) en de 

aanstelling van zijn zwager tot stadsmuzikant, in 1604*). Zijn acte van overlijden blijft 

mij evenwel nog te boeken. Zij luidt : 

15 Maart 1607 begraven Mr. Willem AertsZj organist in de Nieuwe Kerk 
op 't hoochkoor. 

Men ziet reeds, dat de ambtgenoot van Dirck SweelinckT, eveneens Mr. Willem 
geheeten, ten onrechte met Willem Aertsz geïdentificeerd is. 

Diens weduwe overleefde hem verscheidene jaren. Zij werd ook niet in hetzelfde graf bij- 
gezet, daar wij het register der Oude Kerk moetenopslaan, om haar naam te vinden in dato 

3 November 1620 Lysbeth Jacobs wed. van Mester Wyllem oraelist^ wonende 
in de Kalverstraat in de groene scher^ twee uyren groote doek. 

Vaak verhuisd schijnt zij, noch haar man te zijn. Althans reeds in 1574 vinden 

wij hem in dezelfde straat en in 1586 werd hij evenzoo aldaar in den hoofdelijken omslag 

aangeslagen^). Zijne weduwe had kort vóór haar overlijden en reeds sieck te bedde lig- 

gendey den notaris ontboden en hem hare uiterste wilsbeschikking kenbaar gemaakt"). 

Met haren zoon Aert, die te Weenen in Oostenrijk overleden was, had zij, toen hij in 



1) Vóor notaris van der Wall te Amersfoort, rie Weesboek X 295; oomen der kinderen waren Dr. GocMW 
GijtBBRT en JOHAN Verstbch. s) Hülegond Mr. Willem éTorganistsdr, Nieuwe Kerk 12 Mei 1591. «) N. K. a Norb- 
1590. ^ N. K. 24 Juni 1592. ») Bij Scheltema AmsUFs Oudheid VII 169 in extenso, e) Tiepeman bis. 15 n<- 3« 
7) Westzijde, tusschen Dam en Bagijniiof J/r. (TcV^^. or/anif^ kohier der kapitale impositie» bis. 228. •) Notaris LaueeNS 
Lamberti in dato 31 Octob. 1620 (protokol fol. 318), ten huize van testatrice in de Kalverstraat Uj 't weeshuis. 



JAN PIETERSZ. SWEELINCK, ENZ. 299 

i6i2 hier ter stede vertoefde") afgerekend, zóo dat hij haar nog ƒ 3200. — schuldig ge- 
bleven was. Zijnen kinderen kwam nu het grootvaderlijk erfdeel ad f 1000 ten goede, 
zoodat er nog een schuld van ƒ 2200 overbleef. Deze zou als gekweten beschouwd en 
de geheele verdere nalatenschap verdeeld worden tusschen de twee andere kinderen van 
testatrice, Jacob en Haesje, die dan toch nog eenigzins in het nadeel waren. 

Haesje was reeds sinds 1604 de vrouw van Willem Janszoou LossV, die zijn 
schoonvader, als organist opvolgde'). 

Kerkinteekenregister in dato 25 Mei 1604. 

Willem Jansz. van Haerlem^ out 23 jaren (6 ans\ wanende op V Water, 
vertonende vader s consent onder de hand van A. Willems, secretaris tot 
Haerlem en Haesgen Willemsdr., out 22 jaren, won. in de Kalverstraat, 
geassist, met Willem Aertsz organist en Lijsbeth Jacobsdr. haer vader 
en moeder, 

In marg. : zullen trouwen te Ouwerkerk, daartoe den iSen hun acte gegeven. 

Geboren was deze tweede Mr. WiLLEM dus in 1581 of '82 en omstreeks 1598 te 
Amsterdam gekomen. Werd hij wel eens aangemerkt als een leerling van SwEELiNCK, het 
jigt meer voor de hand zijn lateren schoonvader als zijn leermeester te beschouwen. Of 
hij reeds dadelijk in 1607 en onder welke voorwaarden als diens opvolger benoemd is, 
weet ik niet,') maar 31 Decb. 1616 werd op zijn verzoek om vrije huishuur door Burgemren. 
besloten y,sijn versoeck Kerckmeesters te recommandeerep om hem jaerlicks 60, 70 ofte 
icx> g^ld. tot behulp van zijn huishuer te betalen" ') Of Kerkmeesteren dit verzoek billijk 
achtten blijkt niet, maar met ingang van i Mei 1617 werd aan Willem Jansz. wel niet 
de genoemde som, maar toch ƒ 50. — voor huishuer toegeleyt *). 

In 1622 volgde eene nieuwe verhooging. Het resolutieboek van BB. is niet duidelijk. 

Willem Jansz. organist wort inplaetse van huyshuere vijftich guldens ^sjaers toegeleyt *). 
maar uit het resolutieboek van Tresorieren blijkt dat dit geene herhaling van het vroe- 
gere besluit was: Willem Jansz. organist es boven ^^ gl. 's jaers voor huyshuyr toegeleyt 
noch 50^/.*). 

Het organistschap der Nieuwe Kerk was financieel het beste. In 1645 wordt het 
daaraan verbonden tractement ad ƒ 450. — gesteld tegenover de ƒ 300, waarmede de 
organist der Oude Kerk zich moest tevreden stellen '). 

Een vermogend man mocht Mr. Willem evenwel niet genoemd worden. In 1631 
werd hij bij de heffing van den 200n penning voor een vermogen van ƒ 5000 ad ƒ 25 
aangeslagen. Hij woonde toen in de St. Luciensteeg, maa|j is later verhuisd naar de 
Jonge Roelensteeg. Aldaar overleed hij in 1639. 



1) De zin is niet duidelijk ; er kan ook bedoeld ajn dat hij in 1612 te Weenen overleden was. 8) Het eerst vond ik 
hem als zoodanig vermeld in 1616. 8) Notulen, Oud Raad fol. 36 vo. ■*) Extr. Resol. Burgemren, Inventaris, 3e deel 
IV no. 26 fol. 26. •) Fol. 52 vo. «) Fol 81. 7) Resolut. Oud Raad fol. 152. 

38* 




SOO JAN PIETLRSZ. SWEELINCK, ENZ. 

Nieuwe Kerk, begraven 14 M« 1639 Mr. Willem Janss.. organist in de 
Jonge RoeUnsteeg. 

Hij had er, ziek te bed liggende, den 2en Mei zijn testament gemaakt, dat slechts 
weinig afweek van dat, hetwelk hij 24 Juli 1635 vóór denzeJfden notaris Laurens 
Lamberti had gepasseerd. Zijne weduwe, Haesje Willems, bleef diensvolgens vrij in 
den gemeenen boedel zitten, terwijl de vier kinderen dien erfden. Zij heetten Claes, 
HiLLEGOND, WILI.EM en Jan. De dochter was (reeds in 1635) de vrouw van CORNELIS 
JANSZ.; de oudste zoon, NiCOLAES, was organist aan de Nieuwe Zijds Kapel. Ditlaatste 
blijkt uit een verzoek door hem aan Burgemren. gedaan om vrij huishuur, welk verzoek 
den I2n Januari 1638 afgeslagen werd'). Zijne finantieele positie verbeterde evenwel 
alras, daar hij zijn vader in het volgende jaar aan de Nieuwe Kerk opvolgde. Althans 
in IÖ45 was hij daaraan verbonden. Toen nl. den Itn Januari een noodlottige brand 
het kerkgebouw in de asch had gelegd, vreesde hij in zijne betrekking, althans ge- 
schorst te worden. Den 3n Maart werd hij door een besluit vim Burgemren gerust- 
gesteld. Deze resolveerden „hem te continueeren in sijn dienst en tractement, niettegen- 
staande in de (Nieuwe) Kercke in lange tijd door het ongeluck van brand niet en sal worden 
gespeelt". Hij zou evenwel gehouden zijn „op het repareren van het cleyne orgel dat 
niet en is verongeluckt sijn ooge te laten gaen ende nae de predicatien, die in de nieuwe 
kerck plegen gedaen te werden ende in de heylige stede verleyt sijn, sijn dienst in waer 
te nemen"'). Bij de resumtie van dit besluit den 21 Juni gedaan, kwam het Burgemren 
echter voor, dat het onbillijk zou zijn LossY ook nu nog op zijn tractement van f 450 
te laten en reduceerde zij dit tot ƒ300 of evenveel als de organist der Oude Kerk genoot. 
De verdere ambtstijd van NiCOLAES WiLLEMSZ ligt buiten mijn bestek. Laat mij besluiten 
met op de bijzonderheid te wijzen, dat in de beide hoofdkerken van Amsterdam, tusschen 
1550 en 1650, drie generatién elkander in bet organistschap opvolgden. 

Omtrent het letterkundig leven in dat tijdperk is betrekkelijk veel geschreven; 
omtrent de plaats der muziek in de toenmalige samenleving is veel minder bekend. Ik 
heb hier slechts hoofdzakelijk biographie kunnen geven, maar ook op dit terrein moeten 
wij allereerst de personen der voorgangers en toongevers kennen, om den invloed te waar- 
deeren, die van hen uitging. Dat in de 17e en nog meer in de i6e eeuw de organisten 
dit waren, ligt voor de hand. Dit juist is hun belang voor de historie. 

5 NccoLiBS WiLLEiisz LossT, oTgaoisl van der Beyligei Steedts Cappelle. 1) Re»;. 



BIJLAGE I. 



Item dit zijn die ghebreecke die hier na ghescreven staen, tgheen dat die kercmeesters 

van die oude kerck begheere volmaict en gherenoveert te hebben int g^oet werck 

staende in die Oude Kerck. 
Item een nyen regael met een nyen cromhore. 
Item men zal drie ofte vier schalmeye vermaickea ofte vertonghen om hair perfect ghe- 

lu3rt te hebben. 
Item men zal dat tghehele werck boven ende beneden doirsien ende helpen dat tselfde 

gebreck datter in is met die tramblant etc. 

Item also verde alst dié kercmeesteren gelieven zal en met Mr. Henrick te samen kuene 
accordere so sal men die quinte dee boven wech nemen ende brengen in dieselfde 
plaets een regyster ghenoemt die naezaet. 

Item achter int posetyf zal men uytnemen dat erom hoire, en brenghen een suilet ia 
die plaets. 

Item dat principael sal men maecken stercker nae den eysche van dye kerck. 



BIJLAGE II. 



In den Name ons Heeren Amen Opden VII«» dach van November Anno XV*' vier en 
veertich hebben Symon Marten DiRCKSzoonsz., BURCHMAN WOUIER DOBBENzoonsz. 
en CORNELIS Jacobsz., kerkmrs. van Ster Nicolaes prochie kercke binnen der 
stede van Aemstelred*. in absentie van Claes Meeusz bestaet en Mr. JASPER 
Jansz. VAND. Bosse orgelmaicker zelven en gem. van Mr. Henrick VAN 
Nyeuwenhuys oick orgelmaicker ten Bosse en voir hem beloovende ende vast- 
staende heeft anghenomen een gans nyeuw werck van drie voet zes voet luijende 
mit twee clavyeren wair van dat eerste zal hebben een secreet mit een operlae 
mit neghen registers, wair van dat eerste wesen zal een doeff van fijne thinne, dat 
anderde een holpype van zes voet, dat derde een quinto, deen van zes voet, dat 
vierde een coppeldoeff, dat vijfde een mixtuer, dat zeste een scarp, dat zevende een 
gheems hoern, dat achste een ruyff ende cymbael, dat negende een scalmay van 
drie voet Item dat tweede clavier zal hebben een secreet op hem selven met drie 
registers the weeten een holpype van drie voet, dat anderde een s)rvelet, dat derde 
een goedt regael van zes voet luyende, noch een pedael sprekende mit een bas 
trompet van zes voet. Item dese twee clavyeren zal men mogen spelen te samen 
ofte elcx bysonder zoe dat den organist believen zal. Item noch zal in dit voorsz. 
werck zijn een goede trambulandt ende tot dit voorsz. werck zullen sijn drie goede 



302 BIJLAGE. 

balgen van hout gevonden gelijck die tot Delft zijn geweest en wairt saicke dat 
Mr. CORNELIS SCAEGEN, onse organist mit een ander goedt Mr. zeyden dat die 
wint van de drie balgen tot dat voorsz. werck nyet sterck genouch en wair dat 
alsdan de voorsz. mrs. gehouden sullen sijn die vierde ballech dair bij te maecken 
op haeren costen ende voert zullen die voorsz. mrs. leveren een nyeuwe borst mit 
een nyeuwe casse ofte vidimus mit sijn tabernaculen net ende wel gewrocht mit 
die doeren daer toe ende voort alle materialen ende al dat daer toebehoort tot dat 
voorsz. werck wair voor die voorsz. kerckmrs. die voorsz. meesters weder leveren 
zullen die oude leeghe casse van twaelff voet mit zijn stoel staende in de voorsz. 
kerck bij dat Hamburger Choer ende noch dat geheele Edanmier werck mit zijn 
gheblaes ende dat sonder stoel ende dair en boven noch an ghelde, wanneer dat 
werck opghelevert zal sijn tnegentich Karolus geldenen van X!L groosten vlaems't 
stuck, welverstaende dat de voorsz. meesters gehouden zullen zijn die kerckmeesters 
te leveren een fraye, wel gemaicte patroen voir Kersmisse toecomende In alle ma- 
nieren zij dat werck zouden willen leveren ende soe sullen oick die voorsz. kerckmrs. 
gehouden zijn voir jaers dach eerstcomende te zeggen off zij dat werck gemaict 
willen hebben, ende ist dat zij luyden te vreden zijn dat dit voorsz. werck aldus 
gemaict zal wórden alst voorsz. is, zoe sal meester Jasper gehouden zijn dit voorsz. 
werck te helpen ofte te accorderen, ist saick dat dair nae dat werck gelex-ert zal 
sijn eenich gebreck in quaem ende hij in levende lijve wair hier omtrent ende 
oick zullen die voorsz. kerckmrs. gehouden zijn die leghe cas van twaelf voet 
beneden op die yloer van de kerck te leveren op kerck costen en die mrs. voorsz. 
zullen die ouwe wercken wel mogen vercoopen mair die kerknu-s. zullen nyet 
gehouden zijn eenige leverancie die voorsz. mrs. te doen voir dat die mrs. die 
kerk eerst gelevert zullen hebben. Sonder arch en list In kennisse der waiiheyt 
zoe sijn hier van gemaict twee cedullen alleens luydende ende per A B CDwyt 
malcanderen gesneden ende oick bij den voorsz. partijen ondergeteyckent 

It dyt voerscreven werrick is tho vollen opghelevert act. den 28 in October verstaende 
dat Myster JASPER hem verbonden heft dyt voerscreven werck soe lanck als hij 
leeft tho onderhouden ende tho accorderen ende heft dyt belooft in presencye 
van Mr. Claes ende Mr. Aerent ende Henrick Fransen en meer ander die 
daer bij geweest sijn Ao. 45 sonder daer iet of tho neme. 

Buitenop: Cedul van die orgel. 



BIOGRAFISCHE AANTEEKENINGEN 



BETREFFENDE 
VOORNAMELIJK AMSTERDAMSCHE SCHILDERS, PLAATSNIJDERS, ENZ. 

EN HUNNE VERWANTEN 

verzameld door 
Mr. A. D. de vries Azn. 



BIOGRAFISCHE A A NT EEK ENl N GE N. 805 

Op heden den i Marttij 1621 comp. Krispiaen van de Pas dejonghe, woonachtigh 
tJt Utrecht, verclaerde en bekende, dat alsoo hy buyttens lans is reysende ende hem alsoo mocht 
bevinden om eenighe van sijne eygen gewonne middelen over te senden in bewaringhe van Lambrecht 
van Hemelskoers (?), burger deser stat in Rotterdam, ende dat in voegen als volgt, (dat hij bij desen 
selve sulcx aen en op ditto Lambrecht van Hemelskoers is versoeckende ende begerende) dat hij, 
Hemelcoera, sende moghen al sulcke syne eygen nüddelen, als de selve in verseeckeringhe van hem 
sullen ontfanghen sijn, te moghen inployeren ende aenleggen tot gelegentheyt, so selve Hemelkoers 
sal goet duncken ende arbaer te wesen, mits dat ditto van de Pas daer van des jaers sal moghen 
ghenietten den intrest van de selve somme, teghens vier ende een halven ten hondert. 

ende by aldien dat ditto van de Pas buyttens lands soude moghen komen te sterven, ende 
daer en worde niet bevonden een apsolute testament van sijn uyterste wille, so sullen dese sijne 
penningen, die onder ditto van Hemelkoers souden moghen komen te rusten, de welcke s vn svne 
eyghen ghewonne middelen, sullen zijn utgekeert werden als volgt, een vierde part aen sijne broeders 
en susters, ende dander dry resteerende vierde partten aen den armen van de ghemeentte, daer sijn 
vader ende moeder een lidtmaet van zijn. Waer van de eene helft sal ghegeven worden, tot Utrecht 
ende dander helft, alhier binnen deser stede Rotterdam, daer ditto van Hemelkoers mede een 
Lidtmaet derselve gemeenten is, alsmede aen eenighe der ditto van Hemelkoers selver sal bevinden 
sulx noodigh te hebben. In kennisse der waerheyt, dat dit alsoo is den vollen wille van ditto van 
de Pas, soo hebben wij ondergeschreven sulx ondergeteeckent op datum als boven. 



^.^^ 




% 



(Acte van Not. J. Duyfhuy sen, te Rotterdam 162 1.) 

Ondertr: 10 Maart 1646. Crispyn van de Pas, van Geulen, out 48 }3iQT, piae/snyder , 
geen ouders hebbende, won. op de Roosegracht, en Geertruyt van den Broeck, van Solingen, out 
29 (eerst schijnt er 34 te hebben gestaan) jaer, geen ouders hebbende, won. als voren. 

(Kerk. huw. proc.) 

16 Mey 1652. d'Eersame Crispyn van de Pas, wonende te Amsterdam, machtigt 
zijnen zwager Hendrick Dreckes (?) om van Arent Simonsz. te Haarlem in ontvangst te nemen 
/ 250. — hem constituant voor de erffenis van synen broeder toegevoecht. 

(Prot. Not. Goudsbloem.) 

\'olgens het adres op de afbeelding van den keten, die bij Cornclis Karelsz, pUietdruckery ge- 
zegd werd uit den hemel te zijn gevallen (Muller, historiepr.J woonde Crispijn de Pas in 
1653 op *t hoeckje van de Lynbaensteech. Blijkens het verpondingsboek van dit jaar bl. 67T0 was 
zijn huis gelegen op den hoek van de Achterburgwal (Spuistraat) Suytzijde en de Lij nbaans teeg h. 
(Nu geno 60). Hij had het huis in huur van zekeren Steven Olphertsz. Den 27 April 1656 betaalde 
Crispijn de Pas de verponding over het jaar 1653, het huis had een huurwaarde van /276. Hij 
heeft er niet langer dan gedurende het jaar 1653 in gewoond, want de verponding over 1652 werd 
door Steven Olphcrts, den eigenaar zei ven betaald, terwijl die over 1654 door zekere Lijsbeth Jans 
werd voldaan. 

28 December 1663 compareerden: Crispijn van de Pas, Plaetsnijder, en Geertruyt van 
den Broeck, echteluyden, wonende in de nieuwe Lelystraet alhier, en verclaerden bg donatie ende 
gifte onder de levenden gegeven, geschoncken te hebben aen de S" Lucas en Justus van Beeck, 
haer Neven, alle de plaeten en afifdruckselen van den Ovidius en Herbarius onder hen Comparanten 
ende Jan Jacobsz. Schipper, berustende .... hiervoor zullen de Pas en zijne echtgenoote echter 
zoolang zij leven genieten het zuiver provenu der voorn, platen. (Prot. Not. J. Hellerus). 

20 Mei 1666. Testament van Crispyn de V 2iS, plaetsnyder, en Geertruyt van Broeck, 
wonende op de Egelantiersgracht, hy Crisp. sieck te bedde. De langstlevende erfgenaam. 

(Prot. Not. J. Hellerus, p. 168 bl. 252.) 

39 



306 BIOGRAFISCHE AANTEEKENINGEN. 

Crisp. de Pas passeert een prociir. den 5 Juli 1666 by not. J. Hellerus, p. 167 bl. 6»*. 

Op huyden den 20*» Aprilis a« 1667 compareerden voor my J. Hellerus not. pubL etc 
Crisp ij n van de Pas, plaeisnyder^ en Geertruyt van Boleck, echteluyden, wonende op de Egelan- 
tiersgracht, aen my not. bekend, en hebben geconstitueert en volmachdght sulcks doende mitsdesen 
S" Lucas en Justus van Beeck, henl. neven, te samen en elck van hen int bysonder, om uytten 
name en van weghe haer conparanten af te eyschen, vorderen en ontfangen van Lysbeth Jans, 
weduwe van Steven Olofs, wonende op de Rouaensche Kay, Jan Tengnagel, wonende te Naerden, 
alle soodanige copere platen en riemen papier als wegens henl. comp. onder deselve syn berustende, 
mits dat aen deselve sal werden voldaen tgene bevonden sal werden henl. van comparanten te 
competeren, beloovende vereyschtc quitantie van ontfangh te geven, des nood zynde daervan als van 
de coste daervan te doen procederen by middelen van justitie, tot dien eynde te compareren voor 
allen heeren, gerechten en rechteren enz. (Prot Not. J. Hellerus, p. 123 bL 202.) 

De Sinnighe Zeeusche slijper door v. d. Venne, bl. 73 en volg. Tafereel van Zinnemal achter 
de Zeeusche Nachtegael, Middelb. 1623, is opgedragen aan de Eerbare Seedenrijcke, Constrijcke 
Jonckvrouw M a g d a 1 e n a van de Passé. 

In de opdracht: 
Ghy lonckvrou, die dyn staelen tuych 

Van PASSÉ constigh wett, 
Opdat u handt met soet ghebuygh 

Wat nieuws int coper sett, 
Ontfangt dit lied nu voor u cunst 

Die gij my hebt vereert, 
lek houdt voor goed, voor eer, voor gunst, 

Daer ick uyt werd gheleert. 

A. V. Venne. 

Johannes Pascovius, plaetsnydery was 27 Sept. 1669 getuige by het testament van 
Jan Hendricks, sleper. (Prot. Not. J. Hellerus, p. 175 bl. 299.) 

Ondertr: 24 Febr. 1652. Denys Patbrugge, van Parijs, out 23 jaer, pUuisnyder^gtzsi- 
met syn moeder Jannetie van den Heuvel, won. in de Calverstraet, en Magdalena Godin, van Parijs, out 
24 jaer, won. in de Warmoesstraet, geass. met haer broeder Jean Godin. (Kerk. huw. proc.) 

28 Jan. 1652. Johanna v. d. Heuvel, eerst wed. van Herman Padtbnigh en daarna van 
Elias Porje (beide overl. vóór 1652), geeft aan het bniidspaar Denis Padbrugh en 
Magdalena Godin, suster van Jan Godin, coopman binnen Amst. 600 car Gulden, bestaende in 
coopere plaeten ter somme van /300 ende de andere /'300 in contant geld; Johan Godin gaf 
ƒ500 car. Gulden. (Prot. Not. v. Nieuland, p. 178.) 

Bruid en bruidegom testeeren dien dag ten huize van de Wed. Porje, in de Calverstraet 

(Prot. Not. Sal. v. Nieuland, p. 198.) 

5 Juni 1657. S» Fran^ois Carré, getrout met... Janneken Padtbrugge, beyde jegewoordigh • 
woonende en borgers zynde binnen Stockholm in Zweden, verklaart uyt handen van syn swager 
Denys Patbrugge ontfangen te hebben éen som van twee hondert gulden, die zijn vrouw 
toekwam als legaat van Martina Patbrugge, geestelyke dochter aen de kinderen van Harmen Patburgh 
haren broeder, ter somma van duysent gulden in den jare 1655 gelegateert. 

(Prot. Not. Torquinius A. i8.) 

Begraven Walenkerk 29 Maert 1659 het kindt van Denys Padtbrugge, inde Calver- 
straet, in graf n». 12 letter E / $• ^• 

20 Oct. 1663 het kindt van Deonys Padtbrugge, inde Pylsteegh, Leyt in graf 
n». I letter R ƒ5. 6. 

Cetrouwd 10 April 1657 te Leiden. Johannes van Pee, schilder^ Jongman van Amst. 
te Leiden woonachtig, en Hendrika Matthysd'., jonge dochter van Amsterdam, wonende aldaar. 



BIOGRAFISCHE A ANTEEKENINGEN. 307 

Ondertr: 9 May 1692. Theodoor van Pee, van A:, schilder; out 24 jaren, op de 
Haerlemmerdyk, geass. met sjn groot vad' Matthys Hend'. Krayvelt, de vader tot Hantwerpen, en 
Neeltje Peters van Bassevelde, van A., oud 18 jaren, als voren, geass. met haar moeder Neeltje Fransz. 

Ondertr: 31 October 1670. Mattheus van Pellecum, van Haarlem, schilder^ wed*, van 
Magdalena van der Keere, woont op de Leytsegragt, en Geertruy van Delden, van A., out 21 jaar, 
geass: met Arent Jansz. van Delden, op de Princegraght. 

Ondertr: 23 Aug. 1669. Louis Petit, van A., schilder ^ oud 28 j., geass. met zijn vader 

Jaco Petit, woont op de princegracht, en Catrina van Bom, van Haerlem, wed. van Barent 

telaer, woont uts. 

h. 154, br. 98. Borstbeeld van een dame in 17* eeuwsche kleeding met paarlen om den hals 
en in het haar, in ovaal door vierhoek omgeven ; omschrift : SYMB. STERCK IN SWACKHEIT. 
Van boven JET, 17. Onder het ovaal op een plint: 

Margrita Schotana, eenige dochter van D*« B. Schotano ende Anna Cath : Althusen ; daar- 
onder: P. Philippe Sculp. 

Niet onaardig portretje zeer gepointilleerd in het gelaat, wat werkelijk een eigenaardigheid 
van Philippe schijnt. Niet onwaarschgnlijk is ook van Philippe een damesportretje, borstb., 
links met omschrif : Petronella Wilhelmi uxor Femandi Gruinwardi, nata septimo Junii MDCXXXVII, 
denata quarto Julii MDCLXXV. 

In het marge : 

Dit beelt van God begaeft om Tygers te versachten, 
Lijd Ouders hooch geweld, en Broeders duUe krachten; 
Is jammerlyk verscheurt, en in haar eer ontschaekt, 
Soo wordt de Deught bespat, en liefd' en trouw versaekt. 

Ferdinandus Gruinwardus. 
maritus moestissimus posuit. 

Zie over haar Nav. 1853 bl. 322 en 323. 

Begr: Walenkerk 18 April 17 13, 't kint van Bernard Picard, op Cingel over d' Appèl 
markt, leyt bij de deur van St. Joris / 7»io . 

Begr : Walenkerk 30 April 17 13, 't kint van Bernard Picard, Cingel over de Appel- 
marckt, leyt bij de deur van St. Joris / 7'ïo • 

Begr: Walenkerk 15 Nov. 1721. Etienne Picart dit Ie Romain, op de Cingel op de hoek 
van de Beulingstraet, L Q N© 18 / ^5 • 

Begr: Walenkerk 13 Mei 1733. Bernard Picart, op de Cingel op de hoek van de 
Beulingstraet, H N« 16 / 15 • 

Ondertr : 15 April 1690. Pieter Pickaert, van A., pUutsnydcr^ out 2 1 jaren, in de 
Kalverstraet, geass. met sijn moeder Catrina Hartevelt, i) en Josina van Raeghvelt,j.d..v. Utrecht, 
en daer wonende. • (Kerk. huw. proc.) 

Ondertr: 22 Sept. 1657. Daniel Pierart, van Utrecht, schilder, out 27 j. geass. met 
Abram Piraert, sijn vaeder, won. in de Runstraet, en Mayke Pieters, van Haerlem, wed. van Reynier 
de Viens (?) won. op de Princegracht. (Kerk. huw. procl.) 

Begr: 12 Juni 16 12. Oude kerk, Arent P ie ter soo n, bij het princenhof, een schilder, 
beluyt met die groote kloek twee uerren /20. 

Gedoopt: 22 May 1603. Oude kerk. Willem, zoon van Corneles Pieters z, schilder, 
en Truitg en Willems; Heinrik Sybrantsz, Brecht Jans d». getuigen. 



1) Deze Cath. Harleveld is met Adriaen Schoonebeek' hertrouwd, in Juni 1685. 

39* 



808 BIOGRAFISCHE A A NTEEKENINGEN. 

Ondertr : 1 7 May 1670. Davidt Pietersz., van Haarlem, schilder^ out 24 j., ouders doot, 
tot Haarlem, geass. met Jan Pieters, sijn bekende, in de kromme Palmstraat, en Marritje Jans,van 
A., out 32 jaar, ouders doot, geass. met Hilletje Jans, haar bekende, w. als vooren. 

Lenert Pietersen, glaessemaeckèr^ betaelt twee hondert veertich gulden overt maecken 
van een Glaes, daer Burgemeesteren die Stat van Edam meede vereert hebben, actum den loJuly 

Anno 1606 /'240. 

(Rapiamus i6o6, pg. 228 vs».) 

Ondertr. 24 Juli 1630. JanSymonsz Pinas, van A., out 49 Jaeren, geass, met syn 
swaeger d'officier Pynas, ') wonende op de Coninxgracht, ende Catharina Arents, van Antwerpen, 
wed. van Gerrit Cop, won. als vooren. (Kerk. huw. proc) 

Begraven Nieuwe kerk 27 Dec. 1 631. Jan Pynas, opt boerenverdriet. / 8. 

Gedoopt Oude kerk 29 Nov. 161 2. Bartelmeus, zoon van Symon Jansz. Pynas, en Neel 
Jakobsd». zaliger. Hij was 15 jaren. 

Op een prentje van Magd. de Pas staat I. C. Pinas. 

Ondertr : 10 Maart 1684. David van der Plaats, van A : , schilder y oud 36 jaren, 
inde Kalverstraet, ouders doot, geass: met Justus Dankers, zijn neef, en Comelia van derGon,van 
Haerlem, oud 38 jaren, op de N. Binnen-Amstel, ouders doot, geass. met Abram Dakenburg. 
Dese persoonen zyn getrout den 26 Maert 1684 tot Diemen getuygt I> Lucas van Dort, Predikant aldaer. 

Testament van Sr. David van der Plaes, konstschildery ende Juffr. Comelia van der 
Gon, Echteluyden, woonende binnen deese stadt Amsterdam, zij herroepen alle andere testamenten 
hij stelt „als sonder kindt off kinderen uyt deese huwelijk geteelt, komt te overlijden" haer tot erfge- 
name en zij hem, behoudens eenige legaten 15 Maart 1689. (Prot Not G. van Ypelaer p. 32.) 

Ondertr : 23 Dec. 1625. Simon van Poelenburg h, van Haerlem, out 33 jaren, geen 
ouders hebbende, in de Calverstraet, en Catharina Ysbrans, van Haerlem, out 34 jaer, enz. 

Begraven Nieuwe Kerk 5 Febr. 1629. Van Symen Poelenburch, op de Princegraft, een 
kint onder den arm. 

Ondertr: 12 Juni 1660. Michiel ten Polla, van Steenwijck, jr^///^, out 32 jaer, 
de moeder aldaer, geass. met Bastiaen van de Velde, en Elsje Jans, uit Oldenburgerlant, wed* van 
Pieter Jansz, van Lubecq, beyde wonende in de Egelantiersstraet. (Kerk. huw. proc.) 

Ondertr : 24 Nov. 165 1. Jeurriaen Pool,*) van Sweynits (?) süversmit^ niet weetende ot 
hy ouders heeft, won. in de Meulensteech, en Margreeta Schotts, van Meurs, out 18 j., geass. met 
haer moeder Geertruyt ter Mesen, won. als vooren. (Kerk. huw. proc) 

Ondertr: 25 July 1693. Jurian Pool, van A., constsc kilder, out 28 jaaren, indeWolver- 
straet, ouders doot, geass. met Abraham Cyprianus, professor der Anatomie tot Franeker, en Rachel 
R u y s c h, van A., out 29 jaar, op de Blomgracht, geass. met haar vader Fredrik Ruysch, professor 
der Anatomie alhier. Deze persoonen sijn op den 12 augusty 1693 tot Buyksloot getrout, getuygt 
B. Vredenhuys, secretaris aldaer. 

Begraven: N. Z. Kapel. 23 Nov. 17 18 een jonge doghter, Rachel Pool, jongste doghtervan 
Juriaan Pool, compt uyt de wolverstraat / ^5* 

Mutueel testament van Paulus Potter en Adriana ^''an Balkenende, echteluyden, wonende 
jegenwoordigh binnen deeser steede Amsterdam 2 Januari 1653. 

(Prot. Not. Sam. v. Nieulandt N*. 206. i« stuk.) 



*) Dit zal moesten rijn: Tengnagel. 

2) Dit is wel waarschijnlijk de Medailleur bekend door zijne fraaie medailles: Willem III als vie ijarig kind, — op de 
stichting van het Amsterd. Stadhuis, enz. V. d. K. 



BIOGRAFISCHE A ANTEEKENINGEN 309 



Q- 



Ondettr: 26 Juni 1632. Pieter Quast, van A., out 26 jaeren, schilder y won. in de Moo- 
lensteech, en Annetie Splinter?, uit 's Gravenhage, won. als vooren ; zy heeft haer met eede ver- 
claert een vrye persoon te sijn. Kantt: Acte verleent om tot Sloten te trouwen. 

(Kerk. huw. procl.) 

Begr : 10 Mey 1664. Andries Quast, op de Prinsegracht /i5- 

Ondertr; 19 Dec. 1592. Gielis Jacobsz van Queborn, van Breda, makers Wed. van 

Tanneken Comelis Doenssz., woonende tot Breda, t. e. ende Eva Karstens d', van Antwerpen, out 
omtrent ^^ jaren, won. in de Ness. t. a. p. *). 

Ondertr: 19 April 1664. Joan de Hoest, van Leyden, out 37 jaren, coopman, in de Dyck- 
stfaet, geass. met Matheus de Hoest, syn broeder, en Catharina Questiers, van A., out 
28 jaaren, geass. met. . . . Spithof, hner suster, in de Warmoesstraet. (Puib. 

Begr : Oude kerk i Februari 1669. Katharina Questiers, huysvrouw van Joan de 
Hoest, komende uyt de Warmoesstraet, is 3 uyr beluyt, gr. cl f 26 . 

R. 

Ondertr: 15 July 1673. Jacobus Rabbi, van A : , ^ chUder^ out 23 jaér, geass: met 
Jan Rabby, syn vader, woont in de Boomstraet, en Beatrica Grapen^s, van Leyden, en daer wonende. 

Ondertr: 19 Juli 1626. Frans Ram, van Hamburch, schilder^ won. inde Haysteech, en 
Tryn Jans, in de Calverstraet. (Puib.) 

Ondertr: 10 Dec. 1682. Johannes de Ram, van A:, plaetsnydcTy oud 34 jaar, op de 
Lauriergraft, ouders dood, geass. met Jan de Broen, syn stiefvader, en Maria van Sutphen, van A : , 
oud 24 jaren, op de Blomgraft, geass. met haar vader Matthijs van Sutphen. 

Begraven 12 Oct. 1662. Noorderkerk. Gerrit de Ram, soon van Pieter de Ram, silversmit^ 
op de Voorburchwal tegenover de Nieuwe kerck, in een eygen graft, int oostervak N*. 7. 

Begraven 17 Juni 1664. Noorderkerk. Johannis de Ram, jonghman, achter de Nieuwe kerck, 
inde raiddelk. N*». 44. 

Begraven i Nov. 1669. Noorderkerk. Pieter de Ram, tegenover de Nieuwe kerckstooren, 
Middelkerk N». 44. 

Ondertr: 28 Febr. 1688. Pieter de Ram, van A:, juwelier y oud 31 jaren, op de 
N. Keysersgr. , ouders doot, geass. met syn broeder Jacobus de Ram, en Elisabeth Van Wyck, enz. 

Begr: 12 Meert 1685 't kint van Jacobus de Ram, op de Heeregraft by mijn glas loopt ras. 

Ondertr: 20 Jan. 1618. Hans Ravens, van Antwerpen, schilder ^ wed' van Barbel de 
Cort, won. in de Laurierstr., en Geertje Jans van Eemden, wed» van Johannes Verbrughe. 

(Kerk. huw. proc.) 

Ondertr: 10 Juli 1649. Joris de Bidder, van Antwerpen, schilder y out 24 j. , geen 
ouders hebbende, won. in de Dyckstraet, en Maria Sickens, van A., out 26 jaer, geass. met haer 
moeder Tryntie Dircx, won. als voren. (Kerk. huw. proc.) 



2) Wellicht de ouders van Ch. v. d. Queeborn. 



810 BIOGRAFISCHE A ANTEEKENINGEN. 

Ondertr: 24 Oct. 1654. Jacob Ritsroa, van Groeningen, schilder^ wed' enz. en 
Cath*. Tack, enz. (Kerk. huw. proc.) 

Ondertr: 6 Juni 1654. Pieter Gerritse van Roestraette, van Haerlem, schilder^ 
out 34 jaer, ouders doot, geass. met Claes Hals, de bru3rts broeder, won. op de Anthonie Breestraet, 
ende Ariaentje Hals, van Haerlem, out 27 jaer,getoontacte van ouders consent, wonende als vooren. 

(Kerk. huw. proc.) 

3 Oct. 1659 maken Pieter Gerritsen van R o e s t r a t e n en Ariaentgen Hals, ech- 
telieden, woonende op d'hoeck van de Beulingstraet aen de Schanszijde, hun mutueel testament 

„In cas Frans Hals en Lysbeth Reyniers, haer testatrices ouders, beyde te geL ofte een 
van byen ten tijde van des testatrices overlijden mochten in levende lijve zijn", stelt zii „deselfde tot 
haere mede erffgenaemen, doch niet anders als in de bloote legitime portie... doen hij tettateur 
eerst stervende, soo sal deselve sijne huysvrouw gehouden sijn aen sijne susters ofte derselver kinderen 
bij representatie uittereyken en te laten volgen de twee conterfeytsels van syne ouders en anders niet". 

(Prot. Not P. van ToU, p. 21 D. 5, p. 2i~.) 

Ondertr: 11 September 1655. Claes Rocusse, van K.^ pUutsnyder^ out 26 j., geass. met 
Claertje Lammeits, sijn moeder, won. op de Blomgracht, en Tryntje Dircx, van A., out 25 j., geass. 
met Tryntje Andries, haer moeder, won. in de Corte Tuynstraet. (Kerk. huw, proc) 

Op den XV juljr (1557) ontfanghen graff-ghelt van Heynric Rocxez, schilder ^ van een 
kindt onder den arm hier ÏII juli begraven. / 1:90. 

(Begraafboek Oude KerL) 

Ondertr: 16 Maert 1685. Pieter Rodingh, van A., kunstschilder^ Wed. Weyntie Jonck- 
meijer, op de Utrechtsestraet, en Jannetje van Jaagen, van A., out 26 j., op de Elantsgmcht, 
ouders doot, geass. met haer moeder Jacoba Erasmus. ') 

Ondertr: 9 Aug. 1630. Dirck Roemers s, van Harlingen, out 39 jaren, schilder y won. 
in de Langestraet, en Heyndrickie Jans, van A., Wed. van Jan Jansz., won. als voren.^ 

(Kerk. huw. proc) 

Gedoopt: i Maert 1615 Oude kerk. Philips, zoon van Philips R o e t e t s^ plaefsnyder, 
en Lysbeth Jansd'; Aecht Jansd', Machtelt Pieters getuigen. 

Ondertr : 2 Febr. 1664. Hendrick Rogier, van A., schilder ^ out 30 j., woont in de 
Negelantierstraat, en Niesje Faber, enz. (Kerk. huw. proc) 

Ondertr: 19 Februari 1683. Pieter Rogier s, van \,y plaeisnyder, out 22 j., won. inde 
Prinsenstraet, ouders doot, geass. met Abram van Ujlenbroeck en Theodorus Steenhoven sijn 
voogden, en Sara Uytenbogaert, van A., out 19 jaren, op de Nieumarct, ouders doot, geass. met 
Jan Harmensz van Hoven, haer voogd. 

Ondertr: 25 Aug. 1618. Salomon Rogierss'), out 26 jaren, geass. met HansRogiers, 
zijn vader, wonende op de Nieuwedyck, pUietsnyder^ en de Catarina Koeck, van Antwerpen, out 
32 jaren wonende in de Nes, wiens vaders consent is vertoont. (Puiboek.) 



I) Van Pieter Rodingh is een ets bekend zijnde een afbeelding van de Luthersche Nüuwe Kerck n. Am- 
sUlretlam, uitgegeven bij Jnstus Danckers 1680 in gr. folio. V. D. K. 

s) Van zyn graveerwerk is aUeen bekend: een prent voorstellende kinderen dch vermakende met verschillende 
spelen — gemerkt Saloro. Rogiers Scalptor. Het is een verkleinde kopie naar eene gravure van N. de Bruyn naar 
M. de Vos. Verder lees ik nog op een kaart van het H. Landt uitgegeven door H. Hondius te Amsterdam : Sculpsemnt 
Everardus Sim. Hamersveldt et Salomon Rogeri. — Hamersveldt is mij bekend als een Utrechtsch kaartgraveur. waaisch^nlyk 
zyn de fraai geëtste figuurtjes van Moses en Aaron. de Engeltjes en het omamentwerk op de kaart voorkomende, van de 
hand van Rogiers. V. D. K. 



BIOGRAFISCHE A A NTEEKENI NGEN, 811 

In den naame Codes Amen. heeden den XXI*" Octob. XVIe een en zestigh, des middaegs 
omtrent halff een uyre, compareerde voor my Joannes d' Amour, Not» enz. S» Roeland Roghman, 
koHstschiiderj gesont van lichaam en verstandt, dewelke verclaarde na bevelingh etc. van synetydel. 
goederen beschickt te hebben in maniere navolgt, namentl. dat hy in alle syne natelatene goederen 
van wat natuyr en waar gelegen, geen uytgesondert, tot syn erffgenamen gestelt heeft, gelyck hy in 
kracht desen tot syn erffgenaemen stelt, Maria en Magdalena de Bruyn, syne nichten, elck voor de 
gerechte helfte ofte de lanxtlevende derselver int geheel, indien imand haarder voor hem testant 
sonder kinderen deser wereld quam te ovcrlyden, maar kint oft kinderen nalatende, soo sullen die 
by plaatsvulling komen en erven in haer moeders plaatse, en syne natelaten goedren trecken, 
genieten en behouden voor eeuwich en altyd sonder imants tegenzeggen, enz. 

Nota, Dit Testam* is door den Testant gercvoceert op den ii Fcbr. 1664, gel. by de minuut 
mynen prothocole kan blijken .T. d*Amour. (Prot. Not. d'Amour. p. 142 ) 

Begraven: 7 Aug. 17 14 N. Z. Kapel een vrouw, Anna van Aken, huisvrouw Willem van 
Royen, konstschUder^ compt uyt de Amstel-kerkstraat tusschen de Leydse- en Spiegelstraat /is. 

Ondertr : 28 Febr. 1654. Pieter de Ruelles, van A. schilder^ out 24 j. ouders doot, 
geass. met Isaack van Gelyn, zijn oom en vooght, en Jaques de la Hay, zijn vooght en neef, 
won. in de St. Jansstraat, en Dirckje Jans, van Zutphen, out 20 j., geass. met haer moeder Marritje 
Jans, woon. in de Kolcksteech. (Kerk. huw. proc.) 

28 Febr. 1654. Huwel. voorw. tusschen Peter de Ruelles en Dirckje Jans. 

(Prot. Not. L. Lamberti p. 124 blz. 41.) 

Begraven: 6 April 1658. Walenkerk. Pieter de Ruelles, laet onmondig kint nae, buyten 
de Regulierpoort over de Ossemarckt, leyt in N*. 16 en letter j ./ 10:13. 

Ondertr: 2 Juni 1654. HendrickRuse, van Runen in de Drent, capiteyn en ingenieur 
ten dienste van de stadt Amstelredam, out 29 jaer, de moeder tot Runen, geass. met de heer 
Albertus Rusius, professor juris, woon. op de Fluwele Burgwal, en de Susanna Dubbengiesser, van 
Stockholm, out 26 jaer, ouders doot, geass. met Aernout Dubbegiesers, haar broeder, en Anna 
Dubbegiesers, huys vrouw van de resident Roemers, haer zuster, woon. op de Kayzersgragt. De 
geboden zijn tot Utrecht zonder verhindering gegaen en in de Walen kerk mede. 

(Kerk. huw. proc.) 

Ondertr: 24 juli 1654. Amout Duppengieser Arnoutsz. van Aken, coopman, out 46 j. ouders 
doot, geass. met den heer capiteyn Hendrick Ruse, woon op de Kayzersgr., en Johanna 
van Eschwiler, van Aken enz. (Kerk. huw. proc.) 

Begraven: 27 Maart 1657 Walen kerk, het kindt van den capiteyn Hendrick Ruse, op 
de Kayzersgragt, leyt in 't graff van Domis in N*. 6, letter O ^ .ƒ 4. 

De. E. Manhafte, heer Henrick Ruse, ingenieur en capt. onder een comp. instantelijck 
hier ter stede, machtigt 19 April 1658 Hans Fransen Boom, capt. des armes onder zijn compagnie, 
om voor hem te ageeren, tegen Hessel Ipes, binnenlantschipper, te Machem in Vrieslant. 

(Prot. Not. Torquinius.) 

22 April 1658 testeeren voor H. Torquinius Hendrick Ruse, capt. over een comp. In- 
fanterye en Ingenieur hier ter stede, en Susanna Duppengieser, Echteluyden. Zijn broeder Johan 
Ruse was 31 Dec. 1656^ Oudt Borgermeester van Maastricht. (Prot. Not. Torquinius A 12.) 

Zie voor fl. Ruse verder acten van 5 Nov. 1656, 6 Nov. 1656, 16 Maart i657eni7Nov 
1657. Not. Torquinius. 

J. H. F. Jahn. Heinrik Ruse, Baron af Rijsensteen. Kjóbenhaven 1848, 80. 

Rosendahl, Henrik Rüse. (Oversat efter J. C. de Jonge ^ 1843). Nijkjóbing 1846 8^. 

Ondertr: 27 Nov. 1593. Adriaen Ruts, van Bremen, schilder^ out 23 j. woon. op de 
Zeedijck, geass. met Fran^oys Bouwer, zijn oom, en Lijsbeth P^nnemakers Dierks, -enz. 



812 BIOGRAFISCHE AANTEEKENINGEN. 

Ondertr: 26 Dec. 1609. Gerrit Albertsz. Ruyll, wed', van Anna Jansd'. en Geertrujt van 
Paenderen Pietersd^ , wed^. van Hans Matthysz. , won. op de Breedstraet 

(Kerk. huw. proc.) 

Ondertr: 17 Jan. 1613. Lambert Gerritsz. Ruyl, schilder ^^ oud 25 j., won. inde 
Nieuwe Hoochstraatj geass. met Gerrit Albertsz Ruyl, zyn vader, en Teuntjen Kornelis de 
Goyer, enz. (Kerk. huw. proc) 

Ondertr. 2 Jan. 1625. Lambert Gerritsz. Ruyl, en Gerberich Heyndrix, enz. 

(Kerk. huw. proc.) 

Gedoopt 27 September 167 1. Amstel Kerk. Johannes en Balthasar, zonen van ComelisEick 
en Cornelia Spaaroogh; Jacob van Ruysdael, Crispina Eick en Annitie Bressaert, getuigen. 

Ondertr: 4 Febr. 1673. Jacob van Ruysdael Salomons, van Haerlem, winckelier, 
wed', van Geertruy Pieters, woont in de Kalverstraet, en Annetje Jans Colyn, van A : , out 28 
jaar, géass. met Jan Colyn, haar vader, woont als voren. (Puib.) 

Ondertr : 21 Septemb. 1662. Joost de Ruysscher, van Leyden, Coopman, out 26 
jaer, ouders doot, geass. met Philips de Ruysscher, syn broeder, woont opt Roclan, en Hester 
Vlamingh, van A., wed. van Tadik Schellinger, woont in de Warmoestr., geass. met Maria Wynants, 

haer moeder. (Puib.) 

• 

Ondertr: 4 May 1674. Abram de Ryp, van A., schilder^ out 30 jaar, in de Laurier- 
dwarsstraat, (de vader in N. Nederlant) geass. met Daniel Nieuwkerck, en Isabella Goederville (?) 
van Leyden, enz. 

S. 

Gedoopt 25 May 1651. Oude Kerk. Gillis, zoon van Gillis de Sadelaer, en 
Josina . . . . ; Jean Selyns getuige. 

Ondertr: 31 Dec. 1644. Abraham Dircksz Santvoort, van A., schilder^ won. inde 
Hartenstraet, en Elisabeth de Cruyff, uyt Gelderlant, woü. tot Rotterdam. 

(Extra-ord. kerk. huw. proc.). 

Gedoopt 12 Juli 1648. Oude Kerk. Rembrandt, zoon van Dirck Dircksz. Santvoort, 
en Baertjen Pont; Abram Dircksz. Santvoort en Pietertjen Willems getuigen. 

Gedoopt 10 Juli 1650. Nieuwe Kerk. Rembrandt, zoon van Dirck Dircksz. Santvoort 
en Baertgen Pont; Jacob Dircksz. Santvoort, Anna Roos, getuigen. 

Test. 19 Nov. 1652 Dirck Dircksz. Santvoort en Baertje Remmers Pont, echtel. 

Dirk Santvoort toen eenich kint; zy Testatricc eerst stervende ende hy Testateur wederom 
comende te trouwen heeft van harent wegen tot voogden gcstelt haer lieve man en Jacob 
Santvoort; hy stelt in dergelijk geval denzelfden Jacob Santvoort zijn broeder; zij legateeren aan 
Diakenen van de Duitsche Ger. Gem. 600 car. Gul. aan Peternelletye Santvoort, zijn testateurs zaL 
broeders dochter 600 car. Gul, aan zijn Broeders Abraham en Jacob Santvoort alle zijne 
Testateurs kunst dan in wezen zijnde, zoo van printen en teykeningen ; verder wordt nog genoemd een 
zuster Magdalena; zij woonden hoek van de Molensteech. Den 4 Jan. 1653 ampl. zij dit test. zonder 
dat iets belangrijke blijkt. (Prot. Not. L. Lamberti, p. 123 blz. 363). 

Ondertr: 8 Nov. 1657. Dirk Dirkse Sant voort, van A., wed', van Baertje Rem- 
men Pont, woont op de Anthonis-Breestraet, en Tryntje Riewerts, van A., wed« van Gerrit 
Pieterse Cryn(?) woont op de Haerlemmerstraet. Hij de Weescamer te kennen, hij heeft den 21 
Nov. 1657 de Weescamer voldaan. (Kerk. huw. proc.) 

30 Jan. 1664 willen Diaconen van de Ned. Ger. Gem. verkoopen, o. a. een Huys en Ene 
staende en gelegen op de O udezy ds Ooster Achterburgwal bezuyden de Molensteeghbelent Dirck 

van Santvoort. (Will. verk. deel 40.) 



BLADWIJZER 

OVER DEN JAARGANG 1885. 



A. 

Abeele (Adriana van den).. 57 

Abeele (Jacob van den) 57 

Abeele(Joanne8 Jacobsz van 

den) 69 

Abeele (Maria van den) 57 

Abeele (Pieter van den) Ju- 
welier 57, 61 

Abeele (Pieter van den) de 

Jonge, Juwelier 57 

Abeele (Robarius van den), 57 
Abeele (Samuel van den) ... 57 
Abeleven (Mr. Johannes) ad- 

Tocaat 233 

Abrahamsz (Abraham) 78 

Abrahams (Catharina) 78 

Abrahamsz (Jacob) 141 

Abrahèms (Jannetje) 77 

Abrahamsz (Johannes) 78 

Abrahams (Marrvtge). . . 229, 230 

Abrahamsz (Phylips) 229 

Abrahams (S&ra) 78, 152, 229, 230 

Ackermans (Susanna) 61 

Acronius (Ricardus) 255 

Adamsz (Aa thony) 57 

Adams (Bartie) 73 

Adams (Marretie) 73 

Adamsz (Matthijs) Schilder... 57 

Adams (Ren sje) 156 

Adamsz (Steven) Schilder 57 

Admiral (1*) zie L'admiral 

Adolfs (Trijntie) 227 

A dria en (Schilderij van) 43 . 

Adriaens (Aeltje) 229 

Adriaensz (Antonis) 254 

Adriaensz (Barend) boekver- 

kooper , 46 

Adriaens (Catri na) 64 

Adriaens (Grietie) 69 

Adriaensz (Lenaert) 158 

Adriaens (Lijsbeth) 69 

Adriaens (Mettie) 228 

Aelst (Judith van) 66 

Aelst (Willem van) Schilder.. 58 

Aerent (Mr.) 302 

Aerse (Pieter) 157 

Aertsen zie Arentsz. 
Aertsz (Jan) alias Jan de Hol- 
lander 34 

Aertsz (Jan) 74 

Aertszoon (Pieter) Schilder .. 58 

Aken (Anna van) 311 

Aken (Hans van) Schilder. 173, 174 
Aken (Hans van) schilderij van 40 

Aken (Jan van) Etser 58 

Akerlaken (Dorothea van). 71 



Alberdingk Thijm (Prof.J.A.) 

163, 283, 288, 291 

Alberts (Annetie) 143 

Albertsz (Jan) plaetsnijder 58 

Albertsz (RöelofO 75 

Albertsz (Volkert) 231 

AlbrechtenIsabella(portretv.) 268 
Aldertse (6arent)goudleersch. 58 
Alderwerelt(Hermanus van) 

Schüder 58 

Alio n (schilderij van) 118 

Allardt (Carolus) Kunstkooper 58 
Allart (Huygh) Knnstkooper .. 58 

Allart (Jacob) 58 

AUertsz (AUert) *. 62 

Allerts (Annetjen) 144 

Allerts (Harmen) 78 

Allerts (Maria Sijmonsdr.). . 148 
Almelo veen (Cornelis Dirksz 

(van) 58 

Almeloveen (Dirk Cornelisz 

van) 58 

Almeloveen (Joh an van) Etser. 58 

Althusen (Anna Cath.) 307 

Amersfoort (Dirk van) Steen- 

kooper 137 

Andries (Annetie) 153 

Andries (Trijntje) 310 

Andriesz (Jan) 148 

Andriesz (Pieter) 131 

A n h a 1 1 (de Vorst van)zijn huwelijk 3 1 
Anna Catharina (Koningin van 

Denemarken) 179 

Ansloo (PeterLourensz van) 

Schilder 59 

Anthonisz zieThonisz. 
Anveldingh (Jan Willemsz 

van) Lijnwaetreeder) 61 

Appel (Anth. van den) 79 

Appel (Arno ut) Schilder 59 

Appel (Huybertus) Schilder.. 59 

Appel (Jan Theunisz) 59 

Appel (Maria van den) 79 

Appelman (Barend) Schilder.. 59 
Appelman (Gerrit) Schilder.. 46 

Ardine (Coenradus) 148 

Arens (Geertruyd) 168 

Arents (Catharina) 308 

Arentsz (Frans) Organist. 279, 284 

Arents (Grietgen) 230 

Arentsz (Jan) Borduurwerker.. 76 

Arents (Judith) 142 

Arents (Magdalena) 57 

Arentsz (Mr. Willem) Organist 

298, 299 
Adraenszoen (Pieter) Glas- 
schrijver 59 



Ariens(Jan)Platielbackersknecht . 5 

Ariens (Meynsgen) 266, 272 

Arminius 251,252 

Arondeau (Jenne) 61 

Arundel en Zurey (Gravin 

van) 72 

Arundel (Henry Howard 

grave van) 72 

Asselijn (Elisabeth) 77 

Assendelft (Willem van)... • 154 
Augustinusz (Jan) Schilder te 

Delft 9 

Averkamp (Hendrik) Schilder 

46, 53, «eq. 177 
Averkamp (schilderij van Hen- 
drik) 180,205 

Avont (Jacomyna van) i4o 

B. 

Baalbergen (Cathartna van) 61 

6 aan (I. de) Schilder 59, 93 

Baarselmans (Leonora) 146 

Bachers (Mary a) 58 

Backer (Andrian) schilder 

59. "6, 117 
Backer (Andreas de) lijfmedi- 

cus van Philips van Brunswijk. 182 

Backer (Elisabeth) 59 

Backer (Jacob) 59, ii3, 114, 117, 

120, 162. 212 

Backer (Pieter) 59 

Backere (Jeromede)Albumvan 163 

B ackh uysen (Arend) 60 

Backhuysen (Johannes) 60 

Backhuysen (Ludolphus) 

Schilder 59, 60 

Baden Jurriaensz (Hans) 

Schilder 60 

Baden (Johannes van) Schilder 60 
Badens (Franfois) Schilder 46, 172 
Baement (Mr.) Organist... 284, 285 
Baerle zie ook Barlaeus. 

Baerle (Anna van) 63 

Baerle(CasparCasparsz van) 

245» 251 
Baerle (Cornelis C asp arsc 

van) 245, 251 

Baerle (Elisabeth Caspars 

van) 245, 251 

B a e r s (Jan) 07 

Bae rst roo (Hans PietersZi 149 

Baertsteen(Anna) 78 

Beauvois(Michiel de) Schil- 
der 62 

B a i 1 1 y leerling van Cornelis 

V. d. Voort 191 

Bal kenende (Adriana van) 308 



n 



BLADWIJZER OVER DEN JAARGANG 1885. 



Baltens (Dina) 218 

Baltes (Jannitgen) 164 

Baltesz (Joost) 232 

Bampt (Dirkje Jans van). 78 
B an c h e m (F. van) Notaris.. . . 40 

Bantk (Adriaen) 92 

Banningius (JobannesBo- 

decherns) 215 

Bant pavid) Zijdereeder 238 

Barbiers (Antoni) Schilder. 60 

B a r e n d s (A e f g e) 150 

Barendsz (Cornelis) in de 

witte roos 297 

Barendsz (D i r k) Scbilder 120, 171 

172, 173» 267 
Barendsz (schilderij van Dirk) 192 

193. «74 

Barends (Elsje) 150 

Barendsz (Frans) schilder... iio 

Barends (Hilletje) 159 

Barends (Jan) Schilder 60 

Barendsz (Willem) 268 

Barends (Wybrich) 229 

Barlaeus i26, 127, 163,212,241 seq. 
Barlaeus (Brieven van) 260, 262 seq. 
Barlaeus (Testimonium van) . . . 261 
Barlaeus (Balt hazard . 242, 244 

Barlaeus (Gaspar UI) 257 

Barlaeus (Christin a) 242, 246 

243. 251 
Barlaeus (Jacobus) 242,243, 244 

245,246,247, 251 

Barlaeus (Jobannes) 242 

Barlaeus (Lambertus) 242, 245 

251, 258 
Barlaeus (Melchior).. 242, 244 
Barra (Dr. Jacobus).... 60, 240 

Barra (Johan) Graveur 60 

Barra (Lucretia) 240 

Bartelmees (Maritgen).... 16 
Bartholinns (Petrus). 210, 211 
Bartholotti (Margrieta) 122, 235 
Bartitts (Willem) Schilder... 64 

Ber tram (Barbar a) 59 

Bary (Hendrik) Plaatsnijder. . 56 

Bar y (Maria de) 147 

Bary (F i e t e r de) 147 

Bat (Aechje) 292 

Bat (Dirk) 212 

Bas (Gerrit Claesz) 285 

Bas (Joost Jansz den) Ta- 

pitsier te Delft 2 

Bas (Nicolaas) 190 

Bas (Pieter) 113, 175 

Bassa (Chalil) 2 

Bassé (Guilliam) Schilder 43, 46 

B a s s é (Jan) Schilder 60, 185 

Bassé de Jonge (Jan) Schil- 
der 46, 60, 61, 63 

Bassé (Judith) 61 

Bassé (S u s a n n a) 61 

B a s s e (W i 1 1 e m) Plaetsnijder 60, 61 

B n s s e (Perspectief door) 63 

Bassé (Pieter) Schilder... 61, 91 

B asseel (Ly sbet)...'. 61 

Basseliers (Jan) 284 

Bassen (Guilliaem) Zijdever- 

wer 60, 61 

Basse ve 1de (Neeltje Peters) 307 

Bastiaansz (Paulus) 227 

B a 1 1 u m (Gerrit v.) Geelgieter 61 
Battum (Jan van) Schilder... 61 

Baudius 139 

Baudoes (Cath arina d^e)... ^j 



Baudoes (Hester de) 57 

Baudoe8(Jacobde) 61 

Baudoes (Jeremias de) Sij- 

deverwer 57, 61 

Baudoes (Lambert de) 62 

Baudoes (Philips de) 57 

Baudoes Willemss. (Ro- 
be rt de) Flaatsnijder 57, 61, 62 

199, 200, 201. 235 
Bavarus (Gu il iel mus) Do- 

minus de Hollinchovem. Eq. Aur. 127 
Bedoux (De) Zie De Baudoes 

Beeck (Justus van) 306 

Beeck (Lucas van) 306 

Beeckman (Isaac) Rector te 

Dordrecht 209 

Beerstraten (Daniel Abra- 
ham s z) Barbier 62 

Beerstraten (Daniel Jo- 
han n e s z) 62 

Beerstraten (Johannes) 

Schilder 62 

Beerstraten (Ma gd alen a). 62 

Beest (S ij b r a n t van) 62 

Beets^icol aas) Professor 124, 161 

B e g ij n (C a t h a r i n a) 76 

Bellekin (C.) Paarlemoersnijder 62 
Bellekyn Zie ook B e 1 k y n. 
Belki Zie Belkyn. 
Belkyn(Jan) Paarlemoersnijder 62 
Belkyn (Annetje Jans dr) 62 
Beloys (Claessen Jacobs) 65 

Belten (Pr.) 197 

Bemden (Lourens van den) 

Caertemaker '. . 63 

Benthem (Philips van).... 37 
Berch (Ys aack Fransz van 

den) 146 

Berchem (Niclaes) Schilder 63 
Berg (Abraham vanden) 

Plaatsnijder ^ . 63 

Bernart (Enrico) 54 

Berre wouts (Bastiaen)... . 158 
Bertiiis (Petrus) 247, 848, 250 

252, 258, 261, 262 
B er t r a m (W i 11 e m) Schilder.. . 63 
Bisthrijvinff van tUn SamoytUn 

Landt in Tartarijt 144 

Beulcken (Pieter) 65 

BeuKclaer (schilderij van Jo- 
ch e m) 192 

Beusekom (Francois van)... 160 

Bevel (Catharina) 59 

Bevel (Pieter) 59 

Bex (Her manu s) 70 

Beij eren (Abraham van) schil- 
der 93 

B e z o e t (Jan) 63 

Bicker (Andries) 212 

Bicker(Jacob Jacobs z)... 162 

Bicker (Roel of) 114 

B i e (M a r t ij n de) 141 

Bie (Sara de) 226 

Biel (Gerrit) 154 

Bieruma (Albertus) student 

in de Theologie 28 

Binneman ( W outer Jansz) 

plaatsnijder 63 

Bint (S u s a n n a) 73 

Bisschop (Mr. Johan de).... 63 

Bisschop (Maria) 70 

Bisschop (Paulus) 40, 42 

Blaeu (Cornelis Willemsz).. 122 
Blaeu (Mattheus Ant honisz) 190 



Blaeu Willem) 214, 215 

Blankenhoff (Jan) Schilder... 63 
Blasius (Mr. Johan) Dichter 31, 32 

Blécourt (Anne tie) 78 

Blécourt (Hester de) 78 

Bleecker (Dirk) Schüder. ... 63 

Bleuet (Theodore) 70 

Bleyswijck (G uiljam) 65 

Block (Hillebrand) 79 

Block (Jan) 141 

Blockert (Emerentia) 146 

Block (Ysaac) Verwer te Delft 16 

Bloem (Jan van den) 63 

Blois (Abraham de) Graveur 64 
Blom (Jan) Boekverkooper . ... 64 
Blom (Mattheus) Schilder. . . 64 

Blom (Schilderij van) 64 

Blommaert (Schilderij van) ... 64 

Blo n (Cornelis Ie) 64 

Blon (Joh annes Ie) 64 

Blon (Michael Ie) Plaatsnijder 64 
Bloocke (Cornelis van den 

Beeldsnijder 46 

B l y c o u r t Zie Blécourt 
Bloteling (Abraham Cor- 

nelisz) 66 

Bloteling (Abraham) Plaat- 

snijder 64, 65, 66, 67, 137, 138 

Bloteling (Aerjaen) 65 

Bloteling (Anna) 67 

Bloteling (Cornelis) 65 

Blotel ing (Geertrijd) 67 

Bloteling (Jacob) 64, 65,66, 67 

Bloteling (Johannes) 6$ 

Bloteling (katrina) 65 

Bloteling (Maria) 65, 66 

Bnszyski fZophia) 160 

Bocholt zie Boucholt 

Bock of Buck (Gerrit) 4^ 

Bock Q9kn Hermansz.) 76 

Bodaens (Claerken) 69, 70 

Boddens (Pieter) 238 

Boddens (Susanoa) 158 

Boeckaert (Catharina Abra- 

hamsdr) I$8 

Boelenius (Ds. Petrus) 68 

Boelens (Barent) Zilversmid... 168 
Boetats (Fillbert) Plaattnyder 69 

Boeijens. i$7 

Bogaerde (Cornelis van den) 188 

Bogaert (Hans) 67 

Bogaert (Hendrik Hendrik- 

sen) Schilder 67 

Bogaert (Jan Genrtsen) 180 

Bogaert (Johannes) Predikant 

14S.148 
Bogaert (Willem) Organist... 282 

B oh em e (Koning van) ^ 

Bogaert zie Bomgart. 
Boins zie Vingboins. 

Bois (Govert Hugo de) 6S 

Boleck (Geertruid van 306 

Boll (Hans) Schilder 45, 4^ 

Boll (Marijtje) 67 

Boll (Symen) 67 

Bollenes zie Bolnes 

Bolnes (Catharina Reiniers) 

218 seq. 

Bolnes (Jan) 222 

Bolnes (Willem) 218 

Bolnes (Reinier) 218, 219,220, 221 
Bols (Abraha m) Schilder. ... 67 

Bols (J a c q u e s) Schilder. 67 

Bols (Josijntgen) 67 



BLADWIJZER OVER DEN JAARGANG 1885. 



III 



Bols (Katalijn).' 67 

Bols (P ie ter) Schilden... 46, 67 
Bolt en (Prent van Roland van) 68 

Bom (Catrina van) 307 

Bomgart (Arian Gortson) 

Schüder. 180 

Bommersam (M a e ij k e n) . . . 69 
Bonckhout (Petronella van) 146 

Bongers (Anna) 69 

Bont (Geertie Wlllems de) . 70 

Bont (Regina de) 70 

Bonte (Mr. Jan Sijbrantsz de) 190 
Bontepaert (Dirk Pietersz). 203 

Boom (Egbert) 114 

Boom 120 

Boom (Hans Fransz) 312 

Boom in 8 (Theodorus) 253 

Boon aart (Abraham) patroon- 
schilder 3, 4 

Boonhoif (Claes van den).. 147 
Boonhoff (Willemijntje van 

den) 147 

Boorssum zie Borsum. 
Boorten ofBoortens(Aefgen) 164 
Boortens de Oude (Dirck)... 68 
Boortens (Mr. DirckDircksz) 

68, 164, 169 
Boortens (Geertruyd). ... 68, 164 

Boortens (J os in a) 68 

Boortens (Margaretha).. 68, 164 
Boortens (Maria)... 68, 164, 23J 
Boortens (Etsen van Maria) 68 
Boot (Adriaen Hendriksz) 

Ingenieur 269, 271 

Boot (Gath arina) 64 

Boot van Wezel (Domini- 

cas) 161, 162, 164 

Borchont (Cathalijn) 157 

Borssius (Ca th arina) 290 

Borssius (Christin a) 290 

Borssius (Elisabeth) 290 

Borssius (Mr. Gerard) 290 

Borssius (Mr. Jacobus).... 290 
Borsum (Anthony van) Schil- 
der 69 

Borsum (Bar end van) Glas- 
schrijver 68 

Borsum (Cornelis van). 68, 69 
Borsum (Jenneken van)... 69 
Bort Zie Burt 

Bort (Thomas) 235 

Bos (Je ronimus) Schilderij van 43 
Bos (Paulus van den) Schilder 69 
Bosboom (Dirk) Architect. . . 59 
Bosboom (Dirck) Plaatsnijder 69 
Bosch (Adriaen van den).. 145 
Bosch (Arnold van den)... 28 
Bosch (Hans van den) 35,36, 45 
Bosch (Heyndrick) Schilder 69 

Bosch (Pelgrim de) 181 

Boscoop (Hendrik Adri- 
aans z) Schilder 69 

Boscoop (C o r n e 1 i s) Organist 284 

Bosman (Cornelia) 225 

Bosman (Lucretia) 142 

Bosschaert (Abraham) Schil- 
der 69 

Bosschaert ^eeltgen).... 69 
Botterkooper (Ysbrandt) 143 
Boucholt (Maerten van) 10, 12 
13, 14, i5, 16, 19, 21, 22 
Boudewijns (Pieternelle)6o, 61 

Boudewijns (Susanna) 60 

Boudoes (De) ZieBaudoes. 



Bonman (Johan) Schilder.. . . 69 
Bouritius (Eelckien van). 30 
Bournon (Philips) Makelaar 287 

Boursse (Anthony) 70 

Boursse (Jacques) 70 

Bouttats zie Böetats. 

Bouwens (Guilliam) 197 

Bouwens (Levina ofLie- 

vyntje) 115, 142 

Bouwens (Magdalen a) 142 

Bouwer (Francois) 311 

Bouwers (Gideo n). 78 

Bouwman (C laas Barentz) 148 

Bouwman (Sara) 148 

Boxhornins (MarcusZue- 

rius) 214 

Boyens (Trijn) 71 

Bracht (Christianus van) 

Schilder 69 

Brahé (Tycho) Sterrekundige 210 

21X, 212, 213 

Brand (Harmen) 228 

Branden (Van den) GtschU- 

denis dir Aniwerpschi SchÜdiT' 

school 35 

Brandenburg (Keurvorstin van) 31 

Brandolphi (Eunica) 236 

Brandolphus (A eitje) 236 

Brandt (Gerard)... 225, 241, 242 
Brandt, Gedicht op L u t m a, . . 226 

Brants ^Caecilia) 243 

Bray (Nicolaas de) 69 

Bray (S. de) ArckiUctura Mo- 

dema 176 

Breda (Elisabeth) 77 

Bredero (G. A.) Klinckdicht, 

aan de Kijckers 127 

Breedenberch (Paulus)... 225 

Breekers (Harmina) .. 234 

Breevelt (Landschap door). ... 63 
Breevliet (Claertje Pieters) 274 
B ree vliet (Pi e ter Dircksz) 

Wijnkooper. 268, 270, 271, 272, 273 

Breen (Antony van) 70 

Breen (Antonie van) Gil- 

lisz 69, 70 

Breen (Baltus van) 70 

B r e e n (C 1 a r a V a n) 70 

Breen (Daniel van) Plaat- 
snijder 69, Jo 

Breen (G i 1 1 i s v a n) 70 

Breen (Gilles de) Kunstdrukker 70 

Breen (Guilliam van) 70 

Breen (Marie van) 70 

Breen (Mary van) Guiliamsdr. 69 

Breen (Sara van) 70 

Breen (Susanna van) 70 

B r e e n (S y m o n V a n) 70 

Bremden (Abraham van 

den) Schilder 71 

Bremde (Daniel vanden) 

Schilder 46, 71 

Bremden(JeremiasDanielsz 

vanden) 72 

Bremden (Suzanna van den) 71 

BJrentcker (Klaas) 144 

Brentcker (Sytje) 144 

Bressaert (Annetie) 312 

Breugel (Hans van) Schilderij 

▼an 42, 43. 45, 193 

Breugel (de Oude) Schilder 42, 45 
Breugel (Pieter) Schilderij van 44 

Breydel (Antonie) 207 

Bries (Philippus de) 220 



Bril (Pauwels) Schilderij v. 41, 42 
Brink ^Johannes van den).. 60 

Brisé (Corne'lis) Schilder 71 

Britsch Museum (HoU. Hand- 
schriften) 126 

Brodyn (Hans) Diamantsnijder. 46 
Broeck (Abraham van den) 

plaatsnijder 71 

Broeck (Crispijn van den) 

Schilderij van 189 193 

Broeck (Elias van den) Schil- 

„der 71 

Broeck (Geertruyt van den) 

305Ï 306 
Broeck (Gregorius van den) 40 

Broeck (Guilliaem van den) 54 
Broeckhoff (Johan van of 

te n) 270 

Broeckhoven (Cornelia van) 231 
Broekhuysen (Pieter van) 

Chirure;ijn 293 

Broen (Bastiaen de) 71 

Broen K^errit de) Plaatsnijder. 71 

Broen (Jan de) 71, 309 

Broen (Jo hannes de) Plaat- 
snijder 71 

Broen (Johannes Jansz. de) 71 

Broen (Marike de) 71 

Broen (Neeltien de) 71 

Broers (Anne tje). 77 

Bronkhorst (Jan Pietersz).. 92 
Bronkhorst (Magdalena An- 

thonis van)' 62, 150 

Brookshaw (R.) Zwarte Kunst- 
prent van 72 

Brouwer (Barend Jansz). .. 191 
Brouwer (Cornelia Jansdr) 

191, 197 

Brouwer (Nicolaas) 232 

Br ouwers Jannetie) 143 

Bruel (Willem) Goudsmid 80 

Brugge (Johanna) 151 

Brughman (Aerent Pietersz) 54 
B r u n o (Hendrik), dichter. ... 31 
Brussel (Jan Bartholomeus 

van) tapisier te Delft 2 

Bruij n (Jan Geritsz) 72 

B r u y n (M. D. d e) 124 

Bruyn (Magdalena de) 311 

Bruyn (Maria de) 311 

Bruyn (Neeltj e Pieters de) 79 
Bruyn (Nicolaes de) plaat- 
snijder 47, 160, 310 

Bruyn (Susanna de) 160 

Bruyningh (Elisabet) 71 

B r y a n-S tanly 40 

Bunder (Willem van der) 

Schilder 186, 193 

Burch (Jonas van der) Schil- 
der te Delft 9 

Burchgraaf(Adriana). 57, 62 
Burchvliet (Cornelis) 246, 253 
Burgh (Cornelis van der) 

Schilder 72 

Burgh (Hendrik vanden) 

Schilder 72 

Burgius (Mattheus) 253 

Burt (Jan Jansz.) 73 

Burt (Anna) 73 

Businck (Wilhelmus Lu- 
do 1 p h u s) Schilder. 72 

Bussi (Henric) 159 

Bnuren (Cor nel ia van).... 58 
Bunren (Isaac van) 58 



IV 



BLADWIJZER OVER DEN JAARGANG 1885. 



Buyck (Cors Jansz.) 235 

Buyl (Arent van) 167, 160 

Bu7l(Catharinavan) 168 

Buyl (Claes Willemsz. van) 167 

Bttjl (Elisabeth van) x68 

Buyl (Grietje van) 167,168 

Buyl (Lysbeth van).... 164, 166 
Buyl (Nicolaes van) 162,164, 166 

167, 168 

Buyl (Roemer van) 164 

Buyl (Willem van) 164, 166, 167 

16S 

Buys (Paulus) Schilder 195 

Buys de Jonge (P ouwels) 

Schilder 72 

Buy ten (Hendrik van) Bak- 
ker 217, 219, 220 

Buytendijck(Meyndert (A.) 

Schilder 72 

Bije (Geer truyt Huygen de) 231 
Bij land (Isbrandus Johan- 

n i s van) 255 

Bijlder (Jasper) 227 

Bijl der (Pi et er) 227 

B ij 1 e r (F r a n ( o i s van).. 105, 106 

C. 

(Zie ook op dt letter K,) 

Caersgieter (Frans de) Schil- 
der 46, 235 

^^S^ {] ^^ Jansz.) Organist.. 282 
Call (Margriet Heyndriks 

van) 63 

C a m e r 1 i ng (Ges.) Protocol van 

den Notaris te Delft 7 

Camersveld (Jan) 80 

C a m p e n (Geslachtlijst der van) 165 
Campen (Aef Jacobs van) 68, 169 
Campen (Aeltgen van),.... 164 

Campen (Anna van) 169 

Campen (Cornelisvan)68, 162 

163, 169 
Campen (Jacob Pietersz. 

van) 164, 169 

Campen (Jacob van) 163, 164, 169 

Campen (Jan van) 164 

Campen (Nicolaes van) 164, 169 

170 

Campen (Otgen van) 164 

Campen (Pieter van) 164 

Campen (Pieter Jacobs z. 

van) 169 

Campen (Willem van). 164, 169 
Camphuijsen (Cathalijntje) 73 
Camphuijsen((TOvert) Schilder 72 
Camphuijsen (Govert Ra- 

phaelsz.) 73 

Camphuijsen (Joc hem) Schil- 
der 73 

Camphuijsen (Raphael)... 72 

Canter (Cornelis) 76 

Cappe (Abraham van der) 

Schilder 73 

Cappel (Agniesje van) 142 

Cappelmans (Ciara) 157 

Caravaggio (Schilderij van) . . 187 

Carré (Franfois) 306 

Castelijn (Isaak) 45, 46 

Casteren (Jeremias van) 40 
Catelijn zie Castelijn. 

C a u (Anna) 57 

Ceulen (Abigael van) 227 



Ceulen (Jan Jansz. van) 

Schilder 75 

Ceulen (Sara van) 143 

Centen (Marritjen) 67 

Chamber (Pieter) 57 

Ch&rlier (Laurens) 4i 

Chesne (G. du) zie Eeckhout. 
Christiaan IV Koning van De- 
nemarken 6, 10, 178, 179 

Christiaen lY (portret van). . 268 
Christoffel (D a n i e 1) Schilder 76 

C hristoffels (May ke) 71 

Claes (Mr.) 302 

Claes (A a 1 1 ie) 240 

Claesz (Abraham) Trompetter 

95» 96, 97 
Claesz (Broer) Schilder 77 

Claess (Schilderij van Corn.)... 193 

Claesz (Dirk) Schilder 77 

Claes (Duyf) 62 

Claesz (Elias) 172 

Claes (Elsgen) 156 

Claes (Gerritien) 169 

Claes (Grietje) 58 

Claesz (Jacques) 233 

Claesz (Jan) leerling bij Pieter 

Isaaksz 46, 178 

Claes (Lysbet) 78, 140 

Claes (Marretje). 77 

Claes (Meijns) 286 

Claesz (Pieter) Schilder 77 

Claesz (Switsert) 279 

Claes (Tesseltgen) 170 

Claes (Trijn) 157, 167 

Claes (Vockie) 240 

Claeske 278 

Claetsen (Abraham) Schilder. 77 

Clavecimbel 285, 286 

Clavecimbel der stad Amsterdam 

176, 177 

Clay (Nelletje van der) 78 

Clays (Janneke 143 

Cleeff (Hans van) 77, 192 

Cleeff (Joris van) schilderij van 43 

Cleeff (Maarten van) ScMlder 

38, 42 
Cleeff (Marten van) schilderij 

^fttt 42, 43i 47 

Clees (A eitje van der) 146 

Cley (Paulus van der) 203 

Clinquant (Jacques) 236 

Clinquant (Jan) 236 

Clinquant (Rachel) 236 

Cloeck 196 

Cloeck(Jorriaen) 231 

Cloeck (Nanning Flor is z). iio 
Cloeck (Mr. Pieter) Advocaat. 88 
Clucht of Cluft (Jannetie 

Cornelis) 141 

Cl uyt (Willem) Notaris 185 

Cock (Cornelis Dirksz).. .. .. 296 

C o c k (H e i n r i_c h) 15S 

Cock (Maritgen) 158 

Cock rNiesgen) 158 

Cock ( J o h a n n a), 227 

Cock (Josina).... 77 

Cocx (Dirck) 246 

Codde (Jan Huybersz) 168 

Codde (Pieter) Schilder 122, 198 

201 
Codde. (Pi e ter) Schilderij van.. 225 
Coecke zie Coucke. 

Coedijck (Jonas) 63, 78 

Coedijck (Sophia) 78 



Coedijck (Ysaack) 78 

Coelen (Hansken van) Or- 
gelmaker 281 

Coelenbier (Schilder en Kunst- 
handelaar). 319 

Coenesz (Pieter) J49 

Coenraets (Aeltien) 283 

Coenraetsz (Christoffel).. 71 

Coenraets (Jacob) 156 

C o e n r a e t s (S a r a) 153 

Coerten (Claes) 78 

Coerten rCornelis) 43 

Coerten (Grietje) 78 

Coertz of Koerten (Frans) 

Kaartaf^etter, Schilder 78 

C oester (Martijntje Rey- 

n i e r s de) 73 

Coesvelt (Arent Jansz.)*.. 297 
CoUaert (Johannes) Schilder 78 
Collenius (Ha rmanus) Schil- 
der 79 

Colms (Jan Sywe rt se n) Schil- 
der rf.... 79 

Colijn (Annetje Jans)* 312 

Cülijn (Elsje) 59 

Colijn (Jan) 312 

C o 1 ij n (Jannetje) 59 

C o 1 ij n (M a n u e 1) 54 

Colijns (Christiaan) Schfl- 

der 46, 79 

Colijns (David)Schüder 45,46, 79 
Coliins (Diederik) Schilder. 79 

Coljjns (Elisabeth)- 79 

C o 1 ij n s (Jacob) Schilder 79 

Colyns (Guillaume) Tapit- 

sier 13, 14» 19 

Comans (Michiel) Schrijf- 

meester te Noordwijk 79, 80 

Coninck (Abraham de).... 57 

Coninck (Elisabeth) 141 

Coning (Philips de) Schilder 

89. 90 
Coning (Pieter de) Goudsmid 

46. 186 
Coning (Salomon de) Schilder 46 
Coningh (Tobias de).... 57, 142 
Coninxloo (iEgidins ofjc- 
lis)ZieGilles v.Coninzloo. 
Coninxloo(Catalijn van)8o, nS 
Coninxloo (Catalijne Gil- 
les dr. van) 39 

Coninxloo ^ran^ois van) 3S 
Coninxloo (Gillis van) Schil- 
der 80, 189 

Coninxloo (Auctie van) 200 

Coninxloo (portret van) \i 

Coninxloo (Schilderij van Gil- 
les van) 41, 42, 193 

Coninxloo de oude (Gilles 

van) Schilder. 34 »«l- 

Coninxloo de jonge (Gilles 

van) Schilder 34. 3S. M 

Coninxloo (Hans van)Schil- 

der) 34. 40, 43> 80 

Coninxloo (Jan van) 34 

Coninxloo (Jan van)dejonge 3S 
Coninxloo (De jonge). .* . 174. '7* 
Coninxloo (Isaac van) Schil- 
der 122, 23S 

Conin xloo(Magdalena van). 80 

Coninxloo (Marie van) 80 

Coninxloo Gillesdr. (Ma- 
rie van) 39 

Coninxloo (Pieter van).,.. 3S 



BLADWIJZER OVER DEN JAARGANG iSS^S- 



Coninxloo Gilleszoon (Sa- 

m a e 1 V a n) 39, 40 

Conr adus(Abrahamas) plaat- 
snijder 78 

Consen (Trnytgen)* 234 

Cool (Cornelis Dirksz.)Boek- 

Tcrkooper .... 268, 269, 270, 273, 275 
Cool (Wetsel) Kleermaker. . . . 269 
Coop (Hendrik)' Citermaker. . 46 

Cooplet (Hans) 203 

C o op s (He ster) 227 

Coornhert (Portret van).. 196, 268 

Cooten (Cornelis van) 297 

Cooten (Hendrik van) 297 

Cooten (Mary van) 297 

Cooten (Jan van) 297 

Coper (Coert) 187 

Copernicus 211, 212 

Coppenol (Adriaen van) 

Koopman. 61 

Coppenol (Pieter van) Ta- 
pijtwerker 7, 9, 14 

Cornelisz (Aert) Schilder. • • . 80 

C ornelis (Ann etje) 62 

Cornelis (Cent) Metselaer. . . . 149 
Cornelisz (Claes) Scheeps- 
timmerman 143 

Cornelis (Claesje) 154 

Cornelisz (Frans) 143 

Cornelis (Geestruyd) 169 

Cornelis (fiaesje) 298 

Cornelis (Ida) 7^ 

Cornelisz (Leendert) leerl. van 

Rembrandt 91 

Cornelis (Lysbeth) 232, 282 

Cornelis (Mary) 144 

Cornelis (Neeltje) 72, 144, 155 

Cornelisz (Pieter) 62 

Cornelis (Soetjen) 231 

Cornelis (Trijntjen).. . 61, 157, 158 

Cornelisz (Willem) 307 

Corput (Hendrik van de) 251 

Cort (Barbel de) 309 

Corte (Elisabeth) 236 

Corthals (Daniel Willemsz) 

TajMtsier 1$ 

Corvinus (Johannes Arnol- 

dus) 242 

Coster (Willem Jansz) Schilder 80 
Coster (Wouter Willemsz de) 

39. 80 

Costers (Maria) 237, 239 

Cotensteyns (Anna van) 78 

Cotermans (Jndith) 230 

Coucke (Panlns) van Aelst. 34, 36 
Coucke gieter) van Aelst, Schil- 
der 34 

Conrten zieCoerten 

Cottsiers (Hester) 147 

Cracau (Carl van) Commissaris 

in de Sond van Ho. Mo 179 

Cracan (Susanna van) 154 

Crachtings (Dirckje) 141 

Crayborn Willemsdr. (Su- 
sanna) 173, 174 

Crafs (Steyntje) 57 

Cr al e (Albertje) 62 

Cramers (Elisabeth) 73 

Crayers (Louis) Praktizijn 87, 88 

89. 90, 91» 92, 93. 94 
Craijesteijn (Huyg Jansz.) 273 

C rimpings (Anna) 69 

Crim pings (Janneke) 69 

Croes (Hendrik) 257 



Croese (Arnoldus Cornelisz) 83 
Crombalch (Al Ier t J ansz.) 

162, 169 

Crombalch (Maria) 164 

Crombrngge (Jacques van) 66 
Crombrugge(Janvan).... 66 

Croock (Cornelis) 297 

Croock (Jan Cl aez) Goudsmid 161 

Croon (Gerrit) 80 

Croon (Johannes) Schilder . . 80 

Croon (Lysbeth) 80 

Croos(Jacob Jacobs z van der) 

SchUder. 80 

C r o s é (M a c h t e 1 1) 73 

C r o w (H e n r y) 72 

C r u c i u s (Ds. Johannes).... 240 

Cruyff (Elisabeth de) 312 

Cr uy sbergen(Nicolaes van) 

Provoost 91, 92 

Cruywagen zie Kruywagen 
Crijn (Gerrit P ie te rsz).. . . 312 

C r ij n e n (A n n e t j e) 64 

C r ij n e n (Joost) 137 

Cubus (Johannes) Predikant 83 

Cupido tot de Jeught 127 

Cu pus (Petrus) 253 

Cuyper (Jan) 118 

Cy p r i a n u s (Prof. Abraham) 308 

D. 

Dakenburg (Abraham).... 308 

Dalen (Adrian van) 137 

Dalen (Cornelis van) Plaat- 
snijder 137, 138, 139 

Dalen (J. v a n) 228 

Dalen (Paulus van) schilder. 139 

Dalen (Sara van) 137 

Dalffsen (Gerard van) Pro- 
cureur 67 

Damius (Johannes) 147 

Damman ^Abraham)... 246, 257 
Damman (Anthony)... 243, 246 

Damman (Johannes) 255 

Damman (Livyntje) 246 

Damman (Susanna) 246 

Dammeron (Jan) Schilder. ... 139 

Dammins (Nicolaas) 251 

Danckerts (Cathalijne Y s- 

brands) 49 

Danckerts (Cornelis) 75 

Danckerts (Justus) Plaat- 
snijder 308, 310 

Dancx (F.) Geboortekrans voor,»* 139 

Dancx (Reymerigh) 140 

Daniels (Abraham) 62 

Daniels (Janneken) 79 

Danneau (Lambertus) 83 

Dassonville (Gerrit) Schilder.. 140 

Dathenus (Petrus) 82, 83 

Decker (Abraham de) 71 

Decker (Co enraet) Plaatsnijder. 140 

Decker (J.) 63 

Decker (Mayke) 71 

Decker (Sara) 140 

Deckers (Ysaack) Schilder 140 

Dedels (Cornelia) 141 

Deelen (CorneUa van) 155 

Deelen (Margaretha van) Va- 
le riusdr 173 

Delbo (Elisabeth) 152 

Delden (Arent Jansz van).... 307 

Delden (Geertruy van) 307 

Delff (W.) plaatsnijder 182, 204 

Delft (Cornelis Jansz) 169 



Demidoff (Prins) Collectie van. 22 
Denemarken (Portret van den 

Koning van) 273 

Descartes 215 

Deyman 229 

Diamant (Abraham) 37 

Dien (Jochem van) 181 

Diepenbeeck Gijsbertsz 
(Gerrit van) glasschrijver.... 140 

Dintum (Adriaen van) 153 

Dirks (Ag nee te) 149, 158 

Dirksz (David) leerling bij 

Ketel 46 

Dirksz (D i r c k) 297 

Dirks (Dirkje) 69 

Dirksz (Frans) 88 

Dirks (Ge er tg en) 95, 96, 97, 98 

Dirksz (Hendrik) 297 

Dirksz ( J a c o b) 75 

D i rk s z (Jan) Schilder 78, 140 

Dirks (Lysbeth) 78 

Dirksz (Pieter) 229 

Dirks (Saertie) 143 

Dirksz (Symon Maarten). 78. 140 

Dirks (Trijntie) 65, 309, 310 

Dirksz (W o u t e r) beeldhouwer 181 

Dirks (Maghteltie) 77 

D iodati fElias) 214 

Dissius (Jac. Abrahams z) 

boekdrukker 222 

Dobbensz (Burchman Wou- 
ter) 301 

Dobbes (Geertrui) 127 

Doeckman (Abraham Hen- 
dr i k s z) plaatsnijder 272 

Doens (Tanneken Cornelis) 309 

Does (Anna van der) 154 

Does (Jacob van der)... 68, 169 

Does (Willem van der) 59 

Doesborgh (Katarijnvan) 71 
Dommer (Elisabeth Hen- 
driks) 291, 292, 293 

Doncker (Hendrick) 159 

Donckers (Hendricus) 78 

Donteclock (Reginald).. . . 251 
Doomer (L amber t) Schilder. 141 

Doornicke (Jan van) 34 

Doorninck (Mr. van) 279 

D 00 tshooft (Elisabeth)... 59 
Doresla (Abraham van)... 58 

Doresla (Lucya van).. 58 

Dorresin (Susanneke) 78 

Dorssen (Ru tger van) 189 

Dreckes (Hendrik) 305 

Driel (Jacob van) 159 

Drieland (Rynier) 143 

Droogenham (Ryk Pieterz 

van) 229, 230 

Dubbels Jacobs z. (Hen- 
drik) Schilder 141 

D tt b b e 1 s (J a c o b) 141 

Dubbengiesser(Anna).... 311 
Dubbengiesser (Aernout)3li 
Dubbengiesser (Susanna) 31 1 

Ducker (Jacob) 54 

Duiken (Catharina van) 236, 237 

Duiken TRochus van) 237 

Duiken (Teuntj e van) 237 

Duppengiesser zie Dubben- 
giesser. 
Durer (Albert)boek van39, 43, 46 
D u r e r (Houtsneden van A 1 b e r t) 202 
Dusart (Christiaen) Schil- 
der 104, 106 



VI 



BLADWIJZER OVER DEN JAARGANG 1885. 



Dussen (JtnaetiePieters 

van der 143 

Duyf (Hendrick) 153 

Duym (Pietcr van) 233 

Dnysker (Stijntje Corne- 

lisdr.) 76 

D u ^ 1 8 (Jan) 159 

Dwinglo (Bernard) 253 

D ij k (Jan van) Bist, Btschr, 
der SchOderijin 112 seq. 

E. 

Ebelen (Magdalena van).. 119 
Eeckhout (A.) Schilderijen van 141 
Eeckhout (Gerbrand van 

den) Schilder 141 

Eeckhont (Jan van der) 141 

Eeckhottt (Jan Pietersz van 

den) goudsmid. 141 

Eeckhout (Ida van den) 141 

Eeckhout (Margaretha van 

den) 141 

Eeckhondt^Nicolaesvanden) 141 
Eeden (Geertgen van) 39,40, 41 
Eeden (Pieter Danielsz van) 

Schilder 141 

Eerdewijns (Cornelia) 243 

Eerdwijnt (EliaK) 251 

Eem (Mr. Hendrik van den) 222 
Eendet(SusannaJan8).... 65 

Egberts (Immetie) 50 

Egberts (Tietie) 240 

Egels (Catrina) 79 

Eick (Balthazar van) 312 

Eick (Cornelis van) 312 

Eick (Crispina van) 312 

Eick (Geertruid van) 153 

Eick (Johannes van) 312 

Elandt (Hendrik) plaatsnijder 141 

Elandt (Pedro) 54 

Elbertsz (Hendrik) Boekverk. 266 

Elderkamp (A.) 30 

Elekart (Pieter) 71 

Elias (Claes) Schilder 112 seq. 

184, 200, 203 

Eliasz (Elias) Goudsmid 142 

Elias (Elisabeth) 142 

Elias (Jacob) 142 

Elias (Magdalena) 142 

Elias (Nicolaas) 142 

Elias (Sara) 142 

Ellebertsz (Dirk) 69 

EUinger (Ottmar) contrefijter. . 142 
Else (Peter van) alias v. d. 

Winckele, Schilder 35 

Elsevier 214 

Elsland (B. van) 202 

Emhltmata aliquot StUctiora Arno- 

toria^ Amstirodamit Apud Guil: 

JanssoniuMt door Otko Vaeniur 127 

Embliimata amatoria 124 

Emptingh (Pau lus)... 235 

Ende (Abraham van de) 

procureur 64 

Ende (Franciscns van den) 160 
Engel (Joannes) schilder.. . . 142 

Engelberts (Engeltje) 79 

Engelbrechts (Elisabeth) 79 

Engelen, zie Engel 142 

Engelen (Reinier) 76 

Engelproch (Joannes) 142 

Enten (Jannetie) 143 



Episcopius (Johannes) 251, 252 

Episcopius (Simon) 253 

Erasmus (Jacob a) 310 

Ernst (Judith) 142 

Eschweiier (Joanna)...... 311 

Esselens (Abraham) makelaar 143 
Es se lens Tlsaac) syreder.... 142 

Esselens (Jacob) schilder. . . 142 

Es selen (Pieter) 142 

Essen (Hans van) schQder 58» 50 
Ettersen ofOttersen (Jan) 

179, 181 
Everdingen (Allert van) 

Schilder 52 

Everdingen (Cornelis van) 

schilder 143 

Everdingen (Jan van) 143 

Everts (Constantijn) 104 

Evers (Engeltje) 78 

Evertsz (Jan) Schilder 143 

Everwijns (Joanna) 225 

Eyck (Artus van dér) Schilder 143 

E y c k (J e 1 i s V a n) 74 

Eynden(Vanden) 145 

F. 

Faas (Jacob) 292 

F a b e r (E.) Schilderijen vau* .... 30 

Faber (Niesje) 310 

Fabré (Nicolas Claude) 

Heer van Peyresc 214 

Fabritius (Carel) Schilderij 

van 219, 222 

Faille (Bernardus la) 253 

Faloise (Anna de). 148 

Faloise (Louis de) 148 

Fargues (Jean) 160 

Fargues (Maria) 160 

Fébre (Catrine Ie) 231 

Ferguson (Willem) Fijnschil- 

der 143 

Feuille (Daniel de ia) Boek* 

verkooper 143 

Feyting (Jan Wernard) Wijn- 

kooper 293 

Fiiipsz (Hans) Schilder 143 

Flinck (Govert) Schilder iii, 

116, 122 

Flips (Debora) 157 

Floor (Laurens) Schilder 143 

Floris (F rans) Schilder 45 

Floris Margrita) 160 

Fock (Albrecht) 145 

Fontaine (Claude) Uitgever 28, 30 

Fonteyn (Prof. J.) 112, 268 

Fouchenier (Abraham) 58 

Francen of Fransz (Abraham) 106 
Francisci (Sibrandus) Predik- 
te Apingadam 26, 29, 30 

Francken (Anthon) 73 

Francken (Nelletie) 73 

Francken (Sara) 156 

F rancks (Schilderij van Seb) 193, 194 

Frans Organist 297 

Frans (Albe rt) Schilder 143 

Frans (Dieuwer) 297 

Frans (Dirkje) 297 

Frans (Grietje) 78, 208 

Fransen (Henrick) 302 

Fransz (Laurens) Schilder 143 

Fransz (Neeltje) 307 

Frans (Trijn) 297 

Fransz (Wigger) 297 

Fraxinus (Libertus) 255 



Frederiks (Aeltie) 240 

Frederiks (Geertruyt).... 240 
Frederiksz (Meynder t).... 65 
Fromondut (Libertus).... 210 

Fries ma (Lijntje) 137 

Fris (Gerrit) 143 

Fris (Johannes) Schilder.... 143 
Frisins (Sibrandus Sixti). 254 

Frits (Joanna) 69 

Fruydt (Geertje Claes)... 153 

Fuyter (Geertruij de) 59 

FuyterOt^onisde) 59 

F ij e die Tapster 297 

Fijnden (Pieter van) asS 

G 

Gabbema (Simon Abbes) 
Historieschrijver van Friesland.. 31 

Gabriels (Catarins^ 76 

Gabry (Daniël) 238 

Ga in zie Geyn 145 

Galama (H e r o) 30 

Galen (Johannes van) 253 

Galilei (Galileo) 214,215 

G ar dijn (Ad r iaën dn) i6x 

Gardijn (Daniel du) 142 

G ar dijn (Guilliam du) Schil- 
der 143 

Gardijn (Maria du) 77 

Gardijn (Martha dn) 157 

Gardijn (Samuel dn) 142 

Gardijn (Susanna du) 142 

G a r d ij n zie J a r d ij n (du).... 
Gasendi (Pierre) 211,212,213, 215 

Gaule (Martijnken) 79 

Ge bh ar d Jr. (J. F.) 55, iii 

Geel (Dan iel van) 235 

Geelkerken (Pieter) leerling 

bij Ketel 46 

Geelkercken (de prenten van) 

in Cupido^s lusthof 144 

Geelvinck (Jan) 212 

Geens (Henrick) 60 

Geené (Magdalena) 76 

Geerbrant (Marguerite).. 145 
Geerdincx (Artus) Klokspder 46 
Geerensteyn (Jan Corne- 
lis van) 54 

Geest (Adriaenvander).. 77 

Geest (Symen de} I44 

Gees ter anus (Johannes).. 253 
Gelder (Agnietgen Jansdr. 

van) 160 

Gelder (Hertog Arnold 

van) portret van 273 

Gelder (Carel van) 7 

Gelder (Geertje Jans van) 239 
Gellinckhuysen (Tobias) 

Gel ij n (Isaack van) 311 

Gengeren (Heinrick Jansz 

van) 77 

Gerard (Jean) 230 

Gerarts (Susanna) I53 

Gerbrandsz (Jan) I95 

Gerrits (Adriaantje)...... 285 

6 er rits (Anna) 137 

Gerritsz (Cornelis) 195 

Gerrits (Elisabeth) 230 

Gerritsz (Gart) 233 

Gerrits ((ïerberighje)..... 77 

Gerrits (Geertie) 157 

Gerritsz (Hessel) plaatsnijder. 144 
Gerritsz (Jan) 147,155,156^190, 294 



I 



BLADWIJZER OVER DEN JAARGANG 1885. 



VII 



Gerrits (Maartgen) 4 

Ge r rits (Maria) 16 

Gerrits (Pietertie) 296 

Gerrits (Sytgc) 163 

Gerrits (Trintien) 71 

Gesel (Pieter van) 158 

GtslaektUjst der van Campens, ... 165 

Gesiachtlijst der Muller s. 276 

GisUuhÜijst van Roemer Visscher» 165 
Gesterhoorn (Jan Hend.). . 73 

Gets (Pieter)-... 142 

Ge nmes (Florijntje)... 142 

Geyelts (Elisabet) 234 

Gevertius 126 

Geyn (Anna de) 144 

Geyn(Jacqaes de).... 144, 145 
Geyn(Schilderij van Jaques de) 180 

Geyn (Maria de) 153 

Gillis (Maertgen) 4 

Glabbeeck (Johanna van). 240 

Glarges (H ester de) 70 

Glauwe (Simon) 184, 185, 1S6, 187 
Gobelsz (Jan) Orgelmaker. . . . 281 
Godder (Willem de) Tapit- 

sier 20 

Godders (Lysbet) 234 

Godin (D a n i e 1) 238 

Godin (Jean) 306 

Godin (Magdalen a) 306 

Goed erville (Isabella). . .. 312 
Goemare (Joost) Schilder). . . 46 
Gole (Adrian) Ebbenhouwwer- 

ker 145 

Gole (J a c o b) 145 

Gole (Jean) Graveur 145 

Golius Jacobus) 214, 215 

Goltzivs (Hendrik) Plaatsnij- 
der 266, 267, 274 

Goltzius (Prenten van) 185 

Goltzins (de passie van) 202 

Goltzius (Portret van) 274 

Gomarns 252 

Gon (Corntlia van der).... 308 
Gooi (Alida) Hare afbeelding. 14$ 

Gooi (Matheus) 14$ 

Gooi CTheodorns) 145 

Goor (Johanna van) 50 

Goos (Abraham) Plaatsnijder 

145, 146 

Goos (Adam) 146 

Goos (Anthonis) 145, 146 

Goos (Cathalyna) «.... 145 

Goos (G r i e t j e) 145, 146 

Goos (Laurens) 146 

Goos (Pieter) Diamantsnijder 145 
Goos (Pieter) Plaatsnijder 145, 146 

G o o s s e n s (K a t e 1 ij n) 78 

G o o s w ij n (M a r i a n a) 157 

Gorter (Jacob de) Fijnschilder 146 

Goubard (David) 210 

Goulet(Annetje Philips). 230 
Goulet (Philips Jansz).... 230 

Govertsz(Gerrit) 74 

Govertsz (Govert) Schilder.. 38 

Goverts (Truy t^en) 190 

Go verts (TrijntieJ 190 

Goverts (zie Gevelts) 

Goyen (van) Schilder 93 

Goyer (Abraham de) 149 

Goyer (Jannetje de) 58 

Goyer (Maria de) 58 

Goyer (Teuntje Cornelis de). 312 

Grabey (Sara) 227 

Gracht (Emerentia van der).. 72 



Graef van Polsbroek (de) te 

's Hage 116 

Graef (Andries de) 93, 94 

Graef (Cornelis de) 116,117 

Graef (Cunera van de) 270 

Graef (Dirk de) 114 

Graef (Guliam de) 65 

Graef (Marritje Jansdr. de)... 63 
Grafts (Mr. J. van der) De Ta- 

pijt/abrüken der XVIe en XVIh 

eeuw 1,2, 22 

Grande (Claesge Jansdr. de). 62 

Gr an veile (Kardinaal de) 82 

Grapenes (Beatrica) 309 

Grauwe (Andries de) 54 

Gr avelot (H.) 154 

Gravesande (Cornelis 's) 66 

Grebber (Anthoni de) Schilder 146 
Grebber (Frans Pietersz de) 

Schilder.* 42, 46 

Grebber (Maria de) 229 

Greffet (Alida) 59 

G r e 1 a n t (Sara) 227 

Griethuysen (Sybille). 23 seq. 

Groen (Maria) 147 

Groen (Lysbet Pieter s)... 147 
Groenend ij ck (Pieter van) 233 
Groot (Hugo de) 127,212, 213, 

214, 215, 216 
Groot (Jacqnes de) Schilder 

te Delft 9 

Grootendael (Marcus van) 

Tapissier Delft 9, 15 

Grootenhuis (Arent ten)44, iio 

Grootenhuis (Jan) 212 

Gruinwardi (Fernandi)... 307 
Grymani (Mr, Hubrecht) 

Schilder te Delft.... 3, 4, q, 6, 7 
Gucht (Maximliaan van der) 22 
Gugt (Michael van der) 

Plaatsnijder 146 

Gunst (Pieter Stevensz van) 

Plaatsnijder 146 

Gnstaaf Adolf Koning van 

Zvreden 2, 179 

Gnykinck (Jan) 60 

Gijsberts (Geertje of Giert) 144 

Gijsbertsz (Dr. Goort) 29^ 

Gijsbertsz (Herman) 169 

Gijsbertsz of Gijsberti (Ja- 

e o b) Notaris 269» 286 

Gijsberts fMaria) 152 

Gijselaer (Nicolaes de) 

Schilder 146 

Gijselaer (Schilderij van) 146 

Gijsels (Cornelis) Wapen- 

steensnijder. 146 

Gijsels (FrauQois) 146 

G ij s e 1 s (M a y k e) 152 

H. 

Haan (6 lérens de) 204 

Hackaert (Johannes). Zijn 

album 146 

Hackius (Petrus) 265 

Hacksteen(S aartje) 150 

Haecht (Willem van> 147 

Haelbos 71 

Haelwech (Aerjan) 147 

Haelwech (Martijntje) 147 

Haerlem (Cornelis van) Schil- 
derij van 196, 198, 199, 200 

Haerlem zie Grebber. 

Hae rt 226 



Haes (Annetje de) 141 

Haes (Clara de) 70 

Haes (Hendrik de) 235 

Hagedoorn (Jan) 71 

Hagen (Christiaen van) plaat- 
snijder 147 

Hagens (Christiaen) 147 

Hagerheer (Johannes), 240 

Hagerbeer zie ook H as e been. 
Halen (Arnoldus van) Confitu- 

rier 147 

Halleman (Thomas) Fijnschil- 
der 147 

Hallewijn (Levin a van) 154 

Halmael (Jacob van) Zijde- 

cramer 22 

Halmael (Johan van) 22 

Hals (Adriaantje) 147,310 

Hals rAnthony) 147,148 

HalsfCarel F ransz) Passement- 
werker 147 

Hals (Claes) 310 

Hals (Frans) Schilder 122, 310 

Hals (Schilderij van), 147 

Hals(Martinus) 147, 148 

Hals (Matthijs Cornelissen) 

vergulder 147, 148 

Hals (Pieter) 147, 148 

Hals (R e y n i e r) 147 

H a l s (S a r a) 148 

Hamersveld (Everardus 

S i m.) Plaatsnijder 310 

Hanneraan (Hans Philips z.) 

Schilder 148 

Hans en (Arent) Schilder 148 

Hanswijk (Hans van) 236 

Harbars (Dirck) 233 

Harbars(HeyndrickieDircx) 233 
Hardenbergh(Ablgael van.. 227 

Hardenbergn (Maria) 234 

Hardenbergh (Sara van)... 227 
Hardere (Nicolaas) Koopman 53 
Harinck (Gerrit Jacobsz.) 
Har men (Mr.) Orgelmaker.... 281 

H a r m e n s ^A e 1 1 ) e) 58 

Harmens (Anniti e) 63 

Harmenss (Bar ent) 50 

Harmensz (Dirk) leerlii^ van 
C. V. d. V o o r 1 191,196, 190, 199, 

200, 201» 203 

Harmens (Harmpie) 240 

Harmans (Hendric hj e).... 60 

Harmens (Hillctje) 63 

Harmensz. (Jan) 39 

Harmans (Maria) 73 

Harmens (Mettie) 141, 232 

Harmans (Trijntje)... <r. ... 96 
Harmans zie Muller. 

Harrewijn zieHarwijn 148 

Hart (Catharinavander). 226 

Hartevelt (Catrina) 307 

Hartsen (Pieter) Schilder. . . 148 
Hartsteen (Henrick van). 236 
Harwijn (Jacobus) Flaatsnij- 

dere 148 

Hasaert (Elisabet h) 34 

Hasbeeck (Esther Ja c o b s 

van) 137 

Hase (Maria de) 235 

Hasebeen (Mr. Adam) Orgel- 
maker 289 

Hasecam of Hasecamp (Lys- 

beth Cornelis) 157 

Hasewinkel (Anna) 71 



VIII 



BLADWIJZER OVER DEN JAARGANG 1885. 



Hasewinkel (Gerrit) 71 

Hasselaer(Geraerd) 63 

Hatt en (Michiel) 153 

Havelaar (Ale xander) Schil- 
der 148 

Haye (Jacques de la),. 142, 311 
Hecke (Abraham van de) 

Schilder 148 

Hec ke (Danie 1 van) 148 

Hecke (Jan van) 148 

Hecke (P ouwels van) 148 

H e c t o r s (L ij n t j e) 137 

Hedsing (Lambert Gerritsz) 

Schilder 148 

Heede (Anna van der) 177 

Heede (Philips van der).. 177 

Heekes (Dirk) 146 

Heemskerk (Maerten van) 280 
Heemskerk (Sch ilderij van M. v.) 193 
Heemskerk (Drie historiën van) 202 
Heemskerk (Marretje Dirks 

van) 229 

Heer (GuiUiam de) Wijnver- 

later 148 

Heer (Margaretha de) Fric- 

sche schilderes) 30 

Heeren (Hilletie) 155 

Heeren (Meyntje). iSS 

H e ij e (Dr. J. P.) 277 

Hein (Henrik Jacobs z).... 61 
Hein (Mr. Levert) Organist.284, 285 

Heineken (Gerard A.) iio 

Heinsbergen (Jan Gerritsz 

van) 65 

Heinsins (Daniel) 127, 139, 

163, 210, 215 
Helderberch (F reder ik).. 102 

H e 1 1 e m a n s (C a r e 1) 235 

Helleras (Andries) 64 

Hellerus (Dr. Christoffel) 64 

Helleras (D orothe a) 64 

Helleras (Wilhelmina).... 64 
Helmichius (W e r n e r u s) . . . 182 

Helmont (Jan van) 117 

Helst (van dpr) Schilder ili, 122 
Hemelkens (Assu e rus) Goud- 
smid) 161 

HemeUche Troostbome., 26, 29 

Hemelkoers (Lambrecht 

van) 305 

Hem m erich (Ab r aham).. . . 61 

Hemmerich(Jaliana) 61 

Hendrik (Prins Frederik) 

Portretten van 180, 196 

Hendrik (Mr.) Schilder 149 

Hendriks (Anne tj en) 160 

Hendriks (Baeyken) 152 

Hendrik sz (Baerend) Apothe- 

car 53 

H e n d r i k s (B e a t r ix) 231 

Hendriksz (Dirk) Schilder te 

Napels 149 

Hendriks (Gerberich) 312 

Hendriks (Gheertgen).... 297 

Hendriksz (Gijsbert) 149 

Hendriks (Harmpie) 72 

H e ndr ie ksz (Hendrik) Tapit- 

sier te Delft 2 

Hendriksz (Hendrik) Schilder 149 
Hendriksz (Jacob).... 149, 297 

Hendriksz (Jan) 73, 306 

Hendriks (Jannetje) 122 

Hendriks (Lijntje) 77, 231 

Hendriks (Lysbeth) 297 



Hendriks (Margriet) 152 

Hendriks (Neel) 156 

Hendriks (Susanna) 158 

Hendriks (Thonisz) Schilder 149 
Hennekin of Hennequin 

(Ester) 149 

Hennekin (Fran9ois) 149 

Hennekin (Poulus) Schilder 149 

Hensbeek (Henrick) 218 

Herrevelt (Adriaan van) Pro- 

Hcureur 64 

Herstal (Nicolaas) 156 

Hert (Jacob Jansz) 235 

Hertsbeeck (Isaak van) Koop- 
man 87 

Hesselse (Frederic) 149 

Heurnius (Johannes) 247 

Heus (Johannes) 290 

Heuvel (Jannetje van den)... 306 
Heyde (Gerardus van d«er). . . 61 
Heyde (Jan van der) Schilder. 149 
Heyde (Jan Jansz van der) 

Schilder 149 

Heyde (Nicolaas van der).... 149 
Heyden (Susanna van der)*.. 79 

Heykes (Jan) 42 

Heyn (Dirck Dircksz) Schilder 150 
Heyns (Helena of Heyltgen 

Jacobsdr.) 61 

Hiel (Samuel ter) 149 

Hiel (Sara ter) 149 

Hillegaert (Anna van) 150 

Hillegaert (Cornelis van).... 150 
Hillegaert (Fran9ois van) 

Schilder 150 

Hillegaert (Guillame van).. 150 

Hillegaert (Jacob van) 150 

Hillegaert (Jacques van).... 150 
Hillegaert (Janneken van)... 150 
Hillegaert (Paulus van) 

Schilder 150, 203, 235 

Hillegaerdt (Paulus van). . . 150 
Hillegaert (Pieter van)... 150 
Hillegaert (Pieter Pie- 

tersz. van) 150 

Hillegaert (Susanna van) 150 
Hilten zie Hulten. 
Himpel (Aarnout ter) Schil- 
der 151 

Himpel (Dirk ter) 151 

Himpel (Pieter te) de oude . 161 
Himpel (Pieter ter) de jonge 151 

Himpel (Willem ter) 151 

Hobbe (Ann a).. . .•... 142 

Hobbe (Johannes) 142 

Hobbema (Mejndert) Schil- 
der 151 

Hobraeck (Joost) 154 

Hochedaeus (Johannes) 

Predikant 182 

Hoeffnaegel (J aque s) 151 

Iloeffnagel (Joris) 151 

Hoest (Joan de) 309 

Hoest (Mattheus de) 309 

Hoe ven (Alexander van der) 226 
Hoeven (Catelijne van der) 152 
Hoeven (Dirck van de) .... 240 
Hoeven (Felix van der)... 152 
Hoeven (Valerius van der) 

Schilder 152, 185 

Hoeijen (Rombout van den) 58 
H o f d ij k , Gesch, der Schutterij 

120, 121, 122 
Hoffmans (Anne) 150 



Hoffmans (Jacob) ; 150 

Hogenbergh (Maria van).. 149 
Hogheboom (Cornelis) No- 
taris 70 

Hogerss (Jacob) Schilder... 152 

Holl (Aaltje Alberts) 151 

Holooch (Jannetie Andries) 60 
Holooch (Meynsgie Andries) 60 
Hols te yn (Cornelis van).. 152 

Ho Is te in (P.) 152 

Homes (Lysbeth) 80 

Homis (Anneken) 150 

Homis (Susanna) 150 

Hommers zie Homus. 

Homus (Caspar) 238, 239 

Hondecoeter (Abraham de) 

Hondecoeter (Esra de) 152 

Hondecoeter (Gillis of Je- 

lis de) Schilder 1 52 

Hondecoeter (Gilis de)Chi- 

rurgiji^ 153 

Hondecoeter (Isabella de) 153 
Hondecoeter (Johannes de) 153 
Hondecoeter (Maria de).. 152 
Hondecoeter (Melchiorde) 

Schilder) 152 

Hondecoeter (Nicolaes de) 

Schilder 1 53 

Hondius (Catharina) 153 

Hondius (Cornelis) 153 

Hondius (Hendrik I53> 310 

Hondius (Janneken) 153 

Hondius (Jodoc us) 145, 153, 214 

Hondius (Johannes) 153 

H^ondius (Lucas) Heer van 

Oostweert 153 

Hondius (Petronella Ca- 
tharina) 1 53 

Honthorst (Schilderij van) .... 20 
Honthorst (Copy naar) . . 196, 198 

Hooft 241 

Hooft (P. C) Gedichten van.... 127 

Hooft van Vreeland 114 

Hoog (van der) Schilder 121 

Hooge (Anna de). 60 

Hooge (Ida de) 154 

Hooge (Jan de) 154 

Hooge (J o s i n a de) 1 54 

Hooge (Louis de) 154 

Hooge (Paul de) 154 

Hooge Ö^ieter de) 153, 154 

Hooge (Romeyn de) Advocaat 154 
Hooge (R om eyn de) Etser 153, 154 

Hooge (S a r a d e) 153 

Hooghkamer (Jacob Pie- 

tersz.) 119,120 

Hooghkamer (Hendrik)... 54 
Hoogstraten(Samael van) 

Schüder. 51 

Hoogstraten (Schilderijen van) 219 

Hoon (Gerrit Jacobsz.) 225 

Hoorn (Catryna van) 62 

Hoorn (Egber van) 204 

Horst (Anneke Frans van 

der) 126 

Hortensius (Professor Mar- 
ti n u s) 209 seq. 

Hottinga (Dominicns van) 

Advocaat te 's Hage 21 

Hou brak en (Annetje) 155 

Houbraken (Arnoldus) IQ2, 

113» 116, 154 
Houbraken (Bartholomeus) 154 



BLADWIJZER OVER DEN JAARGANG 1885. 



IX 



Houbraken (Claes) 154 

Houbraken (Geertruyd) 155 

Houbraken (Joost) 155 

Houbraken (Sfaximiliaan).. 155 
Houckgeest (Joachim van). 155 

Hout («) an van) 244 

Houten (Hans van) 203 

Houtmans (Margaretha) . ... 64 

Hou wart zie Arundel. 

Hove (Maarten van den).... 209 

Hoven (Anneken van). 160 

Hoven (Constantia van) 233 

Hoven (Jan Harmensz van). 310 
Hoven (Matheus van)Schüder 180 
Hoven zie Hoeven 

Hopmans (Anna)...^ 235 

Hudde (Gerrit) Ii6 

Hudde (Hendrik) 176 

Huffelen (Fran^ois van) 

Schilder 200, 201, 202 

H ugens (Anneke) 71 

Huis de Atlas 64 

Huis de Toren van Amersfoort... 137 

Huis de Bastardpijp 290 

Huis de Bergenvaarders Kamer... 71 

Huis de Liesveldsche Bijbel 267 

Huis 't Vergulde Caertboek 145 

Huis Cronenburch 175 

Huis het Wapen van Delft 141 

Huis de Blauwe Druif 137 

Huis het Dui^e 297 

Huis de Witte Engel 185 

Huis de Geelvinck 170 

Huis het Slot van Gelder 279 

Huis Mijn glas loopt ras 309 

Huis de Hammetgens 185 

Huis de Vier Heemskinderen 167 

Huis St. Hiob 290 

Huis de Drie Hollanders 188 

Huis de Wakkere Hondt 153 

Huis het Juweel 227 

Huis de Landmeter 149 

Huis de Leeuw 296 

Huis de Blauwe halve Maan 63 

Huis 't Nieuw Martelaarsboek.... 64 

Huis de Maijer 229 

Huis 't Wapen van Medemblik. . . 77 

Huis de Stad Meurs 230 

Huis het Wapen van Oudewater.. 268 

Huis de Pascaert 144 

Huis de Gulden Passer 267, 275 

Huis Rees 151 

Huis de Robijn 200 

Huis de Groene Schaar 298 

Huis de Star 227 

Huis de Steenrots 294 

Huis de Vergulde Valck 156 

Huis de Valckenier 229 

Huis het Vosje 291, 292 

Huis Naboth Wijnbergh 61 

Huis de Vergulde Zeespiegel 146 

Huis de Gouden Zon. 80 

Hullegaert zie Hillegaert 

Hulstman (Christina). 155 

Hulswit (Jan) Kunstschilder... 155 

Kuiten (Maria van) 232 

Hulten (Nicolaes van) 232 

Humalda (Philippus) 30 

Hustert (Anne) 235 

Hustart (Fran9ois) 71 

Hutsebout (Barbeltje) 157 

Huyberts (Maria) 79 

Huybr echts (Anna) 88, 89 

» 



H u 7 b r e c h ts (C 1 a r a) 228 

H u y g e n (Wil l e m) 35 

Huygens 241 

H u y g e n s ((^dichten van). . 24, 30 
Huygens (Handschriften van).. 124 

Huysen (Andries ter) 77 

Huysum (Casper van) Schil- 
der 155 

Huysum (Justus van) Schil- 

<ier 155 

Huysum de Jonge (Justus van) 

Schilder 155 

Huysz zie Huysum. 
Hwuygenzoon (Rayer) 279 

I. J- 

aagen (Jannetje van).... 310 

aaster(Jan).... 151 

acobsz. (Abraham) Plaat- 
snijder 1 56 

acobs (Aeltjen) 79, 156 

ac obs (Agniet) 64 

acobs (Barbara) 20 

acobsz (Barend) 64 

acobs (Brechta) 60, 229 

acobsz (Broer) 63 

acobs (C 1 a r a) 76 

acobsz (Cornelis) van de 

Mareken 181 

acobsz ^Cornelis) Schoen- 
maker 297 

acobsz (Cornelis) 301 

acobs (Geertruyd) 137 

acobs (Griet) 1 55, 228 

acobs (Hele na) 57 

acobsz (Hendrick) 73 

acobsz (Jacob) Fijnschilder 1 56 
acobsz (Jan) Schilder. . 1 56, 305 

acobsz (Ysaac) 156 

acobsz (Lieffert) 298 

acobs (Lysbeth) 58,150,298, 299 

acobs ^agdalena) 76 

acobs (Maria) 35, 270 

acobs (Maycke) 147 

a c o b s (N e e 1) 308 

acobs (Mr. P e Igr om) Priester 297 

acobsz (Pieter) 68 

acobs (Saeltj e) 153 

acobsz (Willem^ 44 

a g e r (H. d e) De Brielsche Ar- 

ckUvin 243 

a g e r (Jan de) 233 

ansz (Adriaen) leerling van 

C. V. d. Voort 204 

ans (A e f gen) 167 

a n s (A e c h t) 140, 1 43, 3 10 

ans (Aeltgen) 74.75.77»i55» 156 

ans (A e r t j e n) 144 

ansz (A 1 e ff) 230 

ans (Anna) 1 57, 312 

ansz(Barent) 149 

a n s (B e 1 y) 286 

ans (Boude wij ntj e) 190 

ans (Brecht) 307 

ansz (Broer) Courantier. 54, 191 
ansz (Broer) Leerling van ^ 

Sweelink 287 

ans (C a t h r ij n) 137 

ansz (C 1 a e s) 78, 156 

ansz (Claes) Glazemaker. ... 1 56 
ansz (Claes) Organist en pries- 
ter 279, 297 



Jans (Claesgen) ; 60 

Jansz (Cornelis) 300 

Jans (Dieuwer) 236 

Jansz (Dirck) 156 

Jans (Dirckje) 156, 311 

Jansz (Do mini cus) 76 

Jansz ?Egbert) Chirurgijn. ... 156 
Jans (Elsje) 63, I55. 278, 283, 

286, 287, 288, 289, 308 

Jans (Geertje) 309 

Jans (Gerberich) 297 

Jansz (Govaert) Schilder. ... 1 56 
Jansz (Schilderij van G o v e r t) 

190, 194, 201 

Jans (Griet) 144, 167, 234 

Jans (Gijsbertgen) 75 

Jansz (Hans) zes gravures van. 156 

Jansz (Hendrik) 286 

Jans (Hendrickie) 310 

Jans (Heyltgen) 289,290,291, 293 

Jans (Hilletje) 62, 157, 308 
ansz (Hommer) 57 

Jans (Hoorntj e) 156 

Jansz (Jacob) ., 155,181,229 

Jansz (Jan) Tapitsier. . . 13, 14, 19 

Jansz (Jan) Glasschtlder 46 

Jansz (J a n^ 67, 73, 80, 310 

Jansz (Jan) graveerder 156 

Jansz (Jan) leerling van C. v. d. 

Voort 204 

Jans (Jannetje) 140, 142, 149, 

154, 155. 230, 233, 235 
Jansz (Mr. Jasper) orgelmaker 

van den Bosch a8i, 301, 302 

Jansz (Johannes) schilder. . . 156 
Jansz (Joost) tapitsier te Delft. 2 ' 

Jans (Josyntj e) 157 

Jans (Judith) 283 

Jansz. (Jurriaen) 232 

Jans(Lavina) 137 

Jans (L y n) 150 

Jans (Lysbeth) 143, 155, 306, 310 

Jansz (Machiel) 160 

Jans (Machteld) 156 

Jans (Maria) 143 

Jans (Marritje). 68, 147,308, 311 

Jansz (M arte n) 149 

Jans (Oetje) 65 

Jansf (Pieter) 69 

Jan8z(Pieter) glasschrijver. . 156 
Jansz (Pieter) Organist 278, 279, 280 
Jansz (Pieter) zie Schagen. 

Jans (Pietertgen) 292 

Jansz (Reyner) 4.... 230 

Jansz (Róynier) Schilder.... 156 

Jans(Rijcke) 152 

Jans (Saartje) 61, 149 

J a n s (P i e t) 58, 230 

Jans (Trijntie) 67, 71, 155, 

156, 233» 309 
Jansz (Willem) Boekverkooper 144 

Jansz (Willem) 177, 189, 287 

Jansz (Willem) Oganist zie 
L o s 8 y. 

Jans (Willemtje) 115, 142 

Jardin (Carel du) ïS7 

Jaspers (Jeuriaen) 15^ 

Jaspers (Maritj e) 156 

Jaspers (Neeltjen) 143 

Jellemans (Tjerk) 79 

Jelmers (Jannetje) 77 

Jennyn 2 

J e r o e n s (A e f j e) 150 



BLADWIJZER OVER DEN JAARGANG 1885. 



eroen^e (Jeroen) 202 

mbrechts (Samael) 140 

n g e 1 s (Anna) 240 

ngels (Anna Mari a), 295 

ngels (Benedi^ tns) 295 

ngels (fohan) 292, 295 

ngels (Mr. Nicolaas) 292, 

294, 295 

nterbatelo (Laura) 72 

ntesz (Kornelis) 155 

ntessen (Pieter) Architect 

van het Burgerweeshuis 155 

ntjes (Mr. Gerril) 155 

ochems(Aeltien) 80 

ochems (Judick) 148 

ochemsz (Willem) 232 

ohannes (Leonardus).... 251 
onckheyn(Elbert Symonsz) 167 
on ckmeijer (Weyntie).... 310 

onge (Heyl tje*8) 115 

ongekuyper (Hendr. Jansz) 229 

oosten (L ij s b e t h) 73 

o r d a e n s (Schilderij van H.) 

192, 193. 194. 196, 201 

o r i s (A n n a) » 237 

o r i s z (C 1 a e s) 237 

oris (Geertruyd) 233 

o r i s z (Joris) 233 

oris (Lysbet) 156 

oris (S t ij n t j e) 229 

OU (Elisabe th du) 126 

ouderville fCornelia de).. 231 
ouderville (Is ab eU a de) 231 
ouderville (Marieke de) 

231, 232 
ouderville zie ook Goede r- 

ville. 

ousum (Cornelis) 88 

pes(Hessel) 311 

saacks zie Pontanus. 
saacks (Anna Maria) zie 

Pi e ters. 

saacks (Heyltje) ziePieters 

saacsz (Isaac) Schilder 175, 

178, 181 
saacks (M a r g.) zie P i e t e r s 
saacsz (Pieter) Schilder 38, 

39, 46, 172, 173, seq. 207, 273 

s a a c X (S t ij n t j e) 58 

talia (Salomo n) 156 

u a n (Don) 82 

unius (Franciscas).. 247 

unius (Isaacus) 231 

unius (Maria) 148 

unius (Saertie)'. 148 

unius Raadsheer 3, 6 

urriaensz (Dirk) Schilder.... 157 

urriaensz (Roelof) 230 

urriaens (Vrouwtje) 149 



K. 

{Zu ook op de letter C.) 

Kamerarius (Adam) Schilder.. 72 

KarelII 24 

Kar el II Koning van Engeland 

(portret van) 227 

Karelsz (Cornelis) plaatdrukker 305 

Karels (Emerentia) 67 

Karstens (Eva) 309 

Kay (de) Zie de Key 



Keere (Anna Pieters van 

der) 73 

Keere (Magdalena van der).. 307 
Keere (Margriete van de).. .. 14$ 
Keere (Pieter van der) plaat- 
snijder 73, 74 

Keere (Susanna Pieters van 

der) 73 

Kelfken (Ar ent) 167 

Keilen (J. Ph. van der). 52, 56, 266 

Kemel (Thomas de) 63 

Kemp (Catrina) 232 

Kemp (Frederik) 233 

Kemp (Henrietta de).. 148 

Kemp (Jan Arentsz) 140 

Kemp (Susanna) 233 

Kempen (Aeltien van) 228 

Kempen (Hendrik van) 74 

Kempen (Sophia) 69 

Kempenaer (Hendrik de).. 148 

Kempenaer (W i 1 1 e m) 237 

Kepler (J ohannes) 210, 211 

Keppes (Jasper) 146 

Kerkhof (Daniel Jacobus). 155 

Kerckho ff (Frans) 78 

Kerckhoove (Jacobus). ... 239 

Kessel (Da V id van) 70 

Kessel (Jannetje van) 70 

K e t e 1 (A n d r i e s) 74 

Ketel (Cornelis) Schilder 46, 

74i75»"9.i72i ï73> i75, ï76, 189, 285 
Ke uilen (Heynrixken van). 62 

Key (Anna de) 57 

Key (Elisabeth de) 57 

Keyzer (Aert de) 175 

Keyzer (Heynrick de) 76, 275 

Keyzer (Heinrickde) Architect 

en stads Steenhouwer 75, 76 

Keyzer (Boetseerwerken van Hen* 

drik deV 76 

Keyzer (Jan Adriaensz) 137 

Keyzer (Jan Dyngemansz).. .. 146 

Keyzer (Jan de) 76, 149 

Keyzer (Machteltgen de) 76 

Keyzer (Maria de) 76 

Keyzer (Panlus) Schilder 76 

Keyzer (Pieter de) Stads Steen- 
houwer) 75, 76 

Keyzer (Thomas de) 76, 176 

Keyzer (Thomas de) schilderij 

van 114, 122 

Keyzer (Willem de) 76 

Kick (Cornelis) Schilder. 76, 77 

Kick (S ij m o n) Schilder 76 

Kieff (Cornelia) 60 

Kieft(Jan Gerritsz) 54 

Kina zie Quina. 

Kip (J ohannes) Plaatsnijder. . 77 

Kjaer (Sören) leerling van 

Pieter Isaacrz 176 

Klanes (E lis e) 233 

Klassieke letterkunde (over onze). 123 

Klerck (Anne de) 236, 237 

Klerck (Beyken de) 236 

K 1 e r c k (D a V i d d e) 77 

Klerck (Ferdinandus de) 

Schilder 77 

Klerck (Hans de) ^ 236 

Klerck (Pieter Joosten de). 230 

Klerck (Sara de) 236 

Klerck (Susannft de) 236 

Kleurs (Pieternel) 59 

Klioos kraam 23, 25 



Kloeck (Jacob Jansz) 77 

Kloeck (Jan Jacobsz) plaat- 
snijder 77 

Klomp (Albert) Schilder 77 

Knaap (Jan Matthysz) 69 

Koeck (Catharina) 310 

Koeck (Geraerd) plaatsnijder.. 77 

Koeck (Philip) igg 

Koenhardt (Marretje Ger- 

rits) 80 

Koetemans(Heinrick) Schilder 78 

Koker (Anna Maria de) 80 

Koker (Daniel de) 80 

Koker (Gilles de) 80 

Kollerus (Casparus) Schilder.. 79 

Kolom (Cornelis) Schilder 79 

Koninck (Jan Hendricksz).. 235 

Konincx (Teuntje) 148 

K o o 1 h a e s (J a n n e k e n) 158 

Koosen (Maria van) 147 

Kop (G e r r i t) 308 

Kop (Katharina Ge r rits).. 127 

Kramm. 34i 40 

Krayvelt (Mat th ijs Hen« 

d r i k s z) 307 

Krekels (T anneke n) 158 

Kretser (Tanneken) 70 

Krieck (Elbert Huybertsz) 72 
Kruywagen (Cornelis).... 137 
Kruywagen (Hendr. Jansz). 137 
Kuchlinus (Hermannus)253, 259 
Kuchlinus (J ohannes) 245, 

247, 250, 252 

Kuers (Madleentje) 140 

K u y p e r (Frans) 225 

Kuys (Marcus) 80 

K u y s e r s (Maria) 148 

L. 

L a a c h (W illem van der) 

Plaatsnijder 157 

Ladosse (Carel van) 140 

L'a d m i r a 1 (Jacob) 58 

Lairesse (Jan Ge ra rd) Schil- 
der 157 

Lamberts (Geertie) i42 

Lambertsz (Gerrit) Beeld- 
snijder 181 

L a m m e r t z (C 1 a e 1 1 j e) 310 

Lampen (B a e r e n t) 157 

Lange (Antonie de) Wijnkoo- 

kooper Ii3> IM 

Langhorn (Willem) 72 

Lanquet 82 

Lansbergen (Jacobus van) 

Philipsz 210^214 

Lansbergen (Fhilippusi) 

210, 211, 214 

L a n s m a n (Jacobus) 151 

Lans man (Maria) 153 

Lantsman (Jacob Jansz).. 64 
Lastman (Cornelis Jansz) 157 
Lastman (J an Pi eter sz) schil- 
der 157 

Lastman (Nicolaas Pie- 
ter s z) Plaatsnijder 13I 

Lastman (Pieter) schilder 461, 

120, 121, 172, 195, 203 
Lastman (Schilderij van)... 64, 198 

Later (Jacob de) i57 

Latom (Abraham van) Bor- 
duurwerker) 157 



BLADWIJZER OVER DEN JAARGANG 1885. 



XI 



Laur^nsz (Abraham) Schilder 157 

Laarensz (Bernardus) 137 

Laarens (Elisabeth) 57,58, 61 

Laarens (Heiltgen) 142 

Laarensz (Hendrik) Boek- 

verkooper 113, 117, 1 18 

Laarens (J anneke n) 231 

Laarensz (Laickas) Schilder 157 

Laarens (Marya) 58 

Laaritzen (Jacob) leerling 

▼an Pieter Isaacsz 176 

Laaweris (Nicolaas) 239 

Lawaerde (Anthony de) Ta- 

pitsier 14, 15 

Leeman (Hendrik) Schilder... 158 

Leers (Jan) 147 

Leest (Abraham van) 158 

Leest (Adam van) Kaerten- 

maker 158 

Leest (Adriaentjen van) 158 

Leest (Anna van) 158 

Leest (Anthonie van) 158 

Leest rCarel van) Schilder.... 158 

Leest (Catalijne van) 158 

Leest (Claertje van) 158 

Leest (Hendrickje van) 158 

Leest (Huybert van) 158 

Leest (Jacob van) 158 

Leest (Jacqnes van) Kaerten- 

maker) 158 

Leest (Jacqaes van) de Jonge 158 
Leest (Johannes van)Kaerten- 

maker 158 

Leest (Majken van) 158 

Leest (Raphael van) 158 

Leeuw (Cathrina) 157 

Leeaw (Jacob) I02 

Leeaw (Jan de) Schilder 159 

Leeuwen (G. van) 169 

Leeuwenhoek (Anthony) 221, 222 
Lcfebure of Lefevre (Cate- 

lijna) 158 

Leydecker (Cornelis Claesz) 141 
Leydeckers (Grietje Claes). 141 

Leyden (Gilles van' der) 73 

Leyden (Lucas van) Schilder 

45» 267 
Lrcyten (Wouter Gerritsz)... 76 

Lemeer (Aerjaen) 237 

Lemeer (Hans) Goudleermaker 203 
Lemmers (Jacques) Schilder 158 
Lcnaertsz (Adrien) Schilder 158 

Lenaerts (Caerl) 158 

L e n a e r t s (Hans) 37, 158 

Lenaerts (Elisabeth) 235 

Lenaert (Lenaert) 158 

Lenaerts (Maria) 71 

I,eo (Leoninus) 255, 256 

Lernutius ^Janus) 257 

Leuenens zie Lnenens. 

Leupe (P. A.) 173 

Leupenius (Johannes) Land- 

meter , i^^ 

Leupenius (Portret door) getee- 

kend i^g 

Leupenius (Petrus) 159 

Leu penius (Sar a) 159 

Leurs (Meertijntie) 76 

Leuvens (Hendrik Dirksz) 43 
Lichtenstein (Verzameling te 

Wcenen) 46 

j^iebergen (Arnoud van).. 42 
. ieden zie Lunden. 



Lier (Adraan van) 290 

Liesvelt (Anna van) 60 

Lievensz (Jan) Schilder. . 56, 270 
Linckens (Anna Maria).... 60 
Linde (A. van der) Catalogus 

der Auctie 163 

L i n d e m a n (F ij t j e n) 79 

Lingelbach (Agnieta) 159 

Lingelbach (Da vidt) 160 

Lingelbach (Frederik). ... 159 
Lingelbach (Johannes) Schil- 
der 159 

Lingelbach (Sofya) 160 

Linschooten (Adriaan Cor- 
nelis van) Schilder 34 

L i o n f A.) 118, 119 

Lion (Jacob) Schilder 118,119, 

184, 185, 186, 203 
Lion (Fran9ois Stellaerd 

van) 119 

Lions(Susanna) 119 

Liotard (Jean Etienne) schil- 
der 160 

Lipsius (Justus) 245 

Listingh (Jannetje) 148 

L i t m a zie L u t m a. 
Lochom (Bartholomeus 

van) • 160 

Lochom(Francyntjen van) 160 
Lochom (Griet jen van). ... 160 
Lochom (Guiliam van).... 160 
Lockhorst (Nicolaas van) 59 

Lodders (Machte It) 207 

Loecker (Daniel de) 54 

L o e f s (A r e n t A r e n t s z) 73 

Lomamber (Marya) 157 

Lom annus (Guille 1 mus).. . 253 
Londerseel (Assuerus Jansz 

van) Piaatsnijder 160 

L onderseel (H ans van).. . . 160 
Londerzeel (Jan van) Prent 

van 42 

Londerseel (Susanna van) 160 

Longespee (Nicolaes) 68 

Lons (Dirk Evertsz) Plaat- 
snijder 160 

Lons (E vert Claesz) 160 

Lont zie Lion. 

Loo (H il leken ter) 240 

Loo rjan van) Zilversmid 79, 

88, 89, 90 
Lookere (Corneliade).... 236 

Loosjes (Neeltje) 155 

L o o t s (Jan) . .... 164, 170 

Loots (Jan Reijersz) 169 

Loots (Margaretha) 164 

Loots (Maria) 68, 164 

Loots (Reyer) 164 

Lorme (An dries de) Diamant- 
snijder 160 

Losson (Johanna Catharina) 295 
Lossy (Claes of Nicolaas) 

Organist 3CX) 

Lossy (Hillegond) 300 

Lossy (Jan) 300 

Lossy (Willem) 300 

Lossy (W iliem Jansz) Or- 
ganist 299, 300 

Loten (A b i g a e 1) 227 

Loudynse (Colletje) 73 

Lourensz zie Laurensz. 
Loveningh (Maritje E verts 
van) 154 



Loyson (Truyken) of Loy- 



ti es 

Lubberts 



235 



fLysbeth) 59 

Lubberts (ï^ieter) 59 

Lubeck (Pieter Jansz van) 30S 
Lubienietzki (Chr istoffel) 

Schilder. 160, 225 

Lubienitski (Stanislaus). 225 
Lubienitski (Wilmiena de) 

160, 225 
Lubinius (Theo dorius) schil- 
der 225 

Luce (Joannes) 252 

Luce (Louis) Schilder 185 

Luce (Lucas) Schüder. 53, 190, 203 
Ludiek (Lodewijk van) Kunst- 
handelaar 90, 94, 102, 159, 225 

Ludiek Junior(Lodewijkvan) 225 

Ludiek (Sara van) 225 

Luenens (Hendrik) Schilderij 

van 43 

Lunden (Anna) 225 

Lunden (Barend) 148, 225 

Lunden (Catharine) 148 

Lunden (Gerrit) Schilder 225 

Lunden (Gerrit) Schilderijen 

van 226 

Lunden TJ anneke n) • 225 

Lunden (Lijntje)... 225 

Lundens (Pieter) 192 

Lutma fFrancois) 227 

Lutma (H ester) 226 

Lutma (Isaac) Juwelier 226, 227, 228 

Lutma (Jacob) 227 

Lutma f^J a n) (^udsmid 226 

Lutma ae Jonge (Johannes) 226 
Luttichuysen (Cornelia).. 227 

Luttichuys (Katryna) 227 

Luttichuys (Isaac Isaacsz). . 227 

Luttickhuys (Vsaac) 227 

Luttichuys (Simon) Schilder.. 227 
Luybrechts (Mariken).... 158 

Luycasz(Jan) 160 

Luycas (Swaantje) 63 

Luycx (Pieter) Leerling bij C 

V. d. Voort 46, 191 

Luyken (Caspar) Plaatsnijder.. 227 

Luyken (Christoffel) 227 

Luyken (Johannes) Schilder.. 227 

L u y t (A n t o n i e) 78 

Lysart (Philips) leerling bij 
B a d e n s 46 



M. 

M. (M. H.) Schilderes 228 

Maarseveen (H. v an) Graveur 228 

Machteld 278 

Madalet(Madaleen) 160 

Maerle (Diederlck van)... 228 
Maerle (Jan of Hans van) 

Juwelier. 39, 53 

Maerle óf Merle (Jonas v an) 

Schilder 38, 39, 44, 228 

M a e s (Maria) 60 

Magister (Trojanus de)... 157 

Magnus (Aaltge)., 62 

Magnus (Albert) Boekverkoo- 

per 64 

Magnus (Zoon van Hendrik 

Jansz) 149 

Maile (A rnon Ie) 157 



XII 



BLADWIJZER OVER DEN JAARGANG 1885. 



Maile (Etienne Ie) 157 

Maire(Helenale) 154 

Maizonet (Jea n Louis).. .. 160 

Malsem (Pieter ran) 54 

Man (Maria Gerrits) 148 

M ander (Karel van) zijn schil- 
derboek 34, 35, 36 

Mander (CareV van) 171,173, 

176, 177, 181, 182, 183, 202 
Mander (Carel van) Schilderij 

van 194, 226 

Mander de Jonge (Karel van) 

'Tapitsier te Delft i seq. 

Mander III (Carel van) schil- 
der. Schilderij te Berlijn 21 

Mander (Karel van) Versje 

door 228 

Manen (Gysbert van) Glaze- 

maker 140 

Mansvelt (Graaf van) 54 

Mansdale (Davidt v an). ... 150 

Marcas(Marike) 71 

Marcx (Aeltje) 149 

Marebeek (Matthjs van) 

Plaatsnijder 228 

Marees (Jan de) Kunstverza- 
melaar .... 46 

Marees (Sara de) 147 

Marell of Morel (Jacob) 

Schilderij van 228 

MariesofMarij (Lucas) Ta- 
pitsier 14, 20 

Marinier (Joris) 67 

Marinier (JudithJorisdr) 67 

Marinier (Lysbeth) 67 

Marot (Daniel) 145 

Marken (van de) ziejacobsz. 
(C o r n e l i s.) 

Marken (Jacob van) 290 

Marken (Jan van) 290 

Markts (Gijsbrecht) 231 

Marry(Sara) 70 

Marsenne(Nicolasde). ... 143 

Marsse fJan) 228 

M a r s s e (Jan) de Jonge, Kaert- 

afzetter, Schilder 228 

Marsz TMariken) 228 

M a r s z de Jonge (Pieter) 228 

Martens (Annetie) 231 

M a r t e n s (B a e r t i e) 141 

Martensz (Hilgon t) 155 

MartenssofMartz (Jacob) 

228, 297 

M a r t e n z (Jan)... 20 

Martenss (Jan de Jonge) zie 
Marsse. 

Martens (Jannetje) 289 

M a r t z (C 1 a e s z) 169 

Mattham (Adriaen) Plaatsnijder 228 

Mat t ham (C o r nel is) 229 

Mattham (Dirck) Plaatsnijder 

228, 229 

Mattham (Jacob) 229 

Mat the (Mr. Jacob)...'. 278 

Mattheus (Geertruyt) 155 

Matthijs (Agniet) 225 

M a 1 1 h ij s (Geertruyt) 225 

Matthij sz (Hans) 312 

Matthijs (Hendrika) 306 

M a t h ij sz (Jan) Plaatsnijder. . . 229 

M a t h ij s (K a t r ij n a) 225 

Matthijsse(Pieter) schilder 9, 229 
M a u r i t s (Prins) 245, 268 



Maurits (Prins) Portret vani8o, 196 
Mayer (Harmen de) Plaatsnijder 229 
Mayer (Hendr.) Caartenmaker. . 229 

Meer (Abraham van der^ 211 

Meerbeek (Jan van) Uitgever 

te Brussel 125 

Meerhout (Pieter Vekemans 

van) zie Vekemans. 

Mees (Mr. G.) 241 

M e e u s z (C 1 a e 8) 301 

Me uwsz (Rogier) 42 

Melchersz (Jan) 139 

Melis (Oeertruyd) 62 

Meliszen (Abraham) 296 

Mercvs(Hans) 69 

Merscfae (Elisabeth van der). 79 
Mertens (Antoni) Juwelier te 

Frankfort 36 

Mertens (Hendrik) 238 

Mesen (Geertruyd ter) 308 

M e t z u (G a b'r i e 1) Schilder. . . . 229 
Meulenaer (Schilderij van) ... 177 

Meurs (Heyndrick) 230 

Meurs (Jacob van) Plaatsnijder 230 

Meurs (Susanna) 140 

Meursius (Mathyas) Predi- 
kant te Sloterdijk 60, 148 

Mevert (Jan van) Schilder. . . 230 
M e y (Portret van Pater Jan) .... 274 

M e y e r (Joh.) 146 

Meygener (W i 1 1 e m) 230 

Meyn (David de) Schilder en 

Uitgever 231 

Meynderts (Abraham) 65 

Meynders (Marri ken) 168 

Meyringh (Anna) 231 

Meyringh (Hendrik) Schilder 

en Kunstverkooper 231 

Micker (Christiaen Jansz.). 231 
Micker (Jan Christiaensz) 

Schilder 231 

Midde Iho ven(Michael van) 

Predikant te Buren 27 

Mlll (Abraham de) 63 

Miniatuur op ivoor geschilderd 

door P. Holstein 152 

M i n u i t (Jan) 35, 80 

Minuyt (Maria) 159 

Mits (Maria) 237 

Moebach (Abram) 231 

Moebagh (Catrina) 231 

M o e n e (W i 1 1 e m) Ebbenhout- 

werker 72 

Moerentorff 188 

Moe rla nd (Ariaen) 155 

Moes (E. W.) 287 

M o i s (Sara) 60 

Mol (Jan van) Schilder 231 

Mol (Jannetje de) 231 

Molders (Geertruyt) 238 

Molenaar (Schilderij van C o r- 

n e 1 i s) . / 192, 193 

Molin (Clara de) 238 

Molyn (Pieter de) 77,^31 

Mommers (Barber) 140 

Mom per (schilderij van) 180, 192, 

193. 194 
Momper (Pieter) Schilder . . . 231 

Monnincx (Oncommera)... 3 

Montenaij (Georgette de) Cent 

Emblemes Ckrestiens 124, 128 

Moreelse (Paulus) Schilderij 

van 114, nS 



Morel (Jacob) Schüder.... v* 231 

MorimontAnnade) 183 

Morinus (Johannes Baptista) sio 
Morsitts (Album amicorum 

van Joachim) 2S7 

Mostaert (Schilder) 42 

Mostert(Hester) 53 

Moucheron(Balthasar de) 231 
Moucheron (Cornelia de). 231 
Moucheron (Frederik de) 

Schilder 231, 233 

Mottsyn (Barber)... 67 

Moyart (Catryn) 232 

Moyart (Claes) Schilder.. 76, 

17^ 173» 23a 
Moyert (Cornelis Hoppe). 232 

Moyert (Cornelis) 232 

Moyart (Filips) Koorddanser. 232 

Moyers (Geertruyd) 232 

Moyert (Jan) Chirurgijn 232 

Moyert (Jan Cornelisi) 

Schilder 232 

Moyert (Pieter Jansz) 232 

Muykens (Adriana) 233 

Muykens (Arnoldus) 233 

Muykens (Be mar dus); 233 

Muykens (Catharina) 233 

Mulder (Jan; 71 

Muller (Geslachtlijst der familie) 276 
Muller (Mr. Adriaen) Advocaat 

269, 270, 271, 272, 273 
Muller (Ewoud Cornelis z) 

Boekverkooper 267 

Muller (Harmen Jansz) Boek- 
verkooper en Figuursnijder. 44, 

266, 267, 269, 271 
Muller (Hillegond).. 271, 272,273 
Muller (Jan Harmensz) Plaat- 
snijder 266, seq. 

Muller (Portret van Jan Har- 
mensz) 27; 

Muller (Lysbeth) 271 

Muller (Marretje). 267,270, 

271, 272, 273, 275 
Munnickhuysz(Andrie$ van) 
Munnickhuysz (Jan van) 

Schilder 232, 233 

Munnickhu ysen (Johannes 

W i 1 1 e ms z. van) 66 

Munnickhuysen ( W i 1 1 e m 

Jansz van) 66 

Munster (NeeltjeJans)... 149 
Musscher (Michiel van)Schn- 

der 233 

Mijtens (Johannes) Schilder... 93 
Mijtens (Ysack) SchUder 233 

N. 

Nach te gael (Jacob) I57 

Nant (van) Schilder 172 

Nas (Jacobus van) Schilder... . 233 

Nassau (Zijn Ex. van) 244 

Natrop (GeertruyJ 60 

Nauwynck (Joris) Tapissier... 233 
Neck (Jannetie Tomas van).. 14' 

Neck (van) Schilderij van ^26 

Neder duitsche'^ Epigrammtn met gt' 

nuchlijke Epitaphien "5 

Neeff (Johannes de) Schilder. 233 

Neer (Abraham van der) 234 

Neer (Adam van der) 234 

Neer (Aert van de) Schilder... 234 



BLADWIJZER OVER DEN JAARGANG 1885. 



XIII 



Neer (Alida van der) 234 

Neer (Cornelia van der)... 234 

Neer (Dirk yan der) 234 

Neer(£gelon van der) Schilder 

Neer (Jacoba van der)..... 234 
Neer (Johannes van der) Schil- 
der 234 

Neer(Marritje van der)... 234 

Neer (Pieter van der. 234 

Nes (Hans van) 234 

Neien(Anneken) 147 

Neve (Frans de) 233 

Neve (Guillam) 233 

Neve (May ken) 233 

Ne jen (Portret van den envoyé). 2^ 

Nlcke (Aldert) 59 

Nickelen (Isaac van) 234 

Nickelen (Johannes van). 234 
Nienhoff (He nd riek) Schilder 234 

Nienhoff (Johan) 230 

Nieakerck (Dan iel) 312 

Nienlant (Abigael van)... 235 
Nieuland (Adriaen van) 
Schilder 42, 46, 61, 68, 120, 121, 
122, 172, 173, 177.180,184,193, 

234, 235, 236 
Nieuland (Schilderij van) 192, 193 

Nienlandt (Anne van) 236 

Nienlandt (Bart holome ns 

van) 236 

Nienlant (Berber van) 235 

Nieulant (Boudewijn Ja- 
co b s z. van) 237 

Nieulant (Catryna van)... 235 
Nieulant (Elisabeth van) 236 
Nieulant (Geertruyd van).. 235 
Nienlant (Geertruyd Ja- 
co b s d r.) 236 

Nieuland (Guiliam van) 

236, 237 
Nieulant (Hendrik van)... 236 
Nieulant (Heinrick Ja- 
co b s z. van) 235 

Nienlandt (Hillegont van). 234 
Nienlandt (Jacob van) Schil- 
der) 122, 172, 234, 235, 237 

Nieuland (Schilderij van J a- 

cobvan) 193 

Nieulant (Jacobns Pie- 
ter s z, van) 237 

Nieulant (Jelisz. Pietersz. 

van) 237 

Nieuland (Johannes van). 236 

Nieuland (Joris van) 236 

Nieuland (Joris Joriss van).. . 236 
Nienlant (Joris Pieterz van). 237 
Nienlandt (Pieter van) 122, 236 
Nieulant (Peter Jacobsz van) 236 
Nieulant (Rachel van).... 236 
Nieulant (Sal. v.) Notaris. 68, 

157, 235 

Nieulant (Sara van) 237 

Nieulant (Sytgen van) 237 

Nieulant (Theodorusvan) 235 
Nienland (Thomas van)... 234 
Nieulant (Thomas Jacobsz 

^y^^) 237 

Nieuwenhof zie Nieuwenhnys. 
Nienwenhuys (Helena) 58, 236 
Nieuwenhnys (Mr.Hendrik 

van) Orgelmaker 281, 301 

Nieuwstadt (Metje Pieters).. 156 



Nienwveld (Jacob Pietersz) 

Schilder 122 

Niqnet (Jean) knnstlievend 

Koopman 38 

Nirop(Snsannavan) 61 

Nobelingh (Geertrny) 147 

Nolthenins (Henricus) 246 

253, 256, 258 

Nommes (Cornelis) 63 

Nooms (Wilhelm) 126 

Noorcy Jansdr (Snsanna).. . . 140 
Noord (Mr. Jacob van) Or- 
ganist 289 

Noort (Johannes van) 237 

Noye (Nicolaas de la) 295 

Nnffelen (Jacob van) 236 

N y e n b o r c h (Johan). 26, 30, 32 

N y s (Anna) 238 

Nys (Anna Antonisdr) 239 

Nys (Anna Maria) 239 

Nys (Antonette) 238, 239 

Nys (Antonie) 237 

Nys de Jonge (Antonie) 238, 239 

N y s (D a n i e 1) 238 

Nys (Geeriruyt) 238 

Nys (Isaac) 238 

Nys (Jacob de) 157 

Nys (Johanna) 238 

Nys(Maria) 238 

Nys (Pieter) Schilder 237, 238, 239 

O. 

Obbekens, Obekinck of Obis 
(Victoria) 183, 187 

Obekink (Alben) 183 

O b r é e n (F. D. O.) Roomsche bent- 
vogels 275 

Obrij (Johannes Robbertsz) 
Schilder) 239 

Obrij (Robbert Bartelsz.). 239 

c c o (P e d r o) 54 

Octaefsz. (Octaef) Schoen- 
maker 96, 97 

01 ck (Jan Jansz.) Schilder..... 239 
Olfertsz of Olofsz (Steven)... 305 
Olingius (Johannes) Con- 
rector van de tatijnsche school. 30 

Olis (Cataline) 240 

Olis (Fran9ois) 240 

Olis (J a c q u e s) 240 

Olis (Jan) 240 

Olis (J a n n e t g e n) \ 240 

Olofsz zie Olferts 306 

Olphers (Grietjen) 137 

Olyblock (Jacob) 297 

Oort (van) 153 

Oost er haer n (Henr icu s).. 253 
Oosterwijck (Adriaen van) 65 
Oosterwijck (Claesgen Ja- 
co b s v a n) 64, 65 

Oosterwijck (Geertruyd 

Jacobsz van) 65 

Orange (Henriette Catha- 

rina van) haar huwelijk 31 

Orbons(Su8ter) 71 

Orgel van de Oude Kerk.... 301, 302 
Orgel (Contract aanbesteding) .... 2S0 

O r m e a (M a r c u s) 240 

Ormea (Willem) Schilder. . . . 240 
Os (Hendrik van) 40, 41, 42, 46 
Os (Hendrik en Dirk van) 
Kunstverzamelaars 38, 46 



Ostade (Adriaen van) Schil- 
der 240 

Ostade (Jan van) Schilder. . . 240 

Otten (Beeletje) 143 

Otten (Hilletge)- 148 

Otten Jan d'Orgelmakerszoon 

(Doe O 281 

Ottenhoff (Gesina van)... 225 
Ottens (Jochem) Plaatsnijder 240 

Ottersz zie Etters z 181 

Ottosz (Otto) 225 

Ottus (Heronimus) Boetseer- 

werk van 43 

Ouden (Hans den) 281 

Oudens (Maria de) 227 

Oudenhoven (Adam van).. 234 

Ontclaes (Gerrit) 297 

Ontclaes (Marrytje), 297 

O u t e n (van) zie Houten. 
Overbeke(Paulnsvan).... 39 
Overschie (Adriaan Cle- 

mensz) 67 

O ver sch ie (Aeltgen Ariens) 66 
Oversteyn(den Graaf van) 

een rekening van 37 

' P. 

Paenderen Pietersdr. (Geer- 

truytvan) 312 

Falamedes (Schilderij gestoffeerd 

door) 63 

Paltzgravinne (Mevrouw de) 2 
Paludanus (Barnardus)... 240 
Paludanus (Fr an9 o is) Schilder 24o 
Paludanus (Severinus) leer- 
ling van Peter Isaac z 176 

Pandere(Jeremiasde).... 39 
Pannemakers (Lysbeth)... 311 
Papenbroeck (Collectie).. 

242, '244 

Papineau (Guillaume) Koop- 
man te Rotterdam 2 

Parck (Ritsert) 4 

Pardon (Pieter) 75 

P a r m a 243 

Parmessan (Juliana) 60 

Pars (Annietie Jans) 235 

Pas (A el t jen) 226 

Pas (Chrisp\jn van de) Plaat- 
snijder 305, 306 

Pas (Crispijn de) de Jonge 240, 305 
Pas (Magdalena van de) . . . 306 

Pas (Mayken) 226 

Pascovius (Johannes) Plaat- 
snijder 306 

Patbrugge (Denys) Plaatsnijder 306 

Patbrugh (Har men) 306 

Patbrugge (Jannetje) 306 

Patbrugge (Martin a) 306 

Patenier (Jochem) Schilderij 

van 42 

Pauw (J a c o m o) '54 

Pauwels (Cornelis) 298 

Pauwels (Grietje) 297 

Pauwelsz (Job) leerling bij P. 

Isaacsz 46, 178 

Pee (Johannes van) Schilder.. 306 
Pee (Theodoor van) Schilder.. 307 

Peene (Anna van) 227 

P e e n e (van) Schilderij van .... 225 
Peeper (Matheus de) 237 



XIV 



BLADWIJZER OVER DEN JAARGANG 1885. 



Pellecum (Matheus yan) Schil- 
der 307 

Pellegroms (Baertje) 150 

Penyn (Guilliam de) 225 

Perizonius (An t o n i u s) Rec- 
tor van de lat. School 30 

Persyn (R. v.) Plaatsnijder 56 

P e t i t (J a c o) 307 

Petit (Louis) Schilder 307 

Philippe (P.) Plaatsnijder 307 

Philips II Koning van Spanje.. 269 
P h i 1 i p s z zie ook F 1 i p s. 

Phiman (Isaac) 235 

Phocylides (Johannes). ... 210 
Picard (Bernard) Plaatsnijder.. 307 
Picart (Etienne) dit Ie Romain. 307 
Pickaert (Pi e ter) Plaatsnijder.. 307 
Pieckenoy (Elias Claesz) Wa- 

pensnijder 115 

Pieckenoy (Elias Elias z) 

Goudsmid 115 

Piekenbroek (Elisabeth). 228 
Piekenbroeck (Gerrit).... 228 
Pier (Lange) Een schilderij van 

172, 173» 196, 19^ 201, 203 

Pierart (Abram) 307 

Pierart (Daniel) Schilder.... 307 

P i e t e r (Mr.) Organist 278 

Pieters (Adriana) 290 

Pieters (Anna Maria) 181 

Pieters (Annetie) 228, 231 

Pietersz (Arent) Schilder.... 307 
Pieters (C^atharina)... 181, 290 

Pietersz (Claes) 297 

Pietersz (Cornelis) Schilder 

143, 286, 307 
Pietersz (Davidt) Schilder.. . 308 

Pieters (Dieuwertj e) 5 

Pietersz (Dirk) Schilder.. 46, 203 

Pieters (Eeltje) 151 

Pietersz (Frans) Schilder van 

Haarlem zie Greb her (de). 
Pieters (Geerte of Geer- 

truy) 56, 170, 180, 312 

Pieters (Heyltje of Helena) 181 

Pietersz (Hercules) 42 

P i.e t e r s (H u y g) leerling bij P. 

I s a a c s z 46, 1 78 

Pietersz (Huygh) zie Voskuyl. 
Pietersz (Jan) Lakenkooper . . 91 

Pietersz (Jan) Constapel 96 

Pietersz (Jan) 308 

Pietersz (Isac) Tapitsier 20 

Pietersz (Isaac) 173 

Pietersz (Laurens) 240 

Pietersen (Lener t) Glazen- 
maker 308 

Piet ers (Lysbet h) 156 

Pieters (Machtelt) 169, 310 

Pieter (Margriet) 143, 181 

Pieters (Mary, Maritje of 
Mayke) 68, 77, 156, 160, 

236, 307 

Pieters (Neyschen) 228 

Pietersz (Pieter) 203 

Pietersz (Pieter) gen. de jonge 
lange Pier Schilder 46 

Pietersz (Roeloff en Frans) 35 

Pieter (Sa ra) 119 

P i e t e rs (S t y n t i e) 231 

Pie te rs (Susanna) 181 

Pietersz (Teunis) 147 

Pieters (T r ij n t j e) 141 



Pietersz (W ij n a n d) leerling 

bij Pieter Pietersz 46 

Pilius (Martinus) 215 

Plaats (David van der) Schil- 
der 30 

Pleckenpoel (Jan Carstensz) 99 
P lei sant (Schilderij van).... 40, 43 

Plemp (AlbertJansz) 270 

Plemp (Cornelis) 127 

P 1 u c k (Susanna Ie) 68 

Poll (H armen Gysbertsz 

van ae) 115 

Poel (Pieter v an de) 141 

Poel (van der) Schilder 219 

Poelenburgh (Cornelis) schil- 
der 172 

Poelenburgh (Maria van) 228, 229 
Poelenburg (Simon van)... 308 

Poelman (Baerent) 143 

Polla (Michiel ten) Schilder 308 
Polyander (Johannes). ... 251 
Pont (Baertj en Remmers) 312 

Pontanus (Isaacus) 22$ 

Pontanus (Johannes Isaa- 

cius) 173, 174, 177, 180 

Poock(AnnaCoenraets).. 157 

Pool (Jurriaen) Schilder. 308 

Pool (Jurriaen) Zilversmid . . 308 

Pool (Rachel) 308 

Porcellus (Schilderij van) 222 

Porck(Pieterde) 77 

Porje (Elias) 306 

Pot zie Potgieter 

Potgieter of Pot (Mr. Barend 

J a n 8 z) Chirurgijn 272 

Pothout (Hendrik) 227 

Potter (Paulus) Schilder 308 

Potter (Schilderij van) 222 

Pouck zie Pook. 

Poulle (Dominicus) 54 

Poussi (Tietje Hendrix)... 159 
Poussin (Pieter Willem s). 54 

Prat (Nellitje) 232 

Pree of Pret (L o u i s d u) Schil- 
der 198, 200, 203, 204, 205, 206 

Prelinus of Proelius (Petrus) 23J 

PrenthandeL 268 

Puteanus (Erijsius) Professor 

te Leuven 127 

Puynder (Aaltje) 285 

Puynders (Claes Pietersz) 285, 292 
Puynders(Clae8ken Dirksd.) 

285, 287, 288 

P u y n d e r (D i r k) 285 

Puynder (Dirk Pietersz).. 285 

Puynder (Jan) 285, 288 

Puynder (Pieter Claesz).. 285 

Puynder (Thomas) 285 

P y 1 (J u d i t h) 79 

Pynas (Bartholomeus) 308 

Pynas (Jacob) Schilderij van . . 64 
Pynas (Jan Symonsz) 121, 172, 308 
Pynas (Jan) Schilderij van. ... 64 
Pynas (Symon Jansz) 308 



Qu el lijn (beeldhouwwerken van) 

94. "6 
Questiers (Catharina). 139, 309 



Qu 

Q« 
Qu 
Qu 



Q. 



ckelberge (Heyndricl^ 226 
ckelenbergh (Luis).... 72 
na (Jacques) Schilder. 42, 46 
ntingh (Dirk Jansz)... 162 

R. 



Quack (Cornelis Pietersz) 68 

Quast (Andries) 309 

Quast (Pieter) Schilder 309 

Queborn (Gielis Jacobszvan) 309 
Quekels (Catharina). 163, 168, 

169, 170 



Raafsen (Jan) • 151 

Rabby (Jan) ^ 

Raeghvelt (Josinavan). .. 307 
Raep (Pieter Adriaans z) 

112, 113, 118 
Raephorst (Margaretha v.) 117 
•Raephorst (Mattijs Wil- 

lemsz) 113, 117, 118, 120 

B a e s (Anna) 158, 235 

Raes (Catelijnken) 234, 235, 236 

Ra es (Thomas) 234 

Raesvelt (Sophia) 152 

Ram (Frans de) Schüder 309 

Ram (Gerrit de)..... 309 

Ram (Jacobus de) 309 

Ram (Johannes de) Plaatsnijder 309 
Ram (Johannes de) de Jonge 309 

Ram (Marya d e) 71 

Ram (P i e t e r d e) 7i, 309 

Ram mezeyn (Johannes) Boek- 
drukker te 's Hage 140 

Rannix (Sophia) 73 

Ransons (M ar ia) 69 

Rauwaert (Kunstkabinet) ..... 49 

Ravens (Hans) Schilder 309 

R a V e n s (V o 1 c k i e) 232 

Ravesteyn (Schutterstuk. van) 92 
R a y (M a r ij a V a n) . . 122, 235, 236 
Reael (Hendrik Reinierz.) 292 

Reael (Laurens) 214, 215 

Reael (R e y n i e r) 122 

Reenen (JanAertsz) 296 

Reenen (J annetie) 296 

Regniere (Saerken)........ 70 

Rem (Cornelis) in 't Duyfje.... 297 

Rem (Hans) Schilder. 45, 46 

Rembrandt. .. 85, iio, iii, 115, 

121, 122, 190, 222 
Rembrandt, zijne verzamelingen 

90, 91 
Contract met Hendr. Stoffels. 100 
Rembrandt (portret van Lutma) 226 
Rembrandt (Schilderijen van) 

de Nachtwacht 9i> 92» 93 

de kuische Susanna. *. . 92 

portret van de Graef 93 

portret van Wilmerdonck en vrouw 93 

R e n g e r s (S a r a) 79 

Retier (Albertus) I47 

Reuring (Jannetje) 64 

Re ij ers (Cornelia) 154 

Reijersz (Jacob) Zijdereeder . . . 68 

Re ij ers (Stijntie) 154 

Reygher (Cornelia de) 145 

Reygher (Sus anna de) MS 

Reygersberg (N. van) 126 

Reynders (Philips) 158 

Reyniers (Jan Claesz)..... 290 

Reyniers (Lysbet h) 3'^ 

Reynst (Lambertus) Bnigemee- 

ster '5' 

Ryhn (Pieter Jacobsz van)... ii9 



BLADWIJZER OVER DEN JAARGANG 1885. 



XV 



R h ij n (R e m b r a n d t van) zie 
Rembrandt. 

Rhyn (Titns van) 85 seq. 

Ridder (Joris de) Schilder... 309 

Ridders (Mayken) 147 

Ricgen (Hendrik) Schilder.. 155 
Riers (Anne tje Hendriks) 72 

R i e r » (H e n d r i k) 72 

Rietveldt (Adriaen) 71 

Ri e uw erts (Tryntje) 312 

R i p p e r d a (Anna) 28 

Rithart (Catrina) 79 

Ritsxna (Jacob) Schilder 310 

Roberts (Catharina)* 240 

Robroeck (Maria).. . 36,43, 44 

Hobyn (Jacobus) 148 

Rocusse (Claes) Plaatsnijder. 310 
Rocxez(Heynrick) Schilder 310 
^odenburch (H armen) de 

jonge 297 

Rodenburch (TheoJore) zijne 
versregelen aan de Schilderkunst 

172, 181, 191 
Rodenburgh (Trijn Floris) 231 
Rodingh (Pietei) schilder... 310 

Roelants (Mayken) 226 

Roelofs (Annetje) 75 

Roelofs (Jacomijn) 58 

Roelofsz (Karsten) 297 

Roemers (Abram) 170 

Roemers (Anna) 161 seq. 

Roemers (Anna) Gedichten en 

brieven van , 123 seq. 

Roemersz (Dirck) . Schilder 310 
Roemerszoonsd' (Hilleg'ont 

Piet er) 170 

Roemerszoon (Pieter) 170, 218 
Roemers (Tesselschade) 

162, 163, 167, 169 

Roemers (Resident) 311 

Roest (Ja n Adriaenz) 189 

Roestraten (Pieter Gerritsz 

van) Schilder 310 

Rocters fAbraham) 151 

Roeters (Gerrit) 151 

Roeters (Philips) Plaatsnij- 
der 310 

Rogh (Jacob).. 113, 114, 115, 116 

R o g h e (J o h a n n e s), 54 

Roghman (Arend) 272 

Rogh man (Geertruyd) 273 

Roghman (Hendrik Lam- 
bert s z) Plaatsnijder 272 

Roghman (Roeland)... 272, 311 

Rogier (Fr an cyntje) 160 

Rogier (Hendrick) Schilder. 310 

Rogie r sz (Hans) 169,310 

Rogiersz (Pieter) Plaatsnijder 310 
Rogiersf.(Salomon)Plaatsnijder 310 
Rolandus (Jacobus) Portret 

van, 204 

Rombouts (Pauwels) Tapyt- 

sier 19 

Rooleeuw (Margaretha). . . 147 

Rooleeuw (Maria) 147 

Roos (Anna) 312 

Roos (C.) 72 

Rooses (Max) Gesch, derAntw, 

Schilderschool 34 

Rooswyck (C o r nel ia) 13, 16, 

Rooa.wyck (Engel) 7, 15, 21 

Rorfwyck (Jan Engelsz).... 15 



Root (Simon) 42 

Roovere (Abel de) 231 

Roovere (Geertruyt de).... 231 

Ros (Cornelis Fransz) 293 

Ros (Mar ia) 57 

Rosiere (Josephus van de).. 253 
Roswey (Heribert van).... 139 
Rouel (Alex ander) SchUder. 237 

Roy (Susanna van) 157 

Roy (Wouter Willemz) schil- 
der 80 

Royaards van den Ham (M. 

W. J.) 124 

Roybos (Urselken) 67 

Roye (Cathelyne van) 67 

Royen (Michiel van) 67 

Roye II (Willem van) schilder.. 311 
Rozdrazewky (Hyacintius 

de) 213 

R u b e n i u s (P h.) 127 

Rubens 186 

Rubens (Schilderij van) Leander 

en Hero 94 

Rnelles (Peronne des) i42 

Ruelles (Pieter de) Schilder. . 311 

Rus (Margrieta) 155 

Ru se (Hendrick) ingenieur.... 311 

Ruse(Johan) 311 

Rusius (Prof. Albertus) 311 

Rutgers (Wijn and) 257 

Rutgersius (C.) 126 

Ruts (Adriaen) Schilder 311 

Ruts (Magdalen a) 48 

R u w e 1 zie Rouel. 

Ru wenhof (Lysbeth) 240 

Ruyff (Geertruyd van) 145 

Ruyff (Maria van) 145 

Ruyl (Gerrit Albertz) 312 

Ruyl(Lambert Gerritsz) Schil- 
der 312 

Ruysch (Prof. Frederick). . . 308 

Ruysch (Rachel) 308 

Ruysdael Salomonsz (Jacob 

van) 312 

Ruysscher (Joost de) 312 

Ruysscher (Philips de) 312 

Ruysscher (Susanna de)... . 232 
Ruyven (Pieter Claesz van) 218 

Rijbeeck (Cornelia van) 146 

Rijcken (Griet) 297 

Rijcken (Lysbeth) 78 

Rijckwaert(Theophilus)25i, 256 
Rijp (Abraham de) Schilder.... 312 
R ij p (H e 1 e n a van de)... 160, 225 

Rijp (Volckert van) 160 

Rijswijck (Dirck van) Goud- 
smid 137, 138 

R ij s w ij c k (P i e t e r) 65 

R ij X e n (M a r i t j e) 72 

S. 

Sadelaer (Gille s^d e) 317 

Sadelaer (Prenten van) 202 

Salomons (Trijntje^ 142 

Sande (Hendrik van de) 236 

Sanderis (Elisabeth) 155 

Santen (Adriaan va n) 67 

Santen (Jan van).... 65, 66, 218 
Santvoort (Abraham Dirksz) 

Schilder 312 

Santvourt (Dirk Dirksz) 

Schilder , 112, 312 



Santvoort (Jacob Dirksz) 230, 312 
Santvoort (Magdalen a)... 312 
Santvoort (Peternelletje) 312 
Santvoort (Rembrandt)... 312 

Sardam(B aartje van) 155 

Saskia zie Uylenburgh 

Sautyn (Huybert)..., 225 

Sautyns (J anneke n) 225 

Savry (Jacob) 46 

Savry (Roeland) Schilder 172, 273 

Sayon (Adriana) 257 

Sayon (Anthony) 256, 257 

Sayon (Barbara) 256, 257 

Sayon (Maria) 257 

Sayon (Pieter) 256 

Sayon (Vincent) 256 

Scagen (Mr. Cornelis) Orga- 
nist 280, 281, 282, 285, 302 

Schaep (Gerard) Handschrift 

van 109, seq. 279 

Schagen (Pieter Jansz) 289, 291 
Scharm (S te ven jans z) Apothe- 
ker 74 

Scheepers (Beyken) 235 

Schellincks (W i 1 1 e m) Schil- 
der 225, 275 

Schellinger(Tadik) 312 

Schelte (Maritje) 58 

Scheltema {AemsteU oudheid)^ 298 
Scheltema {ffistor, Beschr, der 
schilderijen van het Stadhuis door 

Dr, P.) 109 seq. 

Scheltus van Kampferbeke 

(L. J. A.) verkooping 124 

Schepper (Matthijs) Tapitsier 

te Delft .. 3 

Scherm (Albert Jansz) Chi- 
rurg 53 

Scheyden (Claes van) 77 

Schickardus(Wilhelmus)2i2, 215 
Schinkel (A. D.) Zijn vertolking 
der Cent Emblémes Chrestiens, . 124 

Schipper (J. J.), 30 

Schonaeus (Cornelius) Por- 
tret van 267 

Sch 00 nebeek (Adriaen) Plaat- 
snijder 307 

Schoonhoven (Arnoldus) Pre- 

dikent , 72 

Schoonhoven (Paulus van) 227 

S c h o r e 1 (Schilderij van) 200 

Schotana (Ma rgrita).. 307 

Schotanus (Dr. B) 307 

Schott (Jacques de) 54 

Schotts (Margaretha) 308 

Schouten (Balthazar) 232 

Schouten (Mar gr ie tje) 155 

Schovers (Beyken) 234 

Schreuels (Susanna) 71 

Schrick (Martin Pietersz)... 68 

Schrijver (Lijsbet) 77 

Schrij ver (Susanna) 7i 

Schut z (Johanes) 231 

Schuyl(Anna) 231 

Schuym (Annetgen Hen- 

dricks) 229 

Schuyr (Lowys Jacobsz 

van der) Tapitsier te Delft. . . 2 
Scriverius (Lat. brief van 

Petrus) 139 

Seegers (Daniel) bloemschilder. 52 
Seegers (Hercules) Schilder5i seq. 
Seegers (Pieter) 44, 255 



XVI 



BLADWIJZER OVER DEN JAARGANG 1885. 



Segerman (Engeltje) 240 

Seipel (Johannes) 234 

Selyns (Jean) 312 

Sem (Mr. Jan Fietersz.)*-** 271 
Se me 7 (Dirck) TapiUier te Am- 

sterda|i 3 

Sejoi^(Anna) 79 

Servaes (Josijntje) 137 

Serwouters (Cathaljne) 70 

Se r WO uters(Griet je Fre de- 
riks) 285 

Seys (Aegidius) 253 

Sichem (Gatharyn yan) 225 

Sichem (Cbristoffel van) 68, 

148, 198, 22$ 

Sickens (Maria) 309 

Sillinx (Wayntie), 229 

Simonsz (Arent) 305 

Simons z (Cornelis)Gla8schilder 46 
Sinnepoppin van Roemer Visscher, . 128 

Six (Jan) 95 

Sjardyn zie Jardin (du). 

Siicher (Sara) 57, 61 

Smissaert (Gilles) leerling bij 

Ketel 46 

Smissaert (Susanna) 71 

Smit (Barend) 286 

Smit (Catharina). 237, 239 

Smit (Jacob) 237 

Smitward (Edward) 63 

Smyters (Antonie) 69 

Smij tse (V an de) 126 

Snellincks (Elisabeth).... 284 
Snoeck (Pieter Jansz) leer- 
ling bij Dirk Pietersz 46 

Snouckaert van Scbrappiaa 
(Jonkhr. Nicolaas) 3, 5, 6, 7, 8, 

10, 12, 13, 14, 16 
S nouckaerts(Passyntje of 

P as ca s ia) 13, 22 

Soeck (Herman) 234 

Sohier (Susanna) 150 

Solerane (Clara de) 78 

Solemne (Sophia de) 78 

Solms (Amalia van) te Gron.. 31 
Someren(Barend van) schil- 
der 46, 185, 186, 192, 235 

Someren (Sara van) 143 

Somerghem(Cathalyne van) 145 
Sommighi Epithaiamien Elegien 

en SoneUen 127 

Somzee(Leon) 22 

Sooligen (Geertrui van)..... 147 

Soolige (H armen) 147 

Sopingius (Christiaan)...... 253 

Soutens zie Boortens. 

Spaeroogh (Cornelia) 77, 312 

Spaeroogh (Herman Claesz) 77 
Spiegel (Hendrik Dirksz). 120 
Spiegel (Hendrik Laurensz) 

268, 269 

Spierincx (Abraha m) 15 

Spierincx (Aert) Tapitsier 3, 9, 

14. 19. «I 
Spierings (Anneke n) 152 

Spiering (Jaques) 150, 152 

Spierings (Jannetje) 150 

Spierinck (Francois) Tapitsier 

te Delft 2, seq., 44, 47 

Spierincx s (GuUiaume) Tapit- 
sier 13, 19, 152 

Spierinck (Lintje) 191 

Spieringh (Nicolaas) 229 



Spierinck (Pieter) 21 

S p i n o la (portret van) 268 

Spithoff (Jan Quirynsz). 106, 107 

Splinters (Annetie) 309 

Sprangers (B artholomeus) 

Schilder 267 

Spruyt (Gerrit) 155 

Staets (Mach teltje) 155 

Sta ffma kers (Anna) 153 

Staffm akers (Davit) 153 

Staffort (Viscount o f) 72 

Stalpart (Daniel) Architect... 204 
Stalparts van de Wiele (Eva) 145 
Stalpaert (Pieter) Schilder.... 46 

Starter (Frans Jansz) 54 

Starter (Jan Jansz) Dichter... 54 

Staten-CoUege te Leiden 249, seq. 

Steen (J.) 72 

Steenhoven (Theodoros). 310 
Steen win kei de Jonge (Hans) 

Architect 176 

Steenwinckel (Janus van) 

Tapytsier 19 

S t e e n w ij k (E 1 s ge n) 63 

Stellaerd van Lion (Fran- 

9 o i s) 119 

Steur(Hugo) 253 

Stevens (Annetge) 221 

S te vens (Elsgen) 151 

Stevens (Engeltie) 63 

Stevens (Sara) 154 

Stock (Hendrik) 46 

Stoffels (Barent) 44 

Stoffels (Griet) 266 

Stoffels (Hendrickie) 86, 

95. 9^» 99, 100, loi, 102, 103. 104, 106 
Stommans (Pieter) tapitsier 

14.16, 19 
Stoopendael (Bastiaen) 

Flaatsnijder 233 

Suderville zie Jouderville. 

Suertse (Martyntje) 148 

Sutphen (Maria van) 309 

Sutphen (Matthijs'van).... 309 
Suylen (Schilderij van Joncker 

van) 63 

Swaerdecroon (Mathilda) 80 
S^walmius (Ele as ar) Predikant 

147, 152, 253 
Swalmius (Henricus) Pre- 
dikant 70 

Swanenburch (Jan Corne- 

lisz) 215 

Swart (Cornelia de) 149 

Swart O^eun tien) 149 

Sw ee ling (Anna), 296 

Sweelinck (Arend) 278 

Sweelink ((Cornelia) 296 

Sweelinck (Dieuwer) 293 

Sweelinck (Dirk) 286,287 

Sweelinck (Mr. Dirk Jan- 
sen) Organist 294, 298 

Sweelinck (Dirkje Gerrits) 292 
Sweelinck (Elisa beth)283, 

284, 293, 294, 295 

Sweelingh (Georgius) 296 

Sweelinck (Dr. Gerard Pie- 
tersz) 292, 293 

Sweelinck (Gerrit).... 278, 283 
Swelyngh (Hendrik)... 283, 296 

Sweelinck (Heyltgen) 288 

Sweelinck (Jan) 292 

Sweelinck (Jan Jansz).... 286 



Sweelinck (Jan Pietersr) 

Organist 177, 268, 277 seq. 

Swelynck (Johan) 278, 283, 

286, 288, 289, 296 
Sweelink (Johannes) WiJQ- 

kooper 296 

Sweeling (Johannes E ver- 
har dus) 296 

Sweelinck (Lysbeth).. 292, 293 
Sweelinck (Maria) 283, 292, 293 

Sweeling (Melchior) 296 

Sweelinck (Pieter) 294 

Sweelinck (Pieter Jansz) 

286, 295 
Sweelinck (Ysbrand) 286, 

288, 294, 295 
S w e e r t s (H.) Boekverkooper. . . 153 

Sweerts (Jeronimus) 202 

Sw eerts (Jeronimus) Schilder 202 

Swerius (Tanneke) 177 

S win den (Prof^ van) 216 

Swittertsz (Pieter)., 297 

Sijbrantsz (Heinrik) 307 

Sijbrantss (Hessel) 149 

Sijbrandts (Reynsgen &Cor- 

n e 1 i s) 50 

Sydney 82 

Sijdt (Petronella) 238 

Sylert of Hylcrt (Melchior). 142 

Sijsmus (Jan) Stads docter 119 

Sytteren (Aneken van) 146 

T. 

Tack (Catharina) 310 

Tack (Gerrit) 64 

Tack (Jacques) tapijtwerker 7, 

9, 20 

Taf f in (Jean) predikant 83, 84 

Tapijtserien voor de Konink- 
lijke Majesteit van Denemarken 

9, 10, 12, 21 

Tapitserien (prijzen van) 3 

Tapitsiers (Nederlandsche) 2 

Tarnes (Tryntje) 71 

Tatum (David Davidsz)... 69 

Taurinus (Franciscus) 253 

Teelinck (W.) 126 

Teller (Jan) 168 

Tempel der HeiUgen Historiën ... 32 

Tempel (Jacob van den) 237 

Tengnagel (Jan) Schilder 172 

173. 208. 30^ 
Tentenier (Isaac) 54 

Teset (Pouwels) 77 

Tesselschade zie Roemers 

Theuling (Dirck) 113 

Thielmans (Gerrit) 152 

Thomas (Barber) 156 

Thomas (Elsje) 150 

Thomas (Stijntie) 237 

Thonis (Annetje) SO 

Thonisz (Barent)..... 42 

Thonisz (Jacob) 78 

Thoniss (Jan) 15$ 

Thonis (Magdalen a). 62 

Thonijsz (Pilgrom) Priester. 297 

Thonis (S aartje) 62 

Thonis (Stijntje) 145 

Thonis (Trijntie) 145 

Thonis (Schilderij van Hubr).. 19^ 

Thyssen (Beyken) 230 



BLADWIJZER OVER DEN JAARGANG 1885. 



XVII 



Thyssen (Femmetien) 157 

Thysi (Philipi) 42 

Tiel (Gerrit Jansz) Zilversmid 137 

Ti cl (Jan) 228 

Tiel (Leent ie) 228 

Ti el en (Tiel e man); 154 

Tien (Pieter Jansz) 230 

Til (Thomas van) Predikant... 82 

Tillborgh(Abigael) 80 

Timmerman (Jonas) 255 

T i n s (Maria)... 218, 219, 220, 22 1 

Tombe (des) 222 

Tombe (Esaias de la) 76 

Tombe (Salomon de la).... 39 
Tomes of Cousen(Truytgen) 234 
Tonnemans (Elisabeth)... 229 

Torel (Jeronimas) 228 

Torel (Martijntje) 228 

Torel (Philipina) 228 

Torens (Hendrickje) 69 

Toxopaeus (Johannes) Pre- 
dikant 30 

Tradel (Jan) 152 

Tradel (Jeremias) 152 

Tradel (Sasanna), 152 

Trelcatius 252 

TriuMphante Inkomst, 23 

T r o c k (L o n i s e du) 1 54 

Tromp (Cornelis) Admiraal. 117 
Troncquois(Catharina).. 140 
Troijen (Grietje Pieters 

van) 146 

Troijen (Pr. Hendriks z. van) 146 

Trutins (Antonius) 24? 

Tulkschaep (Margarita). 60 

Tuyk (Margrieta) 229 

Tweenhuysen (Magdalena 

van) 234 

Tybont (Gerrit) 234 

Tyenburg (Dirk) 112 

U. 

üffelen (Hans van) Juwelier 46 

U i 1 1 e r d y k (J. N a nn i n g a) . . . 53 

U 1 s m a n (Jan) 60 

Utens (Maarten) Tapitsier te 

Delft 2 

Uylenbroeck (A bram van 

93. 310 
Üylenburg (Hendrik) schil- 
der 91, 93 

Uylenbburch (Marcus).... 93 
Uylenburgh (Saskia van) 

86, 89, 90, 91, 92, 93, 95, 90, 105 
Uytenbogaerd (Harmpke) 240 
Uytenbogaert (Sara) 310 

V. 

Vacnius (Otho) 127 

Valck ^Abraham) 65 

V a 1 c k (G e r a r d) 95, 67 

V al ck (Johannes) 65 

Valck (Mar ij a) geb. Bloteling. 65 

V a 1 c k z (Jan) 270, 271 

V alkenburg (schilderij F. van 193 
Valkenborgh (Lysbeth)*.. 60 
Valckenier (Gilles Jansz). 175 

V alentij n (Saartj en) 151 



V anino (Francisca Juliana) 296 
Vanino (Johannes Bap- 

tt^sta) 296 

Veelen(Janvan) 167 

Veen (Simon van) ,. 43 

Veer (Frederik de) 63 

Veer (van der) zie Ariens.. 

Vekemans (Beatrix) 53 

Vekemans v> n Meerhout 

(Pieter) rector 53 

Velde (Bastiaan van de).. 308 
Velde (Schilderij van J e s a Y a s 

V a n d e) 64 

Velde (Hans van de) Schilder 46 
Velde (Jacomijntje van 

den) 69 

Velde (Johan van de) 230 

Velden (Lammert van de) 58 
Velden (M aria van der)... 78 

Velsius(Gerardus) 253 

Veltmans (Elisabeth) 225 

Venant (Fran9ois) leerling 

bij P. Isaacsz 46, 178 

Venne (Adriaen van de) Schi- 

der 93 

Venne gieter van de) 63 

Venne (Tanneke van de) 188 

Vennecool (Üirk) chirurgijn... 140 

Verboom (Cryn) 43 

Verbout (Jan) 87 

Verbrughe (Johannes) 309 

Verburgh (Gysbert Jansz). . 60 

Verburg (Jan Denysz) 225 

Vergeer (Joh.) Predikant 141 

Verhee (Adriaen Woutersz). 127 

Verhee (Jan) 283 

Verheyk (Isaac) 226 

Verkolje (Sr.) teekenaar 140 

Vermaren (Jacomyne). . . . .. . 143 

Vermeer (Geertruyd) 218 

Vermeer (Johannes) schilder 

217 seq. 
Vermeer (Reinier Jansz.).... 218 

Vermeulen (Daniel) 238 

Verminnen (Lysbeth) 158 

Vermouw (Anneti e) 143 

Verryn (Paulus) 225 

Verschuyl(Christina) 61 

Verspreet (Hans) 153 

V e r s t a p p e n (A n n a) 79 

Verstech (Johan) 298 

Vers teegen (C ath ari n a)... 158 

Verstegen (Hendrik) 235 

Verstegen (Richard) te Ant- 
werpen 124 

Versteeghen (Steven) 68 

Verstegen (Theod. Row- 

land) 125 

Verstraten (Adriaau) 36 

Ver s tr at e n (Heinr ick) 160 

Verstrot (schilderij van)..; .. 193 
Vervoort(Librecht) tapitsier 

14, 20 
Verwer (Abraham de) schil- 
der 186, 193 

Vett(Hansde) 158 

Viens (Reinier de) 307 

Ville (Jaques de) leerling van 

G r e b b e r (?) 192 

Villiers (de) 83, 84 

Vinck (Abraham) schilder, 172 

\%2seq. 
Vinck (Catharina) 184 



Vinck (He ndr ik) 77 

Vinck (Joost) schilder 182 

Vinck (Margariete) 184 

Vinck (Mayken) 187 

Vinck (Pieter; 187 

Vinck (P iete r Egbertsz).. 122 

Vinck (Willem) 183 

Vinck (Willem D a e m s z.) . . 187 
Vinckboons (David) schilder 

38, 41, 46, 49, 172 
Vingboons (Maria) 63 

V i n g b o o n s (Philips).. 188, 203 

Vingboons (S us au n a) 188 

Viru li (Michi el) 225 

Vis (Margrieta) 143 

Visscher (Anna Roemers) 

zie Roemers. 
Visscher (Claes Jansz.) 43, 

45. 46, 56 

Visscher (Eva) 233 

Visscher (Geertruyd Roe- 
mers) 164, 166, 167, 168 

Visscher (Jan Bruins z).... 233 
Visscher (Pietersz.) 162,164, 168 
Visscher (Roemer) 68, 161, 

167, 169, 208 
Visscher (Geslachtlyst van 

Roemer) • 165 

Vlack (schilder) 121 

Vlackvelt (Jannetje Ja ars). 229 

Vlamingh (Hester) 312 

Vlasvadt (Cataryna) 16$ 

Vlasvadt (Immetje) 168 

V 1 as vadt (Pieter J ansz)... 168 

Vlieger (Cornelia de) 150 

Vlieger (Symon de) Schilder 1 50 

Vlietius (Abraham) 253 

Vlooswijck (Jan Claesz) 116, 117 

Vloten (J. van) 162 

Voeset (Antony) tapytsier 19 

Voetius (Gijsbert) 253 

Vogelaar (Nicolaas de) schil- 
der 49 

Vogelaar (Sara de) 49 

Volkkertsz (Jan) 59 

Volckerts (Lijsbeth) 62 

Vollenhoven (Pieter van)... 231 
Vollewensch (Pietertje Ger- 

rits) 293 

Vol mar (Jacob) 257 

Vondel..... .' 269, 279 

Vooght (Arnout) 234 

Voort (Anna van der) 190,195,296 
Voorde (Carel van der). 195, 296 

Voort (Clara van der) 190 

Voorde (Cornelia van der) 

194. 296 
Voort (Cornelis van der) 
schilder 38, 42, 43, 45, 46, 115, 

172, 184, 187 
voort (Cornelis van der) 

schilder te Delft 195 

Voort (Dorothea van der)... 194 
Voort (Geertruyd van der).. 195 
Voort (Hans van der).... 188, 199 

Voort (J an van der) 194 

Voort (Leentje van der) 188 

Voort (Lysbeth van der) 72 

Voorde (Maria van der). 188, 296 
Voort (Pouwlus van der).... 188 
Voort (Pietervandcr) 188, 189 
Voort (Pieter Cornelisz.) schil- 
der 194, 2o4, seq. 



XVIII 



BLADWIJZER OVER DEN JAARGANG 1885. 



VoortHansz(Pieter van der) 188 
Voort (Susanna van der).. 188 
Vort (Daniel van der) Cla- 

•vecimbelmaker 286 

Vos (Jan) Dichter 31 

V o s (J a n D e i n) 126 

Vos(JanHuyben) 126 

Vos (Maarten de) Schilder 42, 

. 45, 310 
Vos (Maarten de) Schilderij van 42 

Voskuyl (Claes) 168 

Vosk uyl (Dirk Piete rsr).. 144 

Voskuyl (Dr. Everardus) 

168, 208 

Voskuyl (Geertruyd) 168 

Voskuyl (Huygh Pietersz) 

Schilder. 207, 208 

Voskuyl (Jurj aen) 168 

Voskuyl (Lysbeth). 168 

Voskuyl (Meinert Pietersz) 

Tooneeldichter 208 

Voskuyl (Pieter) 208 

Vosmaer 95, 100 

Vossius (Dionisius). ...... 126 

Vosstus (Oer ar dus Johan- 

nis) 126,212,215 

Vossius (Johannes) 258 

Vredenburgh (Jonckvr. A. 

M. van) 2 

yrientius(Max) 127 

V r i e 8 (A d r i a e n d e) Schilder 267 
Vries (Dirk Jacobsen de). 143 

Vries (H ester d e), 146 

Vries (Jan net ie Dirx de\. 143 
Vries (Marieke Harmens ae) 142 
Vries (Paulus Vredeman de) 

46, 177 

Vries (Schilderij van de) 63 

Vroede fFran9ois de) 240 

Vroede (Martinns de) 240 

Vrije (Jan Egbertz de) 145 

Vucht (van der) zie Van der 

Gucht) 22 

Vulcanus (Bonaventura) .. . 247 

Vijgh (Jhr. Nico laas) 245 

Vijs (Jacob de) Tapytsier 19 

Vijst (Jan van der) Tapitsier 

te Delft 2 

W. 

Waeter (Maria van de). 27, 32 

Wagensvelt (Maria) 234 

Walchardus (Ds.) 168 

Wallinckhuysen 164 

Walscappel (Teuntie van) 142 
Warck (Johannes van de) 

242, 251 
Warmeloo (Cornelisvan) 58 
W a t e r 1 o o (H. F.) zijn gedicht 

op L u t m a) 22^ 

W at s on (Willem) 72 

Wayer (Jaeob) 68, 235 

Weert (Rutgers van) 69 

Wees (Adriaen Hendricksz 

de) 90 

Welbos (Mayken) 78 



Wely (Hans van) Juwcl. .r . . . 46 
Wely (Thomas van)... 174, 181 

Werff (Floris van der) 220 

Werken zie Warck. 

Wessels (Philip) 146 

West (Jan) 227 

Westerbaen 128 

Westerbeke (Franfois van) 

Hopman 39 

Westhoff (Marcus) 54 

Westrik (Cornelis Albertsz 

V a n; Compasmaker 229 

Weydemans (Maria) 146 

We ij en (Jacques van der) 

Schilder 38, 46 

Wezel (Jan van).- 164 

Wezel (Roemer van) 164 

Wezel zie Boot van Wezel. 
Wickevoort de Jonge (G a s- 

p a r V a n) $4 

Wiell (Anthony van der).. 218 

W i e r t (H e s t e r van) 234 

Wiert (Rey nier van) 234 

Wilde (Elisabeth de) 150 

Wilde (Salomon de) Tapit- 
sier te Delft 2 

Wildere (Barbara van).... 75 
Wildt (David Jacobsz de) 

195, 229 
Wildt (Sara Davids de)... 226 
Wilhelmi (Petronella).... 307 
W i 1 h e m (Jon an de) Hollandsch 

koopman te Kopenhaven. 1 1 

Willem (Lysbeth de) 159 

Wilhem (Pauwels de) 6 

Wilhem (de) 24, 25 

Wilkens(Hendrickje) 65 

Wilckes (Truytgen).... 64, 65 
Willem I (Prins) van Orange 

81, 83, 84 
Willem II te Groningen 1648. 23 

W i 1 1 e m s (Aa f f g ie) 144 

Willemsz (Aert) 298 

Willeras (Baertje) 144 

W i 1 1 e m 8 z (C o r n e 1 i s), 298 

Willemsz (Daniel) Tapyt- 
sier. 19 

W i 1 1 e m s (E v e r t j e) 79 

W i 1 1 è m s (G e e s j e) 79 

Willems (Giertje) 190 

Willems (Grietje) 156, 190 

Willems (Haesje) 299, 300 

Willems (Hilletje) 298 

Willemsz (Jacob) 299 

Willemsz (Jan) 298 

Willems (M a r y a) 65 

Willems (Lijsbeth) 282 

Willems (Pietertje) 312 

Willems (Truytgen) 189,190 

307 
Willems (Trijntje) 158 

Wils (Joan) 63 

Wilmerdonx (Abraham) 93, 94 

Winck (Elisabeth Adolfs) 227 

Winckelmans (Elisabeth) 232 

Winde (Maria van der) 232 

W i n n e n s (Anna) 74 



Wlssouvatitts (Agnita).... 225 

Wit (Willem de).. 22$ 

With (Elisabeth de) 233 

Witsen (Aagje Gerrits)... 117 

Witsen (Catnarina) 64 

Witsen Cornelis) 64, 87 

Witsz (Gerrit Jacobsz).... 117 

Witsen (Jan)..... 64 

Witsen (Jonas) 64 

Witsen (L amber t) Hopman. 64 
Witsen (R o c h u s) Schilder 204, 

205, 206 

Wittius (Daniel) 253 

Woertmans (Maria) 296 

Wolff (Jannetie) 61 

Wolff (Isabella de) 229 

Wolphius (Regnerus) predi- 
kant 30 

Wormans (Geertroyd) 234 

Wouters (Aeltgen) 158 

Wouters ^atryna) 80 

Wouter (Clara)..... 48, 80 

Wouters z. (Hendrik) 297 

Woutersz (Pieter) 74 

Wouwer (Heariette Simons 

van de) 233 

Wouwerman (Schilderij van). 222 

Writs (Anna) 153 

Wijbrands (Co me Ha) 29e 

W ij b r a n d s (Gilles) 296 

Wijck (Elisabeth van) 309 

Wijckraet (Mr. Hendrik 

van) 230 

W ij ni^ n t s (Maria) 312 

Wijnbergen (Maryeken van) 233 

W ij n V e l d. Professor 118 

Wytzema (Upkc H armen). 
Apotheker 27. 30 

Y. 

Ysbrandts (Catharin a).... 308 
Tsbrands (Jannetje n) 143 

Z. 

Zael (Qobel) RlokgTeter 281 

Zaelenzoen (Ruysch) 281 

Zee (Balthazar van der) 

tapitsier te Delft 9, 10, 13, 14, 

15. 16, 19 
Zee (Dominicus van der)